Skip to main content

Full text of "Van Goor's English-Dutch and Dutch-English dictionary"

See other formats


UNIVERSITY 
OF  FLORIDA 
LIBRARIES 


COLLEGE  LIBRARY 


Digitized  by  the  Internet  Archive 

in  2011  with  funding  from 

LYRASIS  IVIembers  and  Sloan  Foundation 


http://www.archive.org/details/vangoorsenglishdOOunse 


VAN  GOOR'S 


ENGLISH-DUTCH 


DUTCH-ENGLISH 
DICTIONARY 

BY 

F.  PRICK  VAN  WELY 

ELEVENTH  REVISED  EDITION 


DAVID  MCKAY  COMPANY.  INC. 
NEW  YORK 


VOORBERICHT 

De  tiende  druk  van  Van  Goof's  Engels  Zakwoordenboek  is 
zorgvuldig  herzien.  Hij  is  overgebracht  in  de  spelling  1955 
met  dien  verstande,  dat  in  het  Engels-Nederlandse  deel  in 
gevallen  van  dubbele  spelling  de  „voorkeurspelling"  is  toe- 
gepast  en  in  het  Nederlands-Engelse  deel  de  vertaling  in  het 
Engels  is  opgenomen  achter  het  woord  in  de  „voorkeur- 
spelling",  terwijl  de  vormen  in  ,,niet-voorkeurspelling"  in  de 
gewone  alfabetische  volgorde  zijn  geplaatst  en  verwijzen  naar 
de  vormen  in  „voorkeurspelling"  (b.v.  copie,  zie  kopie). 
Alleen  als  ze  onmiddellijk  op  elkaar  volgen  (b.v.  certificaat 
en  certifikaat),  zijn  zij  in  een  artikel  opgenomen.  Bij  gelijk- 
waardige  spelling  wordt  bij  een  der  vormen  de  vertaling  op- 
genomen en  bij  de  andere  met  het  gelijkteken  daarnaar  ver- 
wezen    (b.v.   aambeeld   :=   aanbeeld). 

Het  Nederlandse  geslacht  wordt  in  het  Engels-Nederlandse 
deel  alleen  bij  de  onzijdige  woorden  aangegeven,  in  het 
Nederlands-Engelse  deel  bij  alle,  met  weglating  van  de  aan- 
duiding  v(m)  van  de  ^Woordenlijst",  die  in  een  woorden- 
boek  voor  een  vreemde  taal  niet  op  haar  plaats  is.  Staan 
er  twee  geslachtsaanduidingen,  dan  laten  de  nieuwste  voor- 
schriften  vrijheid  in  het  gebruik  van  het  geslacht;  hier 
worden  de  beide  mogelijke  geslachten  door  het  teken  &  ver- 
bonden    (antraciet,   m  &   o). 

Is  er  tussen  de  vormen  met  verschillend  geslacht  betekenis- 
verschil,    dan    zijn    beide   vormen,    indien    zij    in    een    artikel 

voorkomen,  van  geslacht  voorzien    (football   voetbal   o 

[spel],  voetbal  ;«    [voorwerpsnaam] ). 

Nijmegen,  augustus  1956  F.  Prick  van  W'ely 


In  de  elfde  druk  zijn  slechts  enige  noodzakelijke  verbeterin- 
gen  aangebracht. 


Zomer  1959  F.  Prick  van  Wely 


prin 


VERKLARING  DER  AFKORTINGEN 

aj  =  bijvoeglijk  naamwoord,  adjective. 

jig  ^=-  figuurlijk,  figuratively. 

m  =  mannelijk,   masculine. 

mv  =  meervoud,  plural. 

o  =  onzijdig,  neuter. 

V  =  vrouwelijk,  feminine. 

vi  =  onovergankelijk  werkwoord,   intransitive  verb. 

vt  =  overgankelijk  vi'erkwoord,  transitive  verb. 

V.D.  =  verleden  deelv/oord. 

V.T.  =  verleden  tijd. 


VERKLARING  DER  FONETISCHE  TEKEXS 

r  ongeveer  als  de  aa  van  het  Nederlands  vaar. 

ae'  tussen  de  a  van  het  Nederl.  man  en  de  e  van  het  Nederl.   met. 

belt  meer  naar  de  korte  a  over  dan  de  o  in  het  Duits  Gotter. 

a;  ongeveer   als   de  eu  van  het  Frans  peur    +    de  toonloze  3. 

e  zweemt  enigszins  naar  de  i  in  min. 

83  ongeveer  als  de  e  in  het  Frans  pere,  doch  met  grotere  kaakopening. 

i  ongeveer  als  de  i  in  het  Duits  Bine, 

i:  als  ie  in  het  Nederl.  tien,  maar  iets  langer  aangehouden. 

ou  ongeveer  als  de  Nederl.  letterverbinding  oooe. 

0  ongeveer  als  de  o  in  het  Nederl.  pot. 

d:  ongeveer  als  oa  in  het  Overijsels  loaten. 

u  ongeveer  als  de  kort  aangehouden  oe  in  het  Nederl.  voet. 

ongeveer  als  de  oe  in  het  Nederl.  meed,  maar  langer  aangehouden. 

3  ongeveer  als  de  e   in   het  Nederl.    de. 

ai  ongeveer  als  de  e!  in  het  Duits  Bein. 

au  ongeveer  als  de  verkorte  a  van  het  Nederl.  baker,  gevolgd  door  een 
vluchtige  of-klank. 

ei  ongeveer  als  de  Nederl.  letterverbinding  eei. 

3i  hierin  is  de  o  een  verkorte  d;. 

g  als  g  in  het  Frans  guerre. 

j  als  7  in  het  Nederl.  jaar. 

r)  als  ng  in  het  Nederl.  zing. 

3  '   als  ^  in  het  Frans  courage. 

;  als  ch  in  het  Frans  Charlotte. 

g  als  tb  in  het  Engels  this. 

e  als  th  in  het  Engels  thin. 

w  als  w  in  het  Engels  well. 

X  als  ch  in  het  Nederl.  lach. 

Het  teken  '  v66r   een   lettergreep   duidt   aan,    dat   deze   de   klemtoon   krijg, 

als  in   father    ['farSa]. 


a  [ei]    (de  letter)   a. 

a  [ei;  a]  een. 

aback    [s'bask]    terug,    achteruit;    be 

taken    — ,   verbluft   staan. 
abandon  [a'bsendn]   aan  zijn  lot  over- 

laten,  prijsgeven,  verlaten,  opgeven; 

■ — ■    oneself   to,    zich   overgeven   aan. 
abase  [s'beis]  vernederen,  verlagen. 
abash  [a'basj]  beschamen. 
abate    [a'beit]    afslaan;   verlagen,   ver- 

minderen. 
abbess  ['jebis]  abdis. 
abbey   ['abi]    abdij. 
abbot   ['sebst]    abt. 

abbreviate  [s'briivieit]  af-,  verkorten. 
abbreviation   [abriivi'eijsn]   af-,  ver- 

korting. 
abdicate   ['eebdikeit]   afstand  doen 

(van). 
abdication    [sebdi'keijan]     (troons)af- 

stand. 
abduct  [sb'dAkt]  ontvoeren. 
abduction    [ab'dAkJsn]    ontvoering. 
abductor    [sb'dAkta]    ontvoerder. 
abed    [s'bed]    te  bed. 
abet    [a'bet]    aanzetten,    ophitsen;    de 

hand  reiken. 
abhor   [ab'hD:]   verafschuwen. 
abhorrence    [ab'hDisns]    afschuw. 
abide  [s'baid]   (ver)toeven;  volharden; 

—   by,  zich  houden  aan    [een   con- 
tract, enz.]. 
ability    [s'biliti]    bekwaamheid;   ver- 

mogen   a. 
abject    ['aebdsekt]    laag,   verachtelijk. 
abjure    [sb'dsus]    afzweren. 
ablaze    [s'bleiz]    in  lichte(r)    laai(e); 

gloeiend. 
able  C'eibl]  bekwaam,  bevoegd;  be  ■ — ■, 

kunnen. 
able-bodied  ['eibl'bDdid]   sterk  en  ge- 


zond,  volwaardig,  valide,  weerbaar; 

vol    [matroos]. 
ably   ['eibli]    bekwaam,  knap,  handig. 
abnormal    [sb'nDrmal]    abnormaal. 
aboard    [s'boid]    aan  boord. 
abode  [a'boud]  woning,  verbhjfplaats; 

V.T.  &  V.D.  v.  abide. 
abolish  [a'bslij]   afschaffen,  opheffen, 

vernietigen. 
abolishment,  abolition   [a'bDliJmant, 

sebs'lijan]    afschaffing,    opheffing, 

vernietiging. 
abominable    [a'bominabl]    afschuwe- 

lijk,  verfoeiiijk. 
abomination   [sbDmi'neiJan]   gruwel. 
aborigines   [aeba'ridsiniiz]   eerste  be- 

woners. 
abound    [a'baund]    in   overvloed   zijn, 

overal. 
above  [s'bAv]  boven;  te  boven  gaand; 

meer    dan;    bovengenoemd;    boven- 

staand;  ■—  all,  boven  alles,  bovenal, 

vooral,   in  de  eerste  plaats. 
above-board   [s'bAv'bDid]   eerlijk. 
above-mentioned  [a'bAv'menJsnd]  bo- 

vengemeld,    bovengenoemd. 
abreast    [a'brest]    naast   elkander;    — 

oj  the  times,  op  de  hoogte  van  de 

tijd. 
abridge    [3'brid3]    verkorten. 
abridgement    [a'bridsmant]    verkor- 

ting. 
abroad     [s'brDid]     buiten;    van    huis, 

buitenslands;  ruchtbaar,  in  omloop; 

jrom     — ',    uit    het    buitenland. 

overvloeien    (van,    in,   ivith) . 
about   [s'baut]   om...(heen),  rondom: 

omstreeks;     ongeveer;     betreffende, 

over;  /  have  no   money   —    7ne,   ik 

heb  geen  geld  bij  mij;  be  —  to..., 

op    het    punt   staan    om...;    all    — ^, 


Eng.  Zakwrdbk.  11 


abrogate 

abrogate    ['sebrageit]    afschaffen,    op- 

heffen. 
abrupt    [s'brApt]     afgebroken,    steil; 

bruiisk;   plotseling. 
abscess   ['aebsis]   abces  o,  gezwel  o. 
abscond    [ab'skDnd]    zich    verbergen; 

zich    uit    de    voeten    maken. 
absence    ['iebsans]    afwezigheid. 
absent    ['cebsant]    afwezig. 
absent-minded  ['aebsant'maindid]  ver- 

strooid,    afgetrokken. 
absolute    ['sebsaluit]    absoluut,    vol- 

strekt;    onbeperkt;    volkomen. 
absolution    [aebss'luijsn]    absolutie, 

vergiffenis. 
absolve  [ab'zolv]  vrijspreken;  de  abso- 
lutie geven;  ontslaan  [van  belofte]. 
absorb   [ab'sD.b]    op-,  inzuigen,  opne- 

men;    jig    in    beslag    nemen;     — ed 

by  {in,  with),  geheel  opgaand  in. 
absorption   [3b's3:pj'3n]   op-,  inzuigen 

o,  opnemen  o\  opgaan  o   [in]. 
abstain    [sb'stein]    zich   onthouden. 
abstainer  [sb'steina]  total  — ,  geheel- 

onthouder. 
abstemious  [ab'stiimiss]   zich  onthou- 

dend,   matig. 
abstention    [ab'stenjan]    onthouding. 
abstinence   ['sbstinsns]    onthouding; 

total    — ,   geheelonthouding. 
abstract    ['asbstrtekt]    uittreksel    o;    aj 

abstract,   afgetrokken. 
abstracted  [sbs'trasktid]   afgetrokken. 
abstraction    [abs'trskjan]    abstractie, 

afgetrokken  denkbeeld  o. 
absurd   [ab'said]   ongerijmd,  dwaas. 
absurdity    [ab'saiditi]    ongerijmdheid, 

dwaasheid. 
abundance    [s'bAndans]    overvloed. 
abundant    [a'bAndant]    overvloedig. 
abuse    [s'bjuis]    misbruik    o\    beledi- 

ging;    scheldwoorden;     [3'bju:z]     vt 

misbruiken;    beledigen;    uitschelden, 

schelden   op. 
abusive  [a'bjuisiv]  verkeerd;  grof;  '~ 

language,    beledigende    taal,    scheld- 
woorden. 
abut    [o'bAt]    grenzen    (aan,   on). 
abyss    [a'bis]    afgrond. 


'  accompaniment 

acacia    [s'keija]    acacia.  [misch. 

academic(al)     [aeka'demikd)]    acade- 
academy   [a'ksedami]    academie,  hoge- 

school. 
accede    [ak'sird]    toetreden    (tot,    to)\ 

[troon]    bestijgen;   toestemmen. 
accelerate    [ak'sebreit]    bespoedigen, 

versnellen;  optrekken   [v.  auto]. 
acceleration  [akseb'reijan]   bespoedi- 

ging,    versnelling;    acceleratie. 
accelerator     (pedal)     [ak'sebreita- 

(pedl)]  gaspedaal  o  &  m. 
accent    ['aeksant]    accent  o,   nadruk, 

klem(toon);  jig  toon. 
accentuate   [sk'sentjueit]   de  klemtoon 

of  nadruk  leggen  op. 
accept   [ak'sept]   aannemen. 
acceptable    [sk'septabl]    aannemelijk, 

aanvaardbaar. 
acceptance    [ak'septans]    aanneming; 

ontvangst;   accept  o    [v.  wissel]. 
acceptation  [aeksep'teijan]  aanneming; 

(aangenomen)    betekenis. 
acceptor    [ak'septa]    acceptant    [v. 

wissel]. 
access    ['skses]    toegang;    aanval    [v. 

ziekte] ;  jig  vlaag. 
accessible  [ak'sesibi]  toegankelijk,  ge- 

naakbaar;   ontvankelijk    (voor,  to). 
accessory    [ak'sesari]    bijzaak;    mede- 

plichtige;    accessories,    onderdelen; 

toebehoren  o\  bijwerk  <?;  aj  bijkom- 

stig,  bij-;  medeplichtig. 
accident  ['aeksidsnt]  toeval  o,  ongeval 

o,  ongeluk  o, 
accidental  [aeksi'dental]  toevallig;  bij- 

komend,  bij-. 
acclaim   [s'kleim]   toejuichen. 
acclamation    [aekb'meijan]    bijval. 
accommodate  [a'kamadeit]   aanpassen; 

schikken,  voegen;   bijleggen;  onder- 

brengen,  herbergen. 
accommodating    [a'komadeitig]    (in)- 

schikkelijk,  tegemoetkomend. 
accommodation    [skoma'deijan]    aan- 

passing;    schikking;    plaatsruimte, 

onderdak  o,  logics  o,  herberging. 
accompaniment    [a'kAmpanimant]    be- 

geleiding. 


accompany 

accompany   [s'lcAinpani]   begeleiden; 
fig  vergezellen. 

accomplice  [a'kDmplis]  medeplichtige. 

accomplish   [a'kDmpliJ]  volbrengen; 
volvoeren,  vervullen. 

accomplished  [s'lomplijt]  beschaafd; 
volmaakt;  voldongen   [feit]. 

accomplishment   [a'kDmpIiJmant]  ver- 
vulling;   voltooiing;    volmaaktheid; 
talent  o. 

accord    [s'koid]    overeenstemming, 
overeenkomst;  of  one's  own  — ,  uit 
eigen   beweging,   vanzelf;   with   one 
— ,  eenstemmig;  vi  overeenstemmen; 
vt  toestaan,  verlenen. 

accordance    [s'kDidans]    overeenstem- 
ming. 

according    [a'kDidirj]    overeenstem- 
mend;  '^  to,  naar  gelang  dat...,  al 
naar;  volgens. 

accordingly  [a'kDidigli]  dienovereen- 
komstig,  dus. 

accordion  [3'kD:di3n]  harmonika. 

account  [s'kaunt]  (af)rekening;  reken- 
schap,  verklaring;  verslag  o\  call 
to  — ,  ter  veranttt'oording  roepen; 
take  into  — ,  rekening  houden  met; 
turn  to  — ,  partij  trekken  van,  zich 
ten  nutte  maken;  of  no  ■ — ■,  van 
geen  belang;  o «  —  of,  vanwege, 
v/egens;  on  his  own  ■ — •,  op  eigen 
verantwoording;  on  no  — ,  not  on 
any  ■ — ',  in  geen  geval;  vi  ^-^  for, 
rekenschap  geven  van,  verklaren; 
voor  zijn  rekening  nemen;  uitma- 
ken,   vormen    [een   bedrag]. 

accountable  [a'kauntsbl]  verantwoor- 
delijk. 

accountant  [s'kauntsnt]  boekhouder; 
accountant. 

accrue    [a'kru:]    aangroeien. 

accumulate  [3'kju:mjuleit]  (zich)  op- 
hopen. 

accumulation  [akjuimju'leijsn]  opho- 
ping. 

accumulator  [a'kjuimjuleita]  accumu- 
lator. 

accuracy  ['£ekjur3si]  nauwkeurigheid, 
nauwgezetheid,  stiptheid. 


I  acquittal 

accurate  ['aekjurit]  nauwkeurig,  nauw- 

gezet,  stipt. 
accursed,    accurst     [s'ksisid,    a'kaist] 

vervloekt,  gevloekt. 
accusation    [skju'zeijan]    beschuldi- 

ging,  aanklacht. 
accusative   [s'kjuizativ]   accusatief, 

vierde  naamval. 
accusatory    [a'kjuizatsri]    beschuldi- 

gend. 
accuse  [a'kjuiz]  beschuldigen,  aankla- 

gen. 
accustom    [a'kAstsm]   gewennen. 
accustomed  [a'kAStsmd]  gewoon,  ge- 

wend. 
ace  [eis]   aas  m  of  o. 
acetylene   [s'setiliin]   acetyleen  o. 
ache    [eik]    pijn;    vi    zeer    doen;    pijn 

lijden. 
achieve    [s'tjiiv]    volbrengen,    preste- 

ren;  bereiken,  behalen. 
achievement    [a'tfi.vmant]    prestatie; 

daad;  wapenfeit  o;   succes  o. 
acid  ['assid]  zuur  o\  af  zuur. 
acidity   [s'siditi]    zuurheid. 
acknowledge  [s'knjlids]  erkennen;  be- 

kennen;   berichten   [ontvangst]. 
acknowledg(e)ment   [s'knDlidsmsnt] 

bekentenis,  erkenning,  dank;  bericht 

o  van   ontvangst. 
acme  ['askmi]   toppunt  o\  glanspunt  o. 
acorn   ['eikD:n]   eikel. 
acquaint    [s'kweint]    bekendmaken 

(met,  with);   —   oneself  with,  zich 

op  de  hoogte  stellen  van. 
acquaintance     [s'kweintans]     bekend- 

heid;    kennismaking;    bekende,    ken- 

nis(sen);   make  his  -~,  kennis  met 

hem   maken. 
acquiesce  [sekwi'es]   berusten;  instem- 

men    (met,  in). 
acquiescence    [sekwi'esans]    berusting, 

instemming,    toestemming. 
acquire    [a'k-vvaia]    (ver)krijgen. 
acquisition    [jekwi'zijan]    aanwinst. 
acquit    [s'kwit]    ontslaan,  vrijspreken; 

—  oneself  of,  zich  kwijten  van. 
acquittal    [s'kwitsi]    vrijspraak;    ont- 

heffing. 


acquittance 

acquittance  [s'kwitans]  kwijting,  vol- 
doening;  kwitantie. 

acrid    ['skrid]    scherp,  wrang. 

acrimonious    [Ekri'mounjss]    scherp, 
bits. 

acrobat    ['aekrabaet]    acrobaat. 

acrobatic    [skrs'bsetik]    acrobatisch. 

across  [a'krDs]  (over)dwars,  gekruist, 
aan  de  overkant,  naar  de  overkant, 
erover;  (dwars)  door,  over,  aan  de 
overkant  van. 

act  [£Ekt]  daad,  handeling;  bedrijt  o; 
wet;  akte;  taken  in  the  {very)  '-', 
op  heter  daad  betrapt;  be  in  the  ~ 
of,  op  het  punt  zijn  om...;  aan 
bet...  zijn;  vi  handelen,  te  werk 
gaan;  (in)'werken;  acteren;  ~/«g, 
ook:  'waarnemend;  vt  opvoeren,  spe- 

action  ['sekjan]  actie,  handeling,  daad, 
bedrijf  o,  werking;  proces  o\  take 
— ,  jig  iets  doen. 

active  ['a;ktiv]  werkend,  werkzaam, 
actief,    bedrijvig. 

activity  [sek'tiviti]  werkzaamheid,  ac- 
tiviteit,  bedrijvigheid. 

actor   ['ajkt9]    toneeispeler,  acteur. 

actress  ['sktris]  toneelspeelster,  ac- 
trice. 

actual    ['asktju3l]    werkehjk;    feitehjk. 

actuality  [sktju'asliti]  werkelijkheid; 
actueel  zijn  o. 

actually  ['sektjuali]  werkelijk,  in  wer- 
kelijkheid; metterdaad;  waarachtig, 
zowaar;  voor   (op)  het  ogenblik. 

acute  [s'kju-.t]  scherp(zinnig);  acuut; 
hevig,   intens;   nijpend. 

adage  t'asdids]  spreek-woord  o. 

adapt  [3'daspt]  geschikt  maken,  aan-, 
toepassen;    bewerken    [roman]. 

adaptability    [adaepts'biliti]    aanpas- 

singsvermogen  o. 
adaptation    [asdasp'teijan]     aan-,    toe- 
passing;  bewerking  [v.  roman]. 
add  [sd]  bij-,  toevoegen;  optellen;  ~ 
to,  bijdragen  tot,  vermeerderen;  ver- 
hogen,  vergroten. 
adder   ['aeds]   adder. 
addict  [a'dikt]  wijden;  ~ed  to  liquor, 


administrator 

aan  de  drank   (verslaafd). 
addition    [a'dijsn]     bij-,     toevoeging, 
toegift;    optelling;    bijvoegsel    o\    in 
'— ,  bovendien;  in  ~  to,  behalve,  bij. 
additional    [a'dijsnsl]   bijgevoegd; 

extra-,   nog...,    ...meer. 
address    [a'dres]    adres    o;    oorkonde; 
toespraak;    handigheid;    vt    adresse- 
ren,     aanspreken,    toespreken;    zich 
wenden,  richten. 
addressee    [sedre'si:]    geadresseerde. 
adequate  ['sdikwit]  geevenredigd;  ge- 
past,  geschikt,  doelmatig;  voldoende. 
adhere  [sd'hia]    (aan)kleven:  aanhan- 

gen;  blijven  bij,  zich  houden  aan. 
adherence    [ad'hisrsns]    verkleefd- 

heid. 
adherent   [ad'hiarant]   aanhanger. 
adhesion  [3d'hi:33n]  adhesie. 
adieu  [a'dju:]  vaarwel  o,  afscheid  o. 
adjacent  [a'dseisant]   aangrenzend,  be- 

lendend. 
adjective  ['aedsektiv]  bijvoeglijk  naam- 

woord  o. 
adjoin  [a'd^oin]  grenzen  aan;  the  ~- 

ine,    list,    nevenstaande    lijst. 
adjourn  [a'dsam]  uitstellen;  verdagen. 
adjournment    [a'dsainmsnt]    uitstel  o; 

verdaging. 
adjudge   [a'dsAds]    toewijzen. 
adjudicate    [a'dsuidikeit]    uitspraak 
doen    (over,    upon);    ~    bankrupt, 
failliet  verklaren. 
adjunct   ['asdsArjkt]   bijvoegsel  o,  aan- 
hangsel  o;  toegevoegde  o;  assistent; 
aj  toegevoegd. 
adjure    [a'dsua]    bezweren. 
adjust    [a'djASt]    vereffenen,    in    orde 
brengen,  regelen,  stellen;  aanpassen. 
adjustment  [a'djAStmant]  vereffening, 

regeling;    aanpassing. 

adjutant   ['ffidsutant]   adjudant. 

administer   [ad'minista]    besturen,  be- 

heren;    toepassen    [wetten];    toedie- 

nen;   '—  justice,   rechtspreken. 

administration    [adminis'treijan]    be- 

stuur  0,  beheer  o;  regering;  toedie- 

ning;    toepassing. 

administrator  [ad'ministreita]  be- 


admirable 

stuurder,  beheerder. 
admirable    ['asdmirabl]    bewonderens- 

waardig;  prachtig,  uitstekend,  voor- 

treffelijk. 
admiral    ['asdmirsl]   admiraal. 
admiralty    ['sedmiralti]    admiraliteit. 
admiration    [a;dmi'reij3n]    bewonde- 

ring. 
admire   [ad'mais]    bewonderen. 
admirer    [3d'mai3r3]    bewonderaar. 
admissible    [sd'misibl]    toelaatbaar, 

geoorloofd;   aannemelijk. 
admission    [ad'mijsn]    toelating,    aan- 

neming,  opneming;   toegang(sprijs), 

entree;   erkenning. 
admit    [ad'mit]    toelaten;    aannemen, 

opnemen;    erkennen,    toegeven. 
admittance    [ad'mitsns]    toegang;   toe- 
lating. 
admonish    [ad'msnij]    vermanen. 
admonition    [sedma'nijsn]    vermaning. 
admonitory    [ad'mDoitari]    vermanend. 
ado     [s'du:]     drukte,    ophef,    moeite; 

much  —  abotit  nothing,  veel  druk- 
te cm  niets. 
adolescence   [aeda'lessns]   jongeling- 

schap,   rijpere   jeugd. 
adolescent    [ieda'lesant]    opgroeiend. 
adopt   [a'dapt]    aannemen;  ontlenen 

(aan,  from). 
adoption   [s'dDpJsn]    aanneming;   ont- 

lening    [van  een   woord]. 
adoptive    [3'dDptiv]    aangenomen 

[kind]. 
adorable   [a'doirabl]   aanbiddellijk. 
adoration    [asda'reijsn]     aanbidding. 
adore    [a'do:]    aanbidden. 
adorn    [a'dDtn]    versieren,   tooien. 
adornment    [a'dDinmsnt]    versiering, 

tooi. 
Adriatic    [ei-,    asdri'aetik]    the    ~' 

{Sea),  de  Adriatische  Zee. 
adrift  [a'drift]  drijvend;  break  — ,  op 

drift  raken. 
adroit    [a'drDit]   behendig,   handig. 
adulation    [cedju'leijan]    vleierij. 
adulator    ['jedjuleita]    vleier. 
adult    [a'dAlt]    volwassene. 
adulterate  [a'dAltsreit]  vervalsen. 


advocate 

adulteration    [sdAlta'reiJsn]    verval- 
sing. 

advance  [sd'vains]  vordering,  voor- 
uitgang,  voortgang,  opmars;  voor- 
schot  o;  bevordering;  stijging;  ver- 
hoging;  in  -~^,  bij  voorbaat,  voor- 
uit;  vt  vooruitbrengen;  (voor)uit- 
steken,  vooruitzetten;  verhaasten;  be- 
vorderen;  verhogen  [prijs];  oppe- 
ren,  naar  voren  brengen;  voorschie- 
ten  [geld] ;  vi  vooruitkomen,  vor- 
deren;   oprukken;    stijgen    [prijs]. 

advancement  [sdVainsmant]  (be)vor- 
dering;    voorschot   o. 

advantage  [3d'va:ntid3]  voordeel  o\ 
to  — •,  gunstig,  voordelig;  vt  bevoor- 
delen. 

advantageous   [Kdv3n'teid33s]  voor- 
delig. 

advent   ['sedvant]   komst,  nadering; 
advent. 

adventure   [ad'ventja]   avontuur  o. 

adventurer    [sd'ventjsrs]    avonturier. 

adventurous  [ad'ventjsras]  gewaagd, 
vermetel;   avontuurlijk. 

adverb    ['aedv3:b]    bijwoord   o. 

adversary   ['2edv3S3ri]    tegenstander. 

adverse  ['asdvsis]  vijandig;  ongunstig; 
• — •  wind,  tegenwind. 

adversity    [sd'vsisiti]    tegenspoed. 

advertise    ['asdvataiz]    aankondigen, 
adverteren;   reclame  maken   voor. 

advertisement  [sd'vsitismant]   adver- 
tentie;  reclame, 

advice  [ad'vais]  raad;  advies  o\  be- 
richt   o. 

advisable  [sd'vaizsbl]  raadzaam. 

advise  [ad'vaiz]  (aan)raden;  advise- 
ren;  berichten;  — d,  (wel)beraden; 
he  will  be  well  ^~^d  to...,  hij  zal 
er  goed   aan   doen... 

advisedly   [ad'vaizidii]   welberaden; 
met  opzet. 

adviser  [sd'vaiza]  raadsman,  adviseur. 

advisory  [sd'vaizsri]  raadgevend,  ad- 
viserend,  advies-. 

advocate  ['asdvakit]  verdediger;  voor- 
stander;  ['asdvskeit]  vt  bepleiten, 
verdedigen,    voorstaan. 


aerial 

aerial    ['earisl]    antenne;  aj  lucht-. 
aerodrome    ['earsdroum]    vliegveld  o. 
aero-engine    ['83r3end3in]    vliegtuig- 

motor. 
aeronautics    [esrs'noitiks]    luchtvaart. 
aeroplane    ['earsplein]    vliegtuig   o. 
afar    [s'fa:]    ver,    in   de  verte. 
affability    [sefs'biliti]    vriendelijkheid, 

minzaamheid. 
affable  ['aefsbl]  vriendelijk,  minzaam. 
affair    [s'fea]    zaak,    aangelegenheid; 

gevecht  o. 
affect    [a'fekt]    werken    op,    aandoen; 

aantasten,  taken,   (be)treffen;  bewe- 

gen;  voorwenden. 
affectation  [sfek'teijan]  gemaaktheid. 
affected  [s'fektid]  aangedaan;  gezind; 

gemaakt;  geveinsd. 
affection    [s'fekjan]    aandoening; 

(toe)genegenheid,   liefde. 
affectionate  [a'fekjanit]  liefhebbend. 
affiliate    [s'filieit]    (zich)    aansluiten. 
affiliation   [sfili'eijsn]    aansluiting; 

jig   band. 
affinity   [a'finiti]   verwantschap. 
affirm  [s'fsim]  bevestigen,  verzekeren. 
affirmation   [asfs'meij'sn]   bevestiging, 

verzekering. 
affirmative    [a'faimativ]    bevestigend. 
affix    ['aefiks]    aanhangsel    o\    voor-, 

achtervoegsel   o\    [a'fiks]    vl   (vast)- 

hechten    (aan,    on,    to),    toevoegen; 

verbinden  [salaris]. 
afflict    [a'flikt]    bedroeven,    kwellen; 

teisteren. 
affliction   [s'flikjsn]   droefheid,  kwel- 

ling;  ramp. 
affluence    ['asfluans]    toevloed,   over- 

vloed. 
afford    [3'fD;d]    verschaffen;   zich  ver- 

oorloven;    I    cannot    —    /'/,    ik    kan 

het  niet  betalen. 
affray    [a'frei]    vechtpartij. 
affront    [a'frAct]    belediging;    vt  bele- 

digen;  trotseren. 
afield    [s'fiild]    op   het  veld;  jar   '~, 

ver  van  huis;  ver  mis. 
aflame   [a'fleim]   in  vlam,  vlammend; 

jig  gloeiend. 


aggravate 

afloat  [a'flout]  vlot,  drijvend;  op  zee; 

in  ornloop  [geruchten]. 
afoot    [3'fut]    te   voet;    aan    de   gang, 

aan  de  hand. 
afore   [a'fo:]   voor. 
aforesaid    [s'fsised]    voornoemd. 
afraid   [s'freid]   bang,  bevreesd. 
afresh    [s'frej]    opnieuw,   wederom. 
Africa  ['sefrika]  Afrika  o. 
African   ['jefriksn]   Afrikaan(s). 
after  ['aifta]  achter;  daarna;  naar,  vol- 

gens;  na;  later;  nadat;   ~'   all,  toch 

(nog);  be  '—...,  iets  in  de  zin  heb- 

ben;  op  iets   uit  zijn. 
after-care    ['a: f takes]    nazorg. 
afternoon    [a;ft3'nu:n,    'a:ft3'nu:n] 

(na)middag. 
after-pains  ['arftspeinz]   naweeen. 
afterward(s)    ['a:ft3w3d(z)]    nader- 

hand,  later. 
again    [a'gein,   s'gen]    weer,  opnieuw, 

nog  eens;  —  and  ■ — ■,  telkens  en  tel- 

kens    (weer). 
against    [a'geinst,    s'genst]    tegenover, 

tegen. 
agape    [a'geip]    met    open    mend. 
agate    E'segit]    agaat   o    [stofnaam], 

agaat  m    [voorwerpsnaam] ;   aj  aga- 

ten. 
age    [eid3]    eeuw;   leeftijd;    (old)    — , 

ouderdom,    oude    dag;    I    have    not 

seen  you  jar  — s,  ik  heb  je  in  geen 

tijd    gezien;    oj    ■ — •,    meerderjarig; 

under    —-',    minderjarig;    vi    ver- 

ouderen;   vt  oud  maken. 
aged    E'eidsid]    oud,    bejaard;    — 

[eidsd]    six,    zes    jaar   oud. 
agency    ['eid33nsi]    werking;    agent- 

schap     o,     vertegenwoordiging;     in- 

stantie,    organisatie,    bureau    o;    be- 

middeling;    middel    o. 
agenda   [s'dsenda]    agenda. 
agent    ['eidssnt]    agent. 
agglomeration  [sgbma'reijan]   opeen- 

hoping. 
aggrandize    ['aegrandaiz]   vergroten. 
aggrandizement   [s'grsendizmant]   ver- 

groting. 
aggravate  ['aegraveit]  verzwaren;  ver- 


aggregate 

ergeren;    verbitteren. 

aggregate  ['asgrigit]  geheel  o;  in  the 
— ,  globaal. 

aggression    [s'grejan]    aanval. 

aggressive    [a'gresiv]    aanvallend; 
vecht-,   strijdlustig. 

aggressor   [a'gresa]   aanvaller. 

aggrieve   [s'griiv]   bedroeven;  benade- 

aghast  [a'gaist]  ontzet;  paf.  [len. 

agile    ['adsail]    rap,   vlug. 

agility    [a'dsiliti]    rapheid,   vlugheid. 

agitate  ['sdsiteit]  bewegen,  schudden; 
opwinden;   ageren    (voor,  jor). 

agitation    [asdsi'teijsn]    beroering. 

agitator    ['jedsiteita]    stokebrand. 

ago    [s'gou]    geleden. 

agonize  ['segsnaiz]  met  de  dood  wor- 
stelen;   folteren,  kwellen. 

agony   ['sgani]    (deeds) strijd;   ziels- 
angst. 

agree  [a'gri:]  overeenkemen;  akkoord 
gaan  (met,  /o);  het  eens  worden  of 
zijn;  ^^dl,  akkeord!;  beer  does  not 
—  with  me,  bier  bekomt  me  slecht. 

agreeable  [a'griabl]  aangenaam;  /'/ 
you  are   '--',   als   u  het  goed  vindt. 

agreement  [a'griimant]  evereenkomst; 
verdrag  o,  akkoord  o,  afspraak. 

agricultural   [aegri'kAltJaral]    land- 
bouw-. 

agriculture    ['asgrikAltJs]    landbouw. 

aground   [a'graund]    aan   de  grond. 

ague   E'eigju:]    (koerts) rilling. 

ahead   [a'hed]   voor(uit),  vooraan. 

aid  [eid]  hulp;  in  —  oj,  ten  bate 
van;   vt  helpen,  bijstaan. 

ail    [eil]    schelen. 

ailing    ['eilirj]    ziekelijk,   sukkelend. 

aim  [eim]  oogmerk  o,  doel(wit)  o\ 
take  — ,  aanleggen,  mikken;  vi  mik- 
ken;  —  at,  mikken  ep;  jig  doelen 
ep;  streven  naar;  beegen;  vt  richten 
(ep,    tegen,   at). 

aimless    ['eimlis]    doelloos. 

air  [Ea]  lucht;  windje  o;  melodie; 
air  o\  by  ~',  per  vliegtuig;  ojf  the 
■— ,  uit  de  ether  [v.  zender];  on  the 
— ,  veer  de  radio,  voor  de  micre- 
foon,  in  de  ether;  over  the  ■ — ■,  ever 


alacrity 

de  radio,  door  de  ether;  vt  luchten. 
airborne  ['esbo.n]   door  de  lucht  ver- 

voerd   of     aangevoerd;     opgestegen; 

luchtlandings-;     —    landing,    lucht- 

landing. 
air   conditioning    ['esksn'dijanir)] 

kunstmatige  luchtverversing  en  -ont- 

smetting. 
aircraft    ['eakraift]   vliegtuig  o,  vlieg- 

tuigen;    —    carrier,  vliegdekschip  o. 
aircraft (s) man   ['83kra:ft(s)m3n] 

vliegtuigmaker. 
air  crew    ['eskru:]    vliegtuigbeman- 

ning. 
airfield   ['eafiild]   vliegveld  o. 
air  force    ['83fD:s]    luchtmacht. 
air-gunner   ['sagAna]   boordschutter. 
air  hostess    ['Sahoustis]    stewardess, 
airily   ['Earili]    luchtig. 
airing  ['eariij]   luchten  o;  take  an  — , 

een  luchtje  scheppen. 
air  lift    ['ealift]    luchtbrug. 
air  line    ['ealain]    luchtlijn. 
air  liner   ['ealaina]   verkeersvliegtuig, 

lijnvliegtuig  o. 
air  mail   ['eameil]   luchtpost. 
airman   ['Saman]   vlieger. 
airplane  ['eaplein]  vliegtuig  o. 
airport   ['8apD:t]   luchthaven. 
airpump    ['eapAmp]    luchtpomp. 
air  raid    L'eareid]    luchtaanval;    — - 

precautions,   luchtbescherming;   --^ 

shelter,   schuilkelder;    • — '    warden, 

blokhoofd    o;     —    warning,    lucht- 

alarm   o. 
airscrew    ['saskru:]    schroef. 
airship    ['Eajip]    luchtschip   o. 
air-tight   ['eatait]  luchtdicht. 
airway    E'eawei]    luchtlijn. 
airwoman    ['eawuman]    vliegster. 
airy   ['eari]   luchtig;  ■^  castles,  lucht- 

kastelen. 
aisle    [ail]    zijbeuk;  pad  o. 
ajar  [a'dsa:]   op  een  kier. 
akimbo   [a'kimbou]   in  de  zij(de). 
akin   [a'kin]   verwant. 
alabaster   ['ielabaista]   albast  o. 
alacrity   [a'lsekriti]   wakkerheid;  gre- 

tigheid. 


alarm  I 

alarm  [s'laim]  alarm  (sein)  o\  onrust, 
angst;  wekker;  take  the  ~',  lont  rui- 
ken;  vt  alarmeren,  verontrusten,  ont- 
stellen. 

alas   [a'lais]   helaas! 

albatross    ['aelbstos]    albatros. 

Albion  ['selbian]  Albion  o\  Engeland 
o. 

album  ['xlbam]  album  o. 

albumen  [£Erbju:men]  eiwit  o. 

alcohol   ['a-lksh^l]   alcohol. 

alcoholic   [slka'hDlik]    alcoholisch. 

alcove   ['aslkouv]   alkoof. 

alder   ['oJds]   els,  elzeboom. 

alderman  ['Dildsmsn]  wethouder, 
schepen. 

ale   [eil]    aal  o,  bier  o. 

alert    [a'lait]    waakzaam,    vlug;    — , 
alarm  o;  on  the  ^-^,  op  zijn  hoede. 

alga    ['aslg3,   meerv.   algae   'asldsi:] 
zeewier  o. 

algebra   ['£eld3ibr3]    algebra. 

algebraic    [sldsi'breiik]    algebrai'sch. 

alibi    ['aelibai]    alibi   o. 

alien  ['eiljan]  vreemdeling;  aj  vreemd; 
buitenlands. 

alienate   ['eiljsneit]  vervreemden. 

alienation  [eilja'aeijan]  vervreemding; 
{mental)    ■ — •,   krankzinnigheid. 

alight     [s'lait]     aangestoken,    aan 
[lamp];   in   brand;   verlicht;    vi  uit- 
stappen,  afstijgen;  neerstrijken. 

align  [s'lain]  opstellen;  richten;  aan- 
passen;  • — ■  oneselj  with,  zich  aan- 
sluiten   bij. 

alike  [s'laik]  gelijk,  eender;  evenzeer. 

alive  [a'laiv]  in  leven,  levend(ig);  — 
to,   zich   bewust  van. 

all  [d:1]  (ge)heel,  gans;  alle(n),  alles, 
al;  helemaal;  -~  hut,  nagenoeg,  20 
goed  als;  alien  op...  na;  '~  oj  us, 
wij  alien;  —  the  better,  des  te  be- 
ter;  at  — ,  in  enig  opzicht;  in  het 
minst;  toch;  not  at  ~,  in  het  ge- 
heel   niet,  volstrekt   niet. 

allay  [s'lei]  (doen)  bedaren;  verlich- 
ten,   matigen,   verminderen. 

allegation   [aeli'geijan]   bewering. 

allege    [a'leds]    aanvoeren;    beweren. 


along 


allegiance    [s'liidsans]    trouw;   band. 
allegory   ['jeligari]   allegoric. 
alleluiah    [seli'luijs]    (h)alleluja    (o). 
alleviate    [a'liivieit]    verlichten,    ver- 

zachten,  lenigen. 
alleviation    [sliivi'eijan]    verlichting, 

verzachting,   leniging. 
alley   ['aeli]    steeg,  laan;    (kegel)baan; 

(door)gang;    blind    — ,    slop    o. 
alliance    [a'laians]    verbond   o. 
allied  [a'laid]  geallieerd,  verbonden; 

verwant. 
alligator   ['aligeita]   kaaiman. 
allocate    ['aelakeit]     toewijzen. 
allocation    [seb'keijan]    toewijzing. 
allot    [a'bt]    toe(be)delen,    toewijzen. 
allotment  [s'btmsnt]  toewijzing;  aan- 

deel   o\  lot  o;  perceel  o\  volkstuin- 

tje  o. 
allow    [s'lau]    toestaan,   veroorloven; 

(toe)geven;  bewilligen;  erkennen. 
allowance    [s'lauans]     toelating,    ver- 

gunning;  toelage;  rabat  0,  korting. 
alloy     [s'bi]     allooi    o\    legering;    vt 

legeren. 
all-round   ['Dil'raund]    van  alle  mark- 
ten  thuis,  veelzijdig;   —  price,  prijs 

alles   inbegrepen. 
All   Saints'    (Day)    ['Dil'seintsCdei)] 

Allerheiligen. 
All  Souls'  (Day)   ['3:l'soulz(dei)]  Al- 

lerzielen. 
allude  [3'l(j)u:d]    zinspelen   (op,  to). 
allure    [s'ljus]     (aan-,    ver)lokken. 
allurement    [a'ljusmant]   aan-,  verlok- 

king. 
alluring    [s'ljuarirj]    aanlokkelijk. 
allusion    [3'1(  j,)u:33n]    zinspeling. 
alluvium    [3'l(j)u:vi3m]    alluvium    o. 
ally  [a'lai]  bondgenoot;  vt  verbinden; 

vi  zich  verbinden. 
almanac    ['Dilmsnsk]    almanak. 
almighty    [Dil'maiti]    almachtig. 
almond   ['aimsnd]    amandel. 
almost   ['3;lmoust,  -mast]   bijna. 
alms    [a:mz]    aalmoes,   aalmoezen. 
aloft    [s'bft]    boven,    omhoog. 
alone   [a'loun]    alleen. 
along     [a'br)]     langs...;    over,    op. 


alongside  ' 

door;    voort,    door;    mee. 
alongside   [s'bg'said]   langszij;   — 

(of),  langs;   naast. 
aloof   [3'lu:f]    op  een  afstand,   ver. 
aloofness    [s'luifnis]    afzijdigheid,  ge- 

reserveerdheid. 
aloud   [a'laud]    (over)luid,  hardop. 
Alps   [selps]   ihe  — ,  de  Alpen. 
alphabet    ['aslfsbit]    alfabet   o. 
alphabetic(al)    [£elf3'betik(I)]    alfa- 

betisch. 
Alpine   ['slpain]   alpen-. 
already    [Dil'redi]    al,   reeds. 
Alsace    ['sIsks]    de   Elzas. 
Alsatian    [sel'seijan]    Elzasser;   Duitse 

herdershond. 
also    ['d:1sou]    ook,   eveneens. 
alt   [sit]   alt. 

altar    ['Dilta]    altaar  o  &  m. 
alter    ['D:lt3]    veranderen,   wijzigen. 
alteration    [silta'reijsn]   verandering, 

wijziging. 
altercation    [3:lt3'keij3n]    twist. 
alternate    ['Diltsneit]    afwisselen;    [d:1- 

't3:nit]    aj  afwisselend. 
alternating   ['Diltaneitii)]    —   current, 

wisselstroom. 
alternative    [Dil'tainstiv]    alternatief 

(o). 
although    [Dil'Sou]    hoewel,   ofschoon. 
altitude   ['seltitjuid]    hoogte. 
alto   C'aeltou]    alt. 
altogether   [Dilta'geSs]   alles  bijeen, 

over   het  geheel;    helemaal. 
alum    ['jebm]    aluin. 
aluminium   [aelju'minjsm]    aluminium 
always    E'diIwsz]    altijd    (nog).        [<?. 
am  [asm]  /  am,  ik  ben. 
A.  M.    =    ante  meridiem,   's  morgens, 

voor   de   middag. 
amalgamate    [a'maslgsmeit]    mengen, 

zich   verbinden,    samensmelten. 
amass   [s'mses]   ophopen,  vergaren. 
amateur    [sema'ts:,   'Ernsts:]    amateur, 

dilettant,    liefhebber. 
amaze    [a'meiz]   verbazen. 
amazement  [a'meizmsnt]  verbazing. 
amazon    ['semszsn]    amazone. 
ambassador    [cem'bssada]    ambassa- 


amount 

deur;    (af)ge2ant. 
amber    ['asmbs]    barnsteen   o  &t.  m. 
ambiguity  [asmbi'gjuiti]   dubbelzin- 

nigheid. 
ambiguous    [cem'bigjuss]    dubbelzin- 

nig. 
ambition    [aem'bijsn]    eerzucht,    stre- 

ven  o,   aspiratie. 
ambitious    [ffim'bijas]    eerzuchtig;   be- 

gerig   (naar,  of);  groots. 
ambulance    ['asmbjubns]    ambulance, 
ambush    ['asmbuj]    hinderlaag;    vt   uit 

een  hinderlaag  aanvallen. 
ameliorate    [3'mi:li3reit]    verbeteren. 
amelioration    [amirlis'reijsn]   verbete- 

ring. 
amen    ['a:'men,   'ei'men]    amen    (o). 
amenable    [s'mitnsbl]    meegaand,   ge- 

zeglijk;  vatbaar   (voor,  to). 
amend  [s'mend]  verbeteren. 
amendment  [s'mendmsnt]  verbetering; 

amendement  o. 
amends  [s'mendz]  make  —   {jor),  het 

goedmaken;  herstellen. 
amenity  [a'mirniti]  m.inzaamheid;  aan 

gename   o\   amenities,  vriendelijkhe- 

den;  genoegens,  gemakken. 
America   [a'merika]   Amerika  o. 
American    [s'meriksn]    Amerikaan(s). 
amiability    [eimja'biliti]    beminnelijk- 

heid. 
amiable   ['eimjabl]   beminnelijk,  lief, 
amicable    ['aemiksbl]    vriendschappe- 

lijk,   minnelijk. 
amid(st)    [3'mid(st)]   te  midden  van, 

onder;  amidships,  midscheeps. 
amiss  [a'mis]  verkeerd;  te  onpas,  mis; 

take  it  — ,  het  kwalijk  nemen. 
amity   ['smiti]    vriendschap. 
ammonia    [a'mounjs]    ammoma(k). 
ammunition   [semju'nijan]   munitie. 
amnesty    ['cemnisti]    vergiffenis,   am- 
nestic;  vt  amnestic  verlenen  aan. 
among(st)    [3'mAr)(st)]  onder,  tussen. 
amorous  ['asmsras]  verliefd. 
amortization  [smDiti'zeiJ'sn]   (schuld)- 

delging. 
amortize    [a'mDitiz]    delgen    [schuld]. 
amount   [a'maunt]   bedrag  o;  hoeveel- 


amphibian 


10 


annotation 


heid,     mate;     vi    —    to,    bedragen; 

neerkomen   op,   gelijkstaan   met. 
amphibian  [sem'fibian]   amfibie. 
amphibious  [sem'fibios]  tweeslachtig, 

amfibie-. 
amphitheatre   ['EemfiSiats]   amfithe- 

ater  o. 
ample  [aempl]  wijd,  ruim,  breed  (voe- 

rig). 
amplifier    ['asmplifaia]    versterker    [v. 

geluid] . 
amplitude  ['asmplitju;d]  omvang;  uit- 

gestrektheid;   overvloed. 
amputate  ['smpjuteit]  afzetten,  ampu- 

teren  [lichaamsdeel]. 
amputation  [smpju'teijan]  amputatie, 

afzetting. 
amulet    ['semjulit]    amulet. 
amuse    [a'mjuiz]    amuseren. 
amusement  [a'mjuizmant]  vermaak  o, 

amusement  o. 
amusing    [a'mjuizir]]    vermakelijk. 
an  [an]   een. 

anaemia   [a'niimia]    bloedarmoede. 
anaemic    [s'niimik]    bloedarm. 
anaesthesia  [seniis'Oiizis]  verdoving  v. 
anaesthetic   [Eeni:s'6etik]   verdovend 

(middel   o). 
anaesthetize   [^'niisGitaiz]    verdoven. 
analogous   [a'nsebgss]   overeenkom- 

stig. 
analogy    [3'n£eled3i]    overeenkomst. 
analyse    ['icnalaiz]    ontleden. 
analysis    [s'naelisis]    analyse,    ontle- 

ding. 
anarchist   ['asnskist]    anarchist. 
anarchy   ['ienski]    anarchic. 
anatomy    [s'ncetsmi]    anatomic. 
ancestor    ['asnsista]    voorvader. 
ancestral   [sn'scstral]    voorvadcrlijk. 
ancestry   ['aensistri]   voorouders. 
anchor    ['segka]    anker  o;  vt   (vcr)an- 

keren. 
anchorage   ['ajrjksrids]   ankcrcn  o;  an- 

kcrplaats;  ankergcid  o. 
anchovy   [aen'tjouvi]   ansjovis. 
ancient    ['cinjsnt]    oud. 
and    [send,    and;    an]    en. 
andiron    ['aendaian]    vuurbok. 


anecdote  ['cenikdout]  anekdote. 

anemone    [a'nemani]    anemoon. 

anew    [a'nju:]    opnieuw. 

angel   ['eindsal]    cngel. 

angelic    [jen'dsclik]    cngelachtig. 

anger    ['jegga]    toorn,    booshcid;    vt 

vertoornen,    boos   maken. 
angina    [aen'dsaina]    angina. 
angle    ['aerjgl]    hoek;    ;'/'   hengelen. 
angler    ['aerjgla]    hengelaar. 
Anglican    ['segglikan]    anglikaan(s). 
angling-rod    ['aer)glir|r)d]    hengel. 
Anglo-    ['eerjglou]    Engels-;    • — -Saxon, 

Angelsaks;    a]    Angelsaksisch. 
angry    ['£er)gri]    toornig;    boos    (om, 

over,   at,   about;   op,   with). 
anguish    ['EerjgwiJ]    angst,    foltering. 
angular    ['serigjula]     hoekig. 
aniline    ['jenilain]    aniline, 
animal    ['senimal]    dier  o\  aj  dierlijk; 

dieren-;    ~-   spirits,    levenslust. 
animate    ['ffoimeit]    bezielen;    opwek- 

ken,    aanwakkeren. 
animated  ['snimeitid]  bezield,  levend. 

levendig,  opgewekt;   —   cartoon,   ■ — 

picture,   tekenfilm. 
animation    [seni'meijan]    bezieling, 

aanmoediging;    opgewektheid. 
animosity    [asni'mositi]    animositeit, 
anise   ['fenis]   anijs.  [wrok. 

ankle    ['asrjkl]    enkel. 
annals    ['aenalz]    jaarboeken,  geschied- 

boeken. 
annex   ['seneks]   aanhangsel  o,  bijiage; 

bijgebouw   o\    [a'neks]    vt   aanhech- 

ten,  bijvoegen;  inlijven. 
annexation    [senek'seijan]    bijvoeging; 

annexatie,   inlijving. 
annihilate    [a'nai(h)ileit]    vernietigen. 
annihilation    [anai(h)i'leij'an]    vernie- 

tiging. 
annihilator   [a'nai(h)ileita]    vernieti- 

ger;  blusapparaat  o. 
anniversary    [sni'vaisari]    (ver)jaar- 

dag,  iaarfeest  o. 
annotate    ['a^nouteit]    van   verklarende 

aantekeningen  voorzien. 
annotation    [snou'teijan]    aanteke- 

ning. 


announce 

announce   [s'nauns]    aankondigen,  be- 

kendmaken,   mededelen. 
announcement  [a'naunsmant]  aankon- 

diging,  bekendmaking,  mededeling. 
announcer  [a'naunsa]  aankondiger; 

omroeper  [v.  d.  radio]. 
annoy   [s'nDi]    kwellen,  hinderen. 
annoyance   [a'noians]   last,  ergernis. 
annoying   [a'nDiii]]    lastig,  vervelend. 
annual    ['asnjual]    jaarlijks. 
annuity    [a'njuiti]    jaargeld   o,    lijf- 

rente. 
annul    [a'nAl]    vernietigen;   herroepen, 

intrekken,    opheffen,    annuleren. 
annulment    [a'nAlmant]    vernietiging; 

herroeping,   intrekking,   opheffing, 

annulering. 
annunciation     [anAnsi'eiJan]     aankon- 

diging;    Annunciation    (Day),    Ma- 

ria-Boodschap. 
anodyne   ['Eoadain]    pijnstillend  mid- 
del    o;   doekje   o  voor   het  bloeden; 

aj  pijnstillend. 
anoint    [a'nDint]    zalven. 
anomaly    [a'oDmsli]    afwijking,    onre- 

gelmatigheid. 
anon    [s'oDn]    aanstonds. 
anonymous    [s'nDnimasJ    anoniem. 
another   [a'oASs]   een  ander,  nog  een. 
answer    ['arnsa]    antwoord   o;  fig  op- 

lossing;    rt    antwoorden    op,    beant- 

woorden    (aan);    ~'   the  bell,  open- 

doen  [als  er  gebeld  wordt];  vi  ant- 
woorden; —  for,  verantwoorden;  in- 

staan  voor. 
answerable  ['ainsarabl]  verantwoorde- 

lijk. 
ant   [sent,  a:nt]   mier. 
antagonist    [cen'taegsnist]    tegenstan- 

der. 
antarctic  [aen'taiktik]   zuidelijk,  zuid-, 

zuidpool-;    the  Antarctic,   het   zuid- 

poolgebied. 
antecedent  [asnti'sitdsnt]  antecedent  o; 

aj  voorafgaand. 
antedate  ['aentideit]  antedateren. 
antelope   ['sentiloup]    antilope. 
antenna    [aen'tens,    meerv.    antennae 

asn'teni:]    antenne. 


1 1  apartment 

anterior    [asn'tisria]    voorafgaand, 

vroeger;   voorste. 
anthem    ['aenSsm]    Engelse    kerkzang; 

the  national  -~,  het  volkslied. 
ant-hill  ['jenthil]  mierenhoop. 
anthology   [asn'GDbdsi]    bloemlezing. 
anthracite   ['snGrssait]    antraciet. 
anti-aircraft    artillery    ['asnti'eskrarft- 

a:'tibri]    afweergeschut  o. 
antic  ['sentik]   dolle  sprong,  grol. 
anticipate   [aen'tisipeit]   voorkomen, 

voor  zijn;  vooruitlopen  op;  verwach- 

ten,   voorzien;   vervroegen. 
anticipation     [aentisi'peijan]     voorge- 

voel  o\  verwachting;  in  — ,  bij  voor- 

baat,  vooruit. 
antidote    ['aentidout]    tegengif(t)    o. 
antipathy   [aen'tipaBi]    antipathic. 
antiquarian   [jenti'kwearian]    oudheid- 

kundig(e). 
antiquary    ['aentikwsri]    antiquaar. 
antique    [sn'tiik]    antiquiteit;    aj   ou- 

derwets,  antiek. 
antiquity    [sn'tikwiti]    de   oudheid. 
antler    ['aentb]    tak    (v.   gewei);    -~j, 

gewei  o. 
Antwerp    ['aentw3:p]   Antwerpen  o. 
anvil   ['jenvil]   aanbeeld  o. 
anxiety    [sij'zaisti]    benauwdheid;   be- 

zorgdheid,   zorg;  verlangen  o. 
anxious    ['aerjkjss]    bezorgd,    ongerust 

(over,    about);    angstwekkend,    ang- 

stig;    verlangend    (naar,    for). 
any  ['eni]  enig;  een;  ieder(e),  elk(e), 

welke...  ook,  enigerlei. 
anybody    ['enibsdi]    iedereen;   iemand. 
anyhow   ['enihau]   hoe  dan  ook;   in 

ieder  geval,  hoe  't  ook  zij,  toch. 
anyone    t'eniwAn]    iedereen;  wie  ook; 

iemand. 
anything   ['eni9ir)]   iets;  alles;  van  al- 

les;    —   but,  allesbehalve. 
anyway   ['eniwei]   zie  anyhow. 
anywhere    ['eniwEs]    ergens;    overal. 
apace  [a'peis]  snel,  vlug. 
apart    [s'part]    afzonderlijk;   van-,    uit 

elkaar,  ter  zijde;   ■~   from,  afgezien 

van;  behalve. 
apartment  [a'paitmsnt]  vertrek  o\  flat. 


apathetic 

apathetic  [aepa'Setik]  lusteloos,  onver- 

schillig. 
apathy    ['aspaOi]    lusteloosheid,   onver- 

schilligheid. 
ape    [eip]    aap;    naaper;   vt  naapen. 
aperture    ['sepstjus]    opening. 
apicuhure    ['eipilcAltJa]    bijenteelt. 
apiece    [s'piis]    per  stuk,  elk. 
apologize    [s'pDbdsaiz]    zich  veront- 

schuldigen. 
apology    [a'pDbdsi]   verdediging;  ver- 

ontschuldiging. 
apoplexy   ['jepspleksi]    beroerte. 
apostasy    [a'pastssi]    afvalligheid. 
apostate   [s'pDstit]   afvallig(e). 
apostle   [a'pDsl]   apostel. 
apostrophe   [a'psstrafi]    toespraak;   af- 

kappingsteken   o. 
appal    [a'pD:!]    ontzetten,    ontstellen. 
apparatus    [asps'reitss]    apparaat    o, 

toestel  o,  gereedschappen. 
apparent  [a'pae-,  a'pEarant]  blijkbaar; 

schijnbaar;   duidelijk. 
apparition    [fEpa'riJsn]    (geest)ver- 

schijning. 
appeal    [a'pi:!]    beroep    o,     appel     o; 

smeekbede;    fig    aantrekkingskracht; 

vi    —    to,    een    beroep     doen     op; 

zich   beroepen   op;   fig  spreken   tot; 

/'/  does   not   —    to   me,    ik  voel    er 

niet  veel  voor. 
appealing  [3'pi:lii]]   smekend. 
appear   [s'pia]    (ver)schijnen;   blijken, 

lijken;      optreden;     zich     vertonen; 

voorkomen. 
appearance    [s'piarans]    verschijning; 

schijn;  voorkomen  o\  optreden  o. 
appease    [a'piiz]    stillen,    sussen,    be- 

vredigen. 
append    [a'pend]    (aan)hechten;    bij- 

voegen. 
appendicitis    [spendi'saitis]    blinde- 

darmontsteking. 
appendix    [a'pendiks]    aanhangsel    o, 

bijlage,   bijvoegsel   o. 
appertain    [asps'tein]    behoren. 
appetite    ['spitait]     (eet)lust. 
appetizing    ['sepitaizirj]    appetijtelijk. 
applaud  [s'pbid]   applaudisseren,  toe- 


12 


apprehensive 


ichen. 


applause    [3'pb:z]    applaus   o,   toejui- 

ching. 
apple    ['cepl]    appel;    • — '    of  discord, 

twistappel. 
apple-sauce    ['aeprs3:sj    appelmoes    o 

&    V. 

appliance  [a'plaians]  aanwending,  toe- 
passing;  toestel  o,  middel  o. 

applicable    ['spliksbl]    toepasselijk. 

applicant  ['jeplikant]  sollicitant,  aan- 
vrager,   gegadigde. 

application  [sepli'keijan]  aanwending, 
toepassing,  gebruik  o;  vlijt;  aan- 
vraag,  sollicitatie;  smeersel  o,  om- 
slag;   ■ — •  form,   aanvraagformulier  o. 

apply  [a'plai]  brengen,  leggen  (aan, 
bij,  op,  to),  aanleggen;  gebruiken, 
aanwenden,  toepassen  (op,  to);  sol- 
liciteren  (naar,  /or),  aanvragen,  zich 
aanmelden,  zich  vervoegen;  —  to, 
ook;  zich  wenden  tot;  van  toepas- 
sing zijn  op,  slaan  op,  gelden  voor; 
—   oneself  to,  zich  toeleggen  op. 

appoint   [s'pDint]   bepalen;   benoemen. 

appointment  [a'pointmsnt]  bepaling; 
afspraak;  benoeming;  functie;  by  — 
(to    his   Alajesty),   hofleverancier. 

apposition   [aepa'zijsn]   bijstelling. 

appraisal  [s'preizl]  schatting;  waar- 
dering. 

appraise  [a'preiz]  schatten;  waarderen. 

appreciable  [s'priijabl]  te  waarderen; 
merkbaar. 

appreciate  [a'priijieit]  schatten;  be- 
oordelen;  waarderen,  op  prijs  stel- 
len;   aanvoelen;   beseffen,   begrijpen. 

appreciation  [spriiji'eij'an]  schatting; 
beoordeling;  waardering;  aanvoeling; 
besef  o,  begrip  o. 

appreciative  [a'prijiativ]  waarderend. 

apprehend   [spri'hend]   aanhouden; 
(be)grijpen;  vrezen. 

apprehensible  [aepri'hensibi]  begrij- 
pelijk. 

apprehension  [cepri'henjan]  aanhou- 
ding;    bevatting,   begrip   o\   vrees. 

apprehensive  [sepri'hensiv]  bevreesd 
(voor,  of). 


apprentice 


13 


armistice 


apprentice  [a'prentis]  leerjongen;  vt 
in  de  leer  doen   (bij,  to). 

approach  [a'proutj]  nadering,  toe- 
gang;  benadering;  jig  aanpak;  stap; 
vt  naderen,  gelijken  op;  nader  bij 
(elkaar)  brengen;  zich  wenden  tot; 
jig   aanpakken. 

approachable  [a'proutjabl]  toeganke- 
lijk,  genaakbaar. 

approbation    [^prs'beijan]   goedkeu- 
ring. 

appropriate  [a'proupriit]  geschikt, 
passend;     vereist;      bevoegd;      eigen 
(aan,    /o);     [a'prouprieit]     vt    zich 
toeeigenen;    bestemmen    (voor,    to). 

appropriation    [aproupri'eijan]    toe- 
eigening;    bestemming. 

approval  [s'pruival]  goedkeuring;  on 
— ,  op  zicht. 

approve  [a'pruiv]  goedkeuren;  — d, 
ook:  beproefd;  erkend;  ■ — 'd  school, 
ook:  inrichting  voor  criminele  jeugd. 

approximate  [a'prsksimeit]  (be)  na- 
deren; nader  brengen  (bij,  to); 
[s'prjksimit]  a]  benaderend;  — ly, 
bij   benadering,  ongeveer. 

apricot  ['eiprikDt]  abrikoos. 

April    C'eipril]    apri). 

apron  ['eiprsn]  schort,  voorschoot. 

apt  [aspt]  geschikt;  geneigd  (om  te); 
bekwaam;  he  is  '--  to  becotiie  impa- 
tient, hij  wordt  licht  ongeduldig. 

aptitude    ['aeptitju:d]    geschiktheid; 
neiging;    bekwaamheid. 

aquarium    [s'kwBariam]    aquarium    o. 

Arab    ['aerab]    Arabier;    aj  Arabisch. 

Arabia    [s'reibia]    Arabic   o. 

Arabian  [s'reibian]  Arabier;  aj  Ara- 
bisch. 

Arabic   ['aerabik]   Arabisch    (o). 

arbitral   ['aibitrsl]   scheidsrechterlijk. 

arbitrary   ['a:bitr3ri]   willekeurig. 

arbitration    [aibi'treijan]    arbitrage. 

arbitrator    ['aibitreits]    scheidsrechter. 

arbour   ['aibs]   prieel  o. 

arc   [a:k]    (cirkel)boog. 

arcade    [a:'keid]    booggang;    winkel- 
galerij. 

arch    [a:tj]    boog;    vi  zich   welven;   aj 


schalks;  aarts-. 
archaism    ['a:keiizm]    verouderd 

woord   o,   verouderde   uitdrukking. 
archangel    ['a:keind33l]    aartsengel. 
archbishop  ['aitj'bijap]   aartsbisschop. 
archduchess    ['aitJ'dAtJis]    aartsherto- 

gin. 
archduke   ['a:tj'dju:k]   aartshertog. 
archer    ['aitjs]    boogschutter. 
archipelago  [aiki'pebgou]  archipel. 
architect  ['a:kitekt]  architect;  bouwer. 
architecture    ['aikitektja]    bouwkunde. 
archives    ['aikaivz]    archief   o,   archie- 

ven. 
archly   ['aitjli]    schalks. 
archness  ['aitjnis]   schalksheid. 
archway    ['artjwei]    boog,  gang. 
arctic    ['a:ktik]      noordcHjk;      noord-; 

noordpool-;    the   Arctic,   het   noord- 

poolgebied. 
ardent    ['aidant]    vurig,   blakend. 
ardour   ['aids]   hitte;   ijver;  vuur  o. 
are  [a:]    [wij,  zij]  zijn,   [gij]   zijt. 
area  ['earia]  oppervlakte;  open  ruimte 

met   trap   naar    de   kelderverdieping 

V.   e.   Engels  huis;  gebied  o. 
Argentine  ['aidsantain]  Argentijn(s); 

the  ■ — ■,  Argentinie  o. 
argue   ['a:gju:]   redeneren;  betogen. 
argument    ['a:gjumant]    argument   o; 

redenering;   discusssie. 
arid  ['arid]   droog,  dor. 
aridity  [a'riditi]   droogte,  dorheid. 
arise    [a'raiz]    oprijzen;    opstaan;   ont- 

staan,    zich   voordoen. 
arisen    [a'rizn]    V.D.  van  arise. 
aristocracy   [asris'tokrasi]    aristocratic. 
aristocrat    ['aeristakrast]    aristocraat. 
aristocratic  (al)    [2erista'kraetik(l)] 

aristocratisch. 
arithmetic    [a'riGmatik]    rekenkunde. 
arithmetical  [seriG'metikl]  rekcnkun- 

dig,  reken-. 
ark  [a:k]  ark. 
arm    [a:m]    arm;   wapen   o\   vt  wape- 

nen;  vi  zich  wapenen. 
armament   ['aimamant]   bewapening. 
armchair    ['a:mtj8a]    Icuningstocl. 
armistice    ['aimistis]    wapenstilstand. 


armorial 


14 


aspect 


har- 


been, 


armorial  [ai'mDirial]  wapen-;  ~-  bear- 
ings, wapenschild  o. 
armour    ['aima]    wapenrusting; 

nas  o\  pantser  o\  vt  pantseren; 

car,   pantserwagen. 
armpit  ['aimpit]  oksel. 
army  ['a;mi]   leger  o. 
aroma    [a'roums]    geur. 
aromatic    [aers'mstik]    geurig. 
arose    [a'rouz]    V.T.   van   arise. 
around  [a'raund]  rondom,  cm. 

(in  het)   rond. 
arouse    [a'rauz]     (op)wekken. 
arrange    [a'reindg]    schikken,   regelen; 

afspreken;    arrangeren. 
arrangement    [a'reindsmant]     schik- 

king,  regeling;  akkoord  o. 
arrant    ['aersnt]    doortrapt,  aarts-. 
array    [a'rei]    reeks,    (slag)orde;    dos, 

tooi;    vt    scharen;    opstellen;    uitdos- 

sen,   tooien. 
arrear(s)     [3'ri3(z)]     achterstand;    in 

'—'S,    achterstaliig;    ten    achter. 
arrest   [a'rest]   arrestatie,  arrest  o;  un- 
der  — ,   in   arrest;    vt  tegenhouden; 

arresteren;  '-^ing,  fig  pakkend,  boei- 

end. 
arrival    [a'raival]    (aan)komst;   aange- 

komene;  aanvoer. 
arrive  [a'raiv]   (aan)komen;  gebeuren; 

--^  at,  komen  tot,  bereiken. 
arrogance    ['srsgsns]    aanmatiging. 
arrogant    ['srsgant]    aanmatigend. 
arrogate  ['serageit]   (zich)  aanmatigen. 
arrov^f   ['asrou]    pijl. 
arsenal   ['aissnsl]    arsenaal   o. 
arsenic    ['a:snik]    rattenkruit   o. 
arson    ['a:sn]    brandstichting. 
art    [a:t]    kunst;   kunstgreep;   list. 
artery    ['aitsri]    slagader;   hoofdader. 
artful   ['a:tful]   listig. 
artichoke    ['a:titJ"ouk]    artisjok. 
article  ['a:tikl]   lidwoord  o\  artikel  o. 
articulate    [a;'tikjulit]    geleed;    duide- 

lijk  (onderscheiden);  [a:'tikjuleit]  vt 

articuleren;  duidelijk  uitspreken. 
artifice   ['a:tifis]    kunst(greep),   list. 
artificial    [aiti'fijsl]    kunstmatig;    ge- 

kunsteld;    —   flower,   kunstbloem. 


artillery  [ai'tilari]   artillerie. 

artisan    [a:ti'zsen]    handwerksman. 

artist  ['a:tist]   kunstenaar. 

artistic    [a:'tistik]    artistiek. 

artless    ['a:tlis]    ongekunsteld. 

as  [asz]  gelijk,  (even)  als,  20;  (zo)- 
als;  toen,  terw'ijl;  daar;  naar  ge- 
lang;  —  /'/  ivere,  als  het  ware;  — 
for,  wat  betreft;  —  /'/,  alsof;  '— 
per,  volgens;  —  though,  alsof;  — 
yet,  tot  nog  toe;  —  to,  wat  be- 
treft. 

asbestos    [aez'bestss]    asbest   o. 

ascend    [a'send]    (op-,  be)klimmen, 
(op-,   be)stijgen;   opgaan;  opvarcn. 

ascendancy,  ■— ency  [a'sendsnsi]  over- 
wicht  o,  invloed. 

ascension  [a'senjan]  (be)stijging;  he- 
melvaart;  Ascension  Day,  Hemel- 
vaartsdag. 

ascent  [a'sent]  (be-,  op)stijging;  op- 
gang;    steilte,    helling. 

ascertain  [aess'tein]  nagaan,  uitmaken, 
bepalen,  vaststellen. 

ascribe    [s'skraib]    toeschrijven. 

ash    [aej]    meer\'.   ashes    ['asjiz]    as. 

ash    [jej]    es. 

ashamed  [a'Jeimd]  beschaamd  (over, 
of);   be   ■ — ■,   ook:    zich  schamen. 

ashen  ['asjn]  as-,  asgrauw;  esse-. 

ashore  [a'J^:]  aan  land,  aan  wal;  aan 
de  grond. 

ash-pan   ['sejpjen]   asbak. 

ash-tray   ['sjtrei]   asbakje  o. 

Asia  ['eija]   Azie  o. 

Asian    ['eijan],   Asiatic    [eiji'setik] 
Aziaat;    aj   Aziatisch. 

aside    [a'said]    ter  zijde,   op  zijde. 

asinine    ['sesinain]    ezelachtig. 

ask  [a:sk]  vragen;  ■ — •  a  question,  een 
vraag  doen    (stellen). 

askance    [a'skasns]    van    terzijde; 
schuin(s). 

aslant   [a'slaint]   schuin(s). 

asleep   [a'sliip]   in  slaap. 

asp   [assp]  esp. 

asparagus   [a'spaeragss]    asperge. 

aspect  E'aespekt]  aanzien  o,  uitzicht  o, 
voorkomen   o,   aanblik;  gezichtspunt 


aspen 


15 


astonishment 


o\  zijde,  kant. 
aspen   ['aespan]   esp;  a]  espen,  espe-. 
asphalt    C'assfselt]    asfalt   o\    vt    asfal- 

teren. 
aspiration    [aespi'reijsn]    aanblazing; 

inzuiging;   streven  o. 
aspire  [s'spaia]  streven,  dingen  (naar, 

to,  after,  at). 
aspirin   ['aspirin]   aspirine. 
ass    [fes,   a:s]    ezel. 
assail  [a'seil]  aanranden,  aanvallen; 

bestormen    (met,   with). 
assailant    [a'seibnt]    assailer    [a'seib] 

aanrander,  aanvaller. 
assassin    [a'ssesin]    (sluip)moorde- 

naar. 
assassinate  [a'saesineit]  vermoorden. 
assassination   [asa^si'neijsn]    (sluip)- 

moord. 
assault    [a'sDilt]     aanval;    bestorming; 

by     '-~',     stormenderhand;     rl     aan- 
vallen;   bestormen. 
assaulter    [a'sDilts]    aanvaller;    bestor- 

mer. 
assemble  [a'sembl]   (zich)  verzamelen; 

bijeenkomen,    vergaderen;    in    elkaar 

zetten,   monteren. 
assembler   [a'sembb]    monteur. 
assembly   [s'sembli]    bijeenkomst,  ver- 

gadering;  verzamelen  o;  montage;  — 

line,  montagelijn,  lopende  band. 
assent    [a'sent]    toestemming;    instem- 

ming;    ri   toestemmen    (in,   to),   in- 

stemmen    (met,   to). 
assert    [a'sait]    doen   gelden;    handha- 

ven;  beweren,  verklaren. 
assertion    [s'ssijan]    handhaving;    be- 

wering. 
assertive  [a'saitiv]   stellig;  zelfbewust. 
assess    [a'ses]    schatten;   belasten,   aan- 

slaan;    beoordelen. 
assessment  [s'sesmant]  schatting;  aan- 

slag   [in  de  belasting];  beoordeling. 
asset    E'seset]    creditpost   m;  fig  voor- 

deel  o,  bezit  o,  aanwinst,  troef;  ■ — s, 

activa;   — s  and  liabilities,  activa  en 

passiva. 
assiduity    [aesi'djuiti]    ijver,    naarstig- 

heid;     assiduities,      (voortdurende)  | 


beleefdheden. 
assiduous    [s'sidjuas]    ijverig. 
assign    [s'sain]    aan-,   toewijzen;   vast- 

stellen,  bestemmen. 
assignation    [aesig'neijan]    aanwijzing, 

toewijzing. 
assignment   [a'sainmsnt]   aan-,  toewij- 
zing;   taak. 
assimilate    [a'simileit]    gelijk   maken 

(aan,   to,    with);   opnemen. 
assist    [a'sist]   helpen,  bijstaan;   —  at, 

bijwonen,    tegenwoordig   zijn   bij. 
assistance    [s'sistsns]    hulp,   bijstand. 
assistant    [s'sistsnt]    helper,    assistent; 

winkelbediende,   -juffrouw;  a]  hulp-. 
associate   [s'soujiit]  metgezel;  deelge- 

noot;  medeplichtige;   lid  o  v.  e.  ge- 

nootschap;     [s'soujieit]     vt    vereni- 

gen;    verbinden;    vi   zich   verenigen; 

omgaan   (met,  with). 
association    [ssousi'eijsn]    bond,    ver- 

binding,  vereniging,  genootschap  o; 

omgang;    — s,    ook:    banden,    herin- 

neringen. 
assort   [3'sD:t]    sorteren. 
assortment    [s'sJitmant]    sortering. 
assuage  [s'sweid^]  verzachten,  lenigen, 

stillen,    doen    bedaren. 
assume  [a'sjuim]   op  zich  nemen,  aan- 

nemen;    aanvaarden;    zich     aanmati- 

gen;    (ver)onderstellen. 
assumption  [3'sAm(p)j3n]  aanneming; 

(ver)onderstelling;  aanmatiging; 

A- — •,  Maria-Hemelvaart,  Maria-Ten- 

hemelopneming. 
assurance   [s'Jusrans]   verzekering; 

zekerheid;  driestheid. 
assure   [s'Jus]   verzekeren. 
assuredly  [a'Juaridli]    (voor)zeker. 
aster    ['sesta]    aster. 
asterisk   ['^estarisk]   sterretje   (*)   a. 
astern  [a'stain]  achter(uit)   [v.  schip], 
asthma  ['£Es(9)m3]   astma  o. 
asthmatic   [a2s(9)'miEtik]    astmatisch. 
astir   [s'sta;]    in  beweging;   op,  bij  de 

hand. 
astonish  [a'stanij']  verbazen. 
astonishment    [a'stDni^mant]    verba- 

zing. 


astound 


16 


aught 


astound    [s'staund]    verbazen. 
astraddle    [a'stradl]    schrijlings    (op, 

of). 
astray  [s'strei]  verdwaald. 
astride  [a'straid]   schrijlings   (op,  of). 
astrology   [ss'trDbdsi]    sterrenwichela- 

rij. 
astronomy    [ss'trDnsmi]    sterrenkunde. 
astute    [as'tjuit]    scherpzinnig;    slim, 

sluw. 
asunder    [s'sAnda]    afzonderlijk;    van- 

een,  uiteen,  in  stukken. 
asylum    [s'saibm]    asiel    o,    schuil- 

plaats;   (lunatic)   — ,  krankzinnigen- 

gesticht  o. 
at    [fft,   3t]    tot,    te,   op,   in,    van,   bij, 

aan,    naar,    om,    over,    voor,    tegen, 

met;    —    Brill's,    bij    Brill,    in    de 

winkel   &  van   Brill, 
ate  [et,  eit]  at,  aten  (van  eat). 
atheism   ['eiBiizm]    godloochening. 
Athens    ['seOinz]   Athene  o. 
athlete    ['ae91i:t]    atleet. 
athletic    [a:0'letik]    atletisch;  atletiek-; 

— s,  atletiek. 
at-home   [at'houm]    ontvangdag. 
Atlantic  [st'lasntik]  Atlantisch(e  Oce- 

aan). 
atlas   ['aetbs]   atlas, 
atmosphere  ['aetmasfis]   atmosfeer;  fig 

sfeer. 
atom   E'astsm]   atoom  o. 
atomic    [a'tDmik]    atoom-. 
atone    [s'toun]    boeten    (voor,    for); 

goedmaken. 
atonement     [s'tounmant]    boete;    ver- 

goeding;    verzoening. 
atop    [s'tDp]    boven    (op,   of). 
atrocio\is    [s'troujas]    grirwelijk. 
atrocity   [a'trasiti]   gruwel. 
attach    [a'tstj]    vastmaken;  hechten; 

verbinden. 
attachment     [a'tstjmsnt]    verbinding; 

verknochtheid;  aanhangsel  o;  beslag- 

legging;   liifsdwang. 
attack    [a'tsk]    aanval;    vt  aanvallen. 
attain    [o'tein]    bereiken. 
attainable    [a'teinsbl]    bereikbaar. 
attainment    [a'teinmsnt]    bereiking; 


• — s,    talenten. 
attempt   [3'tem(p)t]   poging;  aanslag; 

vt    trachten,    pogen,    proberen;    een 

aanslag  doen   op. 
attend   [s'tend]    begeleiden;   bedienen, 

verzorgen;   oppassen;  volgen    [colle- 
ges], bijwonen,  bezoeken. 
attendance    [a'tendsns]    aanwezigheid; 

bediening;     zorg;     opwachting;     op- 

komst;  publiek  o. 
attendant  [s'tendant]  bediende,  oppas- 

ser;  his  — s,  zijn  gevolg  o   [v.  vorst 

attention  [a'tenjan]  aandacht,  oplet- 
tendheid;  •-~.',  geeft  acht!;  come  to 
■ — ■,  de  houding  aannemen;  stand  at 
{to)    — ,    in    de   houding   staan. 

attentive    [a'tentiv]    oplettend. 

attenuate  [s'tenjueit]  verdunnen;  ver- 
zachten;   verzwakken. 

attest   [a'test]   betuigen,  getuigen  van. 

attestation  fstes'teijan]  getuigenis  o 
&.  r. 

attic    ['setik]    zolderkamer;   vliering. 

attire  [s'taia]  dracht,  tool;  vt  tooien, 
uitdossen. 

attitude    ['astitjuid]    houding;    stand- 
punt   o. 

attorney  [s'taini]  procureur;  gevol- 
machtigde;  poiuer  of  — ,  volmacht. 

attract  [a'trsekt]   (aan)trekken,  boeien. 

attraction  [a'traskfsn]  aantrekking(s- 
kracht);    aantrekkelijkheid. 

attractive   [a'trtektiv]    aantrekkelijk; 
aantrekkings-. 

attribute  ['jetribjuit]  eigenschap,  ken- 
merk  o\   bijvoeglijke  bepaling; 
[a'tribjuit]    vt  toeschrijven,    toeken- 
nen. 

auburn    ['3:b3n]    goudbruin. 

auction    ['oikjan]    veiling;    rt  veilen. 

auctioneer    [Dikjs'nis]    vendumeester. 

audacious    [oi'deijas]    stout,  vermetel. 

audacity  [Dt'dsesiti]  vermetelheid. 

audible    ['o:dibl]    hoorbaar. 

audience  ['D:dj3ns]  audientie,  gehoor 
o\    toehoorders,   publiek   o. 

aught  [D:t]  lets;  for  —  /  know,  voor 
zover  ik  weet. 


augment 


17 


awful 


augment   [Dig'ment]  vermeerderen, 

verhogen,    vergroten;    toenemen. 
augmentation    [Digmen'teijsn]    ver- 

meerdering,  verhoging. 
august  [D:'gAst]   verheven,  groots. 
August    ['D:g3st]    augustus. 
aunt    [a:nt]    tante. 
aureole    ['3:riouI]    stralenkrans. 
auspice    ['3:spis]    voorteken    o\    under 

the  — s  of,  onder  bescherming  van. 
auspicious   [Dis'pijas]   veelbelovend, 

gunstig. 
austere    [srs'tia]    Strang;   sober. 
austerity  [D:s'teriti]   strengheid;  sober- 

heid. 
Australia  [Drs'treilja]   Australie  o. 
Australian  [D:s'treilj3n]  Australier;  a] 

Australisch. 
Austria    ['orstria]    Oostenrijk   o. 
Austrian    ['oistrian]    Oostenrijker;    aj 

Oostenrijks. 
authentic (al)    [D:'Gentik(l)]    authen- 

tiek,  echt. 
authenticate   [D:'9entikeit]   bekrachti- 

gen,  waarmerken. 
authenticity  [DiOen'tisiti]  echtheid. 
author    ['2:63]    schepper;    dader,   be- 

werker;    maker;    schrijver. 
authoress    ['oiGsris]    schrijfster. 
authoritative    [D:'6Driteitiv]    gezagheb- 

bend. 
authority    [Dr'ODriti]    autoriteit,    gezag 

o,  macht;  instantie;  from  {on)  good 

'~,    uit   goede   bron. 
authorization   [DiOsrai'zeiJsn]    machti- 

ging. 
authorize    ['DiQaraiz]    machtigen. 
autograph  ['3;t3gra:f]  eigenhandig  ge- 

schreven    (stuk  o). 
automatic   [oita'mstik]   automatisch; 

werktuiglijk. 
automation    [Drts'meijan]    automatise- 

ring. 
automaton    [oi'tomatsn]    automaat. 
autonomous    [Dr'tonamas]   zelfbestu- 

rend. 
autonomy    [or'tonsmi]    zelfbestuur   o. 
autopsy   ['DitDpsi]    lijkschouwing. 
autumn   ['D.tam]   herfst. 

Eng.  Zakwrdbk,  U 


autumnal    [o/tAmnsl]    herfstachtig. 
auxiliary    [oig'ziljsri]    helper;    hulp- 

werkrwoord  o;  aj  hulp-. 
avail    [a'veil]    baat,    nut   o;    vi  baten; 

—  oneself  of,  zich  ten  nutte  maken, 

benutten. 
available   [a'veibbl]   beschikbaar;  gel- 
avalanche  ['aevslainj]  lawine.         [dig. 
avarice    ['svaris]    gierigheid. 
avaricious    [aeva'rijas]   gierig. 
avenge    [3'vend3]    wreken. 
avenue  ['sevinju:]  toegang,  wag;  laan; 

boulevard. 
aver  [a'va:]  batuigen,  verzekeran. 
average   ['cev3rid3]   gemiddelde  o; 

doorsneeprijs;    schade,    averij; 

{up) on  an  — ,  gemiddeld,  in  door- 

snee;    aj  gemiddeld,     doorsnae-;     vt 

gemiddeld  komen   op. 
averse  [s'vais]  afkerig  {van,  to,  from). 
aversion   [3'v3:j3n]    afkear. 
avert   [a'vait]    afwenden   [gavaar]. 
aviation    [eivi'aijan]    luchtvaart. 
aviator    ['eivieita]    vlieger. 
avid    ['aevid]    gretig,    begerig. 
avidity   [s'viditi]   begeerte,  begerig- 

heid,  gratigheid. 
avoid   [s'void]    (var)raijden. 
avoidance    [a'voidans]    vermijding. 
avow    [s'vau]    bakannan. 
avowal    [s'vaual]    bakentenis. 
avowedly    [a'vauidli]    opanlijk,    onbe- 

wimpeld,  uitgesprokan. 
await    [s'wait]    wachtan,   wachtan   op; 

afwachten. 
awake    [s'weik]    ontwakan;   opwakkan 

[nieuwsgierigheid];  aj  wakker,  ont- 

waakt. 
awaken   [s'waikn]   wekken. 
award  [s'wDid]  toekenning;  uitspraak; 

prijs;  vt  toakannen. 
aware   [a'wea]   gewaar;   be  ~-   of, 

zich   bawust  zijn  van,   weten. 
a^vay   [s'wei]    wag,  van  huis;  voort. 
away  game   [a'waigaim]    uitwedstrijd. 
awe  [d:]  ontzag  o,  vreas;  i>t  ontzatten; 

ontzag  inboezemen. 
awful  ['D:ful]  ontzagwekkend,  ontzag- 

lijk,  verschrikkelijk,  vreselijk. 


awhile 


18 


bale 


awhile    [a'wail]    voor  enige  tijd. 
awkward  ['aikwad]   onhandig,  lomp; 
awl    [d:1]    els    [priem].  [lastig. 

awning  ['D:nif)]  (dek)zeil  o,  scherm  o. 
awoke    [s'wouk]    V.T.    &   V.D.   v. 
awake. 


awry   [a'rai]    scheef,  schuin,  verkeerd. 
ax(e)    [aeks]   bijl. 
axiom   ['seksism]    axioma  o. 
axis  ['seksis]   axle  ['asksl]   as. 
azure  E'aesa]  hemelsblauw  o,  azuur  o\ 
a^  hemelsblauw,  azuren. 


B 


b    [bi:]    (de  letter)   b. 

babble  ['bsebl]  geklap  o,  gesnap  o\  ge- 

kabbel  o;  vi  klappen,  snappen;  kab- 

belen. 
babe  [beib]   kind(je)   o. 
baboon   [ba'buin]    baviaan. 
baby  ['beibi]   kind  o. 
bachelor   ['bastjsb]   vrijgezel. 
bacilli    [ba'silai]    bacillen. 
bacillus    [bs'sibs]    bacil. 
back    [bask]    terug;  achterwaarts;   ach- 

ter-;    — ,    rug;    achterspeler;    at    the 

'—   of,   achteraan,   achterin;   pt    (on- 

der)steunen;    wedden     [op    paard]; 

t'i  achteruitgaan. 
backbite   ['bsekbait]    (be)lasteren. 
backbiter  ['boskbaits]  lasteraar. 
backbone    ['bjekboun]    ruggegraat;    to 

the    — ,   in  merg  en  been. 
backdoor  ['bsek'dD:]   achterdeur. 
backer    ['basks]    aanhanger;  wedder 

[op   paard]. 
backgammon  [baek'gsman]  triktrak  o. 
background    ['bskgraund]    achter- 

grond. 
backing    ['bskir)]    steun. 
backroom    ['baekrum]    achterkamer. 
backward    ['bakwad]    achterwaarts; 

achterlijk,   traag;   achterover,   -uit. 
backwards   ['ba^kwsdz]   achterwaarts, 

achterover,  achteruit. 
back-yard    ['bsk'jaid]    achterplaats. 
bacon    ['beikn]    rookspek  o. 
bacteria    [baek'tisria]    bacterien. 
bacterium    [bsk'tiarism]    bacterie. 
bad   [baed]    kwaad,   slecht,   erg;   ziek. 
bade   [basd]    V.T.   v.   bid. 


badge  [baeds]  kenteken  o;  insigne  o\ 
penning. 

badger  ['bsdsa]  das  [dier];  vt  las- 
tig  vallen;    sarren. 

badly   ['baedli]   kwalijk,  slecht,  erg. 

badness    ['bsednis]    slechtheid. 

baffle   ['baefl]   verbijsteren;  verijdelen. 

bag  [baeg]  zak,  tas;  give  the  — ,  zijn 
conge  geven;  —  and  baggage,  met 
pak  en  zak;  vt  in  zakken  doen;  in 
zijn  zak  steken;  buitmaken;  vi  zak- 
kerig    zitten,    flodderen. 

baggage    ['basgids]     {Am)    bagage. 

bagpipe(s)    ['basgpaip(s)]    doedelzak. 

bail   [beil]   borg,  borgtocht. 

bailiff    ['beilif]    schout,    baljuw. 

bait  [belt]  (lok)aas  o\  vi  aanleggen, 
pleisteren. 

baize    [beiz]    baai;    (green)    laken   o. 

bake    [beik]    bakken,   braden. 

baker  ['beika]   bakker. 

baking    ['beikirj]    baksel   o. 

baking-powder    ['beikirjpauds]    bak- 
poeder  o  &:   in. 

balance  ['baebns]  balans,  (weeg)- 
schaal;  evenwicht  o\  saldo  o,  over- 
schot  o;  strike  a  — ,  de  balans  op- 
maken;  vt  in  evenwicht  brengen 
(houden);  [rekening]  vereffenen; 
vi  in  evenwicht  zijn;  jig  kloppen, 
sluiten    [rekening]. 

balance-sheet    ['bslansjiit]    balans. 

balcony    ['bselkani]    balkon   o. 

bald  [b3:ld]  kaal;  naakt;  onopgesmukt. 

baldhead  ['baildhed]  baldpate  ['boild- 
peit]    kaalkop. 

bale   [beil]   baal;  ellende,  ongeluk  o\ 


baleen 

vi   —    out,   afspringen    [v.   parachu- 
tist], 
baleen    [ba'liin]    balein    o. 
baleful  ['beilful]  noodlottig,  verderfe- 

lijk. 
Balkan  ['bsilksn]  Balkan;  the  — s,  de 

Balkan. 
ball    [bD;l]    bal    m    [voorwerpsnaam] ; 

bal    o    [danspartij];    kogel. 
ballad   ['baebd]   ballade. 
ballast    ['bselast]    ballast. 
ballet    ['baelei]    ballet  o. 
balloon    [ba'Iuin]    (lucht)ballon. 
ballot    ['baelat]     aantal    o    stemmen; 

stemming;    vi    balloteren. 
ballot-box    ['baelatbDks]    stembus. 
ball  point  pen    ['bDilpsintpen]    kogel- 

puntpen. 
ballroom    ['bD:lrum]    balzaal. 
balm    [ba:m]    balsam    ['b3:ls3m]    bal- 

sem. 
Baltic    ['boiltik]    Baltisch;   the   ~,   de 

Oostzee. 
baluster    ['bsebsta]    spijl. 
balustrade   [baebs'treid]   balustrade. 
bamboo   [biem'bu:]   bamboe  o. 
ban    [bsen]    ban;    verbod    o\    vt    ver- 

bannen;  verbieden. 
banal    ['beinsl,   'bsnal]    banaal. 
banana   [ba'narna]    banaan. 
band    [bsnd]    band;    bende;    muziek- 

korps  o,  muziek. 
bandage  ['basndids]  verband  o;  blind- 

doek;    vt    verbinden;    blinddoeken. 
bandbox    ['baendboks]    hoededoos. 
bandit    ['baendit]    bandiet. 
bandmaster    ['bsndmaists]    kapel- 

meester. 
bandoleer    [bsenda'lia]    bandelier. 
bandsman    ['baendzman]    muzikant. 
bandy   ['baendi]    kaatsen,  wisselen. 
bane    [bein]   vergif(t)    o\  verderf  o. 
baneful  ['beinful]   vergiftig;  verderf e- 

lijk. 
bang    [baerj]    slag,    smak;    bons;    knal; 

vt    slaan,    smakken    (met) ;    —    the 

drum,   op    de   trom   slaan,   de   grote 

trom    roeren;    vi    bonzen,    dreunen, 

knallen. 


19 


bargain 


banish    ['baenij]    (ver)bannen. 

banishment  ['baenijmant]  verbanning, 
ballingschap. 

banisters    ['basnistaz]    trapleuning. 

bank  [bsrjk]  bank;  oever;  berm;  over- 
helling;  vi  overhellen;  —  on,  ver- 
trouwen  op. 

banker    ['bsrjka]    bankier. 

bank  holiday  L'bserjk'hDlidi]  beursva- 
kantie. 

banknote  ['baegknout]  bankbiljet  o. 

bankrupt    ['bsegkrApt]    bankroet. 

bankruptcy    ['baer)krAp(t)si]    bank- 
roet o. 

banner  ['basna]  banier,  vaan,  vaandel 
o,  spandoek  o  &  m. 

banns    [baenz]    huwelijksafkondiging. 

banquet    ['baerjkwit]    feestmaal   o. 

bantam    ['basntsm]    kriel(haan). 

banter  ['baenta]  gescherts  o;  vi  schert- 
sen. 

baptism    ['baeptizm]    doop. 

baptismal    [baep'tizmal]    doop-. 

baptist  ['basptist]  baptist;  ]ohn  the 
B  — ,  Johannes  de  Doper. 

baptize    [bsep'taiz]    dopen. 

bar  [ba:]  sluitboom;  baar,  staaf,  tra- 
lie;  reep  [chocolade];  (maat)streep, 
maat;  balie;  bar;  buffet  o;  belem- 
mering;  horizontal  — ,  rekstok;  par- 
allel '—'S,  brug  [gymnastieki;  vt 
uitsluiten,  afsluiten,  versperren;  be- 
letten;  strepen. 

barb  [ba:b]  weerhaak;  vt  van  weer- 
haken  voorzien;  '---ed  wire,  prikkel- 
draad  o. 

barbarian   [ba/bearian]   barbaar(s). 

barbarous    ['ba:baras]    barbaars. 

barber  ['ba:ba]   barbier,  kapper. 

bard   [ba:d]   bard,  zanger. 

bare  ['bsa]  bloot,  naakt,  kaal,  ont- 
bloot;  the  —  idea,  de  gedachte  al- 
leen;    vt  ontbloten;    bJootleggen. 

barefaced   ['beafeist]   onbeschaamd. 

barefoot (ed)    ['b£afut(id)]   bloots- 
voets. 

bareheaded  ['bea'hedid]  blootshoofds. 

barely   ['beali]    ternauwernood;   enkel. 

bargain  ['ba:gin]  koop,  koopje  o\  it's 


barge 


20 


bead 


a    ■ — l,    afgesproken!;    into    the    — , 

op  de  koop  toe;  vi   (af)dingen;  on- 

derhandelen;  —  jor,  bedingen;  ver- 

wachten. 
barge   [baids]   schuit. 
baritone  ['baeritoun]  bariton. 
bark  [ba:k]  bast,  schors;  bark  [schip]; 

geblaf    o\    VI   blaffen;     vt     schillen; 

ontschorsen. 
bar-keeper  ['ba:ki:p3]   tapper. 
barley    ['ba:li]    gerst. 
barmaid    ['ba:meid]    buffetjuffrouw. 
barman    ['baiman]    buffetknecht. 
barn    [ba:n]    schuur. 
barometer    [bs'rjmits]    barometer. 
baron    ['bsersn]    baron. 
baroness    ['baersnis]    barones. 
barque    [ba:k]    schuit,    bark, 
barracks    ['bsersks]    kazerne. 
barrage    ['baerars]    dam;    spervuur    o; 

versperring. 
barrel    ['baeral]    vat  o\    (geweer)loop; 

trommel. 
barrel-organ    ['basrabigan]    draaiorgel 

o. 
barren    ['basrsn]   kaal,  dor. 
barricade    [baeri'keid]    barricade;    vt 

versperren,    barricaderen. 
barrier    ['baeris]    slagboom;    versper- 
ring, hindernis. 
barring    ['ba:rir)]    met  uitzondering 

van,  behalve,  behoudens. 
barrister    ['baptists]    advocaat. 
bar-room    ['ba:rum]    gelagkamer. 
barrow  ['basrou]  berrie;  kruiwagen, 

handwagen. 
barter    ['ba:t3]    ruil(handel);    vt   rui- 

len;    --^^    away,    verkrwanselen. 
basalt    [bs'sDilt]    basalt   o. 
base   [beis]   basis;  a]  slecht,  laag;  on- 

edel;   vt  baseren,   gronden. 
basely   ['beisli]    op    (een)    lage  wijze. 
basement   ['beismant]   grondslag,  fon- 

dament   o;   souterrain   o. 
base-minded  ['beismaindid]   laaghar- 

tig. 
bashful    ['bsj'ful]    schuchter,  bedeesd. 
basic    ['beisik]    fundamenteel,  grond-. 
basin  ['beisin]  bekken  o,  kom;  dok  o. 


bassin  o. 

basis    ['beisis]    basis. 

bask   [ba:sk]    (zich)   koesteren. 

basket   ['ba:skit]    korf,  mand. 

bass    [beis]    bas;    [bass]    baars. 

bastard    ['basstsd]    bastaard. 

bat  [baet]  vieermuis;  slaghout  o,  bat  o. 

batch  [baetj]  baksel  o\  troep,  partij, 
portie, 

bate  [beit]  verminderen;  aftrekken,  la- 
ten   vallen;    inhouden    [adem]. 

bath  [ba:9,  mv.  ba:3z]  bad  o\  vt  ba- 
den,   een   bad  geven. 

bathe  [beiS]  bad  o  [in  rivier  of  zee]; 
vt  baden;  betten;  bespoelen;  vi 
(zich)    baden. 

bather    ['beiSs]    bader;    badgast. 

bathing-suit  ['bei3ir]s(j)u:t]  badpak  <?. 

bath-room    ['barGrum]    badkamer. 

battalion  [ba'taeljan]  bataljon  o. 

batter  ['baeta]  beslag  o  [v.  gebak];  vt 
beuken    (op);   havenen. 

battery    ['bsetsri]    batterij. 

battle   ['baetl]    (veld) slag,  strijd;  vi 
vechten. 

battledore    ['baetldD:]    raket  o  8c  v. 

battle   dress    ['baetldres]    veldtenue   o. 

battle  ground  ['batlgraund]  slagveld 
o;   strijdperk  o. 

battlement    ['bstlmant]   kanteel. 

battleship    ['baetljip]    slagschip   o. 

battue    [bce'tu:]    klop-,   drijfjacht. 

Bavaria   [bs'vearia]   Beieren  o. 

Bavarian    [bs'vearisn]    Beier(s). 

bawl    [b3:l]    schreeuwen,  bulken. 

bay  [bei]  inham,  baai,  golf;  lauwer- 
(krans),  laurier;  vos  [paard];  ge- 
blaf o;  keep  at  — ,  zich...  van  het 
lijf  houden;  bring  to  -~,  in  't  nauw 
drijven;  vt  aanblaffen;  aj  bruinrood. 

bayonet    ['beisnit]   bajonet. 

bay-window  ['bei'windou]   erker. 

bazaar    [bs'za:]    bazaar. 

be  [bi:]  zijn,  wezen;  worden;  his...  to 
— ,  zijn  aanstaande...;  how  are 
you?,   hoe   gaat   het? 

beach   [bi.tj]   strand  o,  oever. 

beacon  ['biiksn]    (licht)baak,  baken  o. 

bead   [bi:d]   kraal,  parel;  vizierkorrel. 


beadle 


21 


behave 


beadle   ['bi:dl]    bode,  pedel. 

beagle    ['bi:gl]    brak   [bond]. 

beak    [bi:k]    snavel;    tuit. 

beam    [bi:m]    balk,   boom;   straal;   vi 
stralen. 

bean    [bi:n]    boon. 

bear  [bea]  beer;  baissier;  vt  (ver)- 
dragen;  voortbrengen,  baren;  toe- 
dragen;  • — •  a  hand,  een  handje 
helpen;  —  away,  behalen;  — 
down,  neerdrukken;  '--'  o  j  j,  weg- 
dragen;  —  o  n,  betrekking  hebben 
op;  —  out,  staven;  —  u  p  a  n, 
betrekking  hebben  op;  '—  iv  i  t  h. 
dulden;    geduld    hebben    met. 

bearable   ['bearsbl]    draaglijk. 

beard    ['biad]    baard;    weerhaak. 

bearded   ['biadid]   gebaard. 

beardless    ['biadlis]    baardeloos. 

bearer  ['bsara]  drager,  brenger,  bon- 
der;  toonder;   balk,  pilaar. 

bearing  ['bearirj]  houding,  gedrag  o\ 
richting,  strekking;  betrekking;  [ko- 
gel-,  rol]  lager  o\  [in  samenst.] 
...houdend. 

bearskin    ['besskin]   berevel   o. 

beast   [bi:st]   beest  a,  dier  o. 

beastly    ['bi:stli]    beestachtig. 

beat  [bi:t]  slag,  klap,  klop,  tik;  vt 
slaan,  kloppen;  verslaan;  —  //.', 
maak,  dat  je  wegkomt;  /'/  • — s  me, 
daar  kan  ik  met  mijn  verstand  niet 
bij;  --—  the  streets,  door  de  straten 
slenteren;    ook   V.T.    v.    beat. 

beaten    ['bi:tn]    V.D.   v.    heat. 

beating  ['birtirj]  (pak  o)  slaag;  slaan 
o. 

beau   [bou]    fat;  galant. 

beautiful    ['bju:tiful]    schoon,   mooi, 
fraai. 

beautify    ['bju:tifai]    mooier   maken, 
verfraaien. 

beauty  ['bju:ti]  schoonheid;  what  a 
-~.',  wat  is   zij    (dat)    mooi! 

beaver    ['biivs]    bever. 

became    [bi'keim]   V.T.  v.   become. 

because  [bi'ksz]  omdat;  —  oj,  we- 
gens. 

beckon  ['bekn]  wenken. 


become   [bi'kAm]  worden;  goed  staan; 

betamen;  ook  V.D.  v.   become. 
becoming   [bi'kAmirj]   goed  staand 

(passend),  gepast,  betamelijk. 
bed    [bed]    bed  o\   bedding. 
bed-clothes  C'bedklouSz]  beddegoed  o. 
bed-ridden    ['bedridn]    bedlegerig. 
bedroom    ['bedrum]   slaapkamer. 
bedspread   ['bedspred]   beddesprei. 
bedstead    ['bedsted]    ledikant    o. 
bee  [bi:]  bij;  he  has  a  —  in  his  bon- 

7iet,    hij    ziet    ze    vliegen. 
beech    [bi:tj]    beuk(eboom). 
beef   [bi:f]   rundvlees  a. 
beefsteak    ['bi:f'steik]    runderlapje    o. 
beeftea   ['bi:f'ti:]   bouillon. 
bee-hive    ['bi:haiv]    bijenkorf;    — 

chair,  strandstoel. 
bee-master   ['bitmaista]    imker. 
been   [bi:n,  bin]   V.D.  v.  be,  geweest. 
beer   [bis]    bier  o. 
beeswax    ['bi:zwseks]    was. 
beet   [bi:t]   beetwortel. 
beetle    ['bi:tl]    tor,    kever;    stamper, 

heiblok  o;  vi  overhangen. 
beetroot   ['bi:tru:t]   beetwortel. 
befall    [bi'f^d]    overkomen,   gebeuren. 
befit    [bi'fit]    passen,  betamen. 
before   [bi'fD:]   voor;  voordien. 
beforehand    [bi'foihsend]    vooruit. 
beg    [beg]    bedelen;    smeken,    verzoe- 

ken;  /  —  to  inform  you,  ik  heb  de 

eer  u  te  berichten. 
began  [bi'gasn]   V.T.  van  begin. 
beggar  ['begs]  bedelaar;    kerel,    vent; 

vt  in:    //    — s  description,   bet  gaat 

alle   beschrijving   te   boven. 
beggarly  ['begali]  armoedig,  armzalig. 
begin    [bi'gin]    beginnen. 
beginning  [bi'ginirj]   begin  o. 
begone    [bi'gpn]    ga   weg!,   ga   been! 
beguile   [bi'gail]   bedotten;  verlokken; 

^^  the  time,  de  tijd  doden. 
begun  [bi'gAn]  V.D.  van  begin. 
behalf  [bi'ha:f  ]  in  •—  of,  ten  bate  van, 

in   het   belang   van;    on    ^^    of,    uit 

naam   van;    ten   bate   van;    on   your 

■ — •,  om  uwentwil;  uit  uw  naam. 
behave    [bi'heiv]    zich    gedragen;    — 


behaviour 


22 


besom 


oneself,   zich   netjes  gedragen. 
behaviour    [bi'heivja]    gedrag  o. 
behead    [bi'hed]    onthoofden. 
beheld   [bi'held]   V.T.  &  V.D.  v.  he- 
hold. 
behind    [bi'haind]    achter. 
behindhand   [bi'haindh£end]   achter; 

achterstallig;    achterlijk. 
behold  [bi'hould]   aanschouwen. 
being    ['biiirj]    bestaan    o\    wezen    o. 
belated   [bi'leitid]   wat  laat. 
belfry   ['belfri]    klokketoren. 
Belgian   ['beldsan]   Belg(isch). 
Belgium    ['beldgsm]    Belgie  o. 
belie    [bi'lai]    logenstraffen. 
belief   [bi'li:f]    geloof  o\  beyond 

{past)    —-,    ongelofelijk. 
believe    [bi'li:v]    geloven. 
believer    [bi'liiva]    gelovige. 
belittle    [bi'Jitl]    kleiner  maken;   klei- 

neren. 
bell  [bel]  bel,  klok,  schel. 
bellicose    ['belikous]    oorlogszuchtig. 
belligerent   [bi-,  be'lidsarsnt]   oorlog- 

voerend(e). 
bellovi'    ['belou]     bulken,    loeien. 
bellows   ['belouz]    (blaas)balg;  a  pair 

of  — ',  een  blaasbalg. 
bell-pull  ['belpul]   schelkoord  o  &i  v. 
bell-wether   ['belweSs]    belhamel. 
belly    E'beli]     buik;    vi     (op)bollen, 

bol   staan,   buiken. 
belong    [bi'brj]     (toe)behoren    (aan, 

to).  _ 
belongings    [bi'bgigz]    bezittingen, 

hebben  en   houden   o,    spuilen. 
beloved    [bi'Uvid]    beminde,  geliefde; 

[bi'lAvd]    aj  bemind,   geliefd. 
below    [bi'lou]    beneden,   onder;    naar 

beneden. 
belt   [belt]    riem,  gordel. 
belt-railway    ['beltreilwei]    ceintuur- 

baan. 
bemoan    [bi'moun]    bejammeren. 
bench    [ben(t)j]   bank;  rechtbank. 
bench  hand    ['ben(t)Jh£end]    bank- 

werker. 
bend    [bend]    bocht,    kromming;    vt 

buigen,  krommen;   richten. 


beneath    [bi'ni:6]   beneden,  onder. 
benediction     [beni'dikjan]      (in)zege- 

ning,  zegen;  lof  o  [kerkdienst]. 
benefactor  [beni'faskts]  weldoener. 
beneficent    [bi'nefisant]    liefdadig, 

weldadig. 
beneficial  [beni'fijsl]   heilzaam. 
benefit    ['benifit]    voordeel    o,   nut   o; 

weldaad;    uitkering;   for  the    -~    of, 

ten   bate  van,    ten   behoeve   van;    vt 

goeddoen;   bevorderen;   vi   haat  vin- 

den,  voordeel  trekken    (uit,  by). 
benefit-night  ['benifitnait]  benefiet  o. 
benevolence  [bi'nevabns]  welwillend- 

heid;   weldadigheid. 
benevolent  [bi'nevslant]  welwillend; 

weldadig. 
benign    [bi'nain]    benignant    [bi'nig- 

nant]   goedaardig,  vriendelijk. 
bent  [bent]   (geestes)richting,  neiging; 

aanleg;  V.T.  &  V.D.  van  bend;  be 

—    (up)on,   gericht  zijn  op;   er  op 

uit  zijn  om. 
benumb  [bi'nAm]  verkleumen,  verstij- 

ven,  verlammen. 
bequeath   [bi'kwi:3]   vermaken. 
bequest   [bi'kwest]    legaat  o. 
bereave    [bi'ri:v]    beroven    (van,    of); 

the    '-~d   family,    bet    diepbedroefde 

gezin. 
bereavement    [bi'riivmant]    beroving; 

zwaar  verlies   o.   sterfgeval   o. 
bereft   [bi'reft]   V.T.  &  V.D.  van  be- 
reave, 
beret    ['berei]    baret,   alpino. 
Berlin  [bo/lin]  Berlijn  o;  ['baJin]  aj 

Berlijns. 
berry   ['beri]   bes. 
berth    [b3:0]    hut,    kooi;    couchette; 

ligplaats;    baantje   o. 
beseech    [bi'si;tj"]    smeken. 
beseem    [bi'si:m]    betamen,  voegen. 
beside   [bi'said]   naast,  bij,  buiten;  he 

was  —  himself,  hij  was  buiten  zich 

zelf. 
besides    [bi'saidz]    bovendien,   daarbij, 

behalve    [met    inbegrip    van], 
besiege    [bi'siids]    belegeren. 
besom   ['bi:z3m]   bezem. 


besought 


23 


bind 


besought    [bi'sD:t]    V.T.   &   V.D.    van 

beseech. 

bespoke   [bi'spouk]    —  department, 
maatafdeling. 

best  [best]  best;  make  the  —  oj  it, 
zich  erin  schikken,  het  voor  lief 
nemen. 

bestial    ['bestial]    beestachtig. 

bestir  [bi'sts:]  —  oneself,  zich  rep- 
pen,    aanpakken. 

best  man    ['best'maen]    bruidsjonker, 
getuige   [bij  huwelijk]. 

bestow    [bi'stou]    geven,   schenken; 
verlenen    (aan,    on,    upon). 

bet    [bet]    weddenschap;    vt    &    vi 
(ver)wedden;  ook  V.T.  &  V.D. 

betimes    [bi'taimz]    bijtijds,   tijdig. 

betray    [bi'trei]    verraden. 

betrayal    [bi'treial]    verraad  o. 

betrothal    [bi'trouSsl]    verloving. 

betrothed    [bi'trouSd]    verloofd(e). 

better  ['bet3]  beter;  the  -^  part,  het 
grootste  deel;  yon  had  — ...,  je 
moest  maar  liever...;  get  the  ■ — ■  of, 
het  winnen  van;  te  slim  af  zijn;  like 
— ,  meer  houden  van,  liever  hebben; 
our  — s,  onze  meerderen;  vt  ver- 
beteren. 

betterment  ['betamant]  verbetering. 

bettor    ['beta]    wedder. 

between    [bi'twi:n]    tussen. 

beverage    ['bevarids]    drank. 

bevy  ['bevi]  vlucht,  troep,  troepje  o. 

bewail   [bi'weil]   betreuren. 

beware  [bi'wea]  zich  hoeden,  zich  in 
acht  nemen    (voor,  of). 

bewilder    [bi'wilda]    verbijsteren. 

bewilderment  [bi'wildamant]  verbijs- 
tering. 

bewitch    [bi'witj]    betoveren. 

beyond  [bi'JDnd]  aan  gene  zijde  (van), 
boven  (uit),  over,  buiten,  verder 
(dan),   meer   dan,  voorbij;   behalve. 

bias  ['baias]  schuinte;  overhelling, 
neiging;  vooroordeel  o;  partijdig- 
heid;  vt  in:  be  ■ — {s)ed,  bevoor- 
oordeeld  zijn. 

bib   [bib]    slabbetje  o. 

bible  ['baibi]   bijbel. 


biblical   ['biblikl]   bijbels,  bijbel-. 

bicker   ['bika]   kibbelen. 

bicycle   ['baisikl]    fiets;  vi  fietsen. 

bid  [bid]  bod  o;  make  a  —  for,  din- 
gen  naar;  een  poging  doen  ter  ver- 
krijging  van;  vt  bevelen;  verzoeken; 
zeggen,  wensen,  heten;  bieden;  ook 
V.T.   &   V.D.    v.   hid. 

biddable    ['bidabl]    gezeglijk. 

bidden    ['bidn]    V.D.    v.    bid. 

bidder    ['bida]    bieder. 

bidding  ['bidir)]  bevel  o\  bieden  o\ 
bod   o\   verzoek   o. 

bide    [baid]    beiden,   afwachten. 

bier    [bia]    (lijk)baar. 

bifurcate  ['baifa:keit]    (zich)   splitsen. 

bifurcation    [baifa/keijan]    vork, 
tweesprong. 

big    [big]    dik,  groot,    zwaar. 

bight    [bait]    bocht;   baai. 

bigness    ['bignis]    grootte,    dikte. 

bigot    ['bigat]    kwezel(aar). 

bigoted    ['bigatid]    kwezelachtig. 

bigotry  ['bigatri]   kwezelachtigheid. 

bike    [baik]    fiets;   vi  fietsen. 

bilberry    ['bilbari]    blauwe   bosbes. 

bile    [bail]    gal. 

bilious    ['biljas]    galachtig;   gal-. 

Bill   [bil]   Willem,  Wim. 

bill  [bil]  snavel;  snoeimes  o;  rcke- 
ning;  wissel;  lijst;  aanplakbiljet  o, 
strooibiljet  o,  programma  o;  wets- 
ontwerp  o;  —  of  exchange,  wissel; 
•-~^  of  fare,  spijslijst;  —  of  lading, 
cognossement  o. 

bill-broker  ['bilbrouka]  makelaar  in 
wissels. 

billet  ['bilit]  baantje  o\  kwartier  o 
[v.  militairen]. 

billiards    ['biljadz]    biljart(spel)    o. 

billiard(s)    table    ['bilJ3d(z)teibl] 
biljart   o. 

billow   ['bilou]   baar,  golf. 

bill-poster    ['bilpousta]    bill-sticker 
['bilstika]   aanplakker. 

bin   [bin]   kist;  trog,  bak. 

bind  [baind]  (in)binden;  verbinden; 
verplichten;  '^  up,  verbinden  [een 
wond] ;    samen-,    inbinden, 


binder 


24 


blank 


binder    ['bainda]    (boek)  binder. 

bindery    ['baindari]    boekbinderij. 

binding   ['baindir)]    (boek)band;   aj 
verplichtend,    (ver)bindend. 

binocle    ['binDkl]    dubbele    kijker. 

binocular    [bai'nDkjub]    voor    beide 
ogen;    ■ — s,    dubbele   verrekijker. 

biography   [bai'Dgrsfi]    biografie:   le- 
vensbeschrijving. 

biplane    ['baiplein]    tweedekker. 

birch  [baitj]  berk;  (straf)roede;  vt 
(met)    de   roe  geven. 

birchen  ['baitjan]  berken,  berkehou- 
ten. 

bird  [b3:d]  vogel;  —  of  passage, 
trekvogel;  ■ — ■  of  prey,  roof  vogel; 
the  early  —  catches  the  worm,  de 
morgenstond  heeft  goud  in  de  mond; 
— s  of  a  feather  flock  together, 
soort  zoekt  soort;  a  —  in  the  hand 
is  worth  two  in  the  bush,  een  vo- 
gel in  de  hand  is  beter  dan  tien  in 
de  lucht;  kill  two  '-~s  with  one 
stone,  twee  vliegen  in  een  klap  slaan. 

bird's-eye  ['baidzai]  —  view,  gezicht 
o  in  vogelvlucht. 

bird  ('s) -nesting  ['b3:d(z)nestir)]  het 
zoeken  en  uithalen  van  vogelnesten. 

birth  [b3:G]  geboorte;  give  —  to,  het 
leven  schenken  aan;  by  — ,  van  ge- 
boorte. 

birthday    ['bsiOdei]    verjaardag,  ge- 
boortedag. 

birth-mark    ['b3:6ma:k]    moedervlek. 

biscuit    C'biskit]    beschuit. 

bishop    ['bijap]    bisschop;    raadsheer 
[in  't  schaakspel]. 

bishopric   ['bijaprik]   bisdom  o. 

bit  [bit]  beetje  o,  stuk(je)  o\  bit  o\ 
boorijzer  o;  not  a  '—,  geen  zier;  do 
one's  ■ — ■,  het  zijne  (zijn  plicht) 
doen;  V.T.   &  V.D.   v.   bite. 

bitch    [bitj]    teef. 

bite  [bait]  hap;  bete;  beet;  vt  bijten 
(in,  op,   aan). 

biter  ['baita]  bijter;  the  ■ —  bit,  de 
bedrieger  bedrogen. 

bitten   ['bitn]   V.D.  v.  bite. 

bitter    ['bita]    bitter;    verbitterd;    -^j-, 


bitter  o  Si.  m  [drank],  bitter  m 
[glaasje   drank]. 

bivouac    ['bivusek]    bivak   o. 

blab    [blaeb]    babbelen;    verklappen. 

black  [blask]  zwart,  donker,  duister; 
somber;  snood;  a  —  eye,  een  blauw 
oog  o\  —  and  blue,  bont  en  blauw; 
vt  zwart  maken;  • — •  out,  zwart  ma- 
ken;  verduisteren  [stad];  fig  ver- 
heimelijken;  het  bewustzijn  (geheu- 
gen)    even   verliezen. 

blackberry  ['blsekbari]   braam(bes). 

blackbird  ['blsekbaid]  merel. 

blackboard    ['blaekbDid]    ( school  )bord 

0. 

blacken   ['blsekn]   zwart  maken. 
blackguard    ['blasga:d]    deugniet, 

schurk;    aj   gemeen. 
blacking    ['blaskir)]    schoensmeer   o  & 

m. 
blacklead  ['blask'Ied]  potlood  o. 
blackleg   ['blaskleg]    bedrieger;  onder- 

kruiper   [bij  staking]. 
blackmail    ['blsekmeil]    (geld)afper- 

sing,  chantage. 
black  market   ['blask'maikit]    zwarte 

markt,   zwarte  handel. 
black  marketeer    [blskmaiki'tia] 

zwartehandelaar. 
black-out    ['blsekaut]    verduistering 

[tegen      luchtaanval];      verheimelij- 

king  [van  nieuws];  kortstondig  ver- 

lies  o  van  bewustzijn  (geheugen). 
blacksmith    ['blaeksmiS]    smid. 
bladder   ['blseda]    blaas;  blaar. 
blade  [bleid]  spriet;  lemmet  o,  scheer- 

mesje  o;  blad  o. 
blamable   ['bleimabl]   laakbaar. 
blame    [bleim]    blaam,    berisping, 

schuld;    vt    laken,    berispen,    afkeu- 

ren;  de  schuld  geven. 
blameless    ['bleimlis]    onberispelijk. 
blanch   [bla:n(t)J]    (ver)bleken. 
bland    [blasnd]    zacht,    (poes)lief. 
blank  [blaeijk]  open  plaats,  wit  o,  wit- 

te  ruimte;   leemte;   bianco  formulier 

o;    niet    [in   loterij];   aj  bianco,   on- 

ingevuld,      open;     wezenloos      [van 

blik];    fig    bot,    vierkant;    —     car- 


blanket 


25 


blown 


tridge,    losse    patroon. 
blanket   ['blaerjkit]    (wollen)   deken. 
blare  ['hies]  loeien,  brullen;  schallen; 

(rond)  trompetten. 
blaspheme    [blaes'fi:m]     (God)    laste- 

ren,  vloeken. 
blasphemous    ['blassfimas]     (gods)las- 

terlijk. 
blasphemy    ['blassfimi]    godslastering. 
blast   [bla;st]    (ruk)wind;   luchtdruk; 

geschal  o;   springlading. 
blast-furnace  ['bla:stf3:nis]   hoogoven. 
blatant   C'bleitant]    schetterend;  opval- 

lend. 
blaze   [bleiz]   vlam;  gloed;   schel  licht 

o;  in  a  '~,  in  lichte(r)  laai(e);  like 

— s,  als  de  bliksem;  vi  vlammen,  fel 

branden,  gloeien;  lichten,  flikkeren; 

~'    away,    crop    los    paffen. 
blazer    ['bleizs]    sportbuisje   o. 
blazon   ['bleizn]  blazoen  o. 
bleach    [bli:tj]    bleken. 
bleach-works    ['bliitjwaiks]    blekerij. 
bleak  [bli:k]   guur;  naar;  kaal;  troos- 

teloos. 
bleat   [bli:t]   blaten. 
bled  [bled]   V.T.  &  V.D.  v.  bleed. 
bleed  [bli:d]  bloeden;  aderlaten,  doen 

bloeden. 
blemish  ['blemij]  vlek;  smet,  klad;  vt 

bekladden. 
blend  [blend]  vermenging;  mengsel  o; 

vt   (ver)mengen. 
bless   [bles]   zegenen;    — ■   me!,  goeie 

genade! 
blessed    ['blesid   &   blest]    gezegend; 

zalig;    vervloekt. 
blessing  ['blesirj]  zegening,  zegen;  ask 

a  — ,  bidden  [voor  of  na  het  eten]. 
blew   [blu:]   V.T.  v.  blow. 
blind    [blaind]    rolgordijn    o,    zonne- 

blind  o,   scherm  o;   aj  blind;    —   of 

{in)  one  eye,  blind  aan  een  oog;  vt 

blind  maken,  verblinden. 
blindfold  ['blaindfould]  geblinddoekt; 

blindelings;  vt  blinddoeken. 
blindly    ['blaindli]    blindelings. 
blindman's-buff   ['blaindmasnz'bAf] 

blindemannetje  o. 


blindness  ['blaindnis]  blindheid,  ver- 
blinding. 

blink  [blirjk]  gluren;  knipogen;  knip- 
pen  met;   de  ogen  sluiten  voor. 

bliss    [blis]    zaligheid,  geluk   o. 

blissful  ['blisful]    (geluk) zalig. 

blister  ['blists]  blaar;  trekpleister. 

blithe   [blaiS]    blij(moedig). 

blitz  [blits]  hevige  (lucht)aanval;  vt 
aanvallen;  verwoesten. 

blizzard    ['blizad]    sneeuwstorm. 

bloat  [blout]  (op)zwellen;  roken  [ba- 
ring]. 

bloater  ['blouts]   bokking. 

blob  [bbb]  klodder. 

block  [bbk]  blok  o\  verkeersopstop- 
ping;  vt  belemmeren,  versperren; 
blokkeren. 

blockade    [bb'keid]    blokkade;    vt 
blokkeren. 

blockhead   ['bbkhed]   domkop. 

blood   [bUd]    bloed  o;   vt  aderlaten. 

blood-horse    ['bUdhDis]    volbloed. 

blood-letting   ['blAdletig]   aderlating. 

bloodshot  ['blAdjDt]  met  bloed  belo- 
pen. 

bloodsucker    ['blAdsAka]    bloedzuiger. 

bloodthirsty  ['blAdOststi]  bloeddors- 
tig. 

blood-vessel  ['blAdvesl]  bloedvat  o. 

bloody  ['bUdi]  bloed(er)ig;  bloed-; 
donders,  verduiveld. 

bloom  [blu:m]  bloesem;  bloei;  bios, 
gloed;    vi  bloeien. 

blossom  ['bbs3m]  bloesem;  vi  bloei- 
en. 

blot  [bbt]  klad,  (inkt)vlek;  vt  be- 
kladden; vloeien;  ■ — ■  out,  uitwissen, 
doorhalen;  wegvagen. 

blotch  [bbtj]  klad,  klodder,  vlek;  vt 
(be)kladden,    (be)vlekken. 

blotting-paper    ['bbtirjpeipa]    vloei- 
(papier)    o. 

blouse   [blauz]   kiel;  blouse. 

blow  [blou]  slag,  klap;  windvlaag; 
vi  blazen,  waaien;  vt  blazen  op 
[fluit];  —  one's  nose,  zijn  neus 
snuiten. 

blown    [bloun]    V.D.    v.    blow. 


blub 


26 


bond 


blub    [bUb]    snotteren,    grienen. 
blubber    ['bUbsJ    walvisspek    o;    vi 

snotteren,   grienen. 
bludgeon   ['bUdsan]   knuppel. 
blue    [blu:]    blauw;    blauwsel    o. 
bluebottle    ['blu:b3tl]    korenbloem; 

bromvlieg. 
bluejacket    ['bluidsiekit]    matroos. 
blue  print    ['blu:print]    blauwdruk. 
bluestocking   ['bluistokirj]   blauwkous. 
bluff  [bUf]   steil;  rond(uit);  vt  over- 

bluffen. 
blunder    ['bUnda]    flater;    vi  een  bok 

schieten;  —  along,  ■ — ■  on,  voort- 

sukkelen;    ■ — ■    out,    eruit    flappen; 

—  upon,   toevallig  vinden. 
blunt    [blAnt]    stomp,    dom,    lomp; 

rond(uit);   vt  verstompen. 

blur  [bb:]  klad,  vlek;  vt  bekladden; 
benevelen,   verduisteren. 

blurt   [bb:t]    —  out,  er  uitflappen. 

blush    [bUJ]    bios;    vt   blozen. 

bluster  ['bUsta]  geraas  o\  snoeverij; 
vi  razen,   bulderen;   snoeven. 

boar  [bD:]  beer  [mannetjesvarken]; 
wild  zwijn  o. 

board  [bD:d]  plank;  kost;  kostgeld  o\ 
raad,  commissie,  bestuur  o,  college 
o,  departement  o,  ministerie  o\  kar- 
ton  o\  the  — s,  de  planken,  het 
toneel;  on  — ,  aan  boord  [v.  e. 
schip];  vt  aanklampen;  aan  boord 
gaan  van;  stappen  in  [trein];  in  de 
kost  nemen,  hebben  of  doen;  —  up, 
dichtspijkeren;  vi  in  de  kost  zijn 
(bij,  with). 

boarder  ['bo ids]  kostganger,  -leerling. 

boarding-house  ['bD:dir)haus]  pension 
o. 

boarding-school   ['b3:dir)sku:l]  kost- 
school. 

board-wages  ['b3:dweid3iz]  kostgeld 
o. 

boast    [boust]    bluf;   roem;   make   (a) 

—  of,  zich  beroemen  op;   vi  bluf- 
fen,  pochen,  zich  beroemen  (op,  of). 

boastful  ['boustful]  snoevend. 
boat  [bout]  boot;  (saus)kom. 
boating   ['boutirj]   spelevaren  o. 


boat-race  ['boutreis]  roeiwedstrijd. 

boatswain   ['bousn]    bootsman. 

bob    [bsb]    kortstaarten;   recht  afknip- 

pen;    dobberen;    knikken    (met);    — 

up,  boven  komen;  verschijnen. 
bobbin    ['bobinj    klos. 
bobby  ['bobi]  klabak. 
bob-sleigh   ['b^bslei]   bobslee. 
bode    [boud]    voorspellen. 
bodice   ['bodis]   keurs(lijf)   o. 
bodily  ['bodili]   lichamelijk;  in  leven- 

den   lijve;   compleet,   met    huid    en 

haar. 
bodkin   ['bodkin]   rijgpen;  priem. 
body  ['bsdi]  lichaam  o,  lijf  o;  lijk  o; 

bovenstel      o;     organisatie;     groep; 

voornaamste   (grootste)   gedeelte  o. 
bodyguard  ['bsdigaid]  lijfwacht. 
Boer    [bua]    Boer. 
bog    [bog]    moeras   o;   laagveen  o. 
bogus    ['bougas]    vals,  pseudo-. 
bogy   ['bougi]   boeman. 
boil    [boil]    koken,   zieden;    (steen)- 

puist. 
boiler    ['boila]    kook-,   stoomketel. 
boisterous    ['boistaras]    onstuimig,  ru- 

moerig. 
bold    [bould]     stout  (moedig),     koen, 

vrijpostig;  vet  [drukletter] ;  make  ^~^ 

to,  zich  verstouten,  zo  vrij  zijn  om. 
bole    [boul]    boomstam. 
bolster  ['boulsta]  peluw;  steun;  vt  — 

{up),  steunen. 
bolt   [boult]   bout,  grendel;  pijl;  blik- 

semstraai;  he  did  a   ■ — ,   he  made  a 

—   for  it,   hij   ging  er  vandoor;   vt 

grendelen;  naar  binnen  slaan;  vi  er 

vandoor    gaan;    '~    upright,    kaars- 

recht. 
bomb    [bam]    bom;    /■/  bombarderen. 
bombard    [bam'baid]    bombarderen. 
bombardment  [bam'baidmant]  bom- 

bardement   o. 
bombast    ['bombjest]    bombast. 
bombastic  [bam'bsstik]  bombastisch. 
bomber    ['bama]    bommenwerper. 
bomb-proof  ['bampru:f]  bomvrij. 
bond   [band]   band;  verphchting;  obli- 

gatie;  in   ■ — ■,  in  entrepot;   vl  in  en- 


bondage  27 


bottom 


trepot  opslaan. 
bondage  L'bDndidg]  slavernij. 
bonded  ['b^ndid]    (in  't  entrepot)  op- 

geslagen;  —  warehouse,  veem  o. 
bondholder    ['bDndhoulds]    obligatie- 

houder. 
bond(s)man  ['b3nd(z)m3n]  slaaf. 
bone   [boun]   been  o\  graat;  make  no 

— s  about,  geen   been   zien   in;   het 

niet    onder    stoelen    of    banken    ste- 

ken;    I've  a    —    to  pick   with   you, 

ik  beb  een  appeltje  met  u  te  schil- 

len;    to    the    -~,    tot    op    het    been, 

door  en   door;   aj  benen. 
bonfire   ['bonfaia]   vreugdevuur  o. 
bonnet  ['bsnit]   (.vrouv/en)hoed;  muts; 

(motor)  kap. 
bonny  ['boni]   aardig,  lief. 
bonus    ['bounss]    premie;   tantieme   o. 
bony    ['bouni]    beenachtig;   knokig; 

gratig. 
booby    ['bu:bi]    domoor,   sul. 
book    [buk]    boek   o\    vt   boeken; 

(plaats)   bespreken;  een  kaartje  ne- 

men. 
bookbinder   ['bukbainds]    boekbinder. 
book-case   ['bukkeis]   boekenkast. 
book-end  ['bukend]  boekensteun. 
booking-office   ['bukigsfis]    kaartjes- 

loket  o. 
book-keeper   ['bukkiipa]  boekhouder. 
book-keeping   ['bukki:pir)]   boekhou- 

den  o. 
bookmaker    ['bukmeiks]    bookmaker 

[bij   wedrennen]. 
book-mark(er)    ['bukma;k(3)]    lees- 

wijzer. 
bookseller   ['buksela]   boekverkoper. 
book-stall  ['bukst3:l]  boekenstalletje  o. 
boom  [bu:m]    (haven) boom;  reclame; 

stijging  V.  prijzen;  hoogconjunctuur; 

gedonder   o,  gedreun  o\   vt  reclame 

maken  voor;  vi  donderen,  dreunen; 

een   hoogconjunctuur   beleven. 
boon    [bu:n]    geschenk   o\   gunst;   ze- 

gen,   weldaad. 
boor   [bua]   lomperd. 
boorish    ['busrij]    lomp. 
boost  [bu:st]  -^  {up),  opdrijven;  ver- 


hogen;   reclame  maken  voor. 
boot    [bu:t]    laars,    hoge    schoen;    the 

■ — ^.r,    de    schoenpoetser,    de    knecht 

[in    hotel];    get    the    — ,    de    bons 

krijgen;  to  — ,  daarbij,  bovendien. 
boot-black   ['bu.tblsek]    schoenpoetser. 
booted   ['bu;tid]  gelaarsd. 
booth    [bu:5]    kraam,   tent;   hokje   o. 
bootlace    ['bu:tleis]    ( schoen )veter. 
boot-polish    ['buitpolij]    schoensmeer 

o  &  m. 
booty    ['bu;ti]    buit. 
border     ['bsida]     rand,    kant;    grens- 

(streek);    vt    omranden;    begrenzen; 

vi  —  on,  grenzen  aan. 
bore     [b3:]     (boor)wijdte;    vervelend 

mens;    vervelende    zaak;    vt    boren; 

vervelen;  V.T.  v.  bear. 
boredom    ['bD;dam]    verveling. 
born    [bD:n]    geboren. 
borne  [bDinJ  V.D.  v.  bear. 
borough    ['bArs]    stad;    kiesdistrict    o. 
borrow    ['barou]    lenen    [van];   ontle- 

nen   (aan,  from,  of). 
bosom    ['buzsm]    boezem;    borst; 

schoot   [der  kerk]. 
boss    [b3s]    baas;    leider;    vt  besturen; 

—  the  show,  de  lakens  uitdelen. 
botanic(al)    [b3'taenik(l)]   botanisch. 
botanist    ['botanist]    plantkundige. 
botany  ['botani]  plantkunde. 

botch  [botj]  (op)lappen,  (ver)brod- 
delen,   verknoeien. 

both    [bou6]    beide;    zowel    als. 

bother  ['baSa]  gezanik  o,  last;  vi  za- 
niken;  zich  druk  maken  (om, 
about);  vt  tot  last  zijn,  vervelen;  — 
(/'/).',   loop   naar  de   pomp! 

bottle  L'botl]  fles,  karaf;  bos;  vt  bot- 
telen;    in    flessen    doen    (inmaken); 

—  up,    opkroppen    [woede] ;    vast- 
houden    [schepen]. 

bottleneck  ['bstlnek]  nauwe  doorgang, 
vernauwing;  kneipunt  o,  belemme- 
ring,   struikelblok   o. 

bottom  ['botam]  bodem,  grond;  (be- 
neden)eind  o;  zitting  [v.  stoel]; 
at  — ,  in  de  grond;  at  the  -^  of, 
onderaan,    onderin,   achterin;    he   is 


bottomless 


at  the  —  oj  it,  hij  zit  er  achter;  a] 

onderste. 
bottomless   ['bstamlis]   bodemloos. 
bough   [bau]   tak. 

bought    [b3:t]   V.T.  &  V.D.  v.   buy. 
bounce   [bauns]    (op)springen. 
bouncing  ['baunsirj]   kolossaal;  stevig. 
bound    [baund]    grens;      sprong;     vi 

springen;     terugkaatsen;     vt    beper- 

ken;    begrenzen;    V.T.    &     V.D.     v. 

bind;    —  jor,  op  wag  naar;   be   — 

to...,   moeten... 
boundary  ['baundari]  grens (lijn). 
boundless    ['baundlis]    grenzeloos. 
bounteous   ['bauntiss]   mild(dadig). 
bountiful  ['bauntiful]  mild;  overvloe- 

dig. 
bounty    ['baunti]    mild(dadig)heid; 

gift,   premie. 
bouquet   ['bukei]   boeket  o  &  m,  rui- 

ker. 
bow   [bau]   buiging;  boeg;  vt  buigen; 

[bou]  boog;  strijkstok;  (losse)  strik. 
bowels   ['bauslz]  ingewanden. 
bower  ['baua]   prieel  o. 
bowl  [boul]   schaal,  kom;   (kegel)bal; 

-^s,  balspel  o\  kegelen  o\  vi  ballen; 

kegelen;  bowlen   [cricket];    (voort)- 

rollen. 
bowler   ['boub]    bolhoed. 
bowsprit    ['bousprit]    boegspriet. 
bow-window  ['bou'windou]  rond  uit- 

springend  venster  o. 
box    [bjks]    docs,    kist,    koffer;     bus; 

lege;  hokje  o;  huisje  o;   (koetsiers)- 

bok;    klap,    oorvijg;    vi    boksen;    vt 

(cm  de  oren)  slaan. 
boxer  ['bDkss]  bokser. 
Boxing-day  ['bDksirjdei]   tweede  kerst- 

dag. 
box-iron  ['bsksaisn]   strijkijzer  o. 
box-office    ['bsksDfis]    bespreekbureau 

o,   kassa. 
boy    [bsi]    jongen. 

boycott  ['boikot]  boycot;  vt  boycotten. 
boyhood    ['bsihud]    jongenstijd;    jon- 

gens. 
boyish    ['bsiij]    jongensachtig,    jon- 

gens-. 


28  brazen 

boy   scout    ['bDi'skaut]    padvinder. 
brace  [breis]  paar  o,  koppel  o\  —  and 

bit,  boor;   '^j,   bretels. 
bracelet    ['breislit]    armband. 
bracing   ['breisirj]    versterkend,   op- 

frissend. 
bracken    ['brzekn]    varen(s). 
bracket  ['braekit]  console;  klamp;  '-'S, 

haakjes;  vt  tussen  haakjes  plaatsen. 
brackish   ['brsekij]   brak   [water], 
brag  [braeg]  pochen,  bluffen  (op,  of). 
braggart    ['brsgst]    snoever. 
braid  [breid]  vlecht;   (veter)band  o  & 

m;  tres;  vt  vlechten;  boorden. 
brain   [brein]    brein  o,  hersenen;  ver- 

stand   o;    ■ — s,   hersens. 
brake  [breik]   rem;  varen(s);  vt  rem- 

men. 
bran   [brsen]   zemelen. 
branch    [bra:n(t)J]     (zij)tak,    arm; 

(leer)vak   o,   filiaal   o,   afdeling;    vi 

zich  vertakken. 
branch-office    ['bra:n(t)j3fis]    bijkan- 

toor  o. 
brand    [brasnd]    (brand)merk   o;   vt 

(brand)merken. 
brandish   ['brsendij]   zwaaien  met. 
bran(d)-new    ['br£en(d)'nju:]    fonkel- 

nieuw. 
brandy    ['brsndi]    cognac, 
brass    [bra:s]    (geel)koper  o,  messing 

o\  aj   (geel)koperen. 
brass   band    ['braisbeend]    fanfare- 

korps   o. 
brass-works    ['bra:sw3;ks]    kopergiete- 

rij. 
brat    [brast]    kind   o,   jongetje  o. 
brave   [breiv]   dapper;  mooi,  zwierig; 

vt   braveren,    tarten,    trotseren. 
bravery   ['breivsri]    meed;  praal,  ver- 

toon  o. 
brawl    [bn:!]    getier   o;   ruzie;    vi  ra- 

zen,  tieren;  tw'isten. 
brawn   [broin]    spier(en),  spierkracht. 
brawny    ['brD:ni]    gespierd,    sterk. 
bray    [brei]    gebalk    o\    vi    balken 

[ezel];    vt   fijnstampen. 
brazen    ['breizn]    koperen;  bronzen; 

fig  onbeschaamd,   brutaal. 


brazen-faced 


29 


bring 


brazen-faced    ['breiznfeist]    onbe- 
schaamd. 

Brazil    [bra'zil]   Brazilie  o. 

Brazilian    [brs'ziljsn]    Braziliaan(s). 

breach  [bri:tj]  breuk;  bres;  kloof;  in- 
breuk;   schending. 

bread    [bred]    brood   o. 

breadth    [bredO]    breedte. 

break  [breik]  breuk;  af-,  onderbre- 
king;  aanbreken  o;  speelkwartier  o; 
vt  breken;  afbreken;  dresseren;  ■ — 
away,  zich  loswerken,  zich  losruk- 
ken,  zich  losmaken;  —  d  o  lu  n,  fa- 
len,  mislukken,  bezwijken;  niet  meer 
kunnen;  ^-^  i  n,  inbreken;  africhten; 
dresseren;  ■ — ■  into  a  house,  in- 
breken; —  u  p,  opbreken,  uiteen- 
gaan;  afbreken,  slopen;  ontbinden, 
verdelen,  verbrokkelen,  (doen)  uit- 
eenvallen. 

breakdown  ['breikdaun]  in(een)stor- 
ting,  mislukking;  storing,  defect  o, 
panne,  averij. 

breaker  ['breika]  breker;  sloper;  — s, 
branding. 

breakfast  ['brekfast]  ontbijt  o\  vi  ont- 
bijten. 

breakneck   ['breiknek]    halsbrekend. 

breakwater   ['breikwD:t3]   golfbreker. 

bream    [bri:m]    brasem. 

breast  [brest]  borst;  make  a  clean 
■ — ■    of  it,   alles   opbiechten. 

breath  [breO]  adem(tocht);  luchtje  o, 
zuchtje  o. 

breathe  [bri:S]   ademen. 

breathless   ['bre91is]   ademloos. 

bred   [bred]   V.T.  &  V.D.  v.   breed. 

breeches  ['britjiz]  korte  (rij)broek. 

breed    [bri:d]    ras  o,   soort;   vt  baren, 
telen,    (aan)fokken,  voortbrengen, 
opleiden,   opvoeden. 

breeder    ['briida]    fokker. 

breeze   [bri:z]   bries. 

brethren   ['breSrin]   jig  breeders. 

brevet   ['brevit]    brevet  o. 

breviary   ['briiviari]   brevier  o. 

brevity    ['breviti]    kortheid. 

brew  [bru:]  brouwsel  o,  treksel  o\  vt 
brouwen;  zetten    [thee];  vi   ■ — ■   up, 


thee  zetten. 
brewer    ['brua]    brouwer. 
brewery  ['bruari]  brouwerij. 
bribable  ['braibabl]   omkoopbaar. 
bribe    [braib]    steekpenning;    vt    om- 

kopen. 
bribery  ['braibari]  omkoperij. 
brick  [brik]    (bak)steen  o  Si  m  [stof- 

naam],    (bak)steen    m    [voorwerps- 

naam];    aj    (bak)stenen;    vt    —    up, 

dichtmetselen. 
bricklayer   ['brikleia]   metselaar. 
brickwork   ['brikwa:k]   metseiwerk  o; 

— s, .  steenbakkerij. 
bridal   ['braidal]   bruids-,  trouw-. 
bride    [braid]    bruid. 
bridegroom  ['braidgru:m]  bruidegom. 
bridesmaid    ['braidzmeid]    bruids- 

meisje  o, 
bridesman  ['braidzman]  bruidsjonker. 
bridge  [brids]  brug;  bridge  o  [kaart- 

spel];    —    oj    boats,    schipbrug;    vt 

overbruggen. 
bridle    ['braidl]    toom,   teugel;    vt   to- 

men;  beteugelen. 
brief   [bri:f]   kort,  beknopt;  vt  instru- 

eren. 
brief  case    ['bri:fkeis]    aktentas. 
briefness    ['bri:fnis]    kortheid. 
brig   [brig]    brik    [schip]. 
brigade    [bri'geid]    brigade. 
bright    [brait]    helder,   schitterend; 

vlug,   pienter;   opgewekt. 
brighten    ['braitn]    op-,   verhelderen; 

opvrolijken. 
brightness    ['braitnis]    helderheid; 

vlugheid,    pienterheid. 
brilliancy    ['briljansi]    glans,    schitte- 

ring;   jig   uitmuntendheid. 
brilliant    ['briljant]    schitterend;    bril- 

jant. 
brim  [brim]  rand. 
brimful  ['brimful]  boordevol. 
brimstone  ['brimstan]  zwavel. 
brine    [brain]    pekel;    zilte   nat   o. 
bring  [brirj]   (mee)brengen;  halen;  -^ 

about,  tot  stand  brengen;  aanrich- 

ten;    —   on,  veroorzaken,  tot  stand 

brengen;    berokkenen;    •^    round, 


brink 


30 


buffet 


iemand    (weer)    bijbrengen,    er    bo- 

venop   halen. 
brink    [brir)k:]    kant,   rand;   on  the  '-~ 

of...,  ook:  op  het  punt  van... 
briny    ['braini]    zilt,    zout. 
brisk   [brisk]    levendig,  vlug,  wakker. 
bristle    ['brisl]    borstels. 
Britain   ['britn]    (Great)    — ,  Groot- 

Brittannie  o,  Engeland   o. 
British  ['britij]  Brits,  Engels;  the  ~-, 

de  Britten,  de  Engelsen. 
Britisher    ['britijs],   Briton    ['britsn] 

Brit,  Engelsman. 
Brittany   ['britani]   Bretagne  o. 
brittle  ['britl]  bro(o)s,  breekbaar. 
broach  [broutj]  priem;  (braad)spit  o; 

vt  aansteken;  fig  ter  sprake  brengen. 
broad    [broid]    breed,  ruim,  wijd;    — 

daylight,  klaarlichte  dag;  a  —  hint, 

een  duidelijke  wenk. 
broad-brimmed    ['broidbrimd]    breed- 

gerand. 
broadcast   ['brD:dka:st]    (radio) uitzen- 

ding,  omroep;   radiorede;   aj  radio-; 

vt  draadloos   uitzenden;    vi  voor  de 

radio    optreden;    ook   V.T.    &   V.D. 

V.    broadcast;    — ing   cotnpany,    (ra- 
dio) omroepvereniging. 
broadcaster    ['bn):dka:st3]    radiospre- 

ker,  -reporter,  -artiest. 
broaden    ['brD:dn]    (zich)   verbreden. 
broad-minded    ['brD;dmaindid]    ruim 

van  opvatting. 
brocade  [brs'keid]   brokaat  o. 
broil   [brDil]   tumult  o\  vt  roosteren. 
broke   [brouk]  V.T.  v.  break. 
broken    ['broukn]    V.D.  v.   break;    — 

down,    geruineerd;    doodop. 
broker    ['brouks]    makelaar. 
brokerage    ['broukarids]    makelarij; 

makelaarsloon  o,  courtage. 
bromine   ['broumi;n]   broom  o. 
bronze  [brDnz]  brons  o. 
brooch  [broutj]  broche. 
brood   [bru:d]    broed(sel)    o;  gebroed 

o\   vt    (uit)broeden. 
brook  [bruk]  beek;  vt  dulden. 
broom    [brurm]    brem;   bezem. 
Bros.    :=   Brothers,   Gebr(oeders). 


broth    [brDG]    bouillon. 
brother    ['brASa]    broe(de)r. 
brotherhood    ['brASshud]    broeder- 

schap. 
brother-in-law  ['brASsrinb:]  schoon- 

broe(de)r,  zwager. 
brotherly    ['brASali]    broederlijk. 
brought   [brD:t]   V.T.  &  V.D.  v. 

bring. 
brow  [brau]  wenkbrauw,  voorhoofd  o. 
brown     [braun]    bruin. 
brownie  ['brauni]  kabouter. 
browse   [brauz]    (af)grazen;  fig  gras- 

duinen   (in,   among,   on). 
bruise    [bru:z]    kneuzing,   buil;    vt 

kneuzen. 
brunt  [brAnt]  schok,  stoot,  aanval. 
brush  [brAj]  borstel;  kwast;  penseel  o; 

kreupelhout    o;    schermutseling;    vt 

(af)borstelen;  strijken  langs,  (even) 

aanroeren;  ■—  up  fig  opfrissen. 
brushwood  ['brAjwud]  kreupelhout  o. 
Brussels    L'brAslz]    Brussel(s). 
brutal  ['bruitsl]  beestachtig,  onmense- 

lijk,   wreed;   ruw. 
brutality    [brui'tEliti]    beestachtig- 

heid,  onmenselijkheid,  wreedheid; 

ruwheid. 
brute    [bru;t]    woesteling,   beest  o\   aj 

dierlijk,  woest. 
bubble    ['bAbl]    bobbel,    (zeep)bel;   vt 

borrelen. 
buck   [bAk]    (ree)bok;  mannetje  o  [v. 

dieren];    n    ,,bokken"    [v.    paard]; 

' — ■   up,  moed  houden   (geven). 
bucket    ['bAkit]    emmer,  puts. 
buckle    ['bAkl]    gesp;   /'/  gespen;   aan- 

gorden;   om-,   verbuigen. 
buckskin    ['bAkskin]    bukskin   o. 
buckwheat    ['bAk\vi:t]    boekweit. 
bud    [bAd]    knop;   kiem;   vi  uitkomen, 

(uit)botten,  ontluiken. 
budge    [bAdj]     (zich)    verroeren. 
budget  ['bAdsit]   begroting,  budget  o. 
buff    [bAf]    buffelieer   o,   zeemleer   o; 

aj  zeemkleurig. 
buffalo   ['bAf3lo\i]    buffei. 
buffer  ['bAfa]   buffer,  stootblok  a, 
buffet   ['bufei]    buffet  o. 


buffoon 


31 


buffoon   [bA'fu:n]    hansworst,   pias. 
bug  [bAg]   wandluis;  torretje  o. 
bugbear  ['bAgbss]   boeman. 
bugle    ['bju:gl]    (jacht)hoorn. 
bugler    ['bju:gb]    hoornblazer. 
build    [bild]    (lichaams)bouw;    vt 

(op)bouwen,  maken. 
builder   ['bilda]    bouwer,  bouwmees- 

ter,    aannemer. 
building  ['bildii]]  gebouw  o\  '~  plot, 

—    site,    bouwterrein    o. 
built    [bilt]    V.T.  &  V.D.   V.    build. 
built-in   ['bilt'in]   ingebouwd. 
bulb    [bAJb]    (bloem)bol;  gloeilamp. 
bulb-grower  ['bAlbgroua]  (bloem)bol- 

lenkweker. 
Bulgaria    [bAl'gearia]    Bulgarije    o. 
Bulgarian    [bAl'gearian]    Bulgaar(s). 
bulge  [bAld3]  uitpuilen,  (op)2wellen, 

opbollen. 
bulk    [bAlk]    omvang,   grootte,   massa, 

gros  o,  meerderheid. 
bulky   C'bAlki]    dik,  groot,  lijvig. 
bull    [bul]     stier;     (schot    o    in    de) 

roos    [v.    schijf];    (pauselijke)    bul; 

haussier. 
bulldog   L'buldDg]   bulhond. 
bullet    ['bulit]    (geweer)kogel. 
bulletin    ['bulitin]    bulletin   o. 
bull-fight  E'bulfait]   stieregevecht  o. 
bullion    ['buljan]    ongemunt    goud    o 

of  zilver  o. 
bullock  E'bubk]  os. 
bull's-eye    ['bulzaij    luchtgat    o\    hut- 

venster  o   [schip];    (schot  o  in  de) 

roos    [v.   schietschijf]. 
bully   ['buli]    bullebak,   donderaar;   vt 

ringeloren. 
bulrush   C'bulrAj]    (matten)bies. 
bulwark    ['bulwak]    bolwerk    o\    ver- 

schansing    [v.    schip]. 
bump    [bAmp]    bail;    knobbel;    stoot, 

schok;    bons;    vt   bonzen,    stoten    te- 

gen;  kwakken. 
bumper  ['bAmpa]  vol  glas  o;  bumper 

[v.   auto];   a   '—'    crop,   een   record- 

oogst. 
bumpkin    ['bAmpkin]    pummel. 
bun    [bAn]    (krenten)broodje   o. 


bush 

bunch  [bAn(t)J]  tros  [druiven];  bos 
[sleutels];  troep,  stel  o,  peloton  o 
[wielrenners]. 

bundle    ['bAndl]    bundel,    bos. 

bungalow    ['bArjgslou]    landhuis   o. 

bungle    C'bArjgl]    (af-,   ver)knoeien. 

bunk    [bAfjk]    slaapbank,   kooi. 

bunker    ['bArjks]    kolenruim    o    [op 
schepen] ;    vi   kolen    innemen. 

bunny  L'bAni]  konijn  o;  eekhorentje  o. 

buoy  [bDi]   boei,  ton. 

buoyancy    ['bsiansi]    opgewektheid. 

buoyant   ['boiant]   opgewekt. 

bur    [ba:]    klis. 

burden  ['b3:dn]  last,  vracht;  druk  [v. 
belastingen];    tonneninhoud    [v. 
schip];    refrein    o,    hoofdthema    o\ 
vt   beladen;    belasten;    bezwaren. 

burdensome   ['baidnssm]    zwaar. 

bureau  ['bjuarou]  bureau  o;  schrijf- 
tafel. 

bureaucracy    [bju'rokrasi]    bureau- 
cratic. 

bureaucrat    ['bjuarskraet]    bureaucraat. 

bureaucratic    [bjuara'kraetik]    bureau- 
burglar  E'baigb]  inbreker.       [cratisch. 

burglary    ['b3:gl3ri]    inbraak. 

burgle   C'baigi]   inbreken    (in,  bij). 

burgomaster    ['baigsmaista]    burge- 
meester. 

burial  ['berial]  begrafenis;  — ground, 
^-^ -place,  begraafplaats. 

burly   ['b3:Ii]   zwaar(Iijvig),  dik. 

burn    [b3:n]    brandwonde;    vt   &   vi 
(ver)branden. 

burner   ['b3:n3]    brander. 

burnish   ['b3:nij']   polijsten. 

burnt  [b3;nt]  V.T.  &  V.D.  van  burn. 

burrow    ['bAiou]     wroeten,    woelen, 
graven. 

burst  [b3:st]  barst;  uitbarsting;  vt 
doen  barsten;  open-,  door-,  verbre- 
ken;  vi  (open-,  los-,  uit)  barsten; 
—  into,  uitbarsten  in;  binnenstor- 
men;  V.T.  &  V.D.  v.  burst. 

bury    ['beri]    begraven;    bedekken. 

bus    [bAs]    (omni)bus. 

bush  [buj]  struik(en);  haarbos;  wil- 
dernis. 


bushel 


32 


bushel  E'bujl]   schepel  o  Si.  m. 

busily    ['bizili]    druk. 

business  ['biznis]  bezi.cheid,  zaak,  za- 

ken;    bedrijf   o,    beroep    o,   werk    o, 

taak;  gedoe  o. 
business-man  ['biznizmzen]  zakenman. 
bust    [bAst]    borst;   borstbeeld   o. 
bustle  E'bAsl]  gewoel  o,  drukte;  v'l  in 

de  weer  zijn,  zich  reppen. 
busy    E'bizi]    (druk)    bezig;    druk. 
busybody  E'bizibDdi]   bemoeial. 
but  EbAt]  maar;  behalve;  - —  jor,  zon- 

der. 
butcher    E'butja]    slager. 
butchery    E'butjsri]    slagerij;   slach- 

ting. 
butler    E'bAtb]    butler    Echef-huis- 

knecht]. 
butt    EbAt]    doel  o,  mikpunt   o\   dikke 

eind  o,  stomp,  stompje  o\  kolf. 
butter  E'bAta]  boter. 
buttercup    E'bAtskAp]    boterbloem. 
butter-dish  E'bAtsdif]   botervlootje  o. 
butterfly   E'bAtsflai]   vlinder. 


call 

buttermilk  E'bAtsmilk]  karnemelk. 

button  E'bAtn]  knoop;  knop;  the  ■ — 3, 
de  piccolo  Ein  livrei];  have  a  — 
loose,  niet  goed  snik  zijn;  vt  ■ — 
{up),    dichtknopen. 

buttonhole  E'bAtnhoul]  knoopsgat  <?; 
bloem  voor  knoopsgat;  vt  fig  aan- 
klampen. 

buxom   E'bAkssm]   glunder,  stevig. 

buy  Ebai]   kopen. 

buyer   E'bais]    koper. 

buzz    EbAz]    gonzen,   zoemen. 

by  Ebai]  door,  bij,  van,  aan,  naar, 
volgens,  met,  voorbij,  over,  per,  te- 
gen;  --^  himself,  alleen;  —  itself, 
alleen;  op  zichzelf;  —  a)7d  ■ — ■, 
straks;  ■ — ■  the  — (e),  tussen  twee 
haakjes. 

bye-bye  E'bai'bai]  daag!;  go  to  — , 
gaan  slapen. 

bygone    E'baigon]    vroeger,   voorbij. 

bystander  E'baistjenda]  toeschouwer. 

by-street    E'baistriit]    zijstraat. 

byword    E'baiw3:d]    spreekwoord    o. 


c    Esi:]    (de  letter)    c. 

cab   [kseb]   huurrijtuig  o\  taxi;  cabine 

Ev.  vrachtauto]. 
cabaret    E'ksbarei]   cabaret  o. 
cabbage    E'kaebids]    kool. 
cabby    E'ka^bi]     (huur)koetsier. 
cabin    E'kaebin]    hut,    kajuit,    cabine. 
cabinet    E'keebinit]    kabinet    o. 
cable   E'keibI]    kabel;    ( kabel )  telegram 

o\   vt  telegraferen. 
cabman   E'kaebman]    (huur)koetsier. 
cacao    Eka'kaiou,    ks'keiou]    cacao, 
cackle  E'kskl]  gekakel  o\  vi  kakelen. 
cactus   E'kaektas]   cactus. 
cad   Ekasd]    poen,  ploert. 
caddie    E'kasdi]    golf-jongen. 
cadence    E'keidsns]    cadans,   ritme  o. 
cadet    Eka'det]    cadet. 
cadre   E'kaids]   kader  a. 
cafe    E'kaefei]    cafe   o. 


cafeteria    [kaefi'tiaria]    cafetaria. 

cage    Ekeids]    kooi;   vt   (in  een  kooi) 
opsluiten. 

cajole    Eka'dsoul]    vleien. 

cake  Ekeik]  koek,  gebak  o,  taart;  stuk 
o  Ezeep]. 

calamitous   Eka'lsemitas]   rampspoedig. 

calamity   Eks'Iasmiti]   ramp. 

calculate   E'kselkjuleit]    (be)rekenen. 

calculation    Ekaslkju'leijsn]    bereke- 
ning. 

calculator    E'kajikjuleita]    (be)reke- 
naar;  rekenmachine. 

calendar  E'kslinds]   kalender. 

calf    Eka:f]    kalf   o;   kalfsleer    o;    kuit 
Ev.  h.  been]. 

calibre  E'kaelibs]  kaliber  o. 

calico    E'kaelikou]    calico (t)    o. 

call    EkDil]    roep;  geroep  o\    (op) roe- 
ping;  oproep;  telefoongesprek  o,  te- 


call-box 


33 


canvas 


lefoontje  o\  signaal  o,  fluitje  o;  be- 
zoek  o\  vt  roepen,  bijeenroepen,  af- 
kondigen;  oproepen;  opbellen;  (be)- 
noemen;  melden  [bij  het  kaartspel]; 
vi  aanlopen,  komen;  X  has  — ed, 
X  is  er  geweest;  —  attention  to, 
de  aandacht  vestigen  op;  —  names, 
(uit)schelden;  "-^  at,  aanlopen  bij; 
aandoen;  —  j  o  r,  vragen  om  of 
naar;  bestellen;  vereisen;  — •  ojj, 
weg-,  terugroepen;  afgelasten;  •~ 
0  n,  een  bezoek  afleggen  bij;  een 
beroep  doen  op;  ~'  round,  eens 
aankomen;  —  //  p,  oproepen;  opbel- 
len. 

call-box    ['koilbsks]    telefooncel. 

caller   ['koib]   bezoeker. 

calligraphy   [ka'ligrafi]    schoonschrijf- 
kunst. 

calling   ['kD:lii)]  roeping;  beroep  o. 

callosity  [ks'bsiti]  vereelting;  jig  on- 
gevoeligheid. 

callous   ['ksebs]   vereelt;  jig  ongevoe- 
lig. 

calm   [ka:m]    kalmte;  windstilte;  a'j 
kalm;   vt  bedaren. 

calumniate  [ks'lAmnieit]    (be)lasteren. 

calumniator  [ka'lAmnieita]   lasteraar. 

calumny   ['kEelsmni]    laster(ing). 

Calvinist  ['kiclvinist]   calvinist. 

calyx    ['kei-,  'kasliks]    (bloem)kelk. 

cambric  E'keimbrik]  batist  o. 

came  [keim]   V.T.  v.  come. 

camel    ['kasmsl]    kameel. 

camera  ['kaemsrs]  camera. 

camomile   ['ksemamail]   kamille. 

camouflage  ['k£emuf]a:3]   camouflage; 
vt  camoufleren. 

camp  [kiemp]  kamp  o\  vt  8c  vi  (zich) 
legeren,  kamperen. 

campaign   [kaem'pein]   veldtocht,  cam- 
pagne. 

camper  ['koemps]  kampeerder. 

camphor    ['kaemfa]    kamfer. 

camping-ground,   -^-site    ['kaempirj- 
graund,  -sait]  kampeerterrein  o. 

can    [ksen]    kan;    blik   o;    vi   kunnen; 
vt  inblikken  [vices]. 

Canada   ['kjensda]   Canada  o. 


Canadian   [ka'neidjan]    Canadees. 
canal   [ks'nasl]    kanaal   o,  vaart. 
canary  [ka'ngari]  kanarie(vogel). 
cancel    ['kaenssl]     (door)schrappen, 

doorhalen;    afstempelen;    intrekken, 

annuleren,  opheffen,   afgelasten,   af- 

bestellen,     afschrijven;      —      (out), 

(elkaar)    opheffen,  wegvallen  tegen 

(elkaar). 
cancellation    [ksensa'leijan]    schrap- 

ping,   doorhaling;   afstempeling;   in- 
trekking,  opheffing. 
cancer    ['kssnss]    kanker. 
candelabrum    [ksendi'leibram]    kande- 

laber. 
candid   ['ksendid]   oprecht. 
candidate    ['kasndidit]    kandidaat. 
candidature   ['ksndiditja]   kandida- 

tuur. 
candle   ['kaendlj   kaars. 
Candlemas   ['ktendlmss]   Lichtmis. 
candlestick   ['ksendlstik]    kandelaar; 

jlat   ■ — ■,   blaker. 
candour    ['ksnds]    oprechtheid. 
candy    ['kaendi]    kandij;    vt  konfijten; 

kristalliseren. 
cane  [kein]   riet  o,  rotting;   (wandel)- 

stok;  suikerriet  o. 
cannibal   ['ksenibal]   kannibaal. 
cannibalistic   [kseniba'listik]    kanni- 

baals. 
cannon  ['kiEnsn]  kanon  o. 
canny    ['kseni]    slim;  voorzichtig;   zui- 

nig. 
canoe    [ka'nu:]   kano. 
canon    ['ksenan]    canon,    (kerk)regel;. 

kanunnik,  domheer. 
canonization    [k£en3nai'zeij3n]    heilig- 

verklaring. 
canopy  ['kaenspi]    (troon)hemel;  ge- 

welf  o. 
cant   [ksent]  dieventaal;  gefemel  o. 
canteen   [kaen'tiin]   kantine. 
canter    ['kasnta]    korte   galop. 
canticle    ['kasntikl]    lofzang. 
canto   E'kEntou]   zang. 
canton    ['ksentsn]    kanton  o. 
canvas   ['ksnvas]    zeildoek  o  &  m; 

doek  0. 


Eng.  Zakwrdbk.  11 


canvass 


34 


carpenter 


canvass    ['kaenvss]    werven;   onderzoe- 

ken,  bespreken. 
canvasser    ['kaenvasa]    (werf) agent, 

colporteur. 
caoutchouc    ['kautjuk]    caoutchouc    o 

&.    VI. 

Z3.p    [kasp]    muts,   pet,   kap;   dop. 

capability   [keipa'biliti]    bekwaam- 
heid;   vermogen   o. 

capable    ['keipsbl]    bekwaam. 

capacious    [ka'peijas]    ruim. 

capacity    [ka'passiti]    bekwaamheid, 
vermogen    o,    ruimte,    inhoud. 

cape   [keip]    kaap;   pelerine. 

caper    ['keipa]    (bokke)sprong. 

capital  C'kaepitl]  kapitaal  o\  hoofd- 
stad;  hoofdletter;  aj  hoofd-;  uit- 
muntend;  —  punishment,  doodstraf. 

capitalist  ['kaepitslist]  kapitalist;  a; 
kapitalistisch. 

capitulate    [ks'pitjuleit]    capituleren. 

capitulation    [kspitju'leijan]   capitula- 

capon  ['keipsn]   kapoen.  [tie. 

caprice  [ka'priis]  luim,  gril. 

capricious    [ka'prijas]    grillig. 

capsize  [kaep'saiz]  kapseizen,  omslaan. 

capstan   ['ksepstsn]   kaapstander. 

capsule   ['kaepsju;l]   capsule. 

captain  ['kasptin]  veldheer,  kapitein, 
gezagvoerder;   aanvoerder. 

captious  ['kaepjss]  misleidend;  spits- 
vondig;   vitterig. 

captivate  ['kceptiveit]  boeien,  bekoren. 

captive  ['kseptiv]  (krijgs)gevangene; 
aj  gevangen. 

captivity    [ksp'tiviti]    gevangenschap. 

capture  ['kasptjs]  vangst;  gevangen- 
neming;  verovering;  vt  vangen,  ge- 
vangen nemen,  buitmaken;  innemen. 

Capuchin    ['kasputjin]    kapucijn. 

car   [ka;]   kar;  wagen;  auto. 

carat    ['kzerst]    karaat    o. 

caravan  ['ksersvaen]  karavaan;  woon- 
wagen;  kampeerwagen. 

carbine    ['ka:bain]    karabijn. 

carbon  ['kaiban]  kool(stof);  carbon- 
( papier   o) . 

carbon  copy  ['kaibankopi]   doorslag. 

carbonic    [ka/bsnik]    ~^   acid,   kool- 


zuur  o. 

carbuncle    ['ka:bAr)kl]    karbonkel, 
puist. 

carburettor   ['kaibjureta]    carburator. 

carcass  ['kaikas]  karkas  o  &  v,  ge- 
raamte   o. 

card    [ka:d]    (speel)kaart;    (visite)- 
kaartje  o. 

cardboard  ['ka:dbD:d]  bordpapier  o, 
karton   o. 

cardinal    ['kaidinsl]    kardinaal;    aj 
voornaamst,   hoofd-. 

card-index  ['ka:dindeks]  kaartsysteem 
o. 

care  [kea]  zorg;  —  oj...,  per  adres 
...;  with  — I,  voorzichtig! ;  have  a 
-~.',  pas  op!,  wees  voorzichtig!; 
take  — ,  zich  in  acht  nemen;  take 
—  oj,  zorgen  voor;  zich  in  acht 
nemen  of  hoeden  voor;  vi  '-^ 
{about),  geven  om,  bezorgd  zijn, 
zich  bekommeren  om;  ■ —  for, 
(veel)  geven  om,  houden  van;  zor- 
gen voor;  I  don't  ■ — ■  {a  hit),  ik  geef 
er  geen  zier  om;  do  you  ■ —  to...?, 
heb   je   zin   om....' 

career  [ks'ris]  (loop)baan,  carriere; 
in  full   -~,   in  voile  vaart. 

careful  ['kesful]  zorgvuldig,  nauw- 
keurig;  zorgzaam;  voorzichtig. 

careless    ['keglis]    zorgeloos,  onver- 
schillig,   slordig,  nonchalant. 

caress  [ka'res]  liefkozing;  vt  liefko- 
zen,   strelen. 

care-taker  ['kesteika]  huisbewaarder, 
concierge. 

cargo   ['ka:gou]    (scheeps) lading. 

cargo-boat    ['kargoubout]   vrachtboot. 

caricature   ['ksrikatjua]   karikatuur. 

carmine   ['ka:main]    karmijn(rood)   o. 

carnage   ['kainids]    slachting. 

carnation    [ka/neijsn]    anjelier. 

carnival  ['kainivsl]  carnaval  o. 

carol  ['kaeral]  lied  o,  zang;  vi  zingen. 

carp    [ka:p]    karper;  vi  vitten    (op, 
at). 

car  park    ['ka:pa:k]    parkeerplaats. 

carpenter  ['kaipsnta]  timmerman;  vt 
timmeren. 


carpet 


35 


catcnword 


carpet  ['ka:pit]  tapijt  o,  (vloer)kleed 
o! 

carpet-bag  ['kaipitbasg]  valies  o. 

carriage  ['kaerids]  wagen,  rijtuig  o; 
wagon;  onderstel  o\  vracht;  vervoer 
o\  houding;  —  free,  ■ — ■  paid,  vracht- 
vrij. 

carrier  ['kaeris]  (bagage)drager;  ver- 
voerder,  voerman,  vrachtvaarder; 
postduif;  vliegdekschip  o\  mitrail- 
leurswagen;  - — ■  cycle,  bakfiets,  trans- 
portfiets;    —   plane,   dekvliegtuig  o. 

carrion    ['fcaerian]    kreng   o,   aas   o. 

carrot   ['kaerst]   gele  wortel,  peen. 

carry  ['kseri]  dragen,  (ver)voeren; 
(over-,  mee)brengen;  behalen,  weg- 
dragen;  er  door  krijgen;  aannemen; 
(bij  zich)  hebben,  bevatten;  op- 
brengen,  geven  [rente];  -—  oneself, 
zich  houden,  zich  gedragen;  -~  /'/ 
too  jar,  het  te  ver  drijven;  '—  o  f  f, 
weg-,  afvoeren  [water],  ontvoeren; 
behalen;  ('t)  er  afbrengen;  -~  o  n, 
voortzetten;  doorzetten,  doorgaan; 
drijven,  uitoefenen,  voeren;  jig  huis- 
houden;  zich  aanstellen;  ■ — ■  out, 
ten  uitvoer  brengen. 

cart  [ka:t]  kar,  wagen;  vt  vervoeren 
(met  een  wagen). 

cartage  ['ka:tid3]  sleeploon  o\  ver- 
voer o   per  as. 

carter  ['kaita]  voerman;  sleper. 

cartilage   ['kaitilids]   kraakbeen  a. 

cart-load    ['ka:tloud]    karrevracht. 

cartoon  [ka:'tu:n]  (politieke)  (spot)- 
prent;   tekenfilm;   beeldverhaal   o. 

cartridge   ['ka:trid3]   patroon. 

cartwright  ['ka:trait]   wagenmaker. 

carve  [ka:v]    (voor)snijden,  kerven. 

case  [keis]  (pak)kist,  kast;  overtrek 
o  8i  m,  foedraal  o,  etui  o;  tas 
trommel,  koker;  geval  o;  (rechts) 
zaak;  argument  o,  argumenten 
naamval;  in  — ...,  voor  liet  geval 
dat...;  in   —   oj...,  in  geval  van.. 

cash  [kaej]  (gereed)  geld  o\  kas,  kas 
sa;  —  {down'),  contant;  --'  on  de 
livery,  rembours  o\  in  — ,  aan  con- 
tanten;    be    in    {out    of)     — ,    goed 


(niet)   bij  kas  zijn;   vt  innen. 
cash-book    ['kaejbuk]    kasboek  o. 
cashier    [ks'Jis]    kassier,   caissiere;    vt 

afdanken,   zijn  conge  geven. 
cash  payment   ['kaejpeimant]   contante 

betaling. 
cash    price    ['kaejprais]    prijs    a    con- 
tant. 
casing    ['keisirj]    foedraal    o,   overtrek 

o  8i  m,   omhulsel   o,   verpakking. 
cask    [ka:sk]   vat  o. 
cast  [ka:st]  worp,  gooi;  gietvorm;  af- 

gietsel    0,    model    o;    bezetting,    rol- 

verdeling;    aard,    soort,    tikje    o;    vt 

werpen;   gieten    [ijzer];     uitbrengen 

[stem];   —    up,  opwerpen,  opslaan; 

optellen;  V.T.  &  V.D.  v.  cast. 
castaway  ['kaistawei]  schipbreukeling; 

verworpeling;    aj    uit    de    koers    ge- 

dreven;    verongelukt. 
caste    [ka:st]    kaste. 
castigate  ['ksestigeit]   kastijden. 
castigation    [kjesti'geijan]    kastijding. 
casting  ['ka:stir|]  gietsel  o\  gietstuk  o. 
cast-iron    ['kaist'aian]    gietijzer   o. 
castle  ['ka:sl]  slot  o,  kasteel  o\  — s  in 

the  air,  luchtkastelen. 
castor    ['kaista]    kastoren    hoed;    rol- 

letje    o    [onder    meubel];    strooier; 

set   oj   ■ — 'J,   olie-en-azijnstel   o. 
castor    oil    ['kaists'rDil]    wonderolie. 
casual  ['ka£3U3l]   toevallig;  los  [werk- 

man] ;  slordig,  nonchalant. 
casualty    ['kae3U3lti]    toeval   o\  verlies 

o\  casualties,  doden  en  gewonden. 
cat   [kaet]   kat. 
catalogue    ['kaetsbg]    catalogus;    vt 

catalogiseren. 
cataract    ['ksetsraskt]    waterval. 
catastrophe    [ks'tsestrsfi]    ramp. 
catch   [kastj]  vangst;  klink;  vt  vatten; 

(op)vangen;    pakken,    grijpen;    be- 

trappen;  oplopen,  te  pakken  krijgen; 

raken,  treffen;    (in)halen;   -^   //,  er 

van  langs  krijgen. 
catching    ['kietjig]    besmettelijk,   aan- 

stekelijk;  pakkend. 
catchword    ['kaetj'ward]    wachtwoord 

o\    (partij)leus. 


catechism 


36 


certify 


catechism   ['kstikizm]    catechismus. 
categorical   [kasti'gorikl]    categorisch, 

stellig,   uitdrukkelijk. 
category   ['kstigsri]    categorie. 
cater   ['keita]    '~  for,  verzorgen,  zor- 

gen  voor,   bedienen,  leveren. 
caterer    ['keitara]    leverancier,    restau- 
rateur. 
caterpillar    ['ksetapila]    rups. 
cathedral   [k3'6i:dr3l]  kathedraal. 
catholic  ['kasGalik]  algemeen,  ruim, 

veelzijdig;    katholiek. 
Catholicism    [ka'BDlisizm]    katholicis- 

me  o. 
catkin  ['ka;tkin]  katje  o  [v.  wilg  &]. 
cattle    ['kastl]   vee  o. 
cattle  plague  ['ka^tlpleig]  veepest. 
cattle  show  ['kaetljou]  veetentoonstel- 

ling. 
caught   [kD;t]  V.T.  &  V.D.  v.  calch. 
cauldron   ['koildrsn]    ketel. 
cauliflower   ['kDliflaua]    bloemkool. 
caulk   [kD:k]   kalefateren,  breeuwen. 
causal    ['k3:z3l]    oorzakelijk. 
cause    [kD:z]    oorzaak,    reden;    proces 
o;   in   a  good   — ,   voor   een   goede 
zaak;    vt   veroorzaken;    doen,    laten. 
caustic    ['koistik]    bijtend,   scherp. 
caution  ['k3:J'3n]  cm-,  voorzichtigheid; 

waarschuwing;   vt  waarschuwen. 
cautious    ['kaijas]    om-,    voorzichtig. 
cavalry   ['kEevslri]   cavalerie. 
cave   [keiv]    hoi  o,  grot. 
cavern    ['kasvsn]    spelonk. 
caviar  (e)     [ka^vi'a:]    kaviaar. 
cavil  ['kjevil]   haarkloven,  vitten   (op, 

at). 
cavity  ['ksviti]  holte. 
caw    [ko:]    krassen    [v.    raaf]. 
cayman  ['keimsn]  kaaiman. 
cease    [si:s]    ophouden    (met,  from), 

staken. 
ceaseless    ['si:slis]    onophoudelijk. 
cedar    ['siids]    ceder. 
cede  [si:d]   afstaan,  afstand  doen  van. 
ceiling   ['si:Iir)]   plafond  o,  zoldering. 
celebrate  ['selibreit]  vieren;   (de  mis) 

opdragen,   celebreren;   feestvieren. 
celebrated    ['selibreitid]    beroemd. 


celebration   [seli'breijan]    viering; 

feest  o. 
celebrity   [si'lebriti]   beroemdheid. 
celerity    [si'leriti]    spoed. 
celery    ['sebri]    selderij. 
celestial  [si'lestial]   hemels,  heme!-. 
celibacy    ['seiibasi]    ongehuwde   staat. 
cell   [sel]   eel. 
cellar    ['seb]    kelder. 
cellular     ['seljub]     celvormig;    cellu- 

lair;  eel-. 
Celt    [selt,  kelt]   Kelt. 
Celtic   ['sel-,  'keltik]   Keltisch. 
cement   [si'ment]   cement  o  &  m. 
cemetery    ['semitri]    begraafplaats. 
cenotaph  ['senstaif]  grafmonument  o. 
censor    ['senss]    censor,  zedenmeester; 

vt  censureren. 
censorious    [sen'sDirias]    vitterig. 
censorship    ['sensajip]    eensuur. 
censurable    ['senj'arabl]    berispelijk. 
censure  ['senja]   berisping,  afkeuring, 

(ongunstige)    kritiek;    vt    (be)kriti- 

seren,  afkeuren,  berispen. 
census    ['sensas]    (volks) telling. 
centenary    [sen'tiinari]     eeuwfeest    o\ 

aj  honderdjarig. 
centipede    ['sentipi:d]    duizendpoot. 
central   ['sentral]   eentraal,  middel-, 

midden-,  kern-,  hoofd-. 
centralize    ['sentralaiz]    eentraliseren. 
centre  ['senta]  centrum  o,  middelpunt 

o\  consultatiebureau  o;   ■ — -   of  grav- 
ity, zwaartepunt  o. 
century  ['sentjuri]  eeuw. 
cereals    ['siarialz]    graan    o\    haver- 

vlokken,  roggevlokken  e.d. 
ceremonial   [seri'mounjal]   ceremoni- 

eel   (o). 
ceremonious    [seri'mounjas]    vorme- 

lijk,   plechtig. 
ceremony   ['serimani]    plechtigheid; 

plichtpleging. 
certain   ['sartn]    zeker    (van,   of). 
certainty    ['sa:tnti]     zekerheid. 
certificate  [sa/tifikit]  getuigschrift  o, 

eertifieaat  o,   diploma  o. 
certified    ['sa:tifaid]    gediplomeerd. 
certify    ['sa:tifai]    verzckeren,    verkla- 


cessation 


37 


Charlemagne 


ren;   waarmerken. 
cessation    [se'seijsn]    stilstand. 
cession    ['sejsn]    (boeclel)af stand. 
chafe    [tjeif]    schuren,   schaven    [de 

huid];    (zich)    ergeren. 
chaff  [tja:f]  kaf  o\  vt  gekscheren  met, 

voor  de  gek  houden,  plagen. 
chaffer    ['tjaefa]    loven  en  bieden. 
chafing-dish  ['tjeifirjdif]  komfoor  o. 
chain   [tjein]  ketting;  keten;  reeks;  vt 

ketenen;    ■ — '    up,   vastleggen. 
chain  store  ['tJeinstD:]  filiaal(bedrijf) 

o. 
chair    [tjea]    stoel,   zetel;   leerstoel; 

voorzittersstoel,  voorzitterschap  o, 

voorzitter. 
chairman   ['tjesmsn]   voorzitter. 
chalice    ['tjaelis]    kelk;  beker. 
chalk    [tjD;k]    krijt  o;   not  by  a  long 

— ,  op  geen  stukken  na. 
chalky  ['tjD:ki]  krijtachtig. 
challenge      ['tJjElin(d)3]      uitdaging; 

wraking;     vt     uitdagen;     betwisten, 

wraken;     aanroepen  ■  [door     schild- 

wacht] ;    —    cup,  wisselbeker. 
chamber    ['tjeimbs]    kamer;      —     oj 

commerce,  kamer  van  koophandel. 
chamberlain   ['tjeimbslin]   kamerheer. 
chambermaid   ['tjeimbameid]  kamer- 

meisje  o. 
chameleon    [ka'miilisn]    kameleon    o 
chamois    ['Jzemwa:]    gems.  [&  w. 

champagne   [Jam'pein]    champagne. 
champion    ['tjaempjsn]    kampioen; 

voorvechter;   vt  strijden  voor,  voor- 

staan,  verdedigen. 
championship    ['tjaempjanfip]    kam- 

pioenschap  o\  jig  verdediging,  voor- 

spraak. 
chance  [tja:ns]  toeval  o;  kans;  by  ■—, 

toevallig;     vi     gebeuren;    ■ — '    upon, 

toevallig  vinden,  ontmoeten;  vt  wa- 

gen;  aj  toevallig. 
chancellor    ['tjatnssb]    kanselier. 
chandelier    [Jaenda'Iia]     kroonluchter. 
change  [tjein(d)3]  verandering;  klein- 

geld  o;  Change,  de  Beurs;  vt  (ver)- 

wisselen,    om-,    verruiien,    verande- 

ren     (van);     — •     {carriages) ,    over- 


stappen;  —  {one's  clothes),  zich 
verkleden;  ■ — ■  one's  mind,  zich  be- 
denken;  —  over,  over-,  omschake- 
Jen   (op,  to);  overgaan   (tot,  to). 

changeable  ['tjein(d)33bl]  verander- 
lijk. 

channel  ['tjasnl]  (vaar)geul;  kanaal 
o;  jig  baan,  weg. 

chant  [tjaint]  gezang  o\  dreun;  vt 
(be)zingen;  opdreunen. 

chaos   ['keiDs]   chaos. 

chaotic    [kei'Dtik]    chaotisch. 

chap  [tjsp]  kerel,  vent;  spleet;  kloof, 
barst;   vt  splijten,   doen  barsten. 

chapel    ['tjaepal]   kapel;  kerk. 

chaplain   ['tjaeplin]    (huis)kapelaan; 
veldprediker,   aalmoezenier. 

chapter    ['tj^pta]    hoofdstuk   o. 

char   [tja:]   verkolen. 

character  ['ksrikts]  karakter  o,  ken- 
merk  o;  hoedanigheid,  rol;  persoon, 
figuur,  type  o\  getuigschrift  o\  let- 
ter. 

characteristic    [kserikta'ristik]    karak- 
teristiek,  kenmerkend. 

characterize  ['kasriktaraiz]  kenmerken. 

charcoal    ['tJa:koul]    houtskool. 

charge  [tjaids]  last,  lading;  opdracht; 
zorg;  pleegkind  o,  patient,  pupil; 
(on)kosten,  prijs;  aanval,  charge; 
beschuldiging;  be  in  —  dienst  heb- 
ben,  in  functie  zijn;  in  ^^  oj,  be- 
last  met  (de  zorg  voor);  toever- 
trouwd  aan,  onder  de  hoede  van; 
lay  it  to  his  — ,  het  hem  ten  laste 
leggen;  vt  (be)laden,  belasten;  op- 
dragen;  (be)rekenen;  debiteren;  be- 
schuldigen  (van,  with);  aanvallen, 
chargeren;  —  jor,  in  rekening  bren- 
gen,   vragen  voor. 

chariot    ['tjasriat]    wagen. 

charitable  ['tjaeritsbl]  liefdadig,  lief- 
derijk,    barmhartig;    zacht. 

charity  ['tjjeriti]  liefdadigheid,  liefde; 
mildheid;  —  begins  at  home,  het 
hemd  is   nader  dan  de  rok. 

charlatan    ['Jailstsn]    kwakzalver. 

Charlemagne  ['Jaib'mein]  Karel  de 
Grote. 


Charles 


38 


chill 


Charles   [tja:lz]   Karel. 

charm    [tjaim]    tovermiddel   o\   tover- 

woord    o\    betovering,    bekoring;    vt 

betoveren,   bekoren. 
charming   ['tjaimirj]   bekoorlijk;  aller- 

aardigst,    verrukkelijk. 
chart    [tja:t]    tabel;    C2ee)kaart;   vt  in 

kaart  brengen. 
charter    ['tj'a;t3]    charter    o,    handvest 

o\  octrooi  o\  oorkonde;  vt  charteren, 

huren    [schip]. 
charwoman  ['tjaiwuman]  werkvrouw. 
chase   [tjeis]   jacht,  vervolging;  groef; 

vt   jagen;    achtervolgen. 
chaser    ['tjeisa]    jager. 
chasm    [kaezm]    kloof,    afgrond. 
chaste    [tjeist]    kuis,  eerbaar. 
chastise   [tjaes'taiz]    kastijden. 
chastisement  ['tjasstizmsnt]  kastijding. 
chastity    ['tjaestiti]    kuisheid,   eerbaar- 

heid. 
chat   [tjaet]   gepraat  o\  vt  keuvelen. 
chatter  ['tjaeta]  geklapper  o\  gesnater 

o\   vi   klapperen;   snateren,   kakelen. 
chatterbox  ['tjEtaboks]   babbelkous. 
chatty  ['tjasti]  spraakzaam;  babbelziek. 
cheap    [tjiip]    goedkoop. 
cheapen    ['tjiipn]    afslaan,   in   prijs 

(waarde)    verminderen. 
cheat    [tjiit]    bedrog  o\   bedrieger;   vt 

bedriegen. 
check   [tjek]    schaak;   beteugeling,  be- 

lemmering,    tegenslag;    controle;    re- 

gu   o,   sortie,   fiche   o   Si   v\   ruit;   vt 

beteugelen;   tegenhouden;   belemme- 

ren;   controleren. 
checkmate  ['tjek'meit]  schaakmat 

(zetten). 
cheek    [tji:k]    wang;   brutaliteit. 
cheeky  ['tjiiki]   brutaal. 
cheer    [tjia]    vrolijkheid,    opgeruimd- 

heid;  toejuiching,  hoera(geroep)    o\ 

of    good     ■ — ■,     opgeruimd;     goeds- 

moeds;  vt  opvrolijken;  aanmoedigen; 

toejuichen;  vi  juichen;   • — ■  up,raoed 

scheppen   (geven). 
cheerful  ['tjiaful]  vrolijk,  opgeruimd. 
cheerless    ['tjislis]    triest,   somber. 
cheese   [tjirz]    kaas. 


cheesemonger    ['tJiizmAtjga]    kaasko- 

per. 
chemical   ['kemikl]   chemisch,   schei- 

kundig;   chemisch  produkt   a. 
chemist    ['kemist]    scheikundige;    apo- 

theker. 
chemistry  ['kemistri]   scheikunde. 
cheque    [tjek]    cheque. 
chequer   ['tjeka]    ruiten;   schakeren. 
cherish  ['tjerij]  liefhebben;  koesteren. 
cherry  ['tjeri]  kers. 
chervil  ['tjaivil]   kervel. 
chess   [tjes]    schaak (spel)    o. 
chess-board   ['tjesbsid]    schaakbord  o. 
chess-man  ['tjesmasn]  schaakstuk  o. 
chest   [tjest]    kist,  koffer;   borst(kas); 

—    of  drawers,    latafel. 
chestnut    ['tfesn.vt]    kastanje;   aj  kas- 

tanjebruin. 
chew    [tju:]    kauwen;    pruimen. 
chewing-gum    ['tJuiirjgAm]    kauwgom 

m   of   o. 
chicane     [Ji'kein]    vitterij;    vi    vitten. 
chicken    ['tjikin]    kuiken   o\   kip    [als 

gerecht] . 
chicken-pox  ['tjikinp^ks]  waterpok- 

ken. 
chicory    E'tjiksri]    cichorei;    Brussels 

lof  o. 
chid    [tjid]    V.T.   &  V.D.   V.   chide. 
chidden    ['tjidn]    V.D.   v.    chide. 
chide   [tjaid]    (be)knorren,  berispen. 
chief   [tji;f]    hoofd  o,  chef,  leider;  aj 

voornaamste,  opperste,  hoofd-;  com- 
mander in   — ,  opperbevelhebber. 
chiefly    ['tji:fli]    hoofdzakelijk. 
chieftain    ['tji:ftin]     (opper) hoofd    o. 
chilblain    ['tjilbleinl    winter    [aan 

handen  of  voeten]. 
child   [tjaild]    kind  o. 
childhood    ['tjaildhud]    kindsheid. 
childish    ['tjaildij]    kinderachtig,   kin- 

derlijk,  kinder-. 
childless    ['tjaildlis]    kinderloos. 
childlike    ['tjaildlaik]    kinderlijk. 
children   ['tjildran]   meerv.  v.   child. 
chill    [tjil]    kilheid,    koude,   koelheid; 

aj   koud,   kil,   koel;    vt  doen   bekoe- 

len    (bevriezen). 


chilly 


39 


churlish 


chilly   ['tjili]   kil,   kouwelijk. 

chime  [tjaim]  klokkenspel  o\  gelui  o; 

vi  luiden. 
chimera    [kai'miara]    hersenschim. 
chimerical    [kai'merikl]    hersenschim- 

mig. 
chimney    ['tjimni]    schoorsteen; 

lampeglas  o. 
chimney-piece  ['tj'imnipi:s]   schoor- 

steenmantel. 
chimney-sweep  (er)    ['tj'imniswi:p(a)] 

schoorsteenveger. 
chin  [tjin]   kin. 

China   ['tjains]    China  o\   a;  Chinees. 
china   ['tjaina]   porselein  o\  aj  porse- 

leinen. 
Chinaman    ['tjainaman]   Chinees. 
Chinese    ['tjai'ni:z]    Chinees,    Chine- 

zen;  aj  Chinees. 
chink   [tjirjk]   spleet,  reet. 
chintz    [tjints]    sits    o. 
chip    [tjip]    spaander;    snipper;    fiche 

o  &.  v;   -~j-,   frites,  friet. 
chirp   [tj3:p]   tjiipen. 
chisel  E'tJizI]  beitel;  vt   (uit)beitelen. 
chit  [tjit]   peuter,  ding  o;  briefje  o. 
chivalrous   ['(t)J'iv3lr3s]   ridderlijk. 
chivalry    ['(t)Jiv3lri]    ridderhjkheid. 
chlorine  ['kb:ri:n]  chloor. 
chloroform   ['kbirsfaim]   chloroform. 
chlorosis   [kb'rousis]   bleekzucht. 
chock-full   ['tjok'ful]   prop-,  tjokvol. 
chocolate   ['tjDklit]   chocola(de),  cho- 

colaatje  o. 
choice    [tjDis]    keus,    verkiezing, 

(voor)keur;    aj    uitgelezen,    uitge- 

zocht,  keurig,  fijn. 
choir    ['kwaia]    koor  o. 
choke    [tjouk]    doen   stikken,   verstik- 

ken;  verstoppen;  stikken. 
cholera    ['ksbrs]    cholera. 
choleric   ['kjlsrik]   oplopend;  toornig. 
choose    [tjuiz]    kiezen. 
chop   [t^Dp]   kotelet;  kaak;  vt  kappen, 

hakken;   ruilen. 
chopper  t'tJDpa]   hakmes  o. 
choral    ['kD:r3l]    koor-,   zang-. 
choral (e)   [k^'rail]  koraal  o.  [o. 

chord    [kD:d]    snaar;   koorde;   akkoord 


chorister   ['korists]    koorzanger;  koor- 

knaap. 
chorus   ['kD:r3s]   koor  o;  refrein  o. 
chorus-girl   ['k3:rasg3:l]   koriste. 
chose    [tjouz]    V.T.   v.    choose. 
chosen   ['tjouzn]   V.D.  v.  choose;  uit- 

verkoren. 
Christ  [kraist]  Christus. 
christen   ['krisn]   dopen,  noemen. 
Christendom    ['krisndam]    christen- 

heid. 
christening  ['krisnirj]  doop. 
Christian  ['kristjan]  christen;  aj  chris- 

telijk,   christen-;    ■ — ■   name,   doop- 

naam,  voornaam. 
Christianity  [kristi'aeniti]  Christendom 

o;   christenheid. 
christianize  ['kristjanaiz]  kerstenen. 
Christmas  ['krismas]  Kerstmis;  kerst-. 
Christmas    box    ['krismssbsks]    kerst- 

geschenk  o\  kerstfooi. 
Christmas    carol    ['krismss'kaeral] 

kerstlied  o. 
chrome    [kroum]    chroom  o. 
chromium  ['kroumiam]  chroom  o. 
chromium-plated    ['kroumiampleitid] 

verchroomd. 
chronic   ['krDnik]   chronisch. 
chronicle    ['krDnikl]    kroniek. 
chronology  [kra'nobdsi]   tijdreke- 

ning. 
chronometer   [kra'nomita]   chrono- 
meter. 
chubby    ['tjAbi]    mollig,   poezelig. 
chuck   [tjAk]    streek    [onder  de  kin]; 

vt    (zacht)    kloppen,   strijken;    smij- 

ten;    de    brui    geven    van. 
chuckle    [tjAkl]    klokken     o;     onder- 

drukte  lach;  vi  klokken;  onderdrukt 

lachen,  gnuiven. 
chum    [tjAm]    kameraad. 
chunk    [tjAfjk]    brok   m   St.  v  oi  o, 

homp. 
church    [tjaitj]    kerk. 
churchwarden   ['tja:tj'w3:dn]   kerk- 

meester,   kerkvoogd;   gouwenaar. 
churchyard    ['tja:tj'ja:d]    kerkhof   o. 
churl    [tja.l]    boer(enpummel). 
churlish    ['tjailij]    lomp. 


churn 


40 


claw 


churn   [tjain]   karn;  melkbus;  vt  kar- 

nen. 
cider   ['saida]    cider,   appelwijn. 
cigar   [si'ga:]    sigaar. 
cigar-case    [si'ga:keis]    sigarenkoker. 
cigarette   [sigs'ret]   sigaret. 
cigar-holder    [si'gaihould?]    sigare- 

pijpje  o. 
cinchona   [sig'kouna]   kina. 
cinder   ['sinda]    sintel. 
Cinderella   [sinds'reb]   Assepoester; 

fig  assepoester. 
cine-camera  ['sini'ksemara]  filmtoe- 

stel  o. 
cinema  ['sinims]   cinema,  bioscoop. 
cinnamon    ['sinsman]    kaneel. 
cipher  ['saifa]  cijfer  o\  cijferschrift  o; 

a  mere  — ,  jig  een  nul;  vi  cijferen, 

rekenen. 
circle    ['s3:kl]    cirkel,    kring;    vt 

(rond)draaien,  cirkelen. 
circuit   ['s3:kit]    kring(loop),  omtrek; 

omweg;   rondgang;   rondvlucht; 

(stroom)baan. 
circuitous  [s3;'kjuit3s]  a  —  road,  een 

omweg. 
circular    ['saikjub]    circulaire;  a'^ 

rond;  ~'  letter,  rondschrijven  o\  — 

ticket,  rondreisbiljet  o. 
circulate   ['s3:kjuleit]    in  omloop  zijn 

(brengen) . 
circulation    [ssikju'leijan]    omloop; 

opiaag   [v.  krant]. 
circumference    [ss'kAmfarans]   om- 
trek. 
circumstance   ['s3:k3mst3ns]    omstan- 

digheid. 
circumstantial  [saiksm'staenjal]   om- 

standig,    uitvoerig;    bijkomstig. 
circus    E'saikas]    circus   o   8i   m;    rond 

plein  o. 
cistern    ['sistan]    (regen)bak. 
citadel   ['sitsdl]   citadel. 
citation  [sai'teijan]  dagvaarding;  aan- 

haling. 
cite    [sait]    dagvaarden;    aanhalen; 

noemen. 
cithern    ['si93n]   citer. 
citizen   ['sitizan]   burger;  staatsburger. 


city    ['siti]    (grote)    stad;    binnenstad. 

civic  ['sivik]  burgerlijk,  burger-;  ste- 
delijk,   stads-. 

civil  ['sivil]  burgerlijk,  burger-,  ci- 
vic!; beleefd,  beschaafd. 

civilian    [si'viljan]    burger. 

civility    [si'vilitij    beleefdheid. 

civilization    [sivilai'zeijan]    bescha- 

civilize  ['sivilaiz]  beschaven. 

clad    [klasd]    V.T.   &  V.D.   v.    clothe. 

claim  [kleim]  eis;  aanspraak,  vorde- 
ring;  reclame;  vt  (op)eisen,  aan- 
spraak  maken   op;    beweren. 

claimant    ['kleimant]   eiser. 

clamber   ['klzemba]   klauteren. 

clammy    ['klsemi]    klam;    kief. 

clamorous   ['klaeraaras]   luid(ruchtig). 

clamour  ['klsema]  geroep  o\  getier  o\ 
vi  roepen,  tieren. 

clan   [klsn]   stam,  geslacht  o\  kliek. 

clandestine  [kleen'destin]  heimelijk, 
geheim,  clandestien. 

clap    [klsep]    klappen,    slaan. 

clapper   ['klaepa]   klapper,   klepel. 

claret    ['klserat]    bordeaux  (wijn). 

clarify    ['klserifai]    klaren,    zuiveren; 
verhelderen;   klaar  worden. 

clarinet   [klseri'net]   klarinet. 

clarion  ['klserian]  klaroen. 

clarity   ['klasriti]  helderheid. 

clash  [kicej]  gekletter  o;  conflict  o; 
botsing;  vi  kiinken,  kletteren;  bot- 
sen;  —  with,  in  botsing  komen  met, 
indruisen    tegen;    vloeken    met. 

clasp    [kla:sp]    slot    o\    omhelzing; 
handdruk;    greep;    vt    sluiten;    om- 
klemmen,  omhelzen. 

clasp-knife    ['kla:spnaif]    knipmes   o. 

class  [kla:s]  klas(se);  vt  rangschik- 
ken,  indelen. 

classic  ['klaesik]  klassiek. 

classify   ['klssifai]   classificeren. 

clatter    ['kljeta]   klepperen,  kletteren, 
rammelen. 

clause   [kb:z]   clausule;  bijzin. 

claustral     ['kb:stral]     kloosterachtig. 

claw  [kb:]  klauw;  schaar;  haak;  vt 
in    zijn    klauwen    grijpen,    klauwen, 


clay 


41 


krabben;    flikflooien. 

clay  [klei]  klei,  leem  o  &  in\  aj  van 
klei,   lemen,  aarden. 

clean  [kliin]  schoon,  rein;  totaal,  he- 
lemaal  [vergeten] ;  —  shaven,  glad- 
geschoren;  vt  reinigen,  schoonma- 
ken,  poetsen. 

cleaner  ['klirna]  schoonmaker,  reini- 
ger;    stofzuiger. 

cleaning    ['kliinirj]    schoonmaak. 

cleanly  ['klenli]  zindelijk;  ['kli:nli] 
schoon,  rein. 

cleanse    [klenz]    reinigen,  zuiveren. 

clear  [klis]  klaar,  helder,  duidelijk; 
dun  [v.  seep];  veilig,  vrij;  vt  zui- 
veren, leeghalen,  vrijmaken,  ont- 
ruimen;  schoonvegen;  opruimen; 
verhelderen;  ophelderen;  aanzuive- 
ren,  vereffenen  [rekening] ;  uit-,  in- 
klaren;  springen  over;  • —  the  table, 
de  tafel  afnemen;  —  one's  throat, 
de  keel  schrapen;  ■ — ■  the  way, 
ruim   baan    maken. 

clearance  ['klisrsns]  opheldering;  op- 
ruiming;    —   sale,   uitverkoop. 

clearing   ['klisrig]  verrekening. 

clearly  ['kliali]  klaar,  helder,  duide- 
lijk;   klaarblijkelijk. 

clear-sighted    ['klia'saitid]    scherp- 
ziend. 

cleave    [kli:v]    kloven,    splijten, 
(door)klieven. 

clef   [kief]    (muziek)sleutel. 

cleft  [kleft]  kloof,  spleet,  barst;  V.T. 
&  V.D.  V.  cleave. 

clemency    ['klemansi]    zachtheid    [v. 
weer] ;   goedertierenheid. 

clement    ['klemant]    zacht    [weer]; 
goedertieren. 

clench  [klenj]  op  elkaar  klemmen; 
(om)klemmen;  ballen  [de  vuist]. 

clergy   ['kl3:d3i]   geestelijkheid. 

clergyman    ['kbidsimsn]   geestelijke, 
dominee. 

clerical  ['klerikl]  geestelijk;  schrij- 
vers-,  klerken-;  —  error,  schrijf- 
fout. 

clerk    [kla:k]    klerk,   schrijver:    kan- 
toorbediende;    griffier. 


cloth 

clever    ['kleva]    knap. 

clew    [klu:]    kluwen  o. 

click    [klik]    getik    o;    pal;    vt    tikken. 

client   ['klaisnt]   client(e);  klant. 

cliff   [klif]   steile  rots. 

climate    ['klaimit]    luchtstreek,    kli- 
maat  o. 

climb  [klaim]  klim;  vt  klimmen;  ■ — ■ 
doivn,  een  toontje  lager  zingen;  vt 
beklimmen,  klimmen  in  of  op. 

clime    [klaim]    zie   climate. 

clinch  [klinj]  vastklinken;  beklinken; 
elkaar  vastgrijpen    [boksen]. 

cling  [klir)]  (aan)kleven,  aanhangen; 
zich  vastklemmen  (aan,  to). 

clinic   ['klinik]    kliniek. 

clink  [klirjk]  (doen)  klinken,  klinken 
met. 

clip  [klip]  knijper;  vt  (be)snoeien; 
knippen;  scheren  [schapen];  ^-  his 
wittgs,  hem  kortwieken. 

clique    [kli:k]    kliek. 

cloak    [klouk]    mantel. 

cloak-room  ['kloukrum]  kleedkamer, 
vestiaire,  garderobe. 

clock   [kbk]   klok;   uurwerk  o. 

clod    [kbd]    kluit,    aardkluit. 

clog  [kbg]  klomp;  belemmering;  vt 
tegenhouden,  belemmeren;  over- 
laden; verstoppen. 

cloister   ['kbista]    klooster  o. 

close  [klous]  gesloten,  dicht;  nauw; 
benauwd;  nauwkeurig,  (van)  nabij; 
scherp,  streng;  vinnig  [strijd];  in- 
tiem,  innig,  dik  [v.  vrienden];  gie- 
rig;  (dicht)bij;  —  {up)on,  (dicht)- 
bij,  bijna;  [klouz]  slot  o,  eind  o\ 
vt  sluiten,  eindigen;  ■ — •  down,  slui- 
ten  [fabriek];  —  up,  (aan)sluiten; 
verstoppen. 

close-fisted   ['klous'fistid]   gierig. 

closely  ['klousli]  dicht  (op  elkaar), 
nauw;   van  nabij;   nauwkeurig. 

closet  ['kbzit]   kamertje  o,  kabinct  o. 

closure    ['klouga]    sluiting;    slot    o. 

clot  [kbt]  klonter;  klodder;  vi  klon- 
teren,   stollen. 

cloth  [kb6]  laken  o\  doek  o  8i  m 
[stofnaam],   doek  m    =    lap;   tafel- 


clothe  42 

laken  o;  ■ — •  binding,  linnen  band. 
clothe   [klouS]   kleden,  bekleden. 
clothes   ['klouSz]   k]e(de)ren. 
clothes-horse   ['klou3zhD:s]   droog- 

rek  o. 
clothes-peg  ['klouSzpeg]  wasknijper. 
clothier   ['klouSia]    Jakenkoper. 
clothitig    ['klouSir)]    (be)kleding;    in- 

kleding. 
clotty    ['kbti]    klonterig. 
cloud    [klaud]    wolk;   vt   bewolken; 

verduisteren,    benevelen. 
cloudy  ['klaudi]  bewolkt;  troebel,  be- 

trokken;   duister. 
clout    [klaut]    (vaat)doek. 
clove    [klouv]    kruidnagel;    anjelier. 

V.T.  V.   cleave. 
cloven   ['klouvn]   V.D.  v.  cleave. 
clover    ['klouvs]    klaver. 
clown    [klaun]    clown,   hansworst. 
clownish    ['klaunij]    lomp. 
club    [kUb]    knuppel;   golfstok;    club; 

'— (j-),    klaveren    [kaartspel]. 
clubfoot  ['kUb'fut]  horrelvoet. 
cluck    [kUk]    klokken    [kip]. 
clue   [klu:]    draad,  aanwijzing. 
clump   [kUmp]  klomp. 
clumsy   ['kUmzi]   lomp,  onhandig. 
clung   [kUr)]   V.T.  &  V.D.  v.  cltng. 
cluster   ['kUsts]    tros;  groepje  o. 
clutch    [kUtJ]    greep,    klauw;    koppe- 

ling  [v.  auto];  vt  grijpen. 
coach    [koutj]    rijtuig    o,    koets,    dili- 
gence;   repetitor;    trainer;    vt    klaar- 

maken   (voor  een  examen);  trainen. 
coachman    ['koutjmsn]    koetsier. 
coachwork    ['koutJw3:k]    carrosserie. 
coagulate    [kou'asgjuleit]    (doen) 

stremmen,   (doen)  stollen. 
coagulation  [kouaegju'leijan]  strem- 

ming,  stolling. 
coal   [koul]    (steen)kool. 
coal-box   ['koulboks]   kolenbak. 
coalition    [koua'lijsn]    verbond   o. 
coal-pit   ['koulpit]   kolenmijn. 
coal-scuttle  ['koulsk.\tI]  kolenemmer. 
coarse    [k^is]   grof,   raw. 
coast    [koust]    kust. 
coastal  ['koustal]  kust-, 


cognate 


coasting-vessel   ['koustirjvesal]   kust- 
vaarder. 

coat  [kout]  jas;  (dames) mantel;  be- 
dekking;  laag  [verf];  vlies  o;  vel 
o,  huid,  vacht;  schil;  —  oj  arms, 
wapen(schild)  o;  vt  bekleden;  be- 
dekken;  — ed,  gejast;  beslagen 
[tong]. 

coat-tail    E'koutteil]    jaspand. 

coax   [kouks]   vleien. 

cobble    ['kobi]    kei. 

cobbler    ['kjbb]    schoenlapper. 

cobweb    ['kDbweb]    spinneweb  o. 

cock  [ksk]  haan;  mannetje  o  [v.  vo- 
gels];  kraan;  (hooi)opper;  vt  schuin 
(op  een  oor)  zetten  [hoed];  spit- 
sen  [de  oren];  overhalen  [geweer]. 

cockade   [ks'keid]   kokarde. 

cockatoo  [kDks'tu;]  kaketoe. 

cockchafer   ['k^ktjeifa]   meikever. 

cockleshell  ['kDklJel]  schelp;  notedop 
[van  een  scheepje]. 

Cockney   ['k^kni]    Londenaar. 

cockpit  ['kskpit]  cockpit;  stuurhut  [v. 
vliegtuig];    strijdperk    o. 

cockroach   ['kokroutj]   kakkerlak. 

cocksure  ['ksk'Jua]  zo  zeker  als  wat; 
positief. 

cocktail  ['kskteil]   cocktail  [drank]. 

coco  (a)    ['koukou]    kokosnoot. 

cocoa   ['koukou]    cacao  (boom). 

coco  (a) -nut  ['kouksnAt]  kokosnoot. 

cocoon   [k^'kuin]   cocon   [v.  zijde- 
rups]. 

cod  [kDd]  kabeljauw. 

code  [koud]  code;  wetboek  o\  regels, 
voorschritten. 

cod-fish  ['kodfij]  kabeljauw. 

cod-liver  oil  ['kDdlivs'rDil]  levertraan. 

coerce   [kou'sis]   dwingen    (tot,   into). 

coercion    [kou'aijsn]    dwang. 

coercive    [kou'3:siv]    dwingend; 
dwang-. 

coffee    ['kDfi]    koffie. 

coffer   ['kDfs]    koffer,    (geld)kist. 

coffin    ['kDfin]    doodkist. 

cog    [kjg]    tand    [v.    rad]. 

cognate  ['kogneit]  verwant  (aan,  to, 
with) , 


cog-wheel 


43 


comedy 


cog-wheel  ['logwi:!]  tand-,  kamrad  o. 
coherence   [kou'hiarsns]    samenhang. 
coherent  [kou'hiarant]  samenhangend. 
coif    [ksif]    huif,   kap,   mutsje   o. 
coil    [kDil]    kronkel(ing),   winding; 

inductieklos. 
coin    [kDin]    munt;    geld(stuk)    o;    vl 

slaan    [munt];    munten;    verzinnen; 

maken. 
coincide    [kouin'said]    samenvallen. 
coincidence    [kou'insidans]    samen- 

loop;    toeval    o. 
coke    [kouk]    cokes. 
cold    [kould]    kou(de),    verkoudheid; 

a'l  koud,   koel. 
colic    ['kolik]    koliek   o  &i  v. 
collaborate    [ka'laebsreit]    mede-,   sa- 

menwerken. 
collaboration    [kaljeba'reijsn]    mede-, 

samenwerking. 
collaborator    [ka'laebareits]    mede- 

werker. 
collapse  [ka'laeps]   in(een)storten;  in- 

eenzakken;   mislukken. 
collapsible    [ks'lsepssbl]    opvouwbaar 

[boot]. 
collar    ['kola]    kraag;    boord    o    Si   m, 

boordje  <?;  halsband;  vt  bij  de  kraag 

pakken;    een   halsband   aandoen. 
collarbone   ['kabboun]    sleutelbeen  o. 
collateral    [ko'laetsral]    zijdelings,   zij-. 
colleague    ['kDli;g]    ambtgenoot,    col- 

lega. 
collect    [ka'lekt]    verzamelen,   inzame- 

len,  collecteren,  ophalen;  innen;  — 

oneself,  zich  herstellen. 
collected    [ka'Iektid]    bedaard. 
collection   [ka'lekjsn]   verzameling; 

collecte;    incassering;    buslichting. 
collective    [ka'lektiv]    collectief,  geza- 

menlijk,    gemeenschappelijk. 
collector    [ks'lekts]   verzamelaar;   col- 

lectant;   incasseerder;   ontvanger. 
college   ['k^lids]   college  o;    (afdeling 

van)   universiteit. 
collide    [ka'Iaid]    (tcgen   elkaar)    bot- 

sen,    in    aanvaring    komen. 
collier     ['kalis]    mijnwtrker,    kolen- 

schip  o. 


colliery    ['koliari]    kolenmijn. 
collision    [ka'lissn]    botsing,    aanva- 
ring. 
collop    ['kDbpJ   lapje  o   [vlees]. 
colloquial    [ka'loukwial]    gemeen- 

zaam,   spreektaal-. 
colloquialism   [ka'loukwislizm]   ge- 

meenzame   zegswijze. 
colloquy   ['kalakwi]   samenspraak. 
collusion  [k3'I(j)u:33n]   (geheime) 

verstandhouding. 
Cologne    [ka'Ioun]    Keulen   o. 
colon    ['koubn]    dubbele  punt. 
colonel    ['k3:n3l]    kolonel. 
colonial  [k3'lounJ3l]  koloniaal. 
colonist    ['kobnist]    kolonist. 
colonize    ['kabnaiz]    koloniseren. 
colonnade   [kjb'neid]    zuilenrij. 
colony    ['kobni]    kolonie. 
Colorado  beetle   [kob'ra:doubi:tl]   co- 

loradokever. 
colossal   [ks'bsl]   kolossaal. 
colossus    [ka'bsss]    kolos. 
colour  ['kAb]  verf;  kleur;   — s,  vaan- 

del  o,  vlag;  vt  verven;  kleuren. 
colour-blind   ['kAbblaind]   kleuren- 

blind. 
colourful   ['kAbful]   kleurig,  schilder- 

achtig,  interessant. 
colt   [koult]   veulen  o. 
column  ['kobm]  zuil,  kolom;  colonne. 
colza    ['kDlza]    koolzaad    o. 
comb    [koum]    kam;   honingraat;    vt 

kammen. 
combat    ['kambst]    gevecht    o;    single 

— ,    tweegevecht   o\    vt  bestrijden. 
combination     [kambi'neijan]     verbin- 

ding,   vereniging,    combinatie. 
combine    [kam'bain]     (zich)     verbin- 

den,    (zich)   verenigen;   combineren; 

['kombain]    syndicaat  o,  consortium 

o;    maai-    en    dorsmachine. 
combustible   [ksm'bAStibl]    brandbaar. 
combustion  [kam'bAStJan]  verbran- 

ding. 
come    [kAm]    komen;   V.D.  v.   come. 
comedian    [ka'miidian]    toneelspeler, 

acteur;   fig   komediant. 
comedy  ['komidi]  blijspel  o. 


comely 

comely    ['kAmli]    bevallig,    knap;    ge- 

past. 
comet    ['komit]    komeet. 
comfort    E'kAmfst]    troost;    gemak    o, 

gerief  o,  comfort  o;  welgesteldheid; 

vt    (ver)troosten. 
comfortable    ['kAmfstabl]    behaaglijk, 

aangenaam,  geriefelijk,  gemakkelijk, 

op  zijn  gemak. 
comforter    ['kAmfsta]    trooster;    bouf- 

fante;  fopspeen. 
comic(al)    ['kDmik(l)]    komisch. 
coming    ['kAmir)]    komst;   aj    (toe)- 

komend. 
comma  ['kDma]   komma. 
command    [ka'maind]    bevel    o\    com- 
mando   o;    beheersing;    vt    bevelen; 

commanderen,     aanvoeren;      bestrij- 

ken;     beheersen,     beschikken     over; 

(af)dwingen. 
commander   [ka'marnda]   bevelhebber; 

aanvoerder;    commandant. 
commandment  [ka'maindmant]  gebod 

o. 
commemorate    [ks'memsreit]    herden- 

ken,   vieren. 
commemoration  [kamems'reijan]  her- 

denking;   viering. 
commemorative    [ka'memarativ]    her- 

denkings-,  gedenk-. 
commence  [ka'mens]  beginnen. 
commencement    [ka'mensmsnt]    begin 

0. 

commend  [ka'mend]    (aan)prijzen; 

aanbevelen. 
commendable    [ks'mendsbl]    prijzens- 

waardig. 
commendation   [kDmen'deiJan]  aanbe- 

veling,  loftuiting,  lof. 
comment    ['koment]    opmerking(en), 

commentaar  ;«   of  o\   vi  opmerken; 

---^  on,  commentaar  leveren  op. 
commentary  ['kDmsntari]  uitleg,  com- 
mentaar  m   of   o,    (radio)reportage. 
commentator    ['kDmanteits]    uitlegger, 

commentator,    (radio) reporter. 
commerce   ['kDm3;s]   handel,  verkeer 

o;  omgang. 
commercial    [ks'maijal]    commercieel, 


44  community 

handels-,  bedrijfs-,  beroeps-,  zaken-, 

zakelijk. 
commission    [ks'mijan]    ]ast(brief); 

opdracht;     (officiers)aanstelling; 

commissie;    vt   machtigen;    opdracht 

geven;  bestellen;  aanstellen. 
commissionaire    [kamisjs'nea]    kruier, 

besteller;   portier. 
commissioner    [ka'mijsna]    commissa- 

ris. 
commit  [ks'mit]   begaan,  plegen;  toe- 

vertrouwen    (aan,    to);    compromit- 

teren;    ■ — ■    to   prison,    in    de   gevan- 

genis   zetten;    —    oneself,  zich    (tot 

iets   ver)binden. 
committee    [ka'miti]    commissie; 

comite  o;  bestuur  o. 
commodious    [ka'moudias]   ruim. 
commodity   [ks'mDditi]    (koop)waar, 

(handels) artikel   o. 
commodore  ['kDmsda:]  commodore. 
common     ['ksman]     gemeen(schappe- 

lijk);     algemeen;     gewoon;    In     — , 

gemeen(schappelijk);  out  of  the  — , 

ongewoon,   buitengewoon. 
commonly    ['lomanli]    gewoon (lijk). 
commonplace  ['kDmanpleis]  gemeen- 

plaats;   aj   alledaags. 
commons    ['komanz]    burgerstand; 

(House  of)   Commons,  Lagerhuis  o. 
commonwealth   E'kDmsnwelG]  ge- 

menebest  o. 
commotion  [ka'moujan]  opschudding. 
communicate  [ka'mjuinikeit]  medede- 

len    (aan,  to)\  gemeenschap  hebben 

(met,  ivitb). 
communication  [ksmjuini'keijan]  me- 

dedeling;    gemeenschap,    verbinding. 
communicative    [ks'mjuinikeitiv]    me- 

dedeelzaam. 
communion   [ks'mjuinjan]   gemeen- 
schap; omgang;  Avondmaal  o,  com- 

munie. 
communism   ['kDmjunizm]   communis- 

me  o. 
communist    ['komjunist]    communist; 

aj   communistisch. 
community    [ka'nijumiti]    gemeen- 
schap, gemeente. 


commute 


45 


comply 


commute    [ka'mjuit]    veranderen    (in, 

into),   verwisselen;    omzetten. 
companion  [lom'psenjan]    (met)gezel, 

kameraad. 
companionable    [ksm'paenjsnsbl]    ka- 

meraadschappelijk;  gezeliig. 
company     ['kAmpani]     gezelschap     o; 

maatschappij;     compagnie;     genoot- 

schap   o,   gilde  o   8i  v\   bemanning; 

hear    — ,    gezelschap    houden;    keep 

—   with,  verkering  hebben  met. 
comparative     [kam'pserativ]     vergelij- 

kend;   betrekkelijk;    ■-—    degree,   ver- 

grotende  trap. 
compare   [ksm'pea]   vergelijken. 
comparison    [kam'paerisan]    vergelij- 

king. 
compartment   [ksm'paitmant]   af de- 
ling,   coupe. 
compass  ['kAmpss]  omvang;  bestek  o, 

bereik  o;  kompas  o. 
compasses     E'kAmpssiz]     {a    pair    of) 

— ,    (een)    passer. 
compassion  [ksm'pasjsn]  medelijden  o 

(met,   on). 
compassionate    [ksm'pcejanit]    mede- 

lijdend,  meedogend. 
compatible   [ksm'psetibl]   bestaanbaar 

(met,    with),    verenigbaar. 
compatriot   [kom'pastrist]   landgenoot. 
compel   [kam'pel]    (af)dwingen. 
compendious    [ksm'pendias]    beknopt. 
compensate   ['kampenseit]   opwegen 

tegen;  schadeloos  stellen;   —    (/";•), 

goedmaken,   vergoeden. 
compensation    [kDrnpen'seiJan]    (scha- 

de)vergoeding. 
compete    [ksm'piit]    wedijveren,    con- 

curreren,   mededingen   (naar,  for). 
competence     ['kDmpitans]     competen- 
cy  ['kompitsnsi]   bevoegdheid. 
competent    ['kDmpitant]    bevoegd,   be- 

kwaam. 
competition    [kampi'tijan]    concurren- 

tie,  -wedijver;  wedstrijd. 
competitive    [kam'petitiv]    concurre- 

rend;   vergelijkend    [examen]. 
competitor    [ksm'petita]    concurrent; 

mededinger,  deelnemer. 


compile  [kam'pail]  verzamelen;  sa- 
menstellen. 

complacency  [ksm'pleissnsi]  (zelf)- 
voldoening. 

complacent  [kam'pleisant]  (zelf)vol- 
daan. 

complain  [ksm'plein]   klagen;  zich 
beklagen    (over,  of). 

complaint    [kam'pleint]    beklag    o; 
klacht;  kwaal. 

complaisance  [kam'pleizsns]  voorko- 
mendheid;   inschikkelijkheid. 

complement  ['komplimsnt]  aanvul- 
ling;  vol  getal  o,  vereiste  hoeveel- 
heid;    (volledige)    bemanning. 

complementary    [kDmpli'mentsri] 
aanvullend,   aanvullings-. 

complete  [kam'plirt]  compleet,  voile- 
dig,  voltallig;  volmaakt;  vt  vol- 
tooien;    aanvullen,   voltallig   maken. 

completely  [ksm'pliitli]  totaal,  ge- 
heel  en  al,  volkomen,  volslagen. 

completion  [ksm'pliijan]  voltooiing; 
aanvuUing. 

complex  ['k^mpleks]  complex  o\  aj 
samengesteld,  ingewikkeld. 

complexion   [ksm'plekfan]    gelaats- 
kleur;  aanzien  o,  voorkomen  o;  aard. 

complexity  [kam'pleksiti]  samenge- 
steldheid,  ingewikkeldheid. 

compliance   [ksm'plaisns]   inschikke- 
lijkheid;   toestemming;   in    —    with, 
overeenkomstig. 

compliant  [ksm'plaiant]  inschikkelijk. 

complicate  ['komplikeit]  ingewikkeld 
maken,  verwikkelen;  — d,  ingewik- 
keld. 

complication  [kjmpli'keijan]  verwik- 
keling. 

complicity  [ksm'plisiti]  medeplich- 
tigheid   (aan,  in). 

compliment  ['komplimant]  plichtple- 
ging;  compliment  o;  [kDmpli- 
'ment]  vt  gelukwensen  (met,  on), 
complimenteren. 

complimentary   [ksmpli'mentsri] 
complimenteus. 

comply    [ksm'plai]    berusten,   zich 
schikken     (in,     with);    ■ — ■    with    a 


component 


46 


conciliatory 


request,  aan  een  verzoek  voldoen. 

component    [kam'pounsnt]    bestand- 
deel   o\   aj  samenstellend. 

comport  [kam'poit]  —  oneself,  zich 
gedragen. 

comportment  [ksm'pDitmant]  gedrag 
o,  houding. 

compose    [kam'pouz]    samenstellen, 
vormen;   opstellen    [brief];    zetten 
[drukwerk];  componeren;     ■ — •    one- 
self, zich  herstellen;  bedaren. 

composedly   [ksm'pouzidii]   bedaard. 

composer   [kam'pouzs]    samensteller; 
componist. 

composite   ['kompazit]   samengesteld. 

composition   [kDmpa'ziJsn]    samen- 
steliing;  aard;  compositie;   opstel  o. 

compositor   [kam'pozita]    letterzetter. 

composure    [ksm'pouss]    kalmte.  ' 

compote  C'kDmpout]  compote. 

compound  ['ksmpaund]  samenstel- 
ling,  mengsel  o\  afgesloten  terrain 
o,  erf  o  [v.  oosters  huis];  aj  sa- 
mengesteld; [ksm'paund]  rt  samen- 
stellen;   (ver)mengen,    bereiden. 

comprehend  [kDmpri'hend]  cm-,  be- 
vatten,    insluiten;    begrijpen. 

comprehensible  [kDmpri'hensabl]  be- 
grijpelijk._ 

comprehension  [kDmpri'henJsn]  om- 
vang;  begrip  o:   verstand  o. 

comprehensive  [ksmpri'hensiv]  veel 
omvattend,    omvangrijk,    uitgebreid. 

compress    ['ksmpres]    kompres    o\ 
[ksm'pres]  vt  samendrukken. 

comprise   [ksm'praiz]   om-,  bevatten. 

compromise  ['ksmprsmaiz]  compro- 
mis  0,  vergelijk  o\  schikking;  vt 
schikken;  compromitteren;  vi  een 
compromis    sluiten. 

compulsion  [ksm'pAlJsn]  dwang. 

compulsory  [kam'pAlssri]  gedwon- 
gen,  dwang-,  verplicht;  —  service, 
dienstplicht. 

compunction    [ksm'pAgkJan]    wroe- 
ging;  berouw  o. 

computation  [kDrapju'teiJan]  (be)re- 
kening. 

compute     [kam'pjuit]     (be)rekenen 


(op,   at). 

comrade    ['komrid]    kameraad. 

concave    ['konkeiv]    holte;   aj  hoi. 

conceal    [ksn'siil]    verbergen,    (ver)- 
helen;   verzwijgen. 

concealment    [ksn'siilmant]   verber- 
ging,    (ver) haling;    verzwijging; 
schuilplaats. 

concede  [ksn'siid]  toestaan;  toegeven. 

conceit   [ksn'siit]   verbeelding,  ver- 
waandhaid. 

conceited    [kan'siitid]    verwaand, 
eigenwijs. 

conceivable   [kan'siivsbl]   denkbaar, 
begrijpalijk. 

conceive  [kan'siiv]  begrijpen;  opvat- 
ten;  uitdrukken;  —  {of),  zich 
voorstellen,  denken. 

concentrate  L'konssntreit]  samentrek- 
ken,   (zich)   concentreren. 

concentration  [konsan'treijan]  samen- 
trekking,  concentratie. 

conception  [kan'sepjsn]  bagrip  o\  ont- 
werp  o. 

concern  [kan'sam]  zaak,  aangelegen- 
haid,  ondernaming;  belang  o\  ba- 
zorgdheid,  zorg;  vt  batraffen;  ra- 
ken;    —    oneself,  zich   bekommeren. 

concerned  [kan'sarnd]  bezorgd;  be- 
trokken;  be  —  about,  zich  interes- 
saren  voor,  belang  stellen  in;  be- 
zorgd zijn  over  (ook;  at,  for,  over); 
be  -~  in,  batrokken  zijn  bij,  te 
maken  hebben  met;  zich  bezighou- 
den  met;  /  am  ■ — ■  to  show,  het  is 
mij  er  om  te  doen  aan  te  tonen 
...;  het  spijt  mij  te  moeten  aan- 
tonen  ...;  be  —  with,  zich  bezig- 
houden  met;  te  maken  hebben  met. 

concerning    [kan'sainig]    betraffande. 

concert    ['kansat]    overeenstemming; 
concert    o\     [kan'sa:t]    vt    beramen. 

concession    [kan'sejan]    vergunning; 
concassie. 

conciliate    [kan'silieit]    verzoenen. 

conciliation    [kansili'eijan]    verzoe- 
ning. 

conciliatory    [kan'siliatari]    verzoe- 
nend,  bamiddelend. 


concise 


47 


confidential 


concise    [lon'sais]    beknopt. 
conclude    [kan'klutd]    besluiten;    slui- 

ten;   concluderen. 
conclusion   [kan'kluisan]   besluit  o, 

gevolgtrekking,    slotsom;   slot   o. 
conclusive   [ksn'kluisiv]   beslissend, 

afdoend. 
concoct  [ksn'kokt]  beramen,  smeden. 
concord    ['konkD:d]    eendracht. 
concordant    [ksn'koidsnt]    overeen- 

stemmend. 
concourse    ['konkDis]    toeloop,   samen- 

loop;    menigte. 
concrete    ['kDnkri:t]    vaste  massa;   ba- 
ton   o\    a]    vast;    concreet;    baton-; 

[kan'kriit]     vt    verdichten;    verhar- 

dan;   betonneran. 
concur   [kan'ks:]   overeenstemmen;  hat 

aens  zijn;  samen-,  medewerkan. 
concurrence    [ksn'kArsns]    samanloop; 

madewerking;   overeanstamming,  in- 
stemming. 
concurrent    [ksn'kMsnt]    gelijktijdig 

(optredand);    meewarkend;    ovar- 

eanstemmand,    eenstammig. 
concussion  [ksn'kAjan]   schok;   '—'  {of 

the  brain'),  harsenschudding. 
condemn  [kan'dam]  varoordelen;  doa- 

men;   afkauren. 
condemnable  [ksn'demnsbl]   laakbaar, 

afkeurenswaardig. 
condemnation  [kDndem'neiJan]  ver- 

oordeling,   afkeuring. 
condensation   [kDnden'saiJan]   conden- 

satie. 
condense    [ksn'dans]    condanseran. 
condescend  [kDndi'send]  afdalan  (tot, 

to),  zich  verwaardigen. 
condescending  [kondi'sendiij]   neer- 

buigend   (minzaam). 
condition  [kan'dijsn]    toestand;    voor- 

waarda;    rang,    stand;    vt    bedingen; 

bepalen. 
conditional    [kso'dijanal]    voorwaar- 

dalijk;   —   on,  afhankelijk  van. 
conditioned    [kan'dijand]    bedongen; 

in  aen   ...   staat,    ...   geaard. 
condole  [kan'doul]  ■ —  with  one  on..., 

iemand  condolaren  met... 


condolence   [kan'doubns]    rouwba- 

klag   o. 
condone    [kan'doun]    vergeven;   goed- 

maken. 
conducive    [ksn'djuisiv]    bavorderlijk. 
conduct   ['kondakt]   gedrag  o;  leiding; 

[ksn'dAkt]    vt   (ge)laiden;  basturen; 

dirigeren;  —  oneself  well,  zich  goad 

gadragen. 
conductor   [kan'dAkts]    (ga)laider;  di- 

rigant;   conducteur. 
conductress    [kaa'd/vktris]    (ga)]aid- 

ster;  conductrice. 
conduit    ['kAodit,   'kondit]    leiding, 

(galai)buis. 
cone    [koun]    kegal. 
confection     [ksn'fekjsn]      (toe)barei- 

ding;    ( dames) confactie;    suikargoed 

o;  confituur;  vt  (toe)beraidan. 
confectioner    [ksn'fekjsns]    suikar- 

bakker,  bankatbakkar. 
confectionery   [ksn'fakjsnsri]   suikar- 
goed o;   suikarbakkarswinkal. 
confederate  [kan'fedsrit]   bondganoot; 

a]  verbondan. 
confederation    [kanfeda'raijsn]    bond- 

genootschap    o,    (staten)bond. 
confer  [ksn'fs:]  varlenen  (aan,  upon); 

beraadslagen    (met,  with). 
conference   ['konfsrans]  conferentia. 
conferment     [kan'fsimant]     varlaning. 
confess   [kan'fas]    bakennan,  erken- 

nan;   belijdan,    (op)biachtan. 
confession   [kan'fejsn]   bakentanis, 

(geloofs)belijdenis;  biecht. 
confessional  (box)  [k3n'fej3n3l(bDks)] 

biechtstoel. 
confessor    [kan'fesa]    belijder;    biecht- 

vader. 
confidant(e)    [kanfi'dasnt]   vertrouwe- 

]ing(e). 
confide    [ksn'faid]    vertrouwan    (op, 

;a);    toevartrouwen    (aan,   to). 
confidence  ['kDnfid3ns]    (2alf)vartrou- 

wan   o;    vrijmoadighaid;    vartrouwe- 

lijke  madadaling. 
confident    ['kDnfidsnt]    vol    vertrou- 

wen,    zeker;    vrijmoedig. 
confidential    [konfi'denjal]    vertrou- 


confine 


48 


conscientious 


welijk;    vertrouwd;    — ■     clerk,     pro- 

curatiehouder. 
confine   ['kDnfain]   grens;   [ksn'fain] 

vt  bepalen,   beperken,   begrenzen; 

opsluiten;  vi  grenzen   (aan,  on). 
confinement    [ksn'fainmant]    beper- 

king,    begrenzing;    opsluiting. 
confirm    [ksn'fsim]    bevestigen,    be- 

krachtigen;    • — 'ed   drunkard,    onver- 

beterlijke   dronkaard. 
confirmation   [kDnfa'meiJan]    bevesti- 

ging,   bekrachtiging. 
confiscate    ['kDnfiskeit]   verbeurd  ver- 

klaren. 
confiscation   [kDnfis'keiJsn]   verbeurd- 

verklaring. 
conflagration    [kDnfb'greiJan]    (zwa- 

re)  brand. 
conflict  E'kDnflikt]  botsing,  conflict  o; 

[ksn'flikt]    vi    strijden,    in    botsing 

komen  (met,  with);  --^ing,  (tegen)- 

strijdig. 
confluence  ['kDnfluans]  samenvloei- 

ing;   toeloop. 
conform    [ksn'fDim]    (zich)    schikken, 

richten,  voegen    (naar,  to,  with). 
conformity    [kan'fDimiti]    overeen- 

stemming. 
confound  [ksn'faund]  in  de  war  bren- 

gen;   beschamen;  verijdelen;    —   ///, 

wat   duivel! 
confounded  [kan'faundid]  verward, 

beschaamd;  weergaas. 
confront  [kan'frAnt]  vergelijken  (met, 

with);    confronteren. 
confrontation   [kDnfrAo'teiJan]   verge- 

lijking;   confrontatie. 
confuse    [kan'fjuiz]    verwarren. 
confusion    [k3n'fju:33n]    verwarring. 
congeal  [ksn'dgi:!]    (doen)   stremraen, 

stollen,   bevriezen. 
congelation    [kondsi'leijan]    strem- 

ming,  stolling,  bevriezing. 
congenial   [ksn'dsiinial]    (geest)ver- 

want  (met,  to,  with);  ■ — ■  to  me,  mij 

sympathiek;   aangenaam. 
congenital   [ksn'dsenitl]   aangeboren. 
conger    ['kogga]    zeepaling. 
congestion  [kan'dsestjan]  opeenho- 


ping;  opstopping;  congestie. 
conglomeration    [kangbms'reijan] 

ophoping,   verzameling. 
congratulate  [kan'grastjuleit]  geluk- 

wensen    (met,  on,  upon). 
congratulation    [kangrstju'leijan] 

gelukwens. 
congratulatorj'  [ksn'grsetjuleitari] 

gelukwensend,  felicitatie-. 
congregate   ['koggrigeit]    vergaderen, 

bijeenkomen. 
congregation    [korjgri'geijan]    verza- 
meling, vergadering;    (kerkelijke) 

gemeente,   congregatie. 
congress   ['kDijgres]    congres  o. 
conic(al)    ['kDnik(l)]  kegelvormig. 
conifer   ['kounifa]    conifeer,   naald- 

boom. 
conjecture   [ksn'djektja]   vermoeden 

o;  gissing;  vt  vermoeden;  gissen. 
conjugate  ['kDnd3ugeit]  vervoegen. 
conjugation   [ksndsu'geijan]   vervoe- 

ging. 
conjunction   [k3n'd3Ar)kJ'3n]   vereni- 

ging;  voegwoord  o;  in  —   with,  sa- 

men   met. 
conjunctive    [k3n'd3Agktiv]    aanvoe- 

gend(e  wijs). 
conjure   ['kAndsa]   bezweren;  toveren; 

goochelen;  ■ —  up,  oproepen. 
conjurer    ['kAndsars]    goochelaar. 
connect   [ka'nekt]   verbinden;  aanslui- 

ten,    in   verbinding   staan. 
connection,  connexion   [ka'nekjan] 

verbinding,   aansluiting;   verband   o; 

band;   connectie. 
connive    [ks'naiv]    •—-    at,   oogluikend 

toelaten,  door  de  vingers  zien. 
connoisseur  [kDoi'ss:]    (kunst)kenner. 
conquer    ['kDrjka]    veroveren;    over- 

winnen. 
conqueror    ['kDijkara]    overR'innaar; 

veroveraar. 
conquest    ['korjkwest]    overwinning; 

verovering. 
conscience    ['konjsns]    geweten   o; 

have  the   —    to,  de  brutaliteit  heb- 

ben    om. 
conscientious    [kDnJi'enJas]    nauwge- 


conscious 


49 


constellation 


zet;  gewetens-. 
conscious    ['IcDnJas]    bewust;    bij   ken- 

nis. 
consciousness    ['IcDnJasnis]   bewustzijn 

0. 

conscript  ['IcDnskript]  dienstplichtige; 
[kan'skript]  vt  dienstplichtig  ma- 
ken. 

conscription    [ksn'skripjan]    dienst- 
plicht. 

consecrate    ['kDnsikreit]    toe-,    (in)- 
wijden,    inzegenen,    heiligen. 

consecration  [kDnsi'kreiJsn]  (in)wij- 
ding,  inzegening,  heiliging. 

consecutive   [kan'sekjutiv]    (opeen)- 
volgend. 

consensus  [kan'sensss]   overeenstem- 
ming. 

consent  [kan'sent]  toestemming;  with 
one  — ,  eenstemmig,  eenparig;  vi 
toestemmen   (in,  to). 

consequence  ['konsikwans]  gevolg  o\ 
belang  o,  betekenis;  in  — ,  dienten- 
gevolge;  in  ■ — ■  of,  ten  gevolge  van. 

consequent    ['kDnsikwant]    daaruit 
volgend;   consequent. 

consequential    [kansi'kwenjal]    vol- 
gend;   daaruit   volgend;   gewichtig. 

consequently   ['kansikwantli]   bijge- 
volg,   dus. 

conservation  [kDnsa'veiJan]  behoud  o. 

conservative  [kan'saivativ]  conserva- 
tief;  aj  behoudend,  conservatief;  ma- 
tig,    voorzichtig    [v.    schatting]. 

conservatory  [kan'sa;vatri]  broeikas; 
muziekschool. 

conserve  [kan'sarv]  conserven  (meest- 
al  — s);  vt  bewaren,  behouden;  in- 
maken. 

consider  [kan'sida]   beschouwen; 
(het)    houden   voor;    overwegen,    in 
overv,'eging    nemen,    (be)denken; 
letten     op;     rekening    houden    met, 
ontzien;    achten;    van    mening    zijn. 

considerable  [kan'sidarabl]  aanzien- 
lijk,  aanmerkelijk;  geruim. 

considerate   [kan'sidarit]    zorgzaam, 
attent,  kies. 

consideration   [kansida'reijan]   he- 


schouwing,   overweging;    achting; 

consideratie;  vergoeding;  the  cost  is 

no    — ,   op   de   prijs    zal    niet   gelet 

worden. 
considering    [kan'sidarit)]     (alles)    in 

aanmerking  genomen;  naar  omstan- 

digheden. 
consign    [kan'sain]    overdragen,    toe- 

vertrouwen;    in    commissie    zenden 

(aan,  to);   ■ — ■  to  oblivion,  der  ver- 

getelheid   prijsgeven. 
consignee    [kansai'ni:]    geconsigneer- 

de,  geadresseerde. 
consigner   [kan'saina]    afzender. 
consignment    [kan'sainmant]    over- 

dracht;    consignatie,   zending. 
consist    [kan'sist]    bestaan    (uit,   of). 
consistent    [kan'sistant]    consequent; 

-^   with,  verenigbaar  met,  overeen- 

komstig. 
consolation  [kansa'leijan]  troost. 
consolatory    [kan'salatari]    troostend. 
console    [kan'soul]    troosten. 
consolidate   [kan'salideit]   vastmaken; 

consolideren. 
consonance    ['kansanans]    gelijklui- 

dendheid,   overeenstemming. 
consonant    ['kansanant]    medeklinker; 

aj   gelijkluidend,    overeenstemmend. 
consort     ['kansait]     gemaal;    gemalin; 

[kan'sait]    vi    omgaan;    samengaan, 

overeenstemmen. 
conspicuous  [kan'spikjuas]  in  het  oog 

vallend,    duidelijk    zichtbaar. 
conspiracy   [kan'spirasi]   samenzwe- 

ring. 
conspirator    [kan'spirata]    samen- 

zweerder. 
conspire    [kan'spaia]    samenzweren. 
constable    ['kAOStabl]    politieagent; 

chief  '--',  commissaris  van  politic, 
constabulary    [kan'staebjulari]    politie- 

(macht). 
constancy    ['kanstansi]    standvastig- 

heid,    bestendigheid,   vastheid. 
constant  ['kanstant]  standvastig,  be- 

stendig,   vast,   voortdurend. 
constellation   [kanste'leijan]    sterren- 

beeld  o,  gesternte  o. 


Eng.  Zakwrabk,  X\ 


consternation 


50 


contentious 


consternation    [kDnsta'neiJan]    ont- 

steltenis. 
constituency    [ksn'stitjusnsi]    kiezers- 

corps  o\  kiesdistrict  o. 
constituent    [kan'stitjuantl    lastgever; 

kiezer;     bestanddeel     o;    aj    samen- 

stellend;  constituerend;  —  part,  be- 
standdeel o. 
constitute    ['konstitjuit]    samenstellen, 

(uit)maken,  vormen;  instellen,  aan- 

stellen    (tot). 
constitution    [kDnsti'tju:j3n]    samen- 

stelling;  constitutie;  staatsregeling, 

grondwet;    gestel   o\   statuten. 
constitutional    [kDnsti'tju:j3n3l]    van 

het  gestel;  grondwettelijk;    (volgens 

de  statuten)   geoorloofd. 
constrain    [ksn'strein]    (be)dwingen. 
constrained   [ksn'streind]   gedwongen. 
constraint  [kan'streint]  gedwongen- 

heid;    (lijfs)dwang. 
construct   [ksn'sttAkt]    (op)bouwen, 

aanleggen;  maken. 
construction  [kan'sttAkJan]  bouw;  aan- 

leg;    samensteliing.    inrichting;    uit- 

legging;    constructie;    under    — ,    in 

aanbouw. 
constructive    [kan'strAktiv]    bouw-; 

opbouwend. 
constructor  [ksn'strAkts]  bouwer. 
construe    [kan'stru:]    uitleggen,  ver- 
consul    ['konssj]    consul.  [klaren. 

consular    ['lonsjub]    consulair. 
consulate    ['kDnsjulit]    consulaat    o. 
consult    [ksn'sAlt]    raadplegen,    reke- 

ning  houden  met;  beraadslagen. 
consultation    [kDnssI'teiJan]    raadple- 

ging,  beraadslaging;  consult  o. 
consultative  [kan'sAltativ]     j    raad- 
consultatory  [ksn'sAltstari]  (    gevend. 
consulting-room   [ksn'sAltirjrum] 

spreekkamer    [v.    dokter]. 
consume    [kan'sjuim]    verbruiken,   ge- 

bruiken,    verteren. 
consumer  [kan'sjuima]  verbruiker;  — 

goods,   verbruiksgoederen. 
consummate    [kan'sAmit]    volkomen, 

volmaakt,     doortrapt;      ['kDnsameit] 

ft  voltrekken,  voltooien. 


consummation    [kDnsa'meiJan]    vol- 

trekking,   voltooiing,   vervulling; 

einde  o. 
consumption   [k3n'sAm(p)J'3n]   ver- 

bruik  o\  vertering;    (uit)tering. 
consumptive    [k3n'sAm(p)tiv]    tering- 

lijder;   aj  teringachtig,   tering-;  ver- 

terend;    verbruiks-. 
contact    ['kontsekt]    aanraking,   contact 

o;  make  ~'  with   =   vt  contact  ma- 
ken of    (op)nemen   met. 
contagious   [kan'teidsss]   besmettelijk; 

aanstekelijk. 
contain  [kan'tein]  bevatten,  inhouden; 

bedwingen. 
container    [kan'teina]     houder,    bak, 

koker,  reservoir  o,  vat  a,  blik  o,  bus, 

doos. 
contaminate    [kan't£emineit]    besmet- 

ten. 
contamination    [kantaemi'neij"3n]    be- 

smetting. 
contemplate   ['kDntempleit]    beschou- 

wen,  overpeinzen;   denken  over. 
contemplation    [kantem'pleijan]    be- 

schouwing;   overpeinzing. 
contemplative    [kan'templativ]    be- 

schouwend,  peinzend. 
contemporary   [kan'temparari]   tijd- 

genoot;    aj   gelijktijdig;    van    dezelf- 

de  (leef)tijd;  hedendaags. 
contempt  [kan'tem(p)t]  min-,  verach- 

ting;   beneath  '—',  beneden  kritiek. 
contemptible  [kan'tem(p)tibl]  verach- 

telijk. 
contemptuous    [kan'tem(p)tjuas] 

min-,    verachtend,    verachtelijk. 
contend    [kan'tend]    strijden,    tn'isten, 

kampen;  beweren. 
content    [kan'tent]    tevredenheid;    to 

one's   heart's    — ,   naar  hartelust;   aj 

tevreden;    /'/    tevreden   stellen. 
content(s)    ['kantentCs),    ook:    kan- 
'tent (s)]    inhoud;   gehalte  o. 
contented    [kan'tentid]    tevreden. 
contention    [kan'tenjan]    twist,   strijd; 

bewering. 
contentious    [kan'tenjas]    twistziek; 

twist-. 


contentment 

contentment   [ksn'tentmsnt]    tevreden- 

heid. 
contest    ['kantest]    geschil   o,   twist; 

(wed)strijd;     [kan'test]     vt    betwis- 

ten;   vi   twisten,  strijden    (om,  for). 
contestable  [ksn'testabl]  betwistbaar. 
contestant    [kan'testsnt]    bestrijder; 

tegenstander;   deelnemer. 
context    ['k^ntekst]    samenhang,   ver- 

band  o. 
contiguous    [kan'tigjuss]    belendend, 

aangrenzend. 
continence    ['kDntin3ns]    onthouding. 
continent    ['kontinsnt]    vasteland    o; 

werelddeel    o;    aj   zich   onthoudend, 

sober. 
continental   [ksnti'nental]   vastelands-. 
contingency  [ksn'tindsansi]   toevallig- 

heid;     mogelijkheid,   gebeurlijkheid; 

geval  o. 
contingent    [ksn'tindssnt]    contingent 

o,  aandeel   o\  a]  toevallig;   onzeker, 

mogelijk;  afhankelijk  (van,  on),  ge- 

paard  gaande    (met,   on). 
continual    [ksn'tinjual]    aanhoudend, 

gestadig,  voortdurend. 
continuance    [kan'tinjuans],    continu- 
ation   [kantinju'eijan]    voortduring, 

voortzetting,  vervolg  a. 
continue  [kan'tinju:]  voortduren;  blij- 

ven;    voortzetten,    vervolgen;    to    be 

— d,   wordt   vervolgd. 
continuity    [kDnti'njuiiti]    samenhang, 

verband  o. 
continuous    [kan'tinjuas]    onafgebro- 

ken;  voortdurend. 
contort   [kan'tait]    (ver)draaien. 
contortion    [kan'toijan]    verdraaiing. 
contour   ['kDntua]   omtrek. 
contraband    E'kDntrabasnd]    contra- 

bande;    smokkelwaar. 
contract    ['kDntrsekt]    verdrag   o,   con- 
tract   o\    [kan'trsekt]    vt   samentrek- 

ken;    inkrimpen;    aangaan,    sluiten; 

aannemen;    zich    op   de   hals    halen, 

krijgen,  opvatten. 
contraction   [kan'traskjan]   samen- 

trekking;   inkrimping. 
contractor   [kan'traekta]   aannemer,  le- 


51  controversy 

verancier. 

contractual    [kan'traektjual]    contrac- 
tueel. 

contradict    [kontra'dikt]    tegenspreken. 

contradiction    [kDotra'dikJan]    tegen- 
spraak,   tegenstrijdigheid. 

contradictory  [kantra'diktari]  tegen- 
strijdig;    strijdig    (met,    to). 

contrary  ['kantrari]  tegendeel  o;  on 
the  ~-,  integendeel;  a]  tegengesteld, 
strijdig;  tegen-;  • — '  to,  tegen  (... 
in),   in  tegenstelhng    (strijd)    met. 

contrast    ['kantr£est]    tegenstelling; 
[kan'traest]  vt  tegenover  elkaar  stel- 
len,    stellen    (tegenover,    with);    vt 
een   tegenstelling  vormen. 

contravention   [kantra'venjan]   over- 
trading;   in    —    oj,   in   strijd   met. 

contribute    [kan'tribjut]    bijdragen; 
medewerken. 

contribution  [kantri'bjurjan]  bijdra- 
ge;   brandschatting. 

contributory  [kan'tribjutari]  bijdra- 
gend,  medewerkend. 

contrite   ['kantrait]   berouwvol. 

contrition  [kan'trijan]  diep  berouw  o. 

contrivance    [kan'traivans]    vinding- 
rijkheid,    (uit)vinding;    list;    middel 
o,  toestel  o,  ding  o. 

contrive  [kan'traiv]  uit-,  bedenken, 
verzinnen,  beramen,  het  aanleggen; 
—  to,  weten  te... 

control  [kan'troul]  leiding;  bestuur  o\ 
besturing,  bediening  [v.  machine] ; 
controle,  toezicht  o;  bedwang  o; 
(zelf)beheersing,  macht;  — s,  stuur- 
inrichting;  overheidsbemoeiing,  -lei- 
ding, -toezicht  o\  be  in  —  oj,  de 
leiding  hebben  over;  out  of  — ,  niet 
te  regeren  (besturen);  vt  leiden;  be- 
sturen;  bedwingen;  beheersen;  con- 
troleren. 

controller  [kan'troula]   controleur. 

control  tower  [kan'troultaua]  ver- 
keerstoren    [op   vliegveld]. 

controversial    [kantra'vaijal]    pole- 
misch,  twist-;  betwistbaar. 

controversy  ['kantravaisi]  geschil  o, 
strijdvraag;  dispuut  o. 


contumelious 


52 


copula 


contumelious    [lontju'miilias]    sma- 

lend,    minachtend. 
contumely  ['lontjumili]  smaad,  boon, 

minachting. 
contusion   [k:3n'tju:33n]   kneuzing. 
convalescence  [lonvs'Iessns]  herstel  o. 
convalescent   [konvs'lessnt]   herstel- 

lend. 
convene    [kan'virn]    bijeen-,   samen- 

roepen,   oproepen. 
convenience   [ksn'viinjsns]    geschikt- 

heid,  gepastheid,  gemak  o\  at  your 

— ,   als   't  u  gelegen  komt;   bij   ge- 

legenheid;  op  uw  gemak. 
convenient    [ksn'vimjant]    gemakke- 

lijk,   geschikt;    gelegen   komend. 
convent    C'kDnvant]    (vrouv/en)kloos- 

ter  o. 
convention   [ksn'venjan]   bijeenkomst; 

overeenkomst;   conventie. 
conventional    [kan'venjsnsl]    overeen- 

gekomen,  conventioneel. 
conversant    ['kDnvasant]    bedreven, 

thuis,   ervaren    (in,   /'«),   vertrouwd. 
conversation    [kanva'seijan]    conver- 

satie;    gesprek    o\    bespreking. 
converse    [kan'vais]    converseren,   zich 

onderhouden. 
conversely    [kDo'vaisIi]    omgekeerd. 
conversion   [ksn'vaijsn]   omzetting; 

conversie;  bekering. 
convert    ['lonv3:t]    bekeerling;    [kan- 

'v3:t]   vt  omzetten,  veranderen,  om- 

rekenen;   bekeren. 
convertible  [ksn'vaitibl]  omzetbaar. 
convex    ['kDoveks]    bol(rond). 
convey  [ksn'vei]  overbrengen,  vervoe- 

ren;   overdragen;   mededelen. 
conveyance  [ksn'veians]  overbrenging, 

vervoer    o;    overdracht;    vaartuig    o, 

voertuig  o. 
conveyer,  conveyor  [ksn'veia]   over- 

brenger,   vervoerder;    lopende   band, 

transportband. 
convict    ['kDnvikt]    dwangarbeider; 

[ksn'vikt]    vt  veroordelen. 
conviction   [kan'vikjsn]   veroordeling; 

overtuiging. 
convince  [kan'vins]  overtuigen. 


convocation    [kDnva'keiJan]    oproe- 

ping,  bijeenroeping. 
convoke  [kan'vouk]  oproepen,  bijeen- 

roepen. 
convoy  ['konvDi]  geleide  o,  konvooi  o. 
convulse    [ksn'vAJs]    krampachtig    sa- 

mentrekken;    schokken. 
convulsion    [kan'vAlJsn]    stuiptrek- 

king;   schok. 
convulsive  [kan'vAlsiv]   krampachtig. 
coo    [ku:]    kirren. 
cook    [kuk]    keukenmeid,   kookster; 

kok;   vt  koken. 
cooker    ['kuko]    kooktoestel    o,    -for- 

nuis  o. 
cookery  ['kukori]  het  koken;  —  book, 

kookboek  o. 
cook-shop    ['kukjDp]    gaarkeuken. 
cool   [ku:I]   koel;  kalm,  onverschillig; 

vi  ver-,   afkoelen. 
cooler    ['ku:b]    koelvat  o\  koeler. 
coolie    ['ku:Ii]    koelie. 
cooper  ['ku:p3]   kuiper. 
co-operate    [kou'Dpsreit]    mede-,    sa- 

menwerken. 
co-operation    [kouopa'reijan]    mede-, 

samenwerking. 
co-operative  [kou'Dparativ]  mede-, 

samenwerkend;    —    store,    coopera- 

tieve  winkel. 
co-operator  [kou'Dpsreits]   medewer- 

ker. 
cop   [kDp]   agent,  smeris. 
cope   [koup]    —   with,  het  hoofd  bie- 

den   aan;     opgewassen     zijn     tegen; 

af-   aankunnen;   verwerken,   voldoen 

aan   [aanvragen]. 
copious    ['koupjss]    overvloedig,    uit- 

voerig,  rijk,  ruim. 
copper   ['kopa]    (rood)koper  o\  kope- 

ren  geldstuk  o\  ketel;   politieagent; 

ai  koperen;   vt  verkoperen. 
copper-smith  ['kopasmiB]  koperslager. 
coppice  ['kDpis]   kreupelhout  o,  kreu- 

pelbosje  o. 
copra   ['kopra]    kopra. 
copse    [kops]   kreupelhout  o,   kreupel- 

bosje   o. 
copula  ['kspjub]  koppelwerkwoord  o. 


copy 


53 


coster  (monger) 


copy  ['kapi]  afschrift  o\  kopie,  kopij; 

exemplaar  o\   vt  na-,   overschrijven, 

kopieren;  nabootsen,  nadoen. 
copy-book  ['kopibuk]   (schoon)schrijf- 

boek  o. 
copyist,  E'kDpiist]    naschrijver,  kopiist. 
copy   paper    E'kDpipeipa]    doorslagpa- 

pier  o. 
copyright    ['kopirait]    kopijrecht    o\ 

nadruk   verboden. 
coquettish   [kou'ketij]   koket. 
coral    E'koral]    koraal    o\    aj    koralen; 

koraalrood. 
cord    [k3:d]    koord    o    &    v,    touw    o, 

snoer  o. 
cordage    E'kDidids]    touwwcrk    o. 
cordial   E'kaidisl]   hartsterkend;  harte- 

lijk. 
cordiality   EkDidi'aeliti]    hartelijkheid. 
corduroy    E'koidjurDi]    manchester   o, 

pilo  o. 
core   Eko:]    binnenste  o,  hart  o,  kern; 

klokhuis  o   Ev.   appel]. 
cork   EkD:k]   kurk  o  Sc  m   Estofnaam], 

kurk    V    Evoorwerpsnaam] ;    aj   kur- 

ken;    vt    (dicht)kurken. 
corkscrew   E'k3:kskru:]   kurketrekker. 
corn    EkD:nJ    koren    o,    graan    o\    Am 

mai's;    eksteroog    o,    likdoorn. 
corned   Eksmd]    —    beef,  gezouten 

vices  o. 
corner    E'kains]    hoek;    tip    Ev.    zak- 

doek] . 
cornet    E'kD:nit]    horentje    o,    peper- 

huisje   o\   piston. 
cornfield   E'k3:nfi:ld]  korenveld  o. 
cornice    E'kD:nis]    (kroon)lijst. 
Cornish   E'ksiniJ]   van  Cornwallis. 
corn-poppy   E'k3:np3pi]   klaproos. 
coronation    EkDrs'neiJan]    kroning. 
coroner    E'karsna]    lijkschouwer. 
corporal    E'kDiparsl]    korporaal;  aj 

lichamelijk,   lichaams-. 
corporation   EkDipa'reiJsn]    corporatie, 

rechtspersoon;  gilde  o  Si  v\  gemeen- 

tebestuur  o;  public  •~,  publiekrech- 

telijk    lichaam    o. 
corps   Eka:,  mv.  koiz]    (leger)korps  o, 

(leger)korpsen. 


corpse    EkD:ps]    lijk  o. 

corpulence  E'k3:pjubns]  corpulentie. 

corpulent  E'k^ipjubnt]  zwaarlijvig, 
gezet,   corpulent. 

correct  Eka'rekt]  verbeteren;  (af)- 
straffen;  aj  precies,  juist;  correct. 

correction    Eks'rekjsn]    correctie;   ver- 
betering. 

correspond  EkDris'pond]  correspon- 
deren;  overeenkomen;  beantwoor- 
den    (aan,    to)\    aansluiten. 

correspondence    EkDris'pDodans]    cor- 
respondentie,  briefwisseling;  over- 
eenkomst,  overeenstemming;   aan- 
sluiting;  --^  clerk,  handelscorrespon- 
dent;  ■ — ■  course,  schriftelijke  cursus. 

correspondent  EkDris'pDndgnt]  corres- 
pondent;   aj   corresponderend. 

corridor   E'karidD:]   gang,  galerij,  cor- 
ridor;   —    train,   D-trein. 

corroborate  Eks'rDbareit]  bekrachti- 
gen,  bevestigen. 

corroboration    EksrDba'reiJan]    be- 
krachtiging,   bevestiging. 

corroborative  Eks'rDbarativ]  verster- 
kend,  bekrachtigend,  bevestigend. 

corrode    Eka'roud]    invreten,   in-,   uit- 
bijten;   verteren. 

corrosion  Eka'rousan]  invreting,  uit- 
bijting. 

corrosive    Eks'rousiv]    bijtend. 

corrugate  E'kDrugeit]  — d  iron,  ge- 
golfd  plaatijzer   o. 

corrupt  Eka'rApt]  bedorven,  verdor- 
ven;  veil;  vt  bederven;  omkopen. 

corruptibility  EksrApti'biliti]  bederfe- 
lijkheid;    omkoopbaarheid. 

corruptible  Eks'tAptibi]  bederfelijk; 
omkoopbaar. 

corruption    Eka'rApJsn]    bederf   o; 
omkoping. 

corsair    E'kaisEa]    zeerover. 

corset   E'kaisit]   korset  o. 

cortege    Ekoi'teis]    stoet. 

Cossack   E'kDsaek]   kozak. 

cost  EkDst]  prijs,  kosten,  uitgave;  scha- 
de;  vi  kosten;  V.T.  &  V.D.  v.  cost. 

coster  (monger)    E'kDSt3(mAr)g3)] 
straatventer    van    eetwaren. 


costly  54 

costly   ['lostli]    kostbaar;  duur. 
costume  ['lostjuim]   kostuum  o,   (kle- 

der)dracht. 
cosy    ['kouzi]    theemuts,    eiermuts;    aj 

gezellig,  behaaglijk. 
cot    [kot]    kooi;   bedje  o,   bed   o. 
cottage  ['kDtid3]  hut;  huisje  o;  kleine 

villa. 
cotton   ['kotn]    katoen  o\  aj  katoenen. 
cotton-mill    ['kDtnmil'J    katoenfabriek. 
cottonwool   C'kDtn'wul]   watten. 
couch  [kautj]  rustbed  o\  canape;  laag; 

vt   (neer)leggen;  inkleden. 
cough    [koif]    hoest;    vi   hoesten. 
could   [kud]   V.T.  V.  can. 
coulter   ['koulta]   kouter  o. 
council  ['kaunsl]   raad. 
councillor    ['kaunsib]    raad,    raadslid 

o. 
counsel     ['kaunsl]     raad,    raadgeving; 

beraadslaging;   advocaat;   keep  one's 

{own)    — ,    zijn   mond    (weten    te) 

houden;   take   — ,     raadplegen,     be- 

raadslagen;    vt    (aan)raden. 
counsellor    ['kaunssb]    raadgever, 

raadsman. 
count    [kaunt]    graaf;    aantal    o,    tel; 

telling,  rekening;  punt  o   (van  aan- 

klacht);    vt    tellen,    op-,    meetellen, 

(aan)rekenen,    achten;     vi     rekenen 

(op,  upon). 
countenance     ['kauntinsns]     (aan)ge- 

zicht  o,  gelaat  o,  voorkomen  o;  be- 

scherming;  steun;  he  kept  his  ■ — ,  hij 

hield  zich  goed;  put  one  out  of  — , 

iemand    van    zijn    stuk    brengen;    vt 

begunstigen,  steunen. 
counter  ['kaunts]   fiche  o  &  v;  teller; 

toonbank;  loket  o  [in  postkantoor] ; 

aj  tegengesteld,  tegen-;  vt  tegenwer- 

ken;  pareren. 
counterbalance   ['kauntsbasbns]    te- 

genwicht  o;   [kaunts'bsebns]   vt  op- 

wegen  tegen,  opheffen. 
counterfeit   ['kauntafit]    nagemaakt, 

onecht,  vals. 
countermand   [kaunts'mamd]   herroe- 

pen,  afgelasten,  afbestellen. 
counterpane    ['kauntapein]    bedde- 


court 

sprei. 
counterpart    ['kauntspait]    tegenhan- 

ger;    duplicaat   o. 
counter-plea  ['kauntapli:]   repliek. 
counterpoise   ['kauntapoiz]   tegen- 

wicht    o. 
countersign    ['kauntasain]    contrasig- 

neren. 
countess    ['kauntis]    gravin. 
countless    ['kauntlis]    talloos. 
country    ['k.\ntri]     (vader)land    o; 

(land)streek;   (platte)land  o;  in  the 

— •,    op    het   land,   buiten. 
country  life  ['kAntri'laif]  landleven  o. 
countryman   ['kAntrimsn]   buitenman; 

landgenoot,  landsman. 
country  seat  ['kAntri'si:t]  buiten- 

plaats,   buiten   o,   landgoed   o. 
countryside  ['kAntri'said]  landstreek; 

platteland   o. 
country-town    ['kAntri'taun]    provin- 

ciestad. 
countrywoman   ['kAntriwuman]    boe- 

rin;  landgenote. 
county   ['kaunti]   graafschap  o. 
couple    ['kApl]    paar  o\   koppel   o;   vt 

koppeien,    verbinden;    paren     (aan, 

with) . 
couplet  ['kAplit]  tweeregelig  vers  o. 
coupon    ['ku:pDn]    coupon,   bon. 
courage  ['kArids]  moed. 
courageous    [ka'reidsas]    moedig. 
courier   ['kuria]   koerier,  renbode. 
course  [k3:s]    loop,  koers,  gang;  wed- 

loop;    (ren)baan;   cursus;   rij,  reeks; 

gerecht  o;  handelwijze,  gedragslijn; 

in  due  ■ — ■,  te  bekwamer  of  te  zijner 

tijd;  na  verloop  van  tijd;  in  the  — 

of,   in   de  loop  van,   gedurende;    in 

■ — ■   oj  construction,  in  aanbouw;   in 

—    oj  time,   mettertijd,   na  verloop 

van  tijd;  in  the   —   oj  time,   in  de 

loop  der  tijden;  oj  ■ — ■,  natuurlijk. 
courser    ['koisa]    renpaard   o. 
court     [k3:t]     hof    o\    gerechtshof    o, 

rechtbank,   rechtszaal,   terechtzitting; 

hofhouding;  (binnen)plaats;  plein  o; 

hofje  o\    (tennis)baan;    pay    (one's) 

■ — ■    to,   het   hof   maken;    vt  het   hof 


courteous 


55 


crawl 


maken;  dingen,  streven  naar;  uitlok- 

ken,  zoeken  [gevaar];  vi  vrijen. 
courteous   ['kD:tJ3S,  'kaitjas]   hoffelijk, 

beleefd. 
courtesy    ['kDitisi,    'ksitisi]    hoffelijk- 

heid,  vriendelijkheid,  gunst. 
courtier    ['koitja]    hoveling. 
courtly  ['kD:tli]  hoofs,  heus,  hoffelijk. 
court-martial    ['k3:t'ma:J'3l]    krijgs- 

raad. 
court  plaster   ['ko:t'pla:st3]    Engelse 

pleister. 
courtship    ['ksttjip]    hofmakerij,   vrij- 

age,    verkering. 
courtyard    ['kD:tja:d]     (binnen)plaats. 
cousin   L'kAzn]   neef,  nicht. 
covenant    ['kAvinant]    verdrag  o,   ver- 

bond  o. 
cover   ['kAva]    dek(sel)    o\  overtrek  o 

&   V,    foedraal    o,   omhulsel    o;    om- 

slag;    [tafel]    couvert  o\   stolp;   bui- 

tenband;       dekking,       bescherming; 

schuilplaats;  fig  dekmantel,  mom  o; 

vt     (be)dekken;     overtrekken;     zich 

uitstrekken  over,  omvatten,  beslaan; 

gaan  over,  behandelen;  voorzien  in; 

bestrijken,    onder    schot    krijgen    of 

houden,  aanleggen  op;  afleggen  [af- 

stand];  verslaan   [als  verslaggever] ; 

—    up,   be-,   toedekken;     verbergen; 

smoren. 
coverlet  ['kAvalit]  sprei. 
covert    L'kAvat]    heimelijk,   geheim; 

verborgen. 
covet    C'kAvit]    begeren. 
covetous    ['kAvitss]    begerig,  hebzuch- 

tig. 
covey    ['kAvi]    vlucht;    troep. 
cow   [kau]    koe;   vt  bang  maken. 
coward    ['kauad]    lafaard. 
cowardice    ['kausdis]    lafheid. 
cowardly    ['kausdli]    laf(hartig). 
cower    E'kaus]    neerhurken,    ineen- 

krimpen,   (weg)kruipen. 
cow-house    ['kauhaus]    koestal. 
cowl    [kaul]     (monniks)kap. 
coxcomb    ['lokskoum]    kwast,   fat. 
coxswain    ['kaksn]   stuurman   [van 

roeiboot]. 


coy    [koi]    zedig,   schuchter. 

crab    [krasb]    krab. 

crabbed    ['kraebid]    nors,   korzelig. 

crack  [krsek]  kraak,  barst,  knal;  kraan 

[v.  e.  vent];  a]  prima,  best,  keur-, 

elite-;    vt    &     vi     kraken,     barsten, 

(doen)    knallen;    • — ed,   ook:   gek. 
cracker     ['krasks]     voetzoeker,     knal- 

bonbon;    (harde)   beschuit;   — s,  no- 

tekraker. 
cracknel    ['krasknal]    krakeling. 
cradle    ['kreidl]    wieg. 
craft  [kra:ft]  handwerk  o,  ambacht  o\ 

vak  o;  gilde     o  8c  v;  kunst(nijver- 

heid);      list(igheid);      vaartuig     o, 

vaartuigen. 
craftiness    ['kra:ftinis]    listigheid. 
craftsman  ['kra:ftsm3n]    (bekwaam) 

handwerksman,   vakman. 
crafty   ['kra:fti]    loos,  listig,   sluw. 
cram   [krsem]    in-,  volstoppen;  inpom- 

pen,  klaarstomen   [voor  examen]. 
cram-full    ['kraem'ful]    tjokvol. 
cramp  [kraemp]  kramp;  kram. 
cranberry    ['krasnbsri]    veenbes. 
crane   [krein]    kraanvogel;  kraan. 
cranium  ['kreiniam]  schedel. 
crank    [kraerjk]    kruk,  slinger;  zonder- 

ling. 
cranky    ['kraeijki]    excentriek,    raar; 

zwak,  wrak,  rank. 
crape    [kreip]    krip   o,  floers  o. 
crash     [kraej]    gekraak    o,    geraas    o\ 

krach;    neerstorting    [v.    vliegtuig]; 

vt    verbrijzelen;    vi    kraken;    ineen- 

storten;  te  pletter  vallen;  '-^  against 

(into),    aanbotsen    tegen. 
crass   [krass]   lomp,  grof;  stomp. 
crate   [kreit]   krat  o. 
crater    ['kreits]    krater;    (granaat)- 

trechter. 
cravat   [kra'vjet]   das. 
crave    [kreiv]    smeken  om;   hunkeren 

(naar,  for). 
craven    ['kreivn]    lafaard;   aj  laf. 
craving   ['kreivirj]    hevig  verlangen  o. 
crawfish    ['krotfij]    rivierkreeft. 
crawl    [kn):l]    kruipen;    --^   with,   we- 

melen  van. 


crayon 


56 


crayon    ['kreian]    tekenkrijt  o. 
craze   [kreiz]    rage,  manie. 
crazy    ['kreizO    krankzinnig,   gek. 
creak  [kri:k]  kraken;  knarsen;  piepen. 
cream    [kri:m]    room;    fig    bloem; 

creme. 
crease   [kri:s]    kreuk,  vouw,  plooi;  vi 

kreuken,    vouwen,   plooien. 
create    [kri'eit]    scheppen;    doen   ont- 

staan,    in    het    leven    roepen,    wek- 

ken,   teweegbrengen,   maken,   benoe- 

men   (tot). 
creation    [kri'eijan]    schepping;    in- 

stelling;    benoeming. 
creative   [kri'eitiv]    scheppend. 
creator   [kri'eita]    schepper. 
creature    E'kriitja]    schepsel   o;   voort- 

brengsel  o;  beast  o,  dier  o;  fig  werk- 

tuig   o, 
credence    ['kriidsns]    geloof   o. 
credentials    [kri'denjalz]    geloofsbrie- 

ven. 
credibility   [kredi'biliti]    geloofwaar- 

digheid. 
credible   ['kredibl]   geloofwaardig. 
credit  ['kredit]  geloof  o;  goede  naam; 

invloed;    krediet    o;    credit    o;    eer; 

be  a  ^^  to,  do  —  to,  tot  eer  strek- 

ken;  vt  geloven;  crediteren;   —  him 

with,    hem    de    eer   geven    van    ...; 

hem    ...    toeschrijven;    hem   credite- 
ren   voor    . . . 
creditable  ['kreditabl]  eervol,  fatsoen- 

lijk. 
creditor    ['kredits]    schuldeiser,  credi- 

teur. 
credulity   [kri'dju:Iiti]   lichtgelovig- 

heid. 
credulous   ['kredjubs]    lichtgelovig. 
creed    [kri:d]    geloof    o,    geloofsbelij- 

denis. 
creek    [kri:k]    kreek,   bocht. 
creep    [kri:p]    kruipen;    //    made    my 

flesh   — ,  ik  kreeg  er  kippevel  van; 

—   upon,  bekruipen;    —    nith,  kri- 

oelen    van. 
creepy    ['kri:pi]    griezelig. 
cremation    [kri'meijan]    lijkverbran- 

ding,  verassing,  crematie. 


crooked 

Creole   ['kri:oul]   crcool(se). 

crept   [krept]    V.T.  &  V.D.  v.   creep. 

crescent   ['kressnt]   halvemaan. 

cress    [kres]    tuinkers. 

crest    [krest]   kam,  kuif,  pluim. 

crestfallen   ['krestfD:l(3)n]   terneerge- 

slagen. 
cretaceous    [kri'teijss]    krijtachtig, 

krijt-. 
crevice    ['krevis]    spleet. 
crew  [kru:]   bemanning;  bediening; 

ploeg;  bende. 
crib    [krib]    krib;    koestal;    vt   opslui- 

ten;  spieken. 
cricket    ['krikit]    krekel;   cricket(spel) 

o. 
cricketer    ['krikits]    cricketspeler. 
crier   ['krais]   omroeper. 
crime  [kraim]   misdaad. 
Crimea,   The   —    [krai-,   kri'miia]    de 

Krim. 
criminal   ['kriminal]    misdadiger;  a] 

misdadig. 
crimson   ['krimzn]   karmozijn  o. 
cringe    [krin(d)5]    ineenkrimpen;   fig 

kruipen    (voor,   to'). 
cripple    E'kripl]    kreupele,  gebrekkige, 

verminkte;    vt   kreupel    maken,   ver- 

minken;  fig  verlammen. 
crisis    ['kraisis]    crisis. 
crisp    [krisp]     kroes;    krakend;    bros; 

opwekkend    [lucht];    ongezouten 

[antwoord];  vt  krullen. 
critic    ['kritik]    criticus. 
critical    ['kritikal]    kritisch;    kritiek. 
criticism    ['kritisizm]    kritiek. 
criticize  ['kritisaiz]    (be)kritiseren. 
critique    [kri'tirk]    kritiek. 
croak    [krouk]    kwaken,   krassen. 
crochet    C'krouji]    haakw'erk   o\    vi   & 

vt  haken. 
crockery    ['krDkari]    aardewerk    o. 
crocodile    ['knksdail]    krokodil. 
crocus    ['kroukas]    krokus. 
crony    ['krouni]    boezemvriend. 
crook    [kruk]     kromte,    bocht;    haak; 

herdersstaf,       kromstaf;       oplichter, 

boef;   vt  krommen;   buigen. 
crooked   ['krukid]   krom,  gebogen, 


croon 


57 


cuckoo 


verdraaid,    slinks,    oneerlijk. 

croon   [kru:n]   neurien. 

crop  [knp]  oogst,  gewas  o;  krop;  vt 
afknippen;  plukken,  oogsten;  (de 
oren)  afsnijden;  ■ —  up,  opduiken, 
zich  op-,   voordoen. 

croquet    ['kroukei]    croquet(spel)    o. 

croquette   [krou'ket]    croquet. 

crosier    ['krouss]    bisschops-,   krorn- 
staf. 

cross  [kns]  kruis  o\  kruising;  mid- 
dending  o\  aj  dwars,  verkeerd;  boos; 
as  —  as  two  sticks,  zo  nijdig  als 
een  spin;  vt  (door)kruisen;  over- 
steken,  overvaren;  tegenwerken;  -^ 
out,    doorstrepen. 

cross-examination   ['krDsigz£emi'nei- 
Jan]    kruisverhoor  o. 

crossing     ['krDsir)]     kruising;    kruis- 
punt     o;     overweg;    overtocht;    tiet 
oversteken;    oversteekplaats. 

cross-question  ['kns'kwestjan]  strik- 
vraag. 

cross-road   ['kiDs'roud]    twee-,  vier- 
sprong    (ook:    ^^s). 

crossword  puzzle    ['krDsw3;dpAzl] 
kruiswoordraadsel   o. 

crouch    [krautj]    bukken;  kruipen. 

crow    [krou]    kraai;    gekraai    o;    vi 
kraaien. 

crowbar   ['krouba:]   koevoet,  breek- 
ijzer  o. 

crowd  [kraud]  gedrang  o,  menigte, 
massa,  hoop;  gezelschap  o,  stel  o\ 
vi  dringen;  zich  verdringen;  vt  zich 
verdringen  in  (op);  (opeen) drin- 
gen, (samen)persen,  volproppen; 
—  ed,    vol;    druk. 

crown  [kraun]  kroon,  kruin;  krans; 
5  shilling(-stuk  o)\  vt  kronen  (tot); 
bekronen;  —  a  man,  dam  halen. 

crucial  ['kru:Ji3l]  kruisvormig;  kri- 
tiek,  beslissend. 

crucible    E'kruisibl]    smeltkroes. 

crucifix  ['kru:sifiks]  kruisbeeld  o. 

crucifixion   [kruisi'fikjsn]   kruisiging. 

crucify    ['kru:sifai]    kruisigen. 

crude  [kru:d]  rauw,  ruw,  grof,  on- 
gezuiverd;   onrijp;  primitief. 


cruel    E'krual]    wreed. 
cruelty    ['krualti]    wreedheid. 
cruet  E'kruit]    (olie-,  azijn)flesje  o. 
cruet-stand    ['kruitstaend]     olie-en- 

azijnstel  o. 
cruise    [krurz]    kruistocht;   vi  kruisen. 
cruiser  ['kruiza]   kruiser. 
cruising  speed  ['kru:zir)spi:d]  kruis- 

snelheid. 
crumb     [ktAm]     kruim,     kruimel;     vi 

kruimelen. 
crumble    ['krAmbl]    kruimelen,  ver- 

brokkelen,   afbrokkelen. 
crumbly  ['krAmbli]  kruimelig,  brok- 

kelig. 
crumple   ['kiAmpl]    kreuken,  verfrom- 

melen;  verbuigen;   in  elkaar  zakken 

(ook:    '~    up). 
crunch   [krAn(t)J']   kraken,  knarsen. 
crupper    ['krAps]    staartriem;   kruis   o 

[v.   paard]. 
crusade    [kru/seid]    kruistocht. 
crusader    [kru/seids]    kruisvaarder. 
crush   [kiAj]   gedrang  o\  vt  verplette- 

ren,    verbrijzelen,    vermorzelen;    on- 

derdrukken;    (samen-,  plat)drukken, 

persen;    verfrommelen. 
crust   [krAst]   korst,  schaal. 
crustacean   [krAs'teiJian]   schaaldier  o. 
crusty   E'krASti]    korstig;   korzelig. 
crutch    [ktAtJ]    kruk. 
crux   [krAks]   kruis  o\  moeilijkheid. 
cry    [krai]    roep,   schreeuw,  geroep   o, 

geschreeuw     o,     kreet;     vi     roepen, 

schreeuwen;   huilen. 
cry-baby    ['kraibeibi]    huilebalk. 
crystal    ['kristal]    kristal   a. 
crystal-clear    ['kristal'klia]    kristalhel- 

der;    jig   glashelder,   zonneklaar. 
crystallize   ['kristalaiz]   kristalliseren. 
cub   [kAb]   jong  o,  welp  o\  jig  onge- 

likte  beer,  vlerk. 
cube   [kju:b]   dobbelsteen,  kubus;  ku- 

biekgetal  o,  derde  macht;  blok,  blok- 

je  o\   klontje  o   [suiker]. 
cubic(al)    ['kju:bik(l)]    kubiek. 
cubicle    ['kju:bikl]    kamertje  a,  hokje 

o. 
cuckoo   ['kuku;]   koekoek. 


cucumber 


58 


cut 


cucumber   ['kjuikamba]    komkommer. 

cudgel   ['kAdsal]   knuppel. 

cue   [kju:]  wachtwoord  o;  wenk,  aan- 

wijzing;  biljartkeu. 
cuff    [kAf]    manchet;   klap,   slag;   vt 

slaan. 
cuirass    [kwi'rses]    harnas    o. 
cuirassier    [kwiro'sis]    kurassier. 
culinary    ['kjuilinsri]    keuken-,   kook-. 
culminate   ['kAlmineit]   bet  toppunt 

bereiken. 
culmination  [kAlmi'neiJan]   culmina- 

tie,  hoogtepunt  o. 
culpable  ['kAlpgbl]  schuldig,  misdadig. 
culprit    E'kAlprit]    schuldige,  boosdoe- 

ner. 
cult    [kAlt]    cultus,   eredienst. 
cultivate    ['kAltiveit]    bebouwen;    ver- 

bouwen,  aankweken;  beoefenen;  be- 

schaven. 
cultivation    [kAlti'veiJsn]    bebouwing, 

cultuur,    aankweking;   beoefening; 

beschaving. 
cultural    C'kAltJaral]    cultureel,   cul- 
tuur-. 
culture   L'kAltJs]    cultuur;   beschaving. 
cumbersome   ['IcAmbsssm],  cumbrous 

['kAmbrss]  log,  hinderlijk,  lastig. 
cunning  ['kAnirj]  listigheid,  sluwheid; 

aj  listig,   sluw. 
cup    [kAp]    beker,  kelk;   kopje  o. 
cupboard  L'kAbsd]   kast. 
cupola    ['kjuipsb]    koepel. 
cup  tie    E'kAptai]    bekerwedstrijd. 
cur   [ka:]   rekel;  bond,  vlegel. 
curable    ['kjuarsbl]    geneeslijk. 
curate   ['kjuarit]    (hulp)predikant; 

kapelaan. 
curator    [kju'reita]    curator. 
curb   [kaib]    kinketting;    (trottoir)- 

band;  vt  beteugelen. 
curbstone    ['kaibstoun]    trottoirband. 
curdle  ['ksidl]    (doen)  klonteren, 

stremmen,    stollen. 
cure     [kjua]     kuur;    geneesmiddel    o\ 

genezing;    (ziel)2org;   vt  genezen; 

verduurzamen. 
curfew    ['ka:fju:]    avondklok;    uit- 

gaansverbod    o. 


curio    ['kjuariou]    rariteit. 

curiosity   [kjusri'Dsiti]    nieuwsgierig- 

heid;   curiositeit,   rariteit. 
curious    C'kjuarias]    nieuwsgierig; 

zeldzaam,  merkwaardig,   raar. 
curl    [kail]    krul,  kronkel(ing);   vi  & 

vt  krullen,  kronkelen. 
curl-paper  ['kailpeipa]   papillot. 
curly    ['kaili]    krullend,   krul-. 
currant    ['kArant]    krent;    (aal)bes. 
currency   ['kAransi]    koers;    (om)Ioop, 

circulatie;  munt,  geld  o,  valuta,  de- 

viezen;   ■ — ■    note,  muntbiljet   o. 
current    ['kArant]    stroom,   loop;   stro- 

ming;  aj  courant,  gangbaar,  in  om- 

loop;    lopend;     actueel;     tegenwoor- 

dig. 
curry    ['kAri]    kerrie. 
curse   [ka:s]    vloek;   vt  vervloeken;   vt 

vloeken. 
cursive  ['ka:siv]  lopend,  cursief. 
cursory  ['ka:sari]  vluchtig,  haastig. 
curt    [ka:t]    kort    (en   bondig);   bits. 
curtail    [ka:'teil]    (in)korten,  besnoei- 

en,   verkorten;   verminderen. 
curtain    ['ka:t(i)n]    gordijn    o   &    v; 

scherm  o. 
curts(e)y    ['ka:tsi]    bulging;   vi  een 

bulging   maken. 
curve    [ka;v]    bocht,   kromming;    vt 

buigen;  zich  krommen. 
cushion    ['kujan]    kussen   o. 
custard   ['kAstad]  via. 
custodian    [kAs'toudian]    bewaarder. 
custody    C'kAstadi]    bewaring,  hoede; 

hechtenis. 
custom    ['kAStam]    gewoonte,   gebruik 

o;   klandizie,   nering;   — s,  douane. 
customary    ['kAstamari]    gewoon,    ge- 

bruikelijk. 
customer   ['kAstama]   klant. 
custom-house    ['kAStamhaus]    douane- 

kantoor  o,  douane;  -~  officer,  dou- 

anebeambte,  commies. 
cut    [kAt]    snede;   houw;  snit;   vermin- 

dering,  verlaging;   coupure;  a  short 

~',    een    kortere    weg;    vt    snijden, 

knippen;      couperen;      verminderen, 

verlagen;  negeren  [iemand];  er  van- 


cutlery  59 

door  gaan;    V.T.   &   V.D.    van   cut. 
cutlery  ['kAtlari]  messen,  scharen  enz. 
cutlet   L'kAtlit]   kotelet. 
cutter   L'kAta]    coupeur;  kotter. 
cut-throat    ['kAt6rout]    moordenaar. 
cycle    E'saikl]    rijwiel   o,   fiets;   kring- 

loop;  vi  fietsen. 
cyclist   ['saiklist]   wielrijder. 
cyclone    ['saikloun]    cycloon. 


dash 

cylinder  ['silinda]  cilinder. 
cynic(al)    ['sinik(l)]    cynisch. 
Czar    [za:,    tsa:]    tsaar. 
Czech   [tjek]   Tsjech;  a]  Tsjechisch. 
Czechoslovak   ['tjekou'slouvcek]   Tsje- 

cho-Slowaak(s). 
Czechoslovakia    ['tjekouslou'vaskia] 

Tsjecho-Slowakije  o. 


D 


d   [di:]    (de  letter)    d;  d.    =   penny. 
dab    [dseb]    tikje  o,  per;   spat;   vt  tik- 

ken,  pikken;   betten. 
dad,  daddy   [deed,  'dasdi]   pa. 
daffodil    ['djefadil]    gele   narcis. 
dagger   ['daega]   dolk. 
dahlia   ['deilja]    dahlia. 
daily  ['deili]   dagelijks;  dagblad  o. 
dainty     ['deinti]     lekkernij;    a;    fijn, 

sierlijk;   lekker;    kieskeurig. 
dairy    ['deari]    melkerij. 
dairymaid   ['desrimeid]  melkmeid. 
dairy   produce    ['deariprodjuis]    zui- 

velprodukten. 
daisy    ['deizi]    madelief. 
dale   [deil]    dal  o. 
dalliance    ['daelians]   gestoei  o\  ge- 

treuzel  o. 
dally    ['dasli]    stoeien;    treuzelen;    — 

away,    verbeuzelen. 
dam    [dsm]    dam,    dijk;   vt   ■ — ■    {up), 

afdammen;  bedijken;  stuiten. 
damage   ['d£Emid3]    schade;   nadeel   o; 

averij;     — s,     schadevergoeding;     vt 

beschadigen,     havenen,      toetakelen; 

schaden. 
damask    ['dsmask]    damast   o. 
damn    [deem]    vloek;    not  a    — ■,   geen 

snars;    vi    vioeken;    vt    verdoemen, 

veroordelen;    aj    vervloekt. 
damnable   ['daemnsbl]   vloekwaardig. 
damnation    [dEem'neiJan]    verdoeme- 

nis. 
damp   [dasmp]   nevel,  vochtigheid,  uit- 

waseming;  aj  vochtig,  nattig,  klam; 


vt  vochtig  maken;  doen  bekoelen  of 

verflauwen;   temperen. 
damsel    ['dasmzal]    deerntje  o,   juffer- 

tje   o\    jonkvrouw. 
dance  [da:ns]   dans;  vi  dansen. 
dancer    ['dainsa]    danser;    danseres. 
dancing    ['dainsirj]    't   dansen. 
dandelion  ['dfendilaisn]   paardebloem. 
dandruff    ['dsndraf]    roos    [op   het 

hoofd]. 
dandy  ['da;ndi]  fat. 
Dane   [dein]    Deen;  Noorman. 
danger    ['deindsa]    gevaar   o. 
dangerous   ['deind33r3s]   gevaarlijk. 
dangle  ['dceijgi]   slingeren,  bengelen. 
Danish    ['deinij]    Deens. 
dank   [dasrjk]   vochtig. 
Danube  ['dsenjuib]  Donau. 
dapper    ['dasps]    vlug,    vief;    keurig. 
dare    [dea]    durven;    trotseren,   tarten; 

/   —   say,   ik  denk,   denk  ik,   zeker. 
daredevil   ['deadevl]   waaghals. 
daring    ['dearirj]    koenheid,   durf;   a] 

koen,    stout;    gedurfd. 
dark   [da:k]   duister  (o),  donker   (o). 
darken  ['da:kn]   donker  worden;  don- 
ker maken,  verduisteren. 
darkness    ['da:knis]     duisternis. 
darky    ['da:ki]    neger,   zwartje  o. 
darling    ['daJirj]    lieveling;    a]   ge- 

liefkoosd,  geliefd. 
darn    [da:n]    stoppen. 
dart    [da:t]    schicht,    pijl,    werpspies; 

sprong;   vt  schieten;  werpen. 
dash   [daej]   slag;  tikje  o,  scheutje  o\ 


dash-board 


60 


decaden 


ce 


afbrekingsteken  o,  streepje  o\  zwier; 
vi  kletsen,  spatten;  —  away  {off), 
wegstuiven;  vt  smijten;  slaan;  be- 
spatten;  terneerslaan;  verpletteren; 
vernietigen. 

dash-board    ['dasjboid]    spatbord    o; 
instrumentenbord    o. 

dashing   ['dzejir)]    onstuimig;  kranig, 
zwierig. 

dastard    ['dasstsd]    lafaard;   a;  laf. 

data  ['delta]   gegevens. 

date  [deit]  dagtekening,  datum;  af- 
spraakje  o;  dadel;  out  of  ■~,  ouder- 
wets,  uit  de  tijd;  to  — ,  tot  op  he- 
den;  up  to  — ,  modern,  ,,bij";  vt 
dagtekenen,  dateren;  to  —  from, 
met  ingang  van. 

dative  ['deitiv]  datief,  derde  naamval. 

daub    [dD:b]    veeg;   vt    (be)smeren; 
(be)kladden. 

daughter    E'dDrts]    dochter. 

daughter-in-law  ['doitarinb:]  schoon- 
dochter. 

dauntless   ['dDintlis]   onverschrokken. 

dawdle   ['dD:dl]    treuzelen;  beuzelen. 

dawn  [d3:n]  dageraad;  at  — ,  bij  het 
aanbreken  van  de  dag;  vi  licht  wor- 
den;  dagen;  /'/  '^ed  upon  me,  het 
werd  mij  duidelijk. 

day  [dei]  dag;  daglicht  a;  tijd;  one 
— ,  op  zekere  dag;  eens. 

daybreak  ['deibreik]  't  aanbreken  van 
de   dag. 

day-labourer    ['deileibsra]    dagloner. 

daze  [deiz]  verblinden;  verdoven;  ver- 
bijsteren. 

dazzle    ['daszl]    verblinden. 

deacon   ['diikan]    diaken;  ouderling. 

dead  [ded]  dood;  doods;  —  certain- 
ty, absolute  zekerheid;  in  —  ear- 
nest,   in    alle    ernst. 

deaden    ['dedn]    dempen,   temperen, 
verdoven. 

deadlock  ['dedbk]  at  a  — ,  op  het 
dode   punt,   in  een   impasse. 

deadly    ['dedii]    dodelijk. 

dead-nettle  ['ded'netl]   dovenetel. 

deaf  [def]  doof;  —  and  dumb,  doof- 
stom;    — '    of  an   ear,   doof  aan  een 


deafen  ['defn]  doof  maken;  veraoven, 

dempen. 
deafness    ['defnis]    doofheid. 
deal   [di:I]   grenehout  o\  hoeveelheid; 

transactie;  a  great    {good)    — ,  heel 

wat,   heel   veel;    vt   uit-,   ronddelen; 

geven      [de     kaarten];     toebrengen 

[slag];   vi  handelen;    —   with,  han- 

del   drijven   met,   kopen  bij;  hande- 
len over;  zich  bezighouden  met;  be- 

handelen;    het    hoofd    bieden    aan; 

aanpakken. 
dealer    ['di:b]    uitdeler;    gever    [v. 

kaarten] ;    handelaar. 
dealing   ['diilirj]    (be)handeling,  han- 

delwijze;    — s,    transacties;    relaties; 

have  no    ^ — s  with,   niets   te  maken 

hebben  met. 
dealt   [delt]  V.T.  &  V.D.  v.  deal. 
dean    [di:n]    deken;  hoofd  o;   ~-   and 

chapter,    domkapittel   o. 
dear  [dia]  lief,  waard,  dierbaar;  duur; 

—   me!  — ,  '—.',  oh  — .',  och,  och!; 

Dear  Sir,   Geachte   heer. 
dearly   ['disli]   duur;  zeer,  dolgraag. 
dearness    ['disnis]    duurte;   dierbaar- 

heid. 
dearth  [d3:6]   schaarste,  gebrek  o. 
death   [de9]    dood. 
death-bed    ['de9bed]    sterfbed   o. 
death-rate   ['de9rcit]   sterftecijfer  a. 
debar  [di'ba:]  uitsluiten  (van,  from), 

onthouden,  weigeren,   beletten. 
debase  [di'beis]  vernederen,  verlagen; 

vervalsen    [munt] . 
debate    [di'beit]    debat  o\   vt  debatte- 

ren  over,  bespreken;  overleggen;  be- 

twisten;   vi  debatteren. 
debauch   [di'baitj]    ongebondenheid, 

uitspattingen;  vt  verleiden,  bederven. 
debenture   [di'bentja]   schuldbrief. 
debility   [di'biliti]    zwakheid. 
debit    ['debit]    debet   o;   vt   debiteren. 
debt    [det]    schuld. 
debtor    ['deta]    schuldenaar,    debiteur. 
debut    ['deibu:]    debuut   o. 
decade  ['dekad]   tiental  o   (jaren). 
decadence  ['dekadans]  verval  o. 


decanter 


61 


defend 


decanter    [di'ksenta]    karaf. 
decapitate    [di'kaspiteit]    onthoofden. 
decapitation    [dikapi'teijan]    onthoof- 

ding. 
decay   [di'kei]    verval   o,  bederf  o;  vi 

vervallen,  achteruitgaan;   bederven. 
decease  [di'si:s]  overlijden  o\  vi  over- 

lijden. 
deceit   [di'si:t]  bedrog  o. 
deceitful   [di'si:tful]   bedrieglijk. 
deceive  [di'si:v]  bedriegen,  misleiden. 
December  [di'sembs]   december. 
decency    ['diisansi]    betamelijkheid, 

fatsoen  o. 
decent   ['diissnt]   betamelijk,  behoor- 

lijk,  fatsoenlijk,  geschikt. 
decentralize  [dii'sentralaiz]   decen- 

traliseren. 
deception   [di'sepjsn]   bedrog  o,  mis- 

leiding. 
deceptive    [di'septiv]   bedrieglijk. 
decide  [di'said]  beslissen;   (doen)  be- 

sluiten. 
decimal    ['desimsl]    tientallig;   tiende- 

lig. 
decipher   [di'saifs]    ontcijferen. 
decision    [di'sissn]    beslissing;   besluit 

<?;   beslistheid. 
decisive    [di'saisiv]    beslissend,   af- 

doend;  beslist. 
deck    [dek]    dek   o. 
deck-chair    ['dek'tjes]    dekstoel. 
declaim  [di'kleim]  voordragen;  uitva- 

ren    (tegen,  against'). 
declaration    [dekb'reijsn]    verklaring. 
declare   [di'klea]    verklaren;   aangeven 

[bij   douanej;  afkondigen. 
declension   [di'klenjan]   verbuiging. 
declination    [dekli'neijsn]    afwijking. 
decline   [di'klain]  verval  o\  achteruit- 

gang;    vi   hellen,    aflopen;    afnemen, 

achteruitgaan,   dalen,   tanen;   vt  ver- 

buigen;    afwijzen;     bedanken     voor, 

weigeren. 
declivity    [di'kliviti]    helling. 
decoct    [di'kDkt]    afkoken. 
decompose    [diiksm'pouz]    ontbinden, 

oplossen,  ontleden. 
decomposition  [diilompa'zij'an]  ont- 


binding,    oplossing,    ontleding. 
decorate    ['dekareit]    versieren;    deco- 

reren. 
decoration    [deka'reijan]   versiering; 

decoratie. 
decorous   [di'kDirss,  'dekarss]   wel- 

voeglijk,  fatsoenlijk. 
decorum   [di'kDiram]    fatsoen  o. 
decoy   [di'kDi]   lokeend,  lokvogel,  lok- 

aas   o\    (ver)lokken. 
decrease    ['di:kri;s]    vermindering;    vi 

[di'kri:s]    verminderen,   afnemen. 
decree    [di'kri:]    decreet   o,   besluit   o, 

gebod   o,   vonnis    o\    vt   verordenen. 
decry    [di'krai]    afkeuren. 
dedicate    ['dedikeit]    (toe)wijden,   op- 

dragen. 
dedication   [dedi'keijsn]    (toe)wij- 

ding,  opdracht. 
deduce    [di'djuis]    afleiden. 
deduct  [di'dAkt]  aftrekken. 
deduction    [di'dAkJsn]    aftrekking; 

korting;   gevolgtrekking. 
deed    [di:d]    daad;   akte. 
deem    [di:m]    oordelen,   achten. 
deep    [di:p]    diep;   diepzinnig. 
deepen    ['di:pn]    ver-,   uitdiepen. 
deepness    ['dirpnis]    diepte. 
deer   [dis]   hert  o,  herten. 
deface    [di'feis]    schenden,   beschadi- 

gen,   ontsieren;    uitwissen. 
defamation  [diifa'meijan,  defs'mei- 

Jsn]    laster,    smaad. 
defamatory    [di'faematari]    lasterlijk, 

smaad-. 
default  [di'forlt]  gebrek  o\  verzuim  o\ 

by    — ,    bij    verstek;    vi    in    gebreke 

blijven. 
defeat    [di'fi:t]      nederlaag;     vt     ver- 

slaan;    verwerpen     [voorstel];     ver- 

ijdelen    [plan], 
defect    [di'fekt]    gebrek   o. 
defection   [di'fekjan]  afval. 
defective    [di'fektiv]    gebrekkig;    de- 
fect;   zwakzinnig. 
defence    [di'fens]    verdediging. 
defenceless    [di'fenslis]    weerloos. 
defend   [di'fend]   verdedigen;  bescher- 

men. 


defendant 


62 


deliverance 


defendant   [di'fendant]   verdachte,  ge- 

daagde. 
defender   [di'fenda]   verdediger. 
defensive    [di'fensiv]    defensief    (o), 

verdedigend. 
defer    [di'fs:]     uitstellen;    dralen;    -— 

to,   zich  neerleggen  bij. 
deference  ['defarsns]  eerbied,  achting. 
deferment   [di'f3:m3nt]    uitstel  o. 
defiance  [di'faisns]  uitdaging,  tarting; 

in    • — ■    oj,    trots,    ...ten    spijt. 
defiant  [di'faiant]   uitdagend,  tartend. 
deficiency    [di'fij'ansi]    gebrek    o,    te- 

kort  o,   tekortkoming;   leemte. 
deficient  [di'fijsnt]  gebrekkig,  onvol- 

doende;    zwakzinnig. 
deficit   ['defisit]    deficit  o,  tekort  o. 
defile    [di'fail]    engte,    pas;    defile   o\ 

vt  bezoedelen;  ontwijden;  vi  defile- 

ren. 
defilement    [di'failmsnt]   bezoedeling; 

ontwijding. 
define  [di'fain]  bepalen,  begrenzen, 

omschrijven,  omlijnen. 
definite    ['definit]    bepaald;    precies. 
definition    [defi'nijsn]    bepaling,   om- 

schrijving,  definitie. 
deflation    [di'fieijsn]    deflatie. 
deflect   [di'flekt]    (doen)    afwijken, 

buigen. 
deform   [di'fD;m]   misvormen. 
deformity    [di'fs.miti]    mismaaktheid. 
defraud    [di'frD:d]    bedriegen;    ~'    of, 

onthouden. 
defray    [di'frei]    bekostigen. 
defrayment    [di'freimsnt]    bekosti- 

ging. 
deft   [deft]   vlug,  handig;  aardig,  net. 
defunct    [di'fAijkt]    overleden. 
defy    [di'fai]    uitdagen,   tarten. 
degenerate   [di'dsensreit]   ontaarden. 
degeneration      [didsena'reijan]      ont- 

aarding. 
degradation   [degra'deijsn]    degrada- 

tie. 
degrade   [di'greid]   verlagen;  vernede- 

ren;    doen    ontaarden. 
degree  [di'gri:]   graad;  by  —-■J',  lang- 

zamerhand:  i  n  a  — ,  in  zekere  ma- 


te;   tot    op    zekere    hoogte;    t  o    the 

last  —  in  de  hoogste  mate. 
de-icer  [dii'aiss]  ijsbestrijder. 
deign   [dein]    zich  verwaardigen;  ver- 

waardigen    met. 
deity   ['di:itij    godheid. 
dejected    [di'd3ektid]    neerslachtig. 
delay  [di'lei]    uitstel  o,  oponthoud  o, 

vertraging;    vt   uitstellen,   vertragen, 

ophouden. 
delegate   ['deligit]   gemachtigde,  afge- 

vaardigde;    ['deligeit]   vt  machtigen, 

afvaardigen,    opdragen,    overdragen. 
delegation  [deli'geijan]   delegatie,  af- 

vaardiging,  machtiging,  opdracht, 

overdracht. 
deleterious    [deli'tisrias]    schadelijk, 

verderfelijk. 
Delf(t)    [delf(t)]  Delfts  aardewerk  o. 
deliberate    [di'libsrit]    weloverwogen; 

opzettelijk;   bedaard,  bezadigd;    [di- 

'libsreit]    vt  overwegen;    vi   beraad- 

slagen    (over,    on). 
deliberation    [dilibs'reijsn]    beraad- 

slaging;  overleg  a,  beraad  o. 
delicacy    ['delikssi]    fijnheid,   teer(ge- 

voelig)heid,   kiesheid;    lekkernij. 
delicate    ['delikit]    fijn,   teer;    kies; 

lekker. 
delicious    [di'lijss]    heerlijk. 
delight  [di'lait]  genoegen  a,  gemot  o\ 

lust;  take  —   in,  behagen  scheppen 

in;   vt  behagen,   verheugen,   verruk- 

ken;   7  shall   be    — ed,   het   zal   mij 

aangenaam  zijn. 
delightful   [di'laitful]   genotvol,  heer- 
lijk;  prachtig,   uitstekend. 
delineate    [di'linieit]    tekenen,    schet- 

sen;  jig  schilderen. 
delinquent    [di'lir]kw3nt]    delinquent, 

misdadiger,  schuldige. 
delirious    [di'liriss]    ijleod,   do). 
deliver  [di'livs]  bevrijden  (uit, /;(?»z); 

verlossen    (van,    jrom);    overhandi- 

gen,    (in-,   over-,   af)leveren;   bezor- 

gen;    toebrengen;    —    a  speech,   een 

rede   houden. 
deliverance    [di'livsrsns]    bevrijding, 

verlossing. 


delivery- 
delivery    [di'livari]    (in-,  af)  levering; 

overhandiging;    bezorging;    take    ■ — 

oj,   in   ontvangst  nemen. 
delivery  van    [di'livarivsen]    bestel- 

wagen. 
delta    ['delta]    delta. 
delude  [di'l(j)u:d]  misleiden,  bedrie- 

gen. 
deluge  E'deljuids]  zondvloed;  (stort)- 

vloed. 
delusion     [di'l(j)u:33n]     waan;    dwa- 

ling;    (zelf)bedrog  o. 
delusive   [di'l(j)u:siv],  delusory   [di- 

'lju:s3ri]    misleidend,   bedrieglijk. 
demagogue    ['demagog]    demagoog, 

volksmenner. 
demand     [di'ma:nd]     eis,    vordering, 

verlangen  o;  vraag;   —  and  supply, 

vraag   en    aanbod;    in    ^~-',   gezocht, 

in    trek;    on    — ,    op    aanvraag;    vt 

(ver)eisen,   vragen. 
demarcation    [diimai'keijan]    afschei- 

ding,  afbakening,  grens(lijn). 
demean    [di'mirn]    verlagen;    —    one- 
self, zich  gedragen;  zich  verlagen. 
demeanour    [di'miina]    houding,   ge- 

drag  o. 
demented   [di'mentid]   krankzinnig. 
demerit   [di:'merit]   fout,  gebrek  o. 
demesne    [di'mi:n]    domein   o. 
democracy   [di'mokrasi]   democratie. 
democrat    ['demakrset]    democraat. 
democratic (al)    [dema'kraetik(l)]   de- 

mocratisch. 
demolish   [di'molij]   afbreken,  slopen; 

vernietigen. 
demolition  [dema'lijsn]  sloping;  ver- 

nietiging;  afbraak. 
demon   ['di:m3n]    duivel,  demon. 
demonstrate    ['demanstreit]    aantonen, 

bewijzen;    aan    de    dag   leggen;    de- 

monstreren. 
demonstration    [deman'streijan]    be- 

wijs  o;  betoon  o;  betoging;  demon- 

stratie. 
demonstrative    [di'monstrativ]    bewij- 

zend,  aanwijzend;  demonstratief. 
demoralize  [di'maralaiz]   demoralise- 

ren. 


63  dependence 

demur  [di'ma:]  aarzelen;  bezwaar  ma- 
ken,  protest  aantekenen  (tegen,  to). 

demure    [di'mjua]    stemmig,   zedig. 

den   [den]   hoi  o,  hok  o. 

denial  [di'naial]  weigering,  ontken- 
ning,     (ver)Ioochening. 

Denmark    ['denma:k]    Denemarken   o. 

denominate    [di'nomineit]    noemen. 

denomination   [dinami'neijan]   bena- 
ming;    sekte;    coupure    [v.    effect]; 
(nominale)   waarde  [v.  munt]. 

denominational    [dinomi'neijanal] 

—  education,  bijzonder  onderwijs  o. 
denominator  [di'namineita]  noemer 

[v.   breuk]. 

denote  [di'nout]  aanduiden,  aanwij- 
zen,  wijzen  op,  te  kennen  geven. 

denounce    [di'nauns]    aankondigen; 
aangeven,  aanklagen;  opzeggen  [ver- 
drag];  aan  de  kaak  stellen;  veroor- 
delen. 

dense    [dens]    dicht;   stom. 

density    ['densiti]    dichtheid. 

dent    [dent]    deuk;   vt    (in)deuken. 

dental  ['dental]  tand-;  tandheelkun- 
dig. 

dentist    ['dentist]    tandarts. 

dentistry  ['dentistri]  tandheelkunde. 

denture   ['dentja]    (kunst)gebit  o. 

denunciation  [dinAnsi'eiJan]  aankon- 
diging;  aangifte,  aanklacht;  opzeg- 
ging    [v.   verdrag];   veroordeling. 

deny  [di'nai]  ontkennen,  (ver)Iooche- 
nen;  ontzeggen;  weigeren;  '~  one- 
self to  visitors,  belet  geven. 

depart  [di'pa:t]  vertrekken,  heengaan; 

—  from,    afwijken    van,    laten    va- 
ren;  the  ■ — ed,  de  overledene(n). 

department  [di'pa:tmant]  af  deling, 
departement  o\  gebied  o\  —  store{s), 
warenhuis  o. 

departure  [di'paitja]  vertrek  o\  heen- 
gaan o;  a  new  ■ — ■,  een  nieuwe 
koers,  lets  nieuws. 

depend  [di'pend]  afhangen  (van,  oh); 
rekenen,  vertrouwen  (op,  upon); 
that   — s,   dat  hangt  ervan   af. 

dependence  [di'pendans]  afhankelijk- 
heid    (van,   on). 


dependency 


64 


deservedly 


dependency   [di'pendsnsi]   bijgebouw 

o;    onderhorigheid. 
dependent   [di'pendsnt]   afhankelijk 

(van,  011,  upon). 
depict  [di'pikt]    (af)schilderen. 
depiction    [di'pikjsn]    schildering. 
deplorable    [di'pbirsbl]    betreurens-, 

beklagenswaardig;  jammerlijk. 
deplore   [di'pb:]    betreuren,  bewenen, 

beklagen,  bejammeren. 
depopulate  [di/pDpjuleit]  ontvolken. 
deport    [di'pD;t]    deporteren;    —    one- 
self,   2ich   gedragen. 
deportation  [diipDi'teiJan]   deportatie. 
deportment    [di'pDitmsnt]    houding, 

gedrag   o,    optreden    o. 
deposal    [di'pouzal]    afzetting. 
depose    [di'pouz]    afzetten;    getuigen. 
deposit  [di'pDzit]  deposito  o,  storting; 

neerslag,    bezinksel    o;    vt     (neer)- 

leggen;    deponeren,  storten. 
depositor    [di'pDzits]    inlegger. 
depot   E'depou]   depot  o  &  m. 
depravation    [depra'veijan]    verdor- 

venheid,   bederf  o. 
deprave    [di'preiv]    bederven;    ■ — d, 

verdorven. 
depravity    [di'praeviti]    verdorvenheid. 
deprecate  ['deprikeit]  opkomen  tegen, 

afkeuren. 
depreciate  [di'pri:Jieit]  onderschat- 

ten,   neerhalen;   in  waarde   dalen. 
depreciation  [dipriiji'eijan]   (afschrij- 

ving  voor)   waardevermindering. 
depress   [di'pres]    (neer)drukken;  ter- 

neerslaan. 
depression    [di'prejsn]    neerslachtig- 

heid;  depressie;  malaise. 
deprivation   [depri'veijsn]    beroving, 

verlies   o\   afzetting. 
deprive    [di'praiv]    beroven;   af-,   ont- 

zetten  [uit  ambt];  ■ — d  of,  ook:  ver- 

stoken   van,    gespeend   van,    zonder. 
depth    [dep9]    diepte,    diepzinnigheid. 
deputation    [depju'teijan]    deputatie. 
depute    [di'pju:t]    afvaardigen;   over- 

dragen. 
deputize  ['depjutaiz]    —  jor,  invallen 

voor,  vervangen. 


deputy  ['depjuti]   afgevaardigde; 

plaatsvervanger;    aj    ■ — ...,    plaats- 

vervangend,  vice-. 
derail   [di'reil]    (doen)   ontsporen. 
derailment  [di'reilmant]  ontsporing. 
derange  [di'reind3]  storen,  m  de  war 

brengen. 
derangement   [di'reind3m3nt]   storing, 

verwarring. 
derelict    ['derilikt]    verlaten;   onbe- 

heerd. 
dereliction  [deri'likjsn]    (plicht)ver- 

zuim  0. 
deride  [di'raid]   bespotten,  belachelijk 

maken. 
derision    [di'rissn]    spot,   bespotting. 
derisive    [di'raisiv],    derisory    [di'rai- 

sari]    spottend,    spot-;    bespotteiijk. 
derivation   [deri'veijsn]   afleiding. 
derive  [di'raiv]  afleiden,  trekken,  krij- 

gen    (uit,    van,    from);    afstammen, 

voortspruiten    (van,   uit,   from). 
derogate  ['dersgeit]   —  from,  afbreuk 

doen    aan. 
derogatory    [di'rogatsri]    afbreuk 

doend;   vernederend. 
derrick    ['derik]    kraan,    bok;    boor- 

toren. 
descend  [di'send]   (af) dalen  (tot,  to)\ 

naar  beneden  gaan;   afstammen. 
descendant  [di'sendsnt]  afstammeJing. 
descent     [di'sent]     af-,     (neer)daling; 

helling;   landing;   afkomst. 
describe    [dis'kraib]    beschrijven. 
description  [dis'kripjsn]  beschrijving; 

signalement  o;  soort  v  8i  o,  slag  o. 
descriptive  [dis'kriptiv]  beschrijvend. 
desecrate  ['desikreit]  ontwijden. 
desecration  [desi'kreijan]  ontwijding. 
desert  ['dezst]  woestijn;  aj  woest,  ver- 
laten; onbewoond;  [di'zsit]  verdien- 

ste,  (verdiende)  loon  o\  vt  verlaten, 

in  de  steek  laten;   vi  deserteren. 
deserter   [di'zaita]   deserteur. 
desertion    [di'zsijan]    verlating;    de- 

sertie. 
deserve    [di'z3:v]    verdienen;    —   well 

of,  zich  verdienstelijk  maken  jegens. 
deservedly    [di'zsividli]    naar   ver- 


deserving 


65 


dethrone 


dienste;  terecht. 
deserving   [di'zsivir]]  verdienstelijk. 
design    [di'zain]     tekening;     ontwerp 

o,    plan    o\    dessin    o,    patroon    o; 

voornemen     o\     bedoeling;    by    — , 

met  opzet;   vt   schetsen,   ontwerpen; 

bedoelen;   aanwijzen. 
designate    E'dezigneit]    aanduiden; 

aanwijzen. 
designation    [dezig'neijan]    aandui- 

ding;   aanwijzing;   naam. 
designedly   [di'zainidli]    met  opzet. 
designer    [di'zaina]    ontwerper;    teke- 

naar. 
desirable    [di'zaisrabl]    wenselijk,   be- 

geerlijk,   gewenst. 
desire    [di'zaia]    begeerte,   wens;    ver- 

langen  o;  vt  wensen,  begeren,  ver- 

langen. 
desirous    [di'zaiaras]    begerig,   verlan- 

gend   (naar,  of). 
desist  [di'zist]   aflaten,  afzien,  ophou- 

den   (met,  jrotn). 
desk   [desk]   lessenaar,  bureau  o;  kas- 

sa. 
desolate    ['desalit]   verlaten,   eenzaam, 

troosteloos. 
desolation    [dess'leijan]    verwoesting; 

verlatenheid. 
despair    [dis'pes]    wanhoop;    vi  wan- 

hopen    (aan,   of). 
despatch    [dis'paetj]    zie   dispatch. 
desperate  ['despsrit]   wanhopig. 
despicable  ['despikabl]  verachtelijk. 
despise   [dis'paiz]   verachten. 
despite   [dis'pait]   ondanks,  trots. 
despondency   [dis'pDodsnsi]  moede- 

loosheid. 
despondent    [dis'psndant]    moedeloos. 
despot  E'despDt]   despoot,  dwingeland. 
dessert  [di'zsit]  dessert  o. 
destination    [desti'neijsn]    bestem- 

ming. 
destine   ['destin]   bestemmen. 
destiny    ['destini]    bestemming, 

(nood)lot    o. 
destitute  ['destitju:t]   behoeftig,  hulp- 

behoevend;    ontbloot,   verstoken. 
destitution    [desti'tjuijan]    armoede, 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


behoeftigheid,  gebrek  o. 
destroy    [dis'tni]    vernielen,   verwoes- 

ten,  vernietigen;   afmaken    [bond], 
destroyer    [dis'tiDia]    vernieler,   ver- 

nietiger;    torpedojager. 
destruction    [dis'trAkJsn]    vernieling, 

verwoesting,  vernietiging. 
destructive  [dis'trAktiv]  vernielend; 

afbrekend    [v.   kritiek]. 
desultory    ['desaltsri]    onsamenhan- 

gend;   vluchtig. 
detach   [di'tsetj]    losmaken,  scheiden; 

detacheren. 
detachment    [di'tastjmant]    losmaking; 

objectiviteit;   detachement  o. 
detail    ['di:teil]    bijzonderheid,    detail 

o. 
detailed    [di'teild]    gedetailleerd. 
detain    [di'tein]    op-,   aan-,   afhouden; 

achterhouden;    gevangen    of    in    be- 
waring  houden. 
detainment    [di'teinmsnt]    aanhou- 

ding;   gevangenhouding. 
detect    [di'tekt]    ontdekken;   opsporen. 
detection  [di'tekjsn]   ontdekking;  op- 

sporing. 
detective    [di'tektiv]    detective,  re- 

chercheur,    speurder. 
detention   [di'tenjan]  achterhouding; 

aanhouding;   gevangenhouding; 

schoolblijven  o\  oponthoud  o. 
deter  [di'ts:]  afschrikken,  terughouden 

(van,  from). 
deteriorate   [di'tisriareit]   achteruit- 

gaan,   verslechteren. 
deterioration    [ditiaria'reijsn]    ver- 

slechtering,  achteruitgang. 
determination   [ditsimi'neijan]   bepa- 

ling;   besluit  o;   vastberadenheid. 
determine  [di'taimin]  bepalen;  (doen) 

besluiten;  beslissen;  beeindigen. 
determined    [di'taimind]    vastberaden, 

vastbesloten. 
deterrent    [di'terant]    afschrikkend 

(middel  o). 
detest    [di'test]   verfoeien. 
detestable    [di'testabl]    verfoeilijk,   af- 

schuwelijk. 
dethrone    [di'Sroun]    onttronen. 


detour 


66 


die 


detour   [di'tua]   omweg. 

detract   [di'traekt]    ~'  from,   afbreuk 

doen    aan,   verkleinen. 
detraction    [di'traskj'sn]    kleinering; 

kwaadsprekerij. 
detractor   [di'trtekta]   kwaadspreker. 
detriment    ['detrimsnt]    nadeel    o. 

schade. 
detrimental    [detri'mental]    nadelig, 

schadelijk. 
deuce    [dju:s]    twee   [op  dobbelstenen 

en  speelkaarten],  40  gelijk  [tennis]; 

duivel,   drommel. 
deuced    ['djuisid]    verduiveld. 
devaluation    [di:vaelju'eij3n]    devalua- 

tie. 
devastate    ['devasteit]    verwoesten. 
devastation   [devas'teijsn]   verwoes- 

ting. 
develop    [di'vebp]    (zich)     ontwikke- 

len,   tot  ontwikkeling  brengen    (ko- 

men);    uitbreiden;    ontginnen;    krij- 

gen,    optreden     [koorts];    ontstaan; 

aan   de   dag   leggen. 
development    [di'vebpmsnt]    ontwik- 
keling;  uitbreiding;  ontginning;   be- 

bouwing,   (op)bouw;  fig  verloop  o\ 

await    ■ — ^j',    verdere  gebeurlijkheden 

afwachten. 
deviate  ['di:vieit]   afwijken. 
deviation    [di'.vi'eijan]    afwijking. 
device    [di'vais]    plan   o,   oogmerk   o; 

middel  o\  list,    (uit)vinding;  toesteJ 

o\   zinspreuk;   left  to   his  own   ■ — s, 

aan   zijn    lot   overgelaten. 
devil    ['devi]    duivel. 
devilish   ['devlij]    duivels. 
devious    ['diivias]    kronkelend;   afwij- 

kend;    —   way,  omweg. 
devise   [di'vaiz]    uitdenken,  bedenken, 

verzinnen,  beramen. 
•devoid   [di'vDid]   ontbloot;   —   of,  be- 

roofd    (gespeend)   van,  zonder. 
devolve    [di'v^lv]    doen   overgaan, 

overdragen;     ■ — '     upon,     neerkomen 

op,  overgaan  op,   toevallen  aan. 
devote    [di'vout]    (toe)wijden. 
■devoted   [di'voutid]    (toe)gewijd, 

(aan  elkaar)  gehecht,  verknocht. 


devotee   [devou'ti:]   dweper;  enthou- 

siast   liefhebber. 
devotion   [di'voujan]    (toe)wijding; 

godsvrucht. 
devour    [di'vaua]    verslinden;  fig  ver- 

teren. 
devout    [di'vaut]   godvruchtig,  vroom. 
dew  [dju;]   dauw;  vi  dauwen. 
dexterity    [deks'teriti]    behendigheid, 

handigheid. 
dexterous    ['dekstaras]    behendig, 

handig. 
diabetes    [dai3'bi:ti:z]    suikerziekte. 
diabetic    [dais'biitik]    lijder,    -es    aan 

suikerziekte;  af  suikerziekte-. 
diabolic   [daia'bolik]    duivels. 
diadem    ['daisdam]    diadeem. 
diagnosis    [daiag'nousis]    diagnose. 
diagonal    [dai'asgsnsl]    diagonaal. 
diagram   ['daiagrtem]    diagram  a. 
dial  ['daial]   zonnewijzer;  wijzerplaat. 

(kies)schiijf;    vt  draaien,   kiezen, 

(automatisch)    opbellen. 
dialect   ['daialekt]    tongval,   dialect  o 
dialogue    ['daiabg]    samenspraak. 
diameter    [dai'aemits]    middellijn. 
diamond    ['daiamand]    diamant   o 

[stofnaam],  diamant  jn  [voorwerps 

naam] ;  ruit;   a]  diamanten. 
diaphragm    ['daiafrsem]    middenrif  o 
diary    ['daiari]    dagboek  o. 
dice  [dais]  dobbelstenen;  vi  dobbelen. 
dictate    ['dikteit]    voorschrift    o,    ge- 

bod    o\     [dik'teit]     vt    voorzeggen, 

dicteren,  ingeven;  voorschrijven. 
dictation    [dik'teijan]    dictee   o. 
dictator    [dik'teita]    dictator. 
dictatorial    [dikta't3:rial]    dictatoriaal. 
dictatorship   [ dik'teita Jip]    dictatuur. 
diction    ['dikjan]    voordracht. 
dictionary  ['dikjanari]  woordenboek  c. 
did   [did]   V.T.  van  do. 
didactic    [di'dasktik]    didactisch,  leer-. 
die    [dai]    dobbelsteen;    muntstempel, 

the    —    is   cast,    de    teerling    is   ge- 

worpen;  vi  sterven,  overlijden;  weg- 

sterven,    verflauwen;    —    away,    ~ 

down,  wegstervcn;  afnemen,  vermin- 

deren. 


diesel  engine 


(n 


direct 


diesel    engine    ['di:2lend3in]    diesel- 

motor. 
diet   E'daiat]   leefregel;   dieet  o\  voed- 

sel   o\  rijks-,  landdag. 
differ    ['difa]     (van    mening)    ver- 

schillen. 
difference    ['difrsns]    verschil    o\    ge- 

schil(punt)    o. 
different    ['difrsnt]    verschillend,    an- 

der;    anders    (dan,   jrom,    to). 
difficile    ['difisi:!]    lastig,   moeilijk  te 

voldoen. 
difficult    E'difikalt]    moeilijk,    lastig. 
difficulty    ['difikalti]    moeilijkheid, 

bezwaar  o\  moeite. 
diffidence    ['difidsns]    schroomvallig- 

heid. 
diffident   ['difidant]    schroomvallig. 
diffuse    [di'fju:s]    verspreid;    breed- 

sprakig,   wijdlopig;    [di'fju:z]    vt 

verspreiden. 
diffusion   [di'fju:33n]   verspreiding. 
dig  [dig]  por,  duw;  steek  (onder  wa- 
ter);  vt  graven,   spitten. 
digest    E'daidjest]    overzicht    o\    [di-, 

dai'dsest]   vt  verteren,  verwerken. 
digestion    [di-,   dai'dsestjan]    (spijs)- 

vertering;  verwerking. 
digger   ['diga]    (goud)  graver. 
dignified    ['dignifaid]    waardig. 
dignitary  ['dignitari]  waardigheids- 

bekleder,  dignitatis. 
dignity    ['digniti]    waardigheid. 
digress    [dai'gres]    afdwalen,    uitwei- 

den. 
digression    [dai'grej'an]    afdwaling, 

uitweiding. 
dike   [daik]   sloot;  dijk. 
dilapidated    [di'lsepideitid]    verwaar- 

loosd,    vervallen,    bouwvallig. 
dilatation    [daila'teijan]    uitzetting; 

uitweiding. 
dilate   [dai'leit]    uitzetten;     '—d    eyes, 

opengespalkte   ogen;    -~    upon,    uit- 

weiden  over. 
dilemma  [di'lema]   dilemma  o. 
diligence    ['dilidjans]    ijver,    vlijt. 
diligent  ['dilidsant]   ijverig,  vlijtig. 
dilly-dally    ['dilidaeli]    treuzelen. 


dilute   [dai-,  di'I(j)u:t]   verdunnen. 
dilution   [dai-,   di'](!)u:Jan]   verdun- 

ning. 
diluvium  [di'l(j)u:viam]   diluvium  o. 
dim   [dim]   duister,  dof;  vaag;  flauw; 

vt    verduisteren,    dof    maken,    bene- 

velen;    temperen    [licht]. 
dime    [daim]    ^/j^o   dollar. 
dimension  [di'menjan]   afmeting. 
diminish   [di'minij"]   verminderen. 
diminution  [dimi'DJuiJan]  verminde- 

diminutive    [di'minjutiv]    verklein- 

woord    o;    aj    verkleinend,    verklei- 

nings-;  klein,  gering;  miniatuur-. 
dimness    ['dimnis]    duister-,   dofheid. 
dimple    ['dimpi]    (wang)kuiltje    o. 
din    [din]    geraas    o,    lawaai    o. 
dine    [dain]    dineren,   eten. 
dinghy    ['dirjgi]     (rubber)bootje    o. 
dingy    ['dindsi]    duister,   vuil,  goor. 
dining-car  ['dainirjka:]   restauratie- 

wagen. 
dining-room   ['dainirjrum]   eetkamer. 
dinner  ['dins]  middagmaal  o,  middag- 

eten  o,  diner  o. 
dinner-jacket    ['dinadssekit]    smoking. 
dinner-party    ['dinapa:ti]    diner  o. 
dinner-plate   ['dinapleit]   plat  bord  o. 
dinner-time    ['dinataim]    etenstijd. 
dinner-vv'agon    ['dinawEgan]    dien- 

tafel. 
diocese  ['daiasis]  bisdom  o. 
dip    [dip]    (in)dopen;    duiken. 
diphtheria    [dif'Biaria]    difterie. 
diphthong   ['dif-,  'dip93i]]    tweeklank. 
diploma    [di'plouma]    diploma   o. 
diplomacy    [di'ploumasi]    diplomatic. 
diplomat    ['diplamast]    diplomaat. 
diplomatic  [dipla'mzetik]  diploma- 

tisch;   diplomatiek. 
diplomatist  [di'ploumatist]  diplomaat. 
dipsomania  [dipsou'meinia]   drank- 

zucht. 
dipsomaniac    [dipsou'meiniask] 

drankzuchtige. 
dire   ['daia]    akelig,  verschrikkelijk. 
direct  [di'rekt,  dai'rekt]   direct,  recht- 

(streeks);  onmiddellijk;  ronduit,  op 


direction 


68 


disconnect 


de  man  af;  '~  current,  gelijkstroom; 

vt    (be)sturen,    richten,    (ge)leiden; 

regisseren;  last  geven;  voorschrijven; 

dirigeren;  inlichten,  de  weg  wijzen; 

adresseren. 
direction    [di-,     dai'rekjan]     directie, 

bestuur  o,  besturing,  leiding,  regie; 

richting;   aanwijzing;    voorschrift  o\ 

adres  o. 
directive    [di-,   dai'rektiv]    richtlijn. 
directly  [di-,  dai'rektli]  aanstonds,  da- 

delijk,   direct;   zodra. 
director  [di-,  dai'rekts]  directeur,  lei- 

der,  bestuurder,    (film)regisseur; 

commissaris   [v.  maatschappij]. 
directory   [di'rektari]   adresboek  o. 
directress    [di'rektris]    directrice. 
dirge   [d3:d3]    lijk-,   klaagzang. 
dirigible    ['dirid3ibl]    bestuurbaar. 
dirk    [dsik]    ponjaard. 
dirt    [d3;t]   vuil   o,   slijk  o. 
dirt-cheap    ['d3:t'tji:p]    spotgoedkoop. 
dirty    ['daiti]    vuil;    smerig;    vt   vuil 

maken. 
disable  [dis'eibl,  di'zeibl]  onbekwaam 

maken;    — d,    invalide,    buiten    ge- 

vecht  gesteld;    ontredderd. 
disabuse    [diss'bjuiz]    uit    de    droom 

helpen. 
disadvantage    [dissd'vaintids]    nadeel 

o. 
disadvantageous    [dis2edv3n'teid33s] 

nadelig,  onvoordelig. 
disaffected  [diss'fektid]  ontevreden. 
disagree    [disa'gri:]    verschillen,    het 

oneens  zijn,  niet  passen   (bij,  with). 
disagreeable  [disa'griabl]  onaange- 

naam. 
disagreement    [diss'griimsnt]   verschil 

o,  onenigheid,  afwijking. 
disappear    [diss'pia]    verdwijnen. 
disappearance    [disa'piarans]   verdwij- 

ning. 
disappoint    [disa'point]    teleurstellen. 
disappointment    [disa'psintmsnt]    te- 

leurstelling. 
disapprobation   [disaspra'beijan],  dis- 
approval  [disa'pru.val]   afkeuring. 
disapprove   [diss'pruiv]   afkeuren. 


disarm   [dis'a:m,  di'za:m]   ontwape- 

nen. 
disarmament    [dis'aimamant,    di'z-] 

ontwapening. 
disaster   [di'zaista]    ramp. 
disastrous    [di'zaistras]    rampspoedig. 
disavow    [disa'vau]    (ver)loochenen, 

ontkennen,   niet  erkennen. 
disavovi'al     [disa'vaual]     (ver)looche- 

ning,   ontkenning,   niet-erkenning. 
disband   [dis'baend]    afdanken;  ont- 

binden;   uiteengaan. 
disbelief    ['disbi'li:f]    ongeloof   o. 
disburse    [dis'baisj    f  uit)betalen, 

voorschieten. 
discard  [dis'ka:d]   opruimen,  ter  zijde 

leggen;   afdanken. 
discern    [di'zain]    onderscheiden,   ont- 

waren. 
discernible  [di'zainibl]    (duidelijk)   te 

onderscheiden,    waarneembaar. 
discerning   [di'z3:nir)]    schrander. 
discernment  [di'zainmsnt]  onderschei- 

dingsvermogen    o,    doorzicht    o, 

schranderheid. 
discharge   [dis'tjaidj]   ontslag  o\ 

kwijtschelding;   ontheffing,   vrij- 

spraak;    afschieten    o,    schot    o\    af- 

lossing;  ontlading;  ontlasting;  vt  af-, 

ontladen;   afschieten,  lessen;   ontlas- 

ten;    ontheffen,    kwijtschelden,    vrij- 

spreken;  ontslaan. 
disciple    [di'saipl]    leerling. 
disciplinary  ['disiplinari]   disciplinair. 
discipline  ['disiplin]  tucht,  discipline; 

vt  disciplineren;  tuchtigen. 
disclose    [dis'klouz]    openbaren,    ont- 

hullen,  openbaar  maken. 
disclosure   [dis'klousa]   openbaring, 

onthulling,  openbaarmaking. 
discolour   [dis'kAb]   verkleuren. 
discomfit    [dis'k.\mfit]    verslaan,    uit 

het  veld   slaan,   verijdelen    [plan], 
discomfort    [dis'kAmfat]    ongemak   o\ 

leed   o\   vt   hinderen. 
disconcert    [diskan'sait]    verijdelen; 

ontstellen,  van  zijn  stuk  brengen. 
disconnect   [diska'nekt]   losmaken;  af- 

koppelen;  scheiden. 


disconsolate 


69 


dishevel 


disconsolate    [dis'lcDnsslit]    trooste- 

loos,  ontroostbaar. 
discontent   [diskan'tent]   misnoegen  o. 
discontented   [disksn'tentid]    ontevre- 

den. 
discontinue  [diskan'tinju:]  staken,  af- 

breken,  ophouden  met;   opzeggen 

[abonnement];    opheffen    [zaak]. 
discord   ['disk^id]   onenigheid,  tw'ee- 

dracht,  wanklank. 
discordant    [dis'koidsnt]    onharmo- 

nisch,  niet-overeenstemmend,   uit- 

eenlopend;  onenig. 
discount   ['diskaunt]    disconto   o,  kor- 

ting;    at    a    -^,    beneden    pari;    fig 

niet   in   aanzien;    [dis'kaunt]    vt 

(ver)disconteren;  jig  weinig  (geen) 

geloof  hechten  aan. 
discountenance    [dis'kauntansns]    van 

zijn    stuk    brengen;    niet    aanmoedi- 

gen,    tegengaan. 
discourage    [dis'kArids]    ontmoedi- 

gen;  afschrikken;  niet  aanmoedigen, 

tegengaan. 
discouragement  [dis'kAridsmsnt]  ont- 

moediging;   tegenwerking. 
discourse    [dis'kDis]    verhandeling, 

voordracht;   rede  (veering) ;   vi  spre- 

ken    (over,  on,   of). 
discover   [dis'kAva]   ontdekken. 
discoverer   [dis'kAvsra]   ontdekker. 
discovery   [dis'kAvari]   ontdekking. 
discredit    [dis'kredit]    diskrediet  o\  vt 

niet  geloven;   in  diskrediet  brengen. 
discreditable    [dis'kreditDbl]    schan- 

delijk. 
discreet  [dis'kri:t]  voorzichtig,  tact- 

vol,   verstandig,    discreet. 
discrepancy    [dis'krepansi]    tegenstrij- 

digheid,  onverenigbaarheid. 
discrepant    [dis'krepant]    tegenstrij- 

dig,    onverenigbaar. 
discretion  [dis'krejsn]  oordeel  o  (des 

onderscheids),   beleid   o\   at  the   — 

of,    overgeleverd    aan    de    willekeur 

van;  at  your  ■ — ',  tot  uw  dienst;  naar 

uw  verkiezing. 
discriminate   [dis'krimineit]    onder- 

scheiden;    onderscheid    maken. 


discrimination  [diskrimi'neijsn]   on- 
derscheidingsvermogen   o;   onder- 
scheid o\   scherpzinnigheid. 

discus    L'diskss]    discus. 

discuss    [dis'kAs]    bespreken. 

discussion   [dis'kAjan]   bespreking. 

disdain   [dis'dein]   minachting,  ver- 
smading;   vt   minachten,   versmaden, 
't  beneden  zich  achten. 

disdainful    [dis'deinful]   minachtend. 

disease   [di'zi:z]   ziekte,  kwaal. 

diseased    [di'zirzd]    ziek. 

disembark  [disim'ba:k]    (zich)  ont- 
schepen,    landen. 

disembarkation    [disemba/keijan] 
ontscheping,  landing. 

disenchant  [disin'tja:nt]  ontgoochelen. 

disenchantment    [disin'tjaintmsnt] 
ontgoocheling. 

disengage  [disin'geids]  los-,  vrijma- 
ken,  bevrijden. 

disengaged  [disin'geid3d]   bevrijd; 
los,   vrij,   onbezet    [van   tijd]. 

disentangle  [disin'tferjgl]  ontwarren; 
los-,   vrijmaken,    bevrijden. 

disfavour   [dis'feivs]   ongenade. 

disfigure  [dis'figa]  mismaken,  schen- 
den,   ontsieren. 

disgorge  [dis'gDids]  uitbraken,  (zich) 
ontlasten;  op-,  teruggeven. 

disgrace  [dis'greis]  ongenade,  schan- 
de,  schandvlek;  vt  in  ongenade  doen 
vallen;  onteren,  te  schande  maken; 
tot  schande  strekken. 

disgraceful    [dis'greisful]    schandelijk. 

disguise  [dis'gaiz]  vermomming;  in 
■ — ■,  vermomd,  verkapt;  without  — , 
onomwonden;  vt  vermommen;  ver- 
bloemen;  verbergen. 

disgust  [dis'gASt]  afkeer;  walging;  vt 
doen  walgen  (van,  with);  be  ■ — ed 
at,  walgen  van. 

disgusting  [dis'gAstirj]  walglijk. 

dish  [dij]  schotel,  schaal,  gerecht  o\ 
vt  —    up,  opdissen. 

dish-cloth  ['diJkbG]   vaatdoek. 

dishearten  [dis'ha:tn]  ontmoedigen. 

dishevel  [di'Jevsl]  in  de  war  bren- 
gen; — led,  ook:  verfomfaaid. 


dishonest 


70 


disperse 


dishonest  [dis'Dnist]  oneerlijk,  on- 

oprecht. 
dishonesty   [dis'Dnisti]   oneerlijheid, 

onoprechtheid. 
dishonour    [dis'sna]    oneer,    schande; 

vt  onteren;   niet  honoreren. 
dishonourable   [dis'Dnarsbl]    schande- 

lijk;  eerloos. 
disillusion  [disi'l(j)u:33n]  ontgooche- 

ling;  vt  ontgoochelen. 
disillusionize    [disi'l(j)u:33naiz]    ont- 
goochelen. 
disillusionment   [disi'l  ( j )  uisanmsnt] 

ontgoocheling. 
disinclined   [disin'klaind]    ~-  to,  niet 

genegen  om,   afkerig  van. 
disinfect    [disin'fekt]    ontsmetten. 
disinfection   [disin'fekjsn]    ontsmet- 

ting. 
disingenuous    [disin'd3enju3s]    onop- 

recht,  geveinsd. 
disinherit   [disin'herit]   onterven. 
disintegration   [disinti'greij'sn]   ont- 

binding,    uiteenvallen    o. 
disinter    [disin'ta:]    opgraven. 
disinterested    [dis'int(3)restid]    be- 

langeloos. 
disinterment  [disin'tsimsnt]   opgra- 

disjoin   [dis'ds^in]    scheiden,  losma- 

ken. 
disjoint    [dis'dsDint]    ontw'richten; 

—  ed,    onsamenhangend,    los. 
disjunction    [dis'dsArjkJsn]    scheiding. 
disk   [disk]   discus,    (,werp)schijf. 
dislike   [dis'laik]    afkeer,  tegenzin;   vt 

niet  houden  van. 
dislocate   ['disbkeit]    ontwrichten. 
dislocation    [disb'keijsn]    ontwrich- 

_  ting, 
dislodge    [dis'bdsl    verdrijven,   verja- 

disloyal    [dis'bial]    ontrouw,    trouwe- 

loos. 
disloyalty   [dis'bislti]    ontrouw,  trou- 

weloosheid. 
dismal  ['dizmsl]  akelig,  treurig. 
dismantle    [dis'masntl]    ontmantelen, 

demonteren;  onttakelen  [schip]. 


dismay    [dis'mei]    ontsteltenis,   versla- 

genheid;    vt    ontmoedigen,    terneer- 

slaan,  doen  ontstellen. 
dismiss    [dis'mis]    wegzenden,   ont- 

sban,    afdanken;    van    zich    afzetten 

[gedachte],  laten  varen,  zich  afma- 

ken  van,  afpoeieren;  afwijzen;  laten 

inrukken;   — !,   ingerukt! 
dismissal     [dis'misal]     afzetting,    ont- 

slag    o\    afdanking;    afwijzing. 
dismount  [dis'maunt]  afstijgen;  uit- 

stappen;  afwerpen;  demonteren. 
disobedience    [disa'biidjans]    onge- 

hoorzaamheid. 
disobedient    [diss'biidjsnt]    ongehoor- 

zaam. 
disobey    [disa'bei]    niet  gehoorzamen, 

niet  luisteren   naar,   overtreden. 
disorder    [dis'oids]    wanorde;    kwaal; 

'-~s,   ook;    ongeregeldheden;    vt  van 

streek   (in  de  war)   maken. 
disorderly    [dis'D;d3li]    on-,   wanorde 

lijk,   ongeregeld;   rumoerig. 
disown    [dis'oun]    niet  erkennen,  ver- 

loochenen. 
disparage    [dis'pceridj]    verkleinen, 

kleineren,  neerhalen. 
disparagement    [dis'p£erid3m3nt]    ver- 

kleining,  kleinering. 
disparity    [dis'pseriti]    ongelijkheid, 

verschil  o. 
dispassionate    [dis'pasjanit]    bezadigd, 

onpartijdig. 
dispatch  [dis'pastj]  verzending;  spoed; 

bericht   o\    vt    (met   spoed)    verzen- 

den,   afdoen,   afmaken. 
dispatch-rider   [dis'paetjraida]    (mo- 
tor) ordonnans. 
dispel    [dis'pel]    verdrijven. 
dispensary    [dis'penssri]    apotheek. 
dispensation  [dispen'seij'3n]  bedeling; 

ontheffing,   vrijstelling. 
dispense   [dis'pens]     uitdelen,    toedie- 

nen;    klaarmaken    [recept] ;    vrijstel- 

len   (van,  from);  —  with,  bet  stel- 

len   buiten. 
dispersal    [dis'psisl]    zie   dispersion. 
disperse    [dis'psis]    verstrooien,   ver- 

spreiden;  uiteenjagen;  uiteengaan. 


dispersion  71 

dispersion   [dis'paijan]   verspreiding, 

verstrooiing. 
dispirit    [dis'pirit]    ontmoedigen. 
displace    [dis'pleis]    verplaatsen;    ver- 

vangen;  afzetten;  verdringen. 
display    [dis'plei]    vertoning,    uitstal- 

ling;    demonstratie;    vt    (ver)tonen, 

ten   toon  spreiden;   uitstallen. 
displease    [dis'pli:z]    mishagen;    — d, 

misnoegd,  ontevreden   (over,  at). 
displeasure    [dis'ple33]    misnoegen    o. 
disposal    [dis'pouzsl]    beschikking. 
dispose   [dis'pouz]    (rang)schikken; 

regelen;    (voorbe)stemmen;    —    of, 

beschikken    over;    weerleggen,    ont- 

zenuwen;   zich  ontdoen  van,  verko- 

pen;    - — 'd,  geneigd,  gezind. 
disposition  [disps'zijan]    (rang)schik- 

king;    regaling;     (wils)  beschikking; 

aard;   neiging,  stemming. 
dispossess    [disps'zes]    beroven    (van, 

of) ;   onteigenen. 
dispossession    [dispa'zejsn]    beroving, 

onteigening. 
disproportion  [dispra'pDifan]  oneven- 

redigheid,  wanverhouding. 
disprove   [dis'pruiv]   weerleggen. 
dispute    [dis'pjuit]      (rede)tvi'ist,     ge- 

schil  o;   beyond    {ivithout)    — ,  bui- 

ten  kijf;  vi  (rede)twisten;  vt  discu- 

teren  over;    betwisten. 
disqualify    [dis'kwDlifai]    onbekwaam 

maken,  zijn  bevoegdheid  ontnemen, 

uitsluiten,    diskwalificeren. 
disquiet    [dis'kwaiat]    onrust,    onge- 

rustheid;    vt   verontrusten. 
disregard    [disri'ga:d]    veronachtza- 

ming,    geringschatting;    vt    geen 

acht   slaan   op,    veronachtzamen. 
disreputable    [dis'repjutsbl]    berucht. 
disrepute    [disri'pju:t]    slechte    naam. 
disrespect    [disris'pekt]    oneerbiedig- 

heid. 
disrespectful    [disris'pektful]    oneer- 

biedig. 
dissatisfaction  [dissastis'faekjan]   on- 

tevredenheid,    onvoldaanheid. 
dissatisfy   [dis'ssetisfai]   teleurstellen; 

ontevreden  stemmen 


distort 

dissect    [di'sekt]    ontleden. 
dissection    [di'sekjan]    ontleding. 
dissemble   [di'sembl]   ontveinzen,  ver- 

helen;  huichelen,  veinzen. 
disseminate   [di'semineit]    (uit)- 

zaaien,  uitstrooien,  verspreiden. 
dissension    [di'senjsn]    verdeeldheid. 
dissenter    [di'sents]    afgescheidene. 
disservice    [dis's3:vis]    ondienst. 
dissimilar  [di'simib]   ongelijk. 
dissimulate    [di'simjuleit]    ontveinzen, 

verbergen;  huichelen. 
dissimulation    [disimju'leijsn]    vein- 

zerij;  ontveinzing. 
dissipate    ['disipeit]    verspreiden,   ver- 

drijven;    verstrooien;    verspillen. 
dissipation  [disi'peijan]  verspreiding, 

verdrijving,   verstrooiing;   verspil- 

ling;   losbandigheid. 
dissociate    [di'soujieit]    (af)scheiden. 
dissolute  ['dis3l(j)u:t]   los(bandig). 
dissolve   [di'zolv]   oplossen,  ontbin- 

den;    smelten;    uiteengaan. 
dissonance    ['dissnsns]    wanklank. 
dissuade   [di'sweid]   af-,  ontraden;  af- 

brengen    (van,  from), 
distance    ['distans]    afstand;  verte. 
distant    ['distant]    ver,  verwijderd,  af- 

gelegen;   fig  op  een   afstand. 
distaste    [dis'teist]    tegenzin. 
distasteful    [dis'teistful]    onaange- 

naam,  onsmakelijk. 
distil    [dis'til]    afdruipen;    distilleren. 
distillation    [disti'leijan]    distillatie. 
distiller    [dis'tib]    distillateur. 
distillery    [dis'tibri]    distilleerderij. 
distinct    [dis'tii](k)t]    onderscheiden, 

verschillend;  gescheiden,  apart;  dui- 

delijk;  bepaald,  beslist;  as  —  from, 

in   tegenstelling  met. 
distinction    [dis'tig(k)j3n]    onder- 

scheiding,  onderscheid  o\  aanzien  o, 

distinctie,  voornaamheid. 
distinguish    [dis'tirjgwij]    onderschei- 
den. 
distinguished  [dis'tirjgwijt]   voor- 

naam;    eminent;    gedistingeerd. 
distort    [dis't3:t]    verwringen,   ver- 

draaien. 


distortion 


72 


doctrine 


distortion    [dis'to.Jan]    verwringing, 

verdraaiing. 
distract   [dis'trskt]    afleiden   [de  aan- 

dacht] ;  verwarren,  gek  maken. 
distracted   [dis'trasktid]   verward,  ver- 

bijsterd;  gek,   dol. 
distraction    [dis'trsekjsn]    afleiding; 
verwarring;    (verstands)verbijste- 
ring;   to   — ,  waanzinnig. 
distress    [dis'tres]    nood,    ellende;    vt 

benauwen,  bedroeven,  kwellen. 
distribute    [dis'tribjut]    verspreiden, 

rond-,    uitdelen,   verdelen. 
distribution    [distri'bjuijan]    uit-, 

rond-,  verdeling,  verspreiding. 
district  ['distrikt]  district  o;  gebied  o; 

wijk. 
distrust   [dis'ttASt]   wantrouwen   io). 
distrustful   [dis'ttAStful]   wantrouwig. 
disturb  [dis'tsib]    (ver)storen,  veront- 

rusten. 
disturbance  [dis'taibsns]  (ver)storing: 
stoornis;   rustverstoring;   opschud- 
ding;    — s,    ongeregeldheden. 
disunion    [dis'juinjan]    scheiding;   on- 

enigheid. 
disunite    [disju'nait]    scheiden,   verde- 
len. 
disuse   [dis'juis]   fall  into   ■ — ',   in  on- 

bruik   raken. 
ditch   [ditj]   sloot,  greppel. 
ditto    ['ditou]    dito. 
ditty   ['diti]    deuntje  o,  wijsje  o. 
divan    [di'vjen]    divan. 
dive   [daiv]    duik,  duikvlucht;  vi  dui- 
ken;   tasten    [in   de   zak];   zich   ver- 
diepen   (in,  into). 
dive-bomber   ['daivbDms]    duikbom- 

menwerper. 
diver  ['daiva]  duiker. 
diverge  [dai-,  di'v3:d3]  afwijken,  uit- 

eenlopen. 
divergence   [dai-,   di'vaidsans]    afwij- 

king. 
divergent    [dai-,    di'vaidssnt]    afwij- 

kend,   uiteenlopend. 
diverse    [dai'vais]    verschillend. 
diversion    [dai'vaijan]    afleiding; 
verzet(je)    o. 


diversity    [dai-,    di'v3:siti]    verschei- 

denheid. 
divert   [dai-,  di'v3:t]    afwenden,  aflei- 
den;   om-,   verleggen;   onttrekken; 
(tot    een    ander    doel)    aanwenden; 
amuseren,   afleiding   geven. 
diverting  [dai-,  di'vaitirj]  vermakelijk. 
divest    [dai-,    di'vest]    ontdoen,    ont- 

bloten,  beroven   (van,  of). 
divide  [di'vaid]    (ver)delen,  scheiden; 

zich   verdelen;    stemmen. 
dividend    ['dividand]    deeltal   o\    divi- 
dend  o\    uitkering. 
divine    [di'vain]    goddelijk;    vt   raden; 

voorspellen. 
diving-bell   ['daivirjbel]   duikerklok. 
divinity     [di'viniti]     goddelijkheid, 

godheid;    godgeleerdheid. 
divisibility    [divizi'biliti]    deelbaar- 

heid. 
divisible    [di'vizibl]    deelbaar. 
division   [di'vissn]    (ver)  deling,  afde- 
ling,    divisie;     (af)  scheiding;    stem- 
ming. 
divisor  [di'vaizs]  deler. 
divorce    [di'vDis]     (echt) scheiding;    vt 

(zich   laten)    scheiden. 
divulge    [dai-,   di'vAJdj]    onthullen, 

openbaren,  ruchtbaar  maken. 
dizzy    ['dizi]    duizelig;    duizelingwek- 

kend. 
do  [du:]  doen;  maken;  gedijen;  that 
tvill  — ,  zo  is  't  goed  (voldoende); 
that  won't  — ,  dat  gaat  niet  aan, 
dat  kan  zo  niet;  how  do  you  —  ?, 
hoe  maak  je  het?;  —  or  die,  erop 
of  eronder;  —  away  with,  van 
zich  afzetten;  wegnemen;  afschaf- 
,fen;  van  kant  maken. 
docile    ['dousail,   'dssail]    leerzaam, 

volgzaam,  handelbaar,  gezeglijk. 
dock  [dok]  dok  o\  '-~s,  haven;  vt  dok- 

ken  [schip];  kortstaarten;  korten. 
dock  company   ['dokkAmpani]  veem  o. 
docker    ['doka]    bootwerker,    havenar- 

beider. 
dockyard    ['d^kjaid]    (marine)werf. 
doctor    ['dDkts]    doctor,   dokter. 
doctrine    ['daktrin]    leer,   leerstuk   o. 


document 


73 


downcast 


document    ['dokjumsnt]     (bewijs)stuk 

o,    document   o\    vt   documenteren. 
documentary   [dDkju'mentsri]    docu- 

mentair(e  film). 
dodge    [dods]    zijsprong;   true;   kunst- 

je  o\  vi  ter  zijde  springen,  uitwijken; 

vt   ontduiken 
doe   [dou]   hinde;  wijfje  o. 
dog    [dDg]    bond;    mannetje    o;    lucky 

— ,  geluksvogel;  go  to  the  — s,  naar 

de  maan   gaan;    vt    (ver)volgen. 
dog-cake    ['dDgkeik]    hondebrood    o. 
dog-days   ['dsgdeiz]    hondsdagen. 
dogged    E'dDgid]    taai. 
dogma  ['dogma]   dogma  o,  leerstuk  o. 
doily    ['doili]    vingerkomdoekje   o. 
doing    ['du:ir)]    daad,    bedrijf    o\    his 

'~j',    zijn   doen   en    laten    o. 
dole    [doul]    aalmoes;    (werklozen)- 

uitkering;  he  on  the  '— ,  steun  trek- 
doleful  ['doulful]  treurig.  [ken. 
doll    [dol]    pop. 
dolphin    ['dolfin]    dolfijn. 
dolt   [doult]   botterik,  sul. 
domain    [da'mein]    domein    a,   gebied 

o. 
dome   [doum]   koepel. 
domestic  [da'mestik]  bediende;  dienst- 

bode;   aj  huiselijk,   huishoudelijk, 

huis-;    binnenslands. 
domicile    ['dDmisail]    domicilie    o, 

woonplaats. 
dominant  E'dDminant]  (over)heersend, 

dominerend. 
dominate  ['dDmineit]  be-,  overheersen. 
domination    [domi'neijsn]    be-,    over- 

heersing. 
domineer  [dDmi'nia]   heersen,  de  baas 

spelen. 
dominion  [da'minjsn]   heerschappij; 

Brits  rijksdeel  o. 
domino    ['dDminou]    domino   o  &   m. 
donation   [dou'neijsn]  gift. 
done    [dAn]    gedaan;    gebraden,    gaar; 

klaar;    ~-.',    top!;    '~    jor,    naar    de 

bliksem,  weg. 
donkey    ['dDrjki]    ezel. 
donor   ['douna]    gever,   schenker. 
don't    [dount]    =   do  not. 


doom  [du:m]  vonnis  o,  lot  o\  onder- 

gang;  vt  vonnissen,  doemen. 
door    [da:]    deur. 
door-keeper    ['daikiipa]    portier. 
door-plate    ['doipleit]    naamplaatje   o. 
door-step    ['daistep]    drempel. 
doorway    ['daiwei]    ingang;   deur- 

opening;   portiek    [v.   winkel]. 
dope    [doup]    smeersel   o,  vernis  o  & 

7n,  lak  o  &  m\  bedwelmend  middel 

o\   nieuws   o;   inlichting;  leugen(s). 
dormant    ['daimant]    slapend,   sluime- 

rend;    stil    [vennoot]. 
dormitory    ['daimitri]    slaapzaal. 
dose   [dous]   dosis;  vt  afpassen,  afwe- 

gen;    ■ — •   with,   ingeven. 
dot  [dat]   stip,  punt;  vt  stippelen;   — 

one's  i's,  de  puntjes  op  de  i  zetten; 

■^ted  line,  stippellijn. 
dotage   ['doutid3]   sufferij,  kindsheid. 
dotard    ['doutad]    suffer. 
dote   [dout]   suffen;  verzot  (do!)   zijn 

(op,   on,   upon). 
double    ['dAbl]    dubbelganger;    dupli- 

caat   o\    dubbelspel    o    [bij    tennis]; 

at  the   '~,   in   de   looppas;   aj  dub- 

bel;    vt   verdubbelen,    (om)vouwen; 

—     up,     dubbel      vouwen;      dubbel 

slaan,  ineenkrimpen. 
double-dealing    ['dAbl'diilii)]    huiche- 

larij. 
double-edged    ['dAbl'edsd]    tweesnij- 

dend. 
doubt    [daut]    twijfel;   vt  betwijfelen; 

vi  twijfelen    (aan,  of). 
doubter  ['dauta]   tu'ijfelaar. 
doubtful   ['dautful]   twijfelachtig. 
doubtless    ['dautlis]    ongetwijfeld. 
dough    [dou]    deeg  o. 
dove    [dAv]    duif. 
dowager  ['dauad3a]  douairiere. 
dowdy    ['daudi]    slonzig. 
dower    ['daua]    bruidsschat;    weduw- 

goed  o;   vt  begiftigen. 
down    [daun]    dons    o\    heuvelachtige 

vlakte;  (naar)  beneden,  neer,  onder, 

af,   langs;   —   with...!,  weg  met...! 
downcast   ['daunka:st]    (ter)neerge- 

slagen. 


aifall 


downfall    ['daunfo:!]   val,   instorting. 
down-hearted    ['daun'haitid]    ontmoe- 

digd. 
downpour   ['daunp^:]   stortbui. 
downright  ['daunrait]  bepaald,  recht- 

uit    (gezegd),  volslagen. 
downstairs  [daun'steaz]    (naar)   be- 

neden. 
downward (s)    ['daunw3d(z)]    naar 

beneden. 
downy    ['dauni]    donzig. 
dowry    ['dau(3)ri]    bruidsschat. 
doze   [douz]   dutje  o;  vi  soezen,   dut- 

ten. 
dozen   ['dAzn]   dozijn  o. 
drab    [drasb]    lichtbruin,   vaal (bruin); 

kleurloos,    grauw,    saai. 
draft    [dra:ft]    trekken   o;   ontwerp   o, 

klad   o,   schets;   wissel;   detachement 

o,  lichting;  vt  ontwerpen,  opstellen; 

detacheren. 
drag  [drseg]   dreg;  fig  rem;  iit  slepen, 

sleuren;  (af)dreggen;  traineren,  niet 

opschieten;    —   on,    (zich)    voortsle- 

pen. 
drag-net    ['drsegnet]    sleepnet    o. 
dragon   ['drjegan]    draak. 
dragon-fly  ['draeganflai]  waterjuffer. 
dragoon    [drs'guin]    dragonder. 
drain   [drain]    afvoerbuis;   afwatering; 

riool    o\    vt     afvoeren,     afwateren; 

droogleggen;    uitdrinken. 
drainage    ['dreinids]    drooglegging, 

afwatering;  riolering. 
drake    [dreik]    woerd. 
dram    [draem]    beetje   o\   borreltje   o. 
drama    ['draima]    drama   o. 
dramatic    [dra'mastik]    dramatisch, 

toneel-;    indrukwekkend. 
drank    [draeijk]    V.T.   van   drink. 
draper    ['dreipa]    manufacturier. 
drapery  ['dreipsri]  manufacturen;  ma- 

nufacturenzaak,    -handel;    draperie. 
drastic   ['drasstik]    drastisch. 
draught    [dra:ft]    tocht;     slok,     teug; 

drankje    o\     trek;    vangst;    ontwerp 

0,     schets;     diepgang;    wissel;    — s, 

damspel   o.  [o. 

draught-horse   ['dra:fthD:s]   trekpaard 


74  dredger 

draughtsman  ['dra:ftsm3n]  tekenaar; 
ontwerper;   damschijf. 

draughty    ['dra:fti]    tochtig. 

draw  [drD:]  onbesliste  wedstrijd;  vi 
trekken;  rekken;  opmaken  [een  rap- 
port]; halen;  tekenen;  gelijk  spelen; 
—  off,  af-,  wegtrekken;  —  on, 
naderbij  komen;  ten  gevolge  heb- 
ben;  —  u  p,  optrekken;  ontwerpen; 
(zich)  opstellen;  stilhouden;  — 
t/  p  o  n,  trekken  op;  gebruik  maken 
van,  putten  uit,  aanspreken  [kapi- 
taal]. 

drawback    ['diDibaek]    bezwaar    a, 
schaduwzijde. 

draw-bridge   ['drDibrids]   ophaalbrug. 

drawee  [drD:'i:]  betrokkene  [v.  wis- 
sel]. 

drawer  ['drDa]  trekker  [v.  wissel]; 
tekenaar;  lade;  — s,  onderbroek; 
zwembroek;  commode. 

drawing  ['droiir)]  trekking;  tekening; 
tekenkunst. 

drawing-master    ['drD:ir|ma:st3]   te- 
kenmeester,   tekenleraar. 

drawing-pen  ['droiirjpen]   trekpen. 

drawing-pin  ['drDiirjpin]  punaise. 

drawing-room  ['droirirum]  salon  m 
&  o. 

drawl   [dr3:l]    temen. 

drawn    [drD:n]    V.D.   v.   draw. 

dray    [drei]    sleperswagen. 

dray-horse   ['dreihDis]   sleperspaard  o. 

dread  [dred]  vrees;  vt  vrezen. 

dreadful    ['dredful]    vreselijk,    ver- 
schrikkelijk. 

dreadnought    ['drednDit]    slagschip   o 

dream  [dri:m]  droom;  vt  &  vi  dro 
men. 

dreamer    ['driims]    dromer. 

dreamt  [dremt]  V.T.  &  V.D.  v. 
dreain. 

dreamy    ['dri;mi]    dromerig;    vaag. 

dreary   ['driori]    akelig,  somber,  woest. 

dredge  [dreds]  sleepnet  o,  dreg;  bag- 
germachine;  vt  met  een  sleepnet 
vissen;    (uit)baggeren;    (af)dreggen. 

dredger  ['dredsa]  baggerman;  bag- 
sermachine;   strooibus. 


dredging-machine  75 

dredging-machine    ['dredsirjma'J'iin] 

baggermachine. 
dregs    [dregz]    grondsop   o,    droesem; 

heffe;    uitschot    o;    to    the    — s,    tot 

op   de   bodem. 
drench   [drenj]    (door)nat  maken, 

doorweken;   drenken. 
dress   [dres]   kleding,  kleren;  toilet  o, 

kostuum  o;  japon;  vt  kleden;  berei- 

den;    bewerken;    [het    haar]    opma- 

ken,  kappen;  verbinden  [wond];  — 

up,    uitdossen,   kostiimeren;    vi  zich 

kleden. 
dress-circle  ['dres'ssikl]   balkon  o  [in 

schouwburg] . 
dress-coat    [dres'kout]    rok    [v.   heer]. 
dresser  ['dress]  aanrecht  o  &  in\  dres- 

soir  o  &i.  m. 
dressing    ['dresirj]    (aan)  kleding;    be- 

reiding;  verband  o;  mest. 
dressing-case    ['dresirjkeis]    kapdoos; 

verbandkist. 
dressing-down    ['dresirj'daun]    schrob- 

bering,  pak  o  slaag. 
dressing-gown    ['dresirjgaun]    kamer- 

japon. 
dressing-table    ['dresirjteibl]    toilet- 

tafel. 
dressmaker    ['dresmeika]    kleermaak- 

ster;    dameskleermaker. 
dress-parade   ['drespareid]   modeshow. 
drew   [dru:]    V.T.   van  draw. 
drift   [drift]   drift;  sneeuwjacht;  zand- 

verstuiving;    vi    (af)drijven;     (op)- 

waaien;   zich   opeenhopen. 
drift-wood   ['driftwud]   drijfhout  o. 
drill    [dril]    boor;  exercitie;   dressuur; 

gymnastiek;  dril  o  [linnen];  vt  dril- 

len;    dresseren;    boren. 
drink    [drigk]    drank;    dronk;    borrel; 

vt    (op-,   uit)drinken. 
drinkable  ['drirjkabl]  drinkbaar. 
drinker    ['drigks]    drinker,    drinke- 

broer. 
drip    [drip]    druipen,   druppelen. 
drive    [draiv]    rit,    ritje   o\    oprijlaan; 

drijfjacht;  aandrijving;  drijf-,  stuw- 

kracht;     energie;     campagne,     actie; 

slag;   vt   drijven,   aan-,  voort-,   ver-, 


drum 


indrijven;  rijden;  mennen,  besturen; 

---'   mad,  gek  maken. 
drivel    ['drivl]    kwiji;    gebazel    <?;    vi 

kwijlen;  bazelen. 
driven    ['drivn]    V.D.   van  drive. 
driver    ['draivs]    koetsier,    chauffeur, 

bestuurder;   machinist;    drijver. 
drizzle  ['drizl]  motregen;  vi  motrege- 

nen. 
droll  [droul]  snaak;  aj  snaaks. 
drollery    ['droubri]    snaaksheid. 
dromedary    ['dr^m-,   'drAmidari]    dro- 

medaris. 
drone    [droun]    hommel;    vi    gonzen, 

brommen,  ronken;   dreunen. 
droop    [dru:p]     (laten)    hangen;    [de 

ogen]    neerslaan;    (weg)kwijnen. 
drop    [drop]    drup(pel);   oorbel;   flik- 

je   o,   drupsje  o;  val,    (prijs)daling; 

vt   laten   vallen;   opgeven,   laten  va- 

ren;    neerlaten;    af-,    uitwerpen    [uit 

vliegtuig];   [een  passagier]   afzetten; 

[een      pakje]       afgeven;      neerslaan 

[ogen],    laten    dalen    [stem];    —    a 

hint,  een  weak  geven;  —  a  line,  een 

lettertje  schrijven;  ■ — ■  itl,  schei  uit!; 

vi    (om-,    neer)  vallen;     dalen; 

behind,      achterraken;      ~'      i  n 

{round),    even    aan-,    oplopen    (bij 

iemand,   upon  one). 
dross    [drDs]    (metaal)schuim   o. 
drought    [draut]    droogte. 
drove    [drouv]    kudde,    school;   drom, 

troep;    V.T.   v.    drive. 
drover    ['drouvs]    veedrijver. 
drown   [draun]   verdrinken;  overstem- 

men,    smoren    [de    stem];    overstro- 

men;    he   was   — ed,   hij    verdronk. 
drowse    [drauz]    soezen. 
drowsy    ['drauzi]    soezerig,    slaperig. 
drub    [drAb]    afrossen. 
drudge   [drAds]    zwoeger;   sloof;   vi 

zwoegen,   zich  afsloven. 
drug    [drAg]     drogerij;    farmaceutisch 

artikel  o;  bedwelmend  middel  o;  vt 

bedwelmen. 
druggist    ['drAgist]    drogist. 
drum    [drAm]    trom,   trommel,   bus; 

tamboer;   vi  trommelen. 


drumhead 


1^ 


dwarf 


drumhead    ['diAmhed]    trommelvel   o. 

drummer   ['drAma]    tamboer. 

drumstick    ['drAmstik]    trommelstok. 

drunk    [drAgk]    dronken;    V.D.    v. 
drink. 

drunkard    E'drArjksd]     dronkaard. 

drunken    ['drArjksn]    dronken. 

drunkenness  [MrAriksnnis]   dronken- 
schap. 

dry  [drai]  droog;  niet  zoet  [wijn]; 
'--'  goods,  manufacturen;  vt  (laten) 
drogen;   ^^  up,  op-,  uitdrogen. 

dry-cleaning    ['drai'kli:nii]]     't    che- 
misch  reinigen,    (uit)stomen. 

dryly   ['draili]    droog(jes). 

dry-nurse  ['drain3:s]  baker. 

dub    [dAb]    tot  ridder  slaan;   noemen. 

dubious    ['dju:bi3s]    twijfelachtig. 

ducal    ['dju:k3l]   hertogelijk,  hertogs-. 

duchess    ['dAtJis]    hertogin. 

duchy    C'dAtJi]    hertogdom   o. 

duck  [dAk]  eend(en);  duik;  stevig 
linnen  o\  vt  in-,  onderdompelen; 
ontduiken,  wegduiken  voor;  vi  dui- 
ken;   (zich)    bukken. 

duckling    ['dAklir)]    jonge  eend. 

duckweed  ['dAkwi:dJ    (eende)kroos  o. 

due  [dju:]  verplicht,  verschuldigd;  be- 
hoorlijk;  vervallen  [v.  wissel];  in 
'—'  time,  op  tijd;  te  zijner  tijd; 
/'/  was  —  to  him,  hem  te  danken 
(te  wijten);  become  {fall)  — ,  ver- 
vallen; the  train  is  — ,  de  trein 
moet   aankomen. 

duel   E'djuisl]   duel  o\  vi  duelleren. 

dues  [dju:z]  (te  betalen)  gelden,  rech- 
ten. 

duet    [dju'et]    duet  o. 

dug   [dAg]   V.T.  &  V.D.  V.  dig. 

dug-out   C'dAgaut]   bomvrije  schuil- 
plaats. 

duke   [dju:k]   hertog. 

dull  [dAl]  dom,  dof,  stomp,  suf,  loom, 
saai;  slap;  donker;  --^  of  hearing, 
hardhorig;    vt    af-,    verstompen. 

duly  ['dju:li]  behoorlijk;  op  tijd;  te- 
recht. 

dumb   [dAm]   stom. 

dumb-bell   E'dAmbel]   halter. 


dumbfound    [dAm'faund]    verstomd 
doen  staan,  verbluffen. 

dummy  ['dAmi]  bhnde  [kaartspel]; 
(kostuum)pop;  lege  fles  enz.;  aj 
nagemaakt,    vals;    loos. 

dump  [dAmp]  plof;  vuilnisbelt;  op- 
slagplaats;  vt  neergooien;  [puin] 
storten;   op   de  markt  gooien. 

dun  [dAo]  schuldeiser;  aanmaning; 
aj    donkerbruin;    vt   manen. 

dunce    [dAns]    domoor,  ezel. 

dune    [dju:n]    duin. 

dung   [dAt)]    mest;    vt    (be)mesten. 

dungeon  ['dAndsan]  kerker. 

dunghill    ['dAfjhil]    mesthoop. 

dupe  [dju:p]  bedrogene;  vt  bedotten, 
bedriegen. 

duplicate  ['djuiplikit]  afschrift  o,  du- 
plicaat  o\  aj  dubbel;  ['dju:plikeit] 
vt  verdubbelen;  in  dupio  (op) ma- 
ken. 

duplicity  [djui'phsiti]  dubbelhartig- 
heid. 

durability  [djuars'biliti]  duurzaam- 
heid. 

durable    ['djuarabl]    duurzaam. 

duration   [dju'reijsn]    duur. 

during   ['djuarirj]    gedurende,   onder. 

durst    [dsist]    V.T.  van  dare. 

dusk    [dAsk]    schemering. 

dusky  E'dAski]   schemerachtig,  donker. 

dust    [dAst]    stof  o\   vt  afstoffen. 

dustbin    ['dAstbin]    vuilnisbak. 

duster    ['dASts]    stoffer,    stofdoek. 

dustman  ['dAstman]  vuilnisman;  the 
D~,  Klaas  Vaak. 

dusty   E'dASti]   stoffig. 

Dutch  [dAtJ]  Nederlands;  the  ~,  de 
Nederlanders. 

Dutchman  ['dAtJman]  Nederlander. 

dutiful    ['dju:tiful]    gehoorzaam; 
plichtmatig. 

duty  ['dju:ti]  plicht;  dienst;  functie, 
bezigheid,  werkzaamheid;  recht  o, 
rechten;  be  off  — •,  geen  dienst  heb- 
ben,  vrij  zijn;  be  on  ^-^ ,  dienst 
hebben,  in  dienst  zijn,  op  wacht 
staan. 

dwarf    [dw3:f]    dwerg. 


dwell 


dwell  [dwell  wonen,  verblijven;  ~- 
on  of  upon,  rusten  op  [v.  het  oog] ; 
uitweiden  over   [iets]. 

dwelling   ['dwelir)]   woning. 

dwelt  [dwelt]  V.T.  &  V.D.  v^n  dwell. 

dwindle  ['dwindl]  afnemen,  vermin- 
deren,   achteruitgaan,   slinken. 


n  economy 

dye  [dai]  verf(stof),  kleur;  vt  verven 

[v.   stoffen  of  haar]. 
dyer    ['dais]    verver    [van   stoffen]. 
dynamite  ['dainamait]  dynamiet  o. 
dynamo  ['dainsmou]   dynamo. 
dynasty  ['dinssti]   dynastie. 


E 


e   [i:]    (de  letter)   e. 

each    [i:tj]    elk,    ieder;    —    other,    el- 

kander. 
eager    ['i:g3]    vurig,    begerig;    verlan- 

gend;   gretig;   onstuimig. 
eagle   ['i:gl]   arend,  adelaar. 
ear   [ia]   oor  o\  aar. 
ear-drop    ['iadrop]    oorbelletje   o. 
ear-drum  ['iadiAm]  trommelvlies  o. 
earl   [a:!]   graaf. 
early   ['3:Ii]   vroeg;  vroegtijdig;   spoe- 

dig;   bijtijds;   an    hour   — ,   een   uur 

te   vroeg;    as    ■ — '    as   Aiay,    reeds    in 

mei;    ■ — '    next  month,   in   het  begin 

van  de  volgende  maand. 
earmark   ['iaraaik]    (merk)teken  o\  vt 

merken;    [gelden]    bestemmen. 
earn    [am]    verdienen,   verkrijgen;   be- 

zorgen   [iemand  iets]. 
earnest    ['ainist]    ernst;   be  in    — -,   het 

menen;     in    good     {sober)     ■ — ■,     in 

alle  ernst;  aj  ernstig. 
earnings   ['a:nii)z]   verdienste(n). 
earphone(s)    ['iafoun(z)]    koptele- 

foon. 
earth   [a:6]    aarde,  grond. 
earthen    ['a:9n]   van   aarde,   aarden. 
earthenware   ['a:6nw£a]   aardewerk  o. 
earthly    ['a;01i]    aards. 
earthquake  ['a:6kweik]   aardbeving. 
earthwork  ['a:6wa:k]  grondwerk  o. 
earwig    ['iawig]    oorworm. 
ease   [i:z]    rust,  gemak  o,  verlichting; 

ongedwongenheid;    at    ■ — •,    op    zijn 

gemak;   vt  geruststellen;   verlichten; 

verminderen. 
easel   ['i:zl]    schildersezel. 


easiness    ['i:zinis]    gemakkelijkheid. 
East    [i;st]    oosten   o\   aj  oost(elijk). 
Easter   ['i:sta]   Pasen;  aj  paas-,  Paas-. 
eastern  ['i:stan]  costers;  oostelijk, 

oosten-,  oost-. 
East-Indies    [i:st'indiz]    the  — ,  Oost- 

Indie   o. 
easy    ['i:zi]    gerust;    gemakkelijk;    on- 

gedwongen;  kalm;  welgesteld;  in  — 

circujnstances,  in  goeden  doen,  wel- 
gesteld. 
easy   chair    ['i:zi'tje3]    leunstoel. 
eat    [i:t]    (op)eten. 
eatable    ['i:tabl]    eetbaar. 
eaten   ['i:tn]   V.D.  v.  eat. 
eater    ['i:ta]    eter. 
eavesdropper    ['i:vzdr)pa]    luister- 

vink. 
ebb    [eb]    eb(be);   vi  ebben. 
ebony  ['ebani]   ebbehout  o. 
eccentric    [ek'sentrik]    excentriek. 
ecclesiastical   [ikli:zi'£estikl]   geeste- 

lijk,  kerkelijk. 
echo    ['ekou]    echo;    vt  weerkaatsen; 

herhalen;  vi  weerklinken. 
eclipse    [i'klips]    verduistering;   vi 

verduisteren;  overschaduwen. 
economic   [iika'mmik]    economisch, 

(staat)huishoudkundig;    ■ — 'S, 

( staat)  huishoudkunde. 
economical    [i:ka'nDmikl]    spaarzaam, 

zuinig,   zuinigheids-,   economisch. 
economist    [i'ksnamist]    (staat)huis- 

houdkundige. 
economize    [i'konamaiz]    (be)sparen, 

bezuinigen,   zuinig  zijn  met. 
economy    [i'konami]     huishoudkunde, 


ecstasy 


78 


elaboration 


economic,  bedrijfsleven  o\  spaar- 
zaamheid,  zuinigheid;  besparing,  be- 
zuiniging;  political  — ,  staathuis- 
houdkunde. 

ecstasy   ['ekstasi]   verrukking. 

eddy  ['edi]  draaikolk;  wervelwind;  vi 
rbnddwarrelen,  weivelen. 

edge  [edj]  sne(d)e,  scherp  o,  scherp- 
te;  rand,  kant,  zoom;  vt  scherpen; 
omzomen;  schuiven,  dringen; 
in  a  word  about...,  handig  een 
woordje  plaatsen  over;  ■ —  a  n,  aan- 
zetten,   ophitsen. 

edging    ['edjit]]    rand;    boordsel    o. 

edible   ['edibl]    eetbaar. 

edification    [edifi'keijon]    opbouw, 
stichting. 

edifice   ['edifis]   gebouw  o. 

edify    ['edifai]    opbouwen,   stichten. 

edifying    L'edifaiir)]    stichtelijk. 

edit   ['edit]   bewerken;  redigeren. 

edition    [i'dijan]    uitgaaf,    druk. 

editor    ['edita]     bewerker;    redacteur. 

editorial  [edi'tDirial]  hoofdartikel  o\ 
a]  redactioneel. 

educate  ['edjukeit]  opvoeden. 

education  [edju'keijan]  opvoeding, 
ontwikkeling,  onderwijs  o. 

eel   [i;I]   aal,  paling. 

efface    [i'feis]    uitwissen. 

effect  [i'fekt]  (uit)werking,  gevolg 
o,  effect  o;  ■ — s,  bezittingen,  goed 
o,  goederen;  {a  notice')  to  the  — 
that...,  inhoudende;  assurances  to 
this  — ,  in  deze  geest  (zin);  vt  uit- 
werken,  teweegbrengen,  bewerkstel- 
ligen,  tot  stand  brengen,   uitvoeren. 

effective  [i'fektiv]  werkzaam,  krach- 
tig;    doeltreffend;    van    kracht. 

effectual  [i'fektjusl]  krachtig;  doel- 
treffend;  van   kracht. 

effeminate    [i'feminit]    verw'ijfd. 

effervesce  [efs'ves]  mousseren,  (op)- 
bruisen. 

efficacious  [efi'keijss]  werkzaam, 
doeltreffend,  probaat. 

efficiency  [i'fijansi]  kracht (dadig- 
heid),  doeltreffendheid;  geschikt- 
heid;  nuttig  effect  o. 


efficient    [i'fijant]    werkend,    kracht- 

(dadjig,   doeltreffend;  geschikt. 
effigy   ['efid3i]   afbeeldsel  o,  beeld  o. 
effort    ['efat]    poging,   inspanning. 
effrontery   [e'ftAntari]   onbeschaamd- 

heid. 
e.g.    =   for  instance,  bijvoorbeeld. 
egg   [eg]   ei  o;  vt  in:   —   on,  aanzet- 

ten,   ophitsen. 
egg-cup    E'egkAp]    eierdopje   o. 
egg-shell  ['egjel]   eierschaal. 
egg-spoon  ['egspu:n]  eierlepeltje  o. 
eglantine    ['egl^ntain]    egelantier. 
egoism    ['egouizmj    ego'isme    o,    zelf- 

zucht,    eigenbaat. 
egoist  ['egouist]  egoist. 
egoistic   [egou'istik]   egoi'stisch. 
egress   ['i;gres]   uitgang. 
Egypt    ['iidsipt]    Egypte    o. 
Egyptian    [i'd3ipj"3n]    Egyptenaar;    aj 

Egyptisch. 
eider-down    ['aidadaun]    eiderdons   o\ 

dekbed  o    (van   donsj. 
eight    [eit]    acht. 
eighteen   ['ei'tiin]   achttien. 
eighteenth   ['ei'tirnO]    18e   (deel  o). 
eighth    [eit9]    achtste    (deel    o). 
eightieth  ['eitii9]   tachtigste  (deel  o). 
eighty    ['eiti]    tachtig. 
either   ['aiSa,  'iiSa]    (een  van)   beide; 

de  een  zowel  als  de  andere;   ■ —    of 

us,   een   onzer;    ■ — ...or,    (of)...    of; 

/■/...    /•■//   not  go   &.   — ,   dan  ga   ik 

ook  niet. 
eject    [i'd3ekt]    uitvA'erpen;    (met  ge- 

weld)   uitzetten. 
ejection    [i'dsekjan]    uitwerping; 

uitzetting. 
ejection   seat    [i'dsekjansiit]    schiet- 

stoel. 
eke    [i:k]    —   out,   aanvullen,   rekken; 

—  out  a  livelihood,  zijn  kostje  bij- 

eenscharrelen. 
elaborate   [i'lasbarit]    doorwrocht,  uit- 

gewerkt;  ingewikkeld;  uitgebreid, 

uitvoerig;    [i'lsebareit]    vt  nauwkeu- 

rig,  grondig  uit-,  bewerken. 
elaboration  [ilaeba'reijan]    (grondige) 

uit-,  bewerking. 


elapse 

elapse  [i'laeps]  verlopen,  verstrijken. 
elastic    [i'lasstik]    elastiek   o\   aj  veer- 

krachtig,    elastisch;    rekbaar. 
elasticity   [ilaes'tisiti]    veerkracht,  rek- 

baarheid. 
elate(d)    [i'leit(id)]    opgeblazen;    op- 

getogen. 
elation   [i'leijsn]   opgeblazenheid;  op- 

getogenheid. 
elbow    ['elbou]    elleboog;    bocht;    vt 

met  de  ellebogen  duwen,  dringen. 
elder  ['elds]  vlier;  oudere;  ouderling; 

a]   Guder,   oudste    [v.   twee]. 
elderly  ['eldali]    (enigszins)  bejaard. 
eldest    ['eldist]    oudste. 
elect  [i'lekt]    (ver)kiezen  (tot);  «/ 

(uit)verkoren,   gekozen. 
election    [i'lekjsn]    keus,    verkiezing. 
elector   [i'lekta]    kiezer;   keui-vorst. 
electoral    [i'lektsrsl]    kies-,    kiezers-, 

verkiezings-;    keurvorstelijk. 
electorate    [i'iektarit]    kiezerscorps    o\ 

keurvorstendom   o. 
electric   [i'lektrik]    elektrisch. 
electrical   [i'lektrikl]   elektrisch;   elek- 

triseer-;    '~-    engineer,  elektrotechni- 

cus;  —  engineering,  elektrotechniek. 
electrician    [ilek'trijan]    elektricien. 
electricity   [ilek'trisiti]   elektriciteit. 
electrification    [ilektrifi'keijsn]    elek- 

trisering;    elektrificatie. 
electrify    [i'lektrifai]    elektriseren; 

elektrificeren. 
electron   [i'lektrDn]   elektron  o. 
electronic  [ilek'tronik]   elektronisch; 

— s,   elektronica. 
elegance   ['eligans]   sierlijkheid,  be- 

valligheid. 
elegant   ['eligant]    sierlijk,  bevallig. 
elegy    ['elidsi]    treurzang. 
element  ['elimant]  grondstof;  bestand- 

deel  o,  element  o\  '-^s,  ook:   begin- 

selen. 
elementary     [eli'mentsri]     elementair, 

begin-,  aanvangs-,  grond-;  ■ — •  school, 

lagere    school. 
elephant  ['elifsnt]  olifant. 
elevate    ['eliveit]    (op)heffen,   verhef- 

fen;  opslaan  [ogen];  opwekken;  ver- 


79  emaciation 

edelen. 
elevated   ['eliveitid]   verheven;   — 

railway,   luchtspoorweg. 
elevation   [eli'veijan]   op-,  verheffing, 

verhoging,  hoogte,  verhevenheid. 
elevator   C'eliveits]   elevator;  lift. 
eleven    [i'levn]    elf;   elftal   o. 
eleventh    [i'levnB]    elfde;    at    the    — 

hour,   ter  elfder  ure. 
elf    [elf]    elf,   fee. 
elfin  ['elfin]   elf;  a]  zie  elfish. 
elfish    C'elfiJ]    elfachtig,  elf  en-;  jig 

ondeugend. 
eligibility    [elidsi'biliti]    (ver)kies- 

baarheid;  geschiktheid,  aannemelijk- 

heid,  wenselijkheid. 
eligible   ['elidsibl]    (ver)kiesbaar;  ge- 

schikt,    aannemelijk,    wenselijk. 
eliminate    [i'limineit]    wegwerken; 

buiten    beschouwing    laten,    uitscha- 

kelen. 
elimination    [ilimi'neijon]    wegwer- 

king,    verw'ijdering,    terzijdestelling, 

uitschakeling. 
ell    [el]    el. 

ellipse    [i'lips]    ellips;    uitlating. 
elm   [elm]   olm,  iep. 
elope    [i'loup]    weglopen,    zich    laten 

schaken   (door,  with). 
elopement    [i'loupmsnt]    weglopen   o\ 

vlucht,  schaking. 
eloquence    ['ebkwsns]    welsprekend- 

heid. 
eloquent    ['ebkwant]    welsprekend. 
else   [els]   anders. 
elsewhere  ['els'wEa]   ergens  anders, 

elders. 
elucidate   [i'l(j)u:sideit]  ophelderen, 

toelichten;  verklaren. 
elucidation    [il(j)u:si'deij3n]    ophel- 

dering,   toelichting,  verklaring. 
elude   [i'l(j)u:d]    ontgaan;  ontwijken, 

ontduiken. 
elusive  [i'l(j)u:siv]  ontwijkend;   (aan 

alle  nasporing)   ontsnappend. 
emaciate   [i'meijieit]  vermageren,  uit- 

teren. 
emaciation   [imeiji'eijsn]   vermage- 

ring,   uittering. 


emanate 

emanate   ['emaneit]    —    from,    voort- 

vloeien,    voortkomen    uit,    uitgaan 

van,    afkomstig    zijn    van. 
emancipate    [i'maensipeit]    bevrijden, 

vrijiaten,  vrijmaken. 
emancipation    [imasnsi'peij'an]    bevrij- 

ding,  vrijlating,  vrijmaking. 
embalm  [em'ba:m]  balsemen. 
embankment    [em'basrjkmant]    indij- 

king;     (spoor)  dijk;    kade. 
embargo   [em'ba:gou]   beslag  o. 
embark    [em'bark]     (zich)    inschepen: 

—    on    {upon),   zich  wagen    (bege- 

ven)    in,   beginnen  aan. 
embarkation    [emba/keijan]    insche- 

ping. 
embarrass  [em'baeras]  verlegen  maken. 

verwarren,    in    verwarring   brengen; 

hinderen,   belemmeren. 
embarrassment    [em'hsrasmant] 

(geld)verlegenheid,    verwarring; 

moeilijkheid. 
embassy  ['embasi]  ambassade;  gezant- 

schap  o. 
embed    [em'bed]    insluiten,    (vast)zet- 

ten,    (vast)leggen. 
embellish    [em'belij]    versieren,   ver- 

fraaien. 
embellishment   [em'bclijmsnt]   ver- 

siering,    verfraaiing. 
embers   ['embsz]   as,  gloeiende  kolen 
embezzle   [em'bezl]  verduisteren. 
embezzlement    [em'bezlmant]   ver- 

duistering. 
embitter   [em'bita]  verbitteren;  ver- 

gallen;   verergeren. 
embitterment    [em'bitamsnt]    verbit- 

tering;  vergalling;  verergering. 
emblem  C'embbm]  zinnebeeld  o. 
embodiment    [em'bDdimant]    belicha- 

ming. 
embody    [em'bDdi]    belichamen;    be-, 

omvatten. 
embrace   [em'breis]   omhelzing;  vt 

omhelzen;   omvatten. 
embrocation    [embrs'keijan]    wrijf- 

middel   o,   smeersel   o. 
embroider  [em'bnida]   borduren. 


80  employee 

embroidery   [em'brDidari]    borduur- 

werk  o,  borduursel  o. 
emerald    ['emsrsld]    smaragd  o   [stof- 
naam],     smaragd     m      [voorwerps- 
naam]. 
emerge   [i'maidj]   opduiken,  oprijzen; 
te  voorschijn  komen;  naar  voren  ko- 
men;  blijken. 
emergency    ['i'maidssnsi]    onver^'ach- 
te  gebeurtenis;  moeilijke  omstandig- 
heid;    noodtoestand;   in    case   of   ~-, 
in  an  — ,  in  geval  van  nood. 
emergency  door  [i'm3:d33nsid3:] 

nooddeur. 
emergency  meeting   [i'm3:d33nsimi:- 

tirj]    spoedvergadering. 
emery-paper    ['emsripeipa]    schuur- 

papier  o. 
emigrant   ['emigrant]   emigrant,  land- 

verhuizer. 
emigrate    ['emigreit]    emigreren,    uit 

bet   land   trekken,    uitw,'ijken. 
emigration    [emi'greijan]    emigratie. 
eminence    ['eminans]    hoogte,   groot- 
heid,    verhevenheid,    uitstekendheid, 
uitmuntendheid;   eminentie. 
eminent    ['eminant]    hoog,   verheven, 

uitstekend,   uitnemend,   eminent. 
emissary    ['emisari]     (af)gezant. 
emit    [i'mit]    uitzenden;    uit-,   voort- 
brengen    [geluid];    uiten;    uitgeven, 
uitvaardigen. 
emolument    [i'maljumant]    honorari- 
um o,   (bij)verdienste. 
emotion    [i'moujan]    ontroering. 
emperor    ['emparaj    keizer. 
emphasis    ['emfasis]    nadruk,   klem. 
emphasize  ['emfasaiz]  de  nadruk  leg- 
gen  op. 
emphatic    [em'fstik]    uit-,    nadrukke- 

lijk,  met  klem. 
empire   ['empaia]    (keizer) rijk  o,  im- 

perium  o;  heerschappij. 
employ  [em'pbi]  dienst;  werk  o;  vt 
gebruiken;  in  dienst  hebben,  te  werk 
stellen;  be  ■ — ed  on,  bezig  zijn  met 
(aan). 
employee  [empbi'i:]  employe;  werk- 
nemer. 


employer 


employer  [em'pbia]  werkgever,  pa- 
troon. 

employment  [em'pbimant]  gebruik  o, 
aanwending;  tewerkstelling;  werkge- 
legenheid;  bezigheid,  werk  o,  be- 
roep  o. 

empower   [em'paua]   machtigen. 

empress    ['empris]    keizerin. 

emptiness    ['em(p)tinis]    ledigheid, 
leegte. 

empty  ['em(p)ti]  ledig,  leeg  (hoof- 
dig);  ijdel;  —  oj,  ontbloot  van, 
zonder;  vt  ledigen,  leegmaken,  uit- 
halen;  vi  leeglopen,  zich  uitstorten. 

emulate  ['emjuleit]  wedijveren  met. 

emulation    [emju'leijsn]    wedijver. 

enable    [e'neibl]    in    staat   stellen. 

enamel  [e'naemsl]  email  o\  vt  email- 
leren. 

encamp    [en'k^emp]    kamperen. 

enchant  [en'tjaint]  betoveren;  beko- 
ren,   verrukken. 

enchantment  [en'tjaintmsfit]  betove- 
ring,    bekoring,    verrukking. 

encircle  [en's3:kl]  omringen,  omslui- 
ten,  omsingelen. 

enclose    [en'klouz]    om-,    insluiten, 
omheinen,    omringen. 

enclosure  [en'klou33]    (om)heining; 
besloten  ruimte;  bijiage   (ingesloten 
brief  &). 

encompass  [en'kAmpas]  omgeven,  om- 
ringen, omsluiten;  om-,  bevatten. 

encore   [Dri'ks:]   bis  o;  vt  bisseren. 

encounter    [en'kaunts]    ontmoeting; 
treffen  o,  gevecht  o;  vt  ontmoeten, 
aantreffen,    (onder)vinden. 

encourage   [en'kArids]    aanmoedigen. 

encouragement  [en'kAridsmsnt]  aan- 
moediging. 

encroach  [en'kroutj]  inbreuk  maken; 
zich  indringen,  veld  winnen. 

encumber   [en'kAmba]    belemmeren, 
hinderen;   bezwaren. 

encumbrance  [en'kAmbrsns]  belemme- 
ring,  hindernis,  last;  hypotheek. 

encyclopaedia  [ensaikb'piidis]  ency- 
clopedic. 

end    [end]    eind(e)    o\    (eind)doel   o\ 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


>1  engage 

no  —  oj...,  massa's,  hopen...;  ...bij 

de  vieet;  make  both  -^j  meet,  kun- 

nen    rondkomen;     in    the     — ,     ten 

slotte;   op   den  duur;   on   ■ — ,   over- 

eind;   achter  elkaar;   t  o   no    ■ — ■,   te- 

vergeefs;    to    what    '-~?,    waarvoor, 

waartoe?;   vt  &  vi  eindigen. 
endanger   [en'dein(d)33]    in  gevaar 

brengen. 
endear   [en'dis]    bemind    (dierbaar) 

maken. 
endearing   [en'diarir)]   innemend;   lief, 
endeavour    [en'deva]    poging,   streven 

o\    vi    trachten,    pogen,    streven. 
ending   ['endir|]   einde  o\  uitgang   [v. 

woord]. 
endive    ['endiv]    andijvie. 
endless    ['endlis]    eindeloos. 
endorse  [en'dsrs]  endosseren;  //';?  steu- 

nen,  onderschrijven,  bevestigen. 
endorsee    [endoi'si:]    geendosseerde. 
endorsement    [eo'dsismant]    endosse- 

ment  o. 
endorser   [en'dDisa]    endossant. 
endow    [en'dau]    begiftigen. 
endowment  [en'daumant]  begiftiging, 

schenking;  gave,   talent  o. 
endurance    [en'djuarsns]    geduld    <?; 

uithoudingsvermogen    o. 
endure  [en'djua]  verduren,  verdragen, 

lijden,   dulden,   iiithouden;    (voortj- 

duren,   blijven    (bestaan). 
enemy    ['enimi]    vijand. 
energetic   [ena'dsetik]   energiek. 
energy    ['ensdsi]    energie. 
enervate   ['enaveit]   ontzenuwen,  ver- 

slappen,   verzwakken. 
enfeeble    [en'fi:bl]   verzwakken. 
enfeeblement   [en'firblmant]  verzwak- 

king. 
enforce   [en'fDis]   afdwingen,  dwingen 

tot;    kracht   bijzetten;    uitvoeren,    de 

hand  houden  aan. 
enforcement   [en'fDismant]    handha- 

ving,    uitvoering;    dwang. 
enfranchise  [en'fr£en(t)J'aiz]  bevrijden, 

vrijmaken;   het  burgerrecht  of  kies- 

recht  verlenen. 
engage   [en'geids]  verbinden,  engage- 


engagement 

ren,  aannemen,  in  dienst  nemen;  in 
beslag  nemen;  huren,  bespreken 
[plaatsenj;  (in  de  strijd,  in  het  ge- 
sprek)  wikkelen;  aanvailen;  grijpen 
in;  inschakelen;  -~  in,  zich  bege- 
ven  in,   zich   bezighouden  met. 

engagement  [en'geidsmant]  verplich- 
ting,  verbintenis,  afspraak;  enga- 
gement o,  verloving;  bezigheid; 
treffen  o,  gevecht  o\  be  under  an 
— ,  zijn  woord  gegeven  hebben; 
without    — ,    vrijblijvend. 

engaging    [en'geid3ir|]    innemend. 

engender    [en'd3end3]    voortbrengen, 
veroorzaken. 

engine  ['endsin]  machine;  locomotief; 
motor;  jig   middel   o. 

...-engined   ['endsind]    ...motorig. 

engine-driver  ['endsindraiva]  machi- 
nist. 

engineer  [endsi'nis]  ingenieur;  tech- 
nicus;  machinist;  jig  bewerker; 
(Royal)  Engineers,  genie (troepen); 
vt  jig  op  touw  zetten,  (weten  te) 
bewerken. 

engineering    [endsi'nisrirj]     (werk- 
tuig)bouwkunde;     techniek;     — 
works,  machinefabriek. 

England  ['iggbnd]   Engeland  o. 

English  ['igglij]  het  Engels;  the  — , 
de  Engelsen;  aj  Engels. 

Englishman    ['irjglijman]    Engelsman. 

Englishwoman   ['irjglijwuman]    En- 
gelse. 

engrave  [en'greiv]  graveren;  griffen. 

engraver    [en'greivs]    graveur. 

engraving   [en'greivii]]   gravure. 

engross  [en'grous]  — ed  in,  verdiept 
in;   — ing,  jig  boeiend. 

engulf    [en'gAlf]    verzwelgen. 

enhance  [en'ha:ns]  verhogen,  verhef- 
fen,   vermeerderen,   vergroten. 

enigma  [i'nigma]   raadsel  o. 

enigmatic(al)  [enig'm£tik(])]  raad- 
selachtig. 

enjoin  [en'dsDin]  opleggen,  gelasten; 
—    upon,   op   het  hart   drukken. 

enjoy  [en'dssi]  genieten  (van);  • — 
oneselj,  zich  amuseren;  genieten. 


82  enter 

enjoyable   [en'dsDiabl]  genoeglijk;  ge- 

nietbaar. 
enjoyment  [en'dsDimant]   genot  o,  ge- 

noegen  o. 
enlarge    [en'la:d3]    vergroten;   verrui- 

men;  ■ — ■  upon,  uitweiden  over. 
enlargement  [en'laidjmant]  vergro- 

ting;    verruiming;    uitweiding. 
enlighten   [en'laitn]  verlichten;  jig 

in-,   voorlichten,    verhelderen. 
enlist    [en'list]    (aan)werven;    dienst 

nemen   [als  soldaat]. 
enlistment    [en'listmant]    werving; 

dienstneming. 
enliven    [en'laivn]    verlevendigen,   op- 

vrolijken,  opwekken. 
enmity   ['enmiti]    vijandschap. 
ennoble  [e'noubl]   veredelen,  adelen. 
enormous    [i'noimas]    enorm,    ontzag- 

lijk,    kolossaal. 
enough   [i'nAf]    genoeg;   well   ^~^ ,  vrij 

goed;    heel    (zeer)    goed. 
enquire,   zie  inquire. 
enrage    [en'reids]    woedend  maken. 
enrapture    [en'rasptja]    verrukken. 
enrich    [en'ritj]   verrijken. 
enroll    [en'roul]    inschrijven;   aan- 

monsteren,  aanwerven. 
ensign    ['ensain]    vaandel    o,    vlag; 

vaandrig. 
enslave   [en'sleiv]    tot  slaaf  maken. 
ensnare    [en'snea]    verstrikken. 
ensue    [en'sju:]    volgen,    voortvloeien 

(uit,  jrom). 
ensure    [en'Jus]    verzekeren;    waar- 

borgen. 
entail  [en'teil]  meebrengen. 
entangle  [en'taeggl]  in  de  war  maken, 

verwarren,  verstrikken. 
entanglement   [en'tserjglmant]   verwik- 

keling,  verwarring;    (draad)versper- 

ring. 
enter   ['enta]   binnentreden,  ingaan, 

binnengaan,   binnenkomen;   zich   be- 

geven  in;   boeken;    (laten)    inschrij- 
ven;   aangeven;    inklaren;    opkomen 

[acteur];  —    into,    aangaan,    aan- 

knopen,    beginnen;    ingaan    op,   zich 

verplaatsen    in,    voelen    voor;     deel 


enterprise 


83 


equator 


uitmaken   van,    te   pas    komen    aan; 

• — ■    upon,    aanvaarden;    beginnen. 
enterprise  ['entapraiz]   onderneming, 

waagstuk    o\    ondernemingsgeest, 

initiatief  o. 
enterprising    ['entspraizirj]    onderne- 

mend. 
entertain  [enta'tein]  onderhouden,  ont- 

vangen,  onthalen;  bezighouden,  amu- 

seren;    ingaan   op    [voorstel];    koes- 

teren   [gevoelens]. 
entertainer  [ents'teins]  gasthcer;  in  't 

openbaar  optredende  goochelaar   &. 
entertainment  [enta'teinmant]  onthaal 

o,   partij,  vermakeliikheid. 
enthrall    [en'Gro:!]    tot    slaaf    maken; 

jig  betoveren;  boeien. 
enthrone    [en'0roun]    op    do   troon 

plaatsen. 
enthusiasm    [en'Ojuiziszm]    enthousi- 

asme   o,  geestdrift. 
enthusiast   [en'9ju:zi£est]    enthousiast. 
enthusiastic    [eoGjuizi'sestik]    enthou- 
siast, geestdriftig. 
entice    [en'tais]    (ver)lokken,   verlei- 

den. 
entire    [en'taia]     (ge)heel,    volkomen; 

gaaf. 
entitle  [en'taitl]  noemen,  betitelen;  — 

to,   recht,    aanspraak  geven   op. 
entrails    ['entreilz]    ingewanden. 
entrance  ['entrans]  ingang,  entree,  op- 

komen     o,     binnenkomst;     toegang; 

aanvaarding   [v.   ambt];    [en'tra:ns] 

vt  verrukken. 
entreat   [en'tri:t]    bidden,   smeken. 
entreaty   [en'tri:ti]    (smeek)bede. 
entrench   [en'trenj']   verschansen. 
entrenchment   [en'trenjmant]   ver- 

schansing,  schans. 
entrust    [en'trASt]    •~    /'/   to    him,    ■ — ' 

him    with    it,    het    hem    toevertrou- 

wen. 
entry    ['entri]    intocht;    ingang;    toe- 
gang;  intrede;  inschrijving;  boeking, 

post;  declaratie. 
enumerate    [i'njuimareit]    opsommen, 

(op)tellen,  opnoemen. 
enumeration    [injuima'reijan]    opsom- 


ming,    (op)  telling, 
enunciate    [i'nAnJieit]    verkondigen, 

verklaren,    uiten. 
envelop    [en'velap]    (om)hullen,   om- 

wikkelen,    (in)wikkelen. 
envelope    ['envaioup]     (om)hulsel    o; 

enveloppe,    omslag. 
envenom   [en'venam]  vergiftigen. 
enviable    ['enviabl]    benijdenswaar- 

d(ig). 
envious    ['envias]    afgunstig. 
environ    [en'vaiaran]    omringen;    om- 

geven. 
environment    [en'vaiaranmant]    omge- 

ving,   milieu   o. 
environs   [en'vaiaranz,  'enviranz]   om- 

streken. 
envisage    [en'vizids]    onder    het    oog 

zien;    beschouwen;    overwegen. 
envoy    ['envai]    (af)gezant. 
envy    ['envi]    nijd,    afgunst;    vt   benij- 

den,   misgunnen. 
epic   ['epik]   heldendicht  o,  epos  o;  aj 

episch. 
epidemic   [epi'demik]    epidemic;   aj 

epidemisch. 
epilepsy    ['epilepsi]    vallende   ziekte. 
epilogue    ['epibg]    naschrift    o,    slot- 
rede. 
episcopal  [i'piskapal]  bisschoppelijk. 
episode   ['episoud]  episode. 
epistle    [i'pisl]    brief,  epistel   o  of  m. 
epitaph    ['epita:f]    grafschrift    o. 
epithet    L'epiOet]    benaming,    bij-, 

toenaam. 
epoch    ['iipak]    tijdperk   o\   tijdstip   o. 
equal  ['iikwal]  gelijke,  weerga;  aj  ge- 

lijk(matig),  de-,  hetzelfde;   —  vote, 

staking   van   stemmen;    —    to,   ook: 

opgewassen    tegen;    vt    gelijkmaken; 

gelijk  zijn  aan,  evenaren,  gelijken. 
equality   [i'kwDliti]   gelijkheid. 
equalization    [iikwalai'zeijan]   gelijk- 

making. 
equalize    ['i:kwalaiz]    gelijkmaken. 
equanimity    [irkwa'nimiti]    gelijkmoe- 

digheid. 
equation  [i'kweijan]  vergelijking. 
equator    [i'kweita]    evenaar. 


equestrian 


84 


estuary 


equestrian   [i'kwestrian]    ~  statue, 

ruiterstandbeeld   o. 
equilateral  [iikwi'lEetsral]  gelijkzijdig. 
equilibrist    [i:'kwilibrist]    koorddan- 

ser,  balanceerkunstenaar. 
equilibrium  [iikwi'libriam]  evenwicht 

o. 
equip   [i'kwip]    toe-,  uitrusten. 
equipment   [i'kwipmant]    toe-,  uitrus- 

ting. 
equitable    ['ekwitsbl]    billijk;    onpar- 

tijdig. 
equity  ['ekwiti]   billijkheid. 
equivalence   [i'kwivsbns]    gelijkwaar- 

digheid. 
equivalent  [i'kwivabnt]  equivalent  o; 

a]   gelijkwaardig. 
equivocal    [i'kwivaki]    dubbelzinnig; 

twijfelachtig;   verdacht. 
equivoke,  equivoque   ['ekwivouk] 

dubbelzinnigheid. 
era   ['isrs]    jaartelling;  tijdperk  o, 

periode. 
eradicate  [i'raedikeit]  ontwortelen; 

uitroeien. 
eradication   [iraedi'keijan]    ontworte- 

ling;    uitroeiing. 
erase  [i'reis]  uitschrappen,  doorhalen, 

uitwissen;   wegvegen. 
erasure    [i'reiss]    uitschrapping,   door- 
haling,   uitwissing. 
ere   [ea]   eer,  voordat. 
erect    [i'rekt]    opgericht,    recht(op), 

overeind(staand);    vt    oprichten, 

bouwen,   opzetten. 
erection    [i'rekjan]   oprichting. 
Erin   ['erin]    Erin:   lerland  o. 
ermine   ['3:min]    hermelijn   m    [dier], 

hermelijn  o   [bont]. 
erode    [i'roud]    wegvreten. 
erosion    [i'rou33n]    wegvreting. 
err   [a:]    dolen,   dwalen;   een  fout  be- 

gaan,  zich  vergissen;  falen. 
errand   ['ersnd]   boodschap;  go   {run) 

— s,  boodschappen  doen. 
errant   ['erant]    (rond)dwalend,  zwer- 

vend,  dolend. 
erroneous    [e'rounjss]    onjuist. 
error  ['era]   dwaling;  vergissing,  fout. 


erupt  [i'rApt]  uitbarsten  [vulkaan]. 

eruption  [i'rApJan]  uitbarsting;  uit- 
slag   [v.  huid]. 

erysipelas    [eri'sipilas]    roos    [huid- 
ziekte]. 

escape    [is'keip]    ontsnapping,   ont- 
vluchting;    lek    o    [van   gas];    make 
one's    ■ — ■,    ontsnappen;    vi   ontsnap- 
pen,  ontkomen,  ontglippen. 

escort  ['eskD:t]  (gewapend)  geleide  o; 
[\s'\a:t]    vt    escorteren,    begeleiden. 

especial   [is'pejsl]   bijzonder,  speciaal. 

especially  [is'pejali]  (in  het)  bijzon- 
der,  vooral. 

espionage    ['espisnids]    spionage. 

Esq.  =  esquire  [is'kwaia]  Robert 
Bell  ~,  de  Weledele  Hear  R.  Bell. 

essay  ['esei]  proef (neming);  proeve, 
verhandeling;  poging;  vt  [e'sei]  be- 
proeven;  op  de  proef  stellen. 

essence  ['esans]   wezen  o\  essence. 

essential    [i'senjal]    wezenlijk,    vol- 
strekt  noodzakelijk,  essentieel. 

establish  [is'tasblij"]  vestigen,  oprich- 
ten, stichten,  instellen;  tot  stand 
brengen;  vaststellen,  (met  bewijzen) 
staven;  an  — ed  fact,  een  voldon- 
gen  feit. 

establishment  [is'tseblijmsnt]  vesti- 
ging,    oprichting,    stichting,    instel- 
ling;  vaststelling,  staving;  personeel 
o\  formatie,   sterkte. 

estate  [is'teit]  staat;  rang;  (land)- 
goed  o;  land  o,  terrein  o,  bezitting; 
plantage,  onderneming;  housing  — , 
(nieuwe)  woonwijk;  real  — ,  onroe- 
rende  goederen. 

esteem  [is'ti:m]  achting,  waardering; 
vt    achten,    schatten,    waarderen. 

estimate  ['estimit]  schatting,  raming, 
begroting,  waardering;  ['estimeit] 
vt  schatten,  waarderen;  ramen,  be- 
groten   (op,  at). 

estimation    [esti'meijan]    schatting, 
waardering,   achting;  mening. 

estrangement    [is'treind3m3nt]    ver- 
vreemding. 

estuary   ['estjuari]    (brede)    monding 
[v.   rivier]. 


etch 


85 


exact 


etch   [etj]   etsen. 

etching   ['etjirj]   ets. 

eternal  [i'tainal]   eeuwig(durend). 

eternity  [i'tarniti]  eeuwigheid. 

ethic(al)    ['eeik(l)]   ethisch. 

ethics    ['e9iks]    ethica. 

etiquette  [eti'ket]  etiquette. 

etui   [e'twi:]   etui  o,  foedraal  o. 

eulogize  ['juibdsaiz]  prijzen,  roemen, 

loven. 
eulogy    ['juibdsi]    lofrede,    lofspraak. 
Europe   ['juarsp]   Europa  o. 
European    [jusra'pian]    Europeaan;   aj 

Europees. 
evacuate    [i'vsekjueit]    ledigen,    lozen; 

evacueren,    (ont)ruimen. 
evacuation   [ivaekju'eijan]   lediging, 

lozing,  evacuatie,  ontruiming. 
evacuee    [ivskju'i:]    geevacueerde. 
evade  [i'veid]   ontwijken,  ontduiken, 

ontgaan,  ontsnappen  aan. 
evaluate    [i'vseljueit]    de    waarde    be- 

palen   van. 
evangelic(al)    [i:v2en'd3elik(l)]   evan- 

gelisch. 
evaporate  [i'vsepareit]  verdampen, 

vervluchtigen,  vervliegen. 
evaporation    [ivaepa'reijan]    verdam- 

ping,   vervluchtiging. 
evasion   [i'veisan]   uitvlucht,  ontwij- 

king,   ontduiking. 
evasive    [i'veisiv]    ontwijkend. 
eve    [i:v]    vooravond. 
even  [i:vn]    (ja)   zelfs;   • — •  as  ...,  net 

toen    ...;    —    now,    zo   pas   nog;    op 

dit  ogenblik;  aj  gelijk(matig),  effen; 

even. 
evening   ['i:vnir)]    avond(stond). 
evening-dress    ['i:vnir]'dres]    avond- 

toilet  o. 
event    [i'vent]     gebeurtenis;     (sport) - 

nummer    o,    v/edstrijd;    after    the 

— ,    achteraf;    at    all    '~.r,    in    alle 

geval;   /'  n  any   — \  wat   er  ook  ge- 

beurt;  hoe  't  ook  zij,  toch;  In  either 

■ — ■,    in   beide   gevallen;    in    the    ■ — ■, 

uiteindelijk;  in  the  —  oj  his  coming, 

ingeval   hij   komt. 
eventful    [i'ventful]    rijk   aan  gebeur- 


tenissen,    veelbewogen,    belangrijk. 
eventual     [i'ventjual]     daaruit    voort- 

vloeiend;  gebeurlijk,  mogelijk, 

eventueel;    eind-. 
eventually    [i'ventjuali]    ten   slotte, 

uiteindelijk. 
ever     ['eva]     ooit,     weleens;     immer, 

eeuwig;   ■ — ■   and  again   {anon),  van 

tijd   tot   tijd;    teikens    weer;    —    so 

much,   heel  veel;   thank  you   —    so 

much!,   mijn   bijzondere    dank!;    jar 

— ,    (voor)    altijd,    eeuwig;    X    for 

'—!,  hoera  voor  X! 
everlasting    [eva'la:stii)]    eeuwig- 

(durend). 
evermore    ['eva'mD:]    (voor)    altijd, 

eeuwig. 
every   ['evri]    ieder,  elk,  al;   —   other 

day,  om  de  andere  dag. 
everybody  ['evribDdi]   iedereen. 
everyday    ['evridei]    (alle)daags. 
everyone    ['evriwAn]    iedereen. 
everything  ['evriGir]]   alles. 
everyway    ['evriwei]    in    alle    opzich- 

ten,   alleszins. 
everywhere    ['evriwSa]    overal. 
evict    [i'vikt]    uitzetten    [v.   huurder]. 
eviction    [i'vikjan]    uitzetting. 
evidence    ['evidans]    klaarblijkelijk- 

heid;    getuigenis   o   Si   v\    bewijs    o, 

bewijsmateriaal   o;   give    {bear)    — , 

getuigen,  blijk  geven    (van,  of);  vt 

bewijzen,  (aan)tonen;  getuigen  van. 
evident    ['evidant]    blijkbaar,    klaar- 

blijkelijk,   kennelijk,   duidelijk. 
evil      ['i:v(i)l]      kwaad    o,    euvel    o\ 

kwaal;     aj    slecht,    kwaad,    boos, 

snood. 
evoke    [i'vouk]    oproepen;    fig    wek- 

ken,  uitlokken. 
evolution  [i:va'l(j)u:j3n]  ontplooiing, 

ontwikkeling;  evolutie. 
evolve    [i'volv]    (zich)    ontvouwen, 

ontplooien,    ontwikkelen. 
ewe   [ju:]   ooi. 
ewer    ['jua]    lampetkan. 
exact   [ig'zaskt]   nauwkeurig,  stipt; 

juist,    precies;     afgepast;     exact;     vt 

vorderen;    eisen,    afpersen;    too 


exaction 


86 


execute 


'^ing,   te   veeleisend. 
exaction   [ig'zaskjan]   vordering,  eis; 

afpersing. 
exactitude    [ig'zaektitju:d],    exactness 

[ig'zaektnis]    nauwkeurigheid. 
exaggerate   [ig'za;d33reit]   overdrijven. 
exaggeration  [igzaed33'reij3n]  over- 

drijving. 
exalt    [ig'zDilt]    verheffen,   verhogen, 

verheerlijken. 
exaltation   [egzDil'teiJan]   verheffing, 

verhoging;    (geest)vervoering;   ver- 

heerlijking. 
exalted    [ig'zDiltid]    verheven,    hoog; 

geestdriftig. 
examination    [igzaemi'neijan]    examen 

0,  onderzoek   o,   visitatie,   ondervra- 

ging,  verhoor  o. 
examine    [ig'zsmin]    onderzoeken,  vi 

siteren;  examineren;  ondervragen. 
examinee  [igzasmi'ni:]   examinandus. 
examiner    [ig'zaemina]    examinator; 

ondervrager,   onderzoeker. 
example  [ig'za:mpl]  voorbeeld  o,  mo- 
del o;  for  — ,  bijvoorbeeld. 
exasperate    [ig'zatspsreit]    verbitteren; 

tot  het   uiterste   brengen. 
exasperation  [igzaisps'reijan]  prikke- 

ling,   verbittering,   terging. 
excavation    [ekska'veijan]    op-,    uit- 

graving,    uitholling,    holte. 
excavator   ['ekskaveita]    graafmachine. 
exceed   [ek'si:d]    overtreffen,  over- 

schrijden,    te  boven    (buiten)    gaan. 
exceeding (ly)    [ek'si:dir)(li)]    bijzon- 

der,   uiterst. 
excel    [ek'sel]    overtreffen,   uitmunten, 

uitsteken  boven. 
excellence  ['eksabns]   uitmuntend- 

heid. 
excellency  ['eksabnsi]   excellentie. 
excellent   ['ekssbnt]   uitmuntend,  uit- 

stekend. 
except    [ek'sept]    behalve,    uitgezon- 

derd;    ■ — ■    for,    behalve;    behoudens; 

I't   uitzonderen. 
excepting   [ek'septirj]    uitgezonderd. 
exception    [ek'sepjsn]    uitzondering; 

tegenwerping. 


exceptional   [ek'sepjanal]   ongemeen, 

uitzonderlijk,    bijzonder;    uitzonde- 

rings-. 
excerpt   [ek's3:pt]   aanhaling,  passage; 

vt  aanhalen. 
excess   [ek'ses]   overmaat,  overdaad, 

buitensporigheid;  overschot  o;  extra 

o;  in  —  of,  boven,  meer  dan. 
excessive  [ek'sesiv]  overdadig,  buiten- 

sporig,  buitengewoon. 
exchange    [eks'tj'ein(d)3]    om-,    uit-, 

in-,      (ver)wisseling,     railing;    ruil; 

wisselkoers;   deviezen,  valuta;  beurs; 

telefooncentrale;    vt     uit-,     inwisse- 

len,    (ver)ruilen. 
exchequer    [eks'tjeks]    schatkist. 
excise   [ek'saiz]   accijns. 
excite    [ek'sait]    aanzetten,    prikkelen, 

(op)\vekken,    aanhitsen;     opwinden. 
excitement    [ek'saitmant]    aanzetting, 

prikkeling;   aanhitsing;   opwinding. 
exclaim    [eks'kleim]    uitroepen. 
exclamation    [ekskb'meijsn]    uitroep. 
exclude  [eks'klu:d]  buiten-,  uitsluiten. 
exclusion    [eks'klu:33n]    buiten-,    uit- 

sluiting. 
exclusive  [eks'klu:siv]  uitsluitend;  ex- 

clusief;    • — '   of,  met  uitsluiting  van; 

ongerekend,  niet  inbegrepen. 
excommunicate  [ekska'mjutnikeit]  ex- 

communiceren,    in    de    ban    doen. 
excommunication   [eksksmjumi'kei- 

Jan]    excommunicatie,    (kerk)ban. 
exculpate    ['ekskAlpeit]    verontschul- 

digen,  vrijpleiten. 
exculpation   [ekskAl'peiJan]   veront- 

schuldiging,   vrijpleiten   o. 
excursion    [eks'koij'sn]    excursie,    uit- 

stapje  o,  uitweiding;  afdwaling. 
excursion    train    [eks'kaijsntrein] 

pleziertrein. 
excuse    [eks'kju:s]    verontschuldiging, 

excuus    o\     [eks'kju:z]     vt    veront- 

schuldigen,  excuseren;  vrijstellen  [v. 

lessen  &];   beg  to  be  — d,   —   one- 
self,   zich    verontschuldigen;    bedan- 

ken    [voor   uitnodiging]. 
execute  ['eksikju:t]  uitvoeren,  verrich- 

ten;    volbrengen;    voltrekken    [een 


execution 


87 


vonnis] ;   terechtstellen. 

execution    [eksi'kjiKjsn]    uitvoering, 
volbrenging;  voltrekking;  terecht- 
stelling. 

executioner   [eksi'kjutjsna]   beul. 

executive    [ig'zekjutiv]    uitvoerende 
macht;     (dagelijks)    bestuur    o;    be- 
stuurder,  leider,  hoofd  o,  directeur; 
aj   uitvoerend;    leidend. 

exemplary    [ig'zemplari]    voorbeeldig. 

exempt    [eg'zem(p)t]    ontslaan,  vrij- 
stellen;    aj  vrij(gesteld). 

exemption   [eg'zem(p) Jan]   vrijstel- 
ling. 

exercise  ['eksssaiz]  uitoefening;  oefe- 
ning,  (lichaams)beweging;  vt  uit- 
oefenen,  gebruiken;  (be)oefenen;  la- 
ten  exerceren,  drillen;  beweging  la- 
ten  nemen. 

exercise-book  ['eksasaizbuk]  schrift  o. 

exert  [eg'zsit]  aanwenden,  inspannen, 
gebruiken;   uitoefenen. 

exertion  [eg'z3:j3n]  aanwending;  in- 
spanning;  krachtige  poging. 

exhalation    [ekss'leijsn]    uitademing, 
uitwaseming,  damp. 

exhale  [eks'heil]  uitademen,  uitw^ase- 
men. 

exhaust    [eg'z3:st]    uitlaat;    vt   uitput- 
ten,  leegmaken;  grondig  behandelen 
— -'  [onderwerp] . 

exhaustion   [eg'z3:stj3n]   uitputting. 

exhaustive    [eg'zDistiv]    uitputtend, 
grondig. 

exhibit    [eg'zibit]    uitstalling;    inzen- 
ding  [op  tentoonstelling];  vt  (ver)- 
tonen,    tentoonstellen,    aan    de    dag 
leggen. 

exhibition  [eksi'bijsn]  vertoning,  ten- 
toonstelling; 77iake  an  --^  of  oneself, 
zich   (belachelijk)   aanstellen. 

exhilarate   [eg'zibreit]   opvrolijken. 

exhilaration  [egzib'reijan]  opvrolij- 
king;   vrolijkheid. 

exhort  [eg'zDit]  aan-,  vermanen. 

exhortation  [egzDi'teiJan]  aan-,  ver- 
maning. 

exigence  ['eksidsans]  '^cy  [-si]  ver- 
eiste  o,  eis;  behoefte,  nood. 


expedite 

exile    ['eksail]    verbanning,    balling- 

schap;    balling;    vt    (ver)bannen. 
exist    [ig'zist]    bestaan,   zijn. 
existence  [ig'zistsns]   bestaan  o. 
existent    [ig'zistant]    bestaand. 
exit  ['eksit]    (gaat)   af;  aftreden  o  [v. 

toneel];    uitgang;    heengaan    o 

[dood];    he   made   his    — ,   hij   ging 

been,  hij   trad  af. 
exodus    ['eksadss]    uittocht. 
exonerate   [eg'zDnsreit]   ontlasten,  ont- 

heffen;    (van   blaam)    zuiveren. 
exoneration     [egzDns'reiJan]     ontlas- 

ting,    ontheffing;    zuivering. 
exorbitance  [eg'zDrbitans]  buitenspo- 

righeid. 
exorbitant  [eg'z3:bit3nt]  buitensporig. 
exorcise    ['eksD:saiz]    bezweren    [gees- 
ten]. 
exotic   [ek'sDtik]    uitheems. 
expand  [eks'psend]   (zich)  uitspreiden, 

(zich)    uitbreiden,     (doen)     uitzet- 

ten;    (zich)    ontplooien;    toenemen. 
expanse    [eks'psens]    uitgestrektheid; 

the  —    (of  heaven),  het  uitspansel. 
expansible    [eks'psensibl]    uitzetbaar. 
expansion    [eks'psenjsn]    uitspreiding, 

uitbreiding;   uitzetting;   ontplooiing; 

uitgestrektheid. 
expansive  [eks'peensiv]  uitzettend;  uit- 

zettings-;    uitgebreid,    wijd;    expan- 

sief,   mededeelzaam. 
expatiate  [eks'peijieit]  ■^  on  {upon), 

uitweiden  over. 
expatiation   [ekspeiji'eijan]    uitwei- 

ding. 
expect  [ek'spekt]  verw'achten;  denken. 
expectancy   [ek'spektansi]   verwach- 

ting;    (voor)uitzicht    o. 
expectant    [ek'spektsnt]    af-,   verwach- 

tend;    vol    verwachting;    aanstaande 

[moeder] ;   vermoedelijk. 
expectation    [ekspek'teijgn]    af-,    ver- 
wachting,   vooruitzicht    o,    hoop. 
expedience    [eks'piidisns]    -^cy    [-si] 

gepastheid,   doelmatigheid. 
expedient    [eks'piidiant]    (red)middel 

o\  a]  gepast,   doelmatig,  dienstig. 
expedite    E'ekspidait]    bevorderen,  be- 


expedition  < 

spoedigen,    verhaasten,    (vlug)    af- 

doen. 
expedition  [ekspi'dijan]  expeditie; 

spoed. 
expeditious   [ekspi'dijas]   snel,  vlug. 
expel    [eks'pel]    uit-,   verdrijven,   ver- 

bannen,    uitzetten,   royeren. 
expend  [eks'pend]   uitgeven,  besteden, 

verbruiken. 
expenditure  [eks'penditja]  uitgeven  o, 

uitgaaf;  verbruik  o. 
expense    [eks'pens]    (on)kosten,   uit- 
gaaf;  at  the   —    oj,   ten   koste  van. 
expensive  [eks'pensiv]  kostbaar,  duur. 
experience   [eks'piarisns]   ondervin- 

ding;  ervaring;  belevenis;  vt  onder- 

vinden,    ervaren,    door-,    meemaken, 

beleven;    — d,  ervaren. 
experiment    [eks'perimant]    proef(  na- 
ming);   vt   proeven   nemen. 
experimental    [eksperi'mental]    proef- 

ondervindelijk,   proef-. 
experimentation    [eksperimen'teijan] 

proefneming. 
expert    ['eksp9:t]    deskundige,   expert; 

a]  deskundig;    [eks'pait]    bedreven. 
expiate    ['ekspieit]    boeten. 
expiation    [ekspi'eijan]    boete(doe- 

ning). 
expiration  [ekspi'reijsn]  uitademing; 

einde  o\  vervallen  o,  verstrijken  o, 

afloop,  vervaltijd. 
expire   [eks'paia]    uitademen;  de  laat- 

ste  adem  uitblazen;  aflopen,  verstrij- 
ken,  vervallen;    uitgaan. 
explain   [eks'plein]    uitleggen,  verkla- 

ren;    • — ■   away,  v/egredeneren,  goed- 

praten. 
explainable    [eks'pleinabl]    verklaar- 

baar. 
explanation   [ekpb'neijsn]  verkla- 

ring,    uitlegging. 
explanatory    [eks'plajnstari]    verkla- 

rend. 
explicit    [eks'plisit]    duidelijk,    uit- 

drukkelijk. 
explode    [eks'ploud]    ontploffen,    tot 

ontploffing  komen  (brengen),  (uit)- 

barsten;    — d    theory,     theorie,     die 


3  exquisite 

afgedaan  heeft. 
exploit    ['ekspbit]    (helden)daad,  wa- 

penfeit  o\  [eks'pbit]  vt  exploiteren; 

uitbuiten. 
exploitation  [ekspbi'teijsn]  exploi- 

tatie;   uitbuiting. 
exploration  [ekspb/reijan]  navorsing, 

nasporing,  onderzoeking. 
explore    [eks'pb:]    nasporen,    onder- 

zoeken. 
explorer   [eks'pbira]   navorser,  onder- 

zoeker;  ontdekkingsreiziger. 
explosion  [eks'ploujan]   ontploffing, 

uitbarsting. 
explosive    [eks'plousiv]    ontploffings- 

middel    o,     springstof;    aj    ontplof- 

baar,  ontploffings-,  spring-,  brisant; 

jig   opvliegend. 
export    ['eksp3:t]    uitvoer,   export; 

[eks'p3:t]    vt  exporteren. 
exportation  [ekspj/teijan]   uitvoer, 

export. 
exporter    [eks'pjita]    uitvoerder,    ex- 

porteur. 
expose  [eks'pouz]   uitstallen;  tentoon- 

stellen;    blootstellen;    belichten    [fo 

to];    jig   aan    de    kaak    stellen    [ie- 

mand],  ontmaskeren;  uiteenzetten 

[theorieen]. 
exposure   [eks'pouss]    ontbloting; 

blootstelling;    uitstalling;    ontmaske- 

ring;   belichting   [v.  foto]. 
expound    [eks'paund]    uitleggen. 
express     [eks'pres]     expresse;    expres- 

trein;  a]  uitdrukkelijk;  bepaald,  spe- 

ciaal;  expres;   vt  uitpersen;   uitdruk- 

ken,  te  kennen  geven;  vertolken. 
expression    [eks'prejan]    uitdrukking; 

uiting,  gezegde  o;   uitpersing. 
expressive  [eks'presiv]  uitdrukkend; 

expressief;  veelzeggend. 
expropriate    [eks'prouprieit]    onteige- 

nen,    ontzetten    (uit,   jior?t). 
expropriation   [eksproupri'eijsn]   ont- 

eigening. 
expulsion    [eks'pAlJon]    uit-,    verdrij- 

ving,    uitzetting,    verbanning;    weg- 

jagen   o;   royement   o. 
exquisite   ['ekskwizit]   uitgelezen,  uit 


extant 


89 


eye-witness 


gezocht,  keurig;  volmaakt. 
extant    ['ekstsnt]    bestaande,   voorhan- 

den,  aanwezig. 
extemporize   [eks'tempsraiz]   improvi- 

seren. 
extend    [eks'tend]    (zich)    uitstrekken; 

uit-,    toesteken;     (.zich)     uitbreiden; 

verlengen;   (uit)rekken;  doen  toeko- 

men,    te    beurt    doen    vallen;    verle- 

nen,  betonen;   '--'ed  order,  versprei- 

de   orde;    ■ — ing   table,    schuif-,    uit- 

trektafel. 
extension    [eks'tenjan]    uitstrekking, 

(uit)rekking,   uitbreiding,  verlen- 

ging,    uitgebreidheid;    —    table, 

schuif-,  uittrektafel. 
extensive   [eks'tensiv]    uitgebreid,  uit- 

gestrekt,   omvangrijk. 
extensively   [eks'tensivli]    op  grote 

schaal,  veel. 
extent    [eks'tent]    uitgebreidheid,    uit- 

gestrektheid,  omvang;  hoogte,  mate. 
extenuate   [eks'tenjueit]  verzachten; 

vergoelijken. 
exterior    [eks'tiaria]    uiterlijk   o;   bui- 

tenkant;    aj   uitwendig,    uiterlijk; 

buitenste,   buiten-. 
exterminate    [eks'taimineit]    uitroeien, 

verdelgen. 
extermination    [ekstaimi'neijan]    uit- 

roeiing,  verdelging. 
external  [eks'tainal]   uitwendig;  uiter- 
lijk; buitenlands;  buiten-. 
extinct  [eks'tirjkt]    (uit)geblust,  uitge- 

doofd;  uitgestorven;  afgeschaft. 
extinction  [eks'tirjkjan]   (uit)blussing, 
uitdoving;   uitsterving;    demping; 

(ver)delging;  ondergang. 
extinguish   [eks'tirjgwij]    (uit)blus- 
sen,    (uit)doven,  dempen;    (ver)  del- 
gen, 
extinguisher   [eks'tirjgwijs]   blusser; 

dompertje  o;  blusapparaat  o. 
extol    [eks'tol]    prijzen,   ophemelen. 
extort  [eks'Dit]  ontwringen,  afpersen 


extortion    [eks'tDiJan]    afpersing. 
extortionate    [eks'toijanit]    exorbitant 
extra  ['ekstra]  extra, 
extract    ['ekstraekt]    extract  o,  uittrek- 

sel  o;  [eks'traekt]  vt  (uit)trekken. 
extraction    [eks'trjekjsn]    (uit) trek- 
king;  af-   herkomst. 
extradite    ['ekstrgdait]    uitleveren. 
extradition   [ekstra'dijan]    uitlevering. 
extraordinary    [eks'traidinari]    buiten- 

gewoon. 
extravagance    [eks'trasvsgsns]   buiten- 

sporigheid;    overdrijving. 
extravagant    [eks'traevagant]    buiten- 
sporig;   overdreven,  ongerijmd;   ver- 
kwistend. 
extreme    [eks'tri:m]    uiterste,  laatste, 

hoogste;   buitengewoon. 
extremely  [eks'tri;mli]  uiterst,  hoogst, 

bijzonder,  zeer. 
extremity    [eks'tremiti]    uiterste   o, 

(uit)einde   o. 
extricate   ['ekstrikeit]   los-,  vrijmaken, 

ontwarren,  helpen   (uit  from). 
exuberance  [eg'zju:b3r3ns]  weelderig- 
heid   [v.  groei];  overvloed;   uitbun- 
digheid. 
exuberant   [eg'zjurbarant]   weelderig, 

oveivloedig,  uitbundig;  overvol. 
exult  [eg'zAlt]  juichen,  jubelen  (over, 
at);    ■ —    in,    zich    verkneukelen    in. 
exultant   [eg'zAltsnt]    juichend,  triom- 

fantelijk. 
exultation  [egZAl'teiJan]  gejuich  o,  ge- 

jubel    o,    uitbundige    vreugde. 
eye   [ai]   cog  o;  vt  aan-,  bekijken,  be- 

schouwen,  naogen. 
eye-ball   ['aibo:!]    oogappel. 
eyebrow    ['aibrau]    wenkbrauw. 
eye-glass    ['aiglais]    monocle;    — es, 

lorgnet. 
eyelash   ['ailsj"]   wimper,  ooghaar  o. 
eyelid  ['ailid]   ooglid  o. 
eye-sight    C'aisait]    gezicht  o. 
eye-witness    ['aiwitnis]    ooggetuige. 


90 
F 


fak( 


f   [ef]    (de  letter)    f. 

fable   ['feibl]   fabel,  sprookje  o. 

fabric    ['fcebrik]    gebouw    o,    maaksel 

o,  weefsel   o,   stof. 
fabricate    ['fa?brikeit]    maken;   fig  fa- 

briceren,   verzinnen. 
fabulous    C'fajbjubs]   fabelachtig. 
fagade    [fa'said]     (voor)gevel,    voor- 

zijde. 
face  [feis]    (aan)ge2icht  o\  aanzien  o, 
voorkomen    o;     (voor)zijde,     -kant; 
vlak  o;  oppervlakte;  wijzerplaat;  fig 
onbeschaamdheid,  brutaliteit;   /  «  — 
of,  tegenover;  in  the  —  of,  tegen... 
in;  ondanks;   tegenover;  o  n  the   — 
of  It,   op   het  eerste  gezicht;   klaar- 
blijkelijk;  /  o  his  ~,  in  zijn  gezicht, 
waar  hij  bij  is;  ~  to  ~,  tegenover 
elkaar;    ■        to    "-^    with,    tegenover; 
vt   in   het    (aan)gezicht   zien;    (ko- 
men   te)    staan   tegenover;    tegemoet 
treden;     onder     de    ogen    zien,    het 
hoofd  bieden;  liggen  op  [het  zuiden 
&] ;  bekleden,  afzetten  [met  lint  &] . 
facetious    [iVsiiJas]    boertig,  grappig. 
face    value    ['feisva;lju:]    nominale 
waarde;    accept    at    its    ~,    zonder 
meer  accepteren. 
facilitate  [fs'siliteit]  vergemakkelijken 
facility    [fa'siliti]    gemakkelijkheid, 
gemak   o\   faciliteit;    vaardigheid, 
vlugheid;  meegaandheid. 
fact    [faekt]    feit    o\    daad;    werkelijk- 
heid;    in     ~,    inderdaad,    feitelijk, 
in   feite. 
faction   ['fa^kjan]  factie,  partij  (schap) . 
factious    ['takjss]    partijzuchtig;    op- 

roerig. 
factitious    [fsk'tijas]    kunstmatig,   na- 

gemaakt. 
factor   ['fskta]   agent;  factor. 
factory    ['fjektari]    factorij;   fabriek. 
faculty   ['faskslti]   vermogen  o,  macht, 

bevoegdheid,  faculteit. 
fad   [fsd]   stokpaardje  o,  liefhebberij, 

gril,  manie. 
fade   [feid]   verwelken,  verschieten; 


verbleken;    ~    {away),   verflauwen 
(weg)kwijnen,  verdwijnen. 
fag    [fag]    zich    afsloven;    ~    {out), 

uitputten. 
fag-end    ['fieg'end]    zelfkant,    rafel- 

emd    a;    uiteinde   o,    uitschot   o. 
faggot    ['faegat]    takkenbos. 
fail  [feil]  ontbreken;  mislukken;  mis- 
sen,    te    kort    schieten;    falen;'  fail- 
leren;    in    gebreke    blijven;    teleur- 
stellen;   in   de   steek   laten,   begeven 
[krachten];  you   cannot   -~  to...,   u 
moet  wel...;  without  — ,  zeker. 
failure    ['feiija]    mislukking,   fiasco  o\ 
failliet   o,    failiissement   o;    verzuim 
o,   nalatigheid;    fout,    defect   o,   sto- 
ring. 
fain  [fein]  he  was  ~  to...,  hij  moest 
wel...;  he  would  ~...,  gaarne,  met 
vreugde. 
faint    [feint]    flauwte,   bezwijming;   a] 
zwak,    (afge)mat;    flauw(hartig);  w 
in  zwijm  vallen;  -—ing  fit,  flauwtt. 
faint-hearted  ['feint'ha:tid]  lafhartig. 
fair     ['fsa]     jaarmarkt,    kermis;    {in- 
dustries,   trade)     ~,     jaarbeurs;     a] 
schoon,    mooi,    fraai;    blond,    licht; 
blank;    tamelijk;    billijk;    eerlijk;    a 
—   copy,  een  in  het  net  geschreven 
afschrift  o. 
fairly  ['fgali]   eerlijk;  nogal,  tamelijk, 

_vrij(wel);    bepaald,    werkelijk. 
fair-spoken    ['fea'spoukn]    minzaam. 
fairy    ['feari]    tovergodin,   fee. 
fairy-lamp   ['fearilasmp]    fairy-light 

_['fe3rilait]    illumineerglaasje    a. 
fairy-tale   ['fssriteil]    sprookje  o. 
faith  [feie]  geloof  o,   (goede)   trouw; 
vertrouwen   o;    (ere)woord   o\    {in) 
'-^l,  op  mijn  woord!;   in  good  — , 
te  goeder  trouw. 
faithful  ['feieful]   (ge) trouw;  gelovig. 
faithfully  ['feiGfuli]   (ge)  trouw;  yours 

_ — ,  uw  dienst^villige  dienaar. 
faithless    ['fei61is]    trouweloos;    onge- 

lovig. 
fake    [feik]    bedrieglijke    namaak,    na 


falcon 


91 


fare 


maaksel   o,   bedrog   o\    vt   namaken; 
ven'alsen. 

falcon    C'fDilkan]    valk. 

fall  [fo:!]  val;  helling;  daling;  water- 
val;  {in  Amerika)  herfst;  vi  vallen; 
dalen;  sneuvelen;  —  ill  {in  love), 
ziek  (verliefd)  worden;  his  face 
fell,  zijn  gezicht  betrok;  —  /'  n,  in- 
vallen;  aantreden;  —  in  with, 
(aan)treffen.  tegen  't  lijf  lopen;  ak- 
koord  gaan  met  [een  voorstel];  — 
into  line,  aantreden;  fig  zich  aan- 
sluiten;  • — •  on,  (aan)treffen,  ko- 
men  op;  aan-,  overvallen;  —  out, 
uitvallen;  gebeuren;  ruzie  krijgen 
(met,  tvith);  —  through,  in 
duigen  vallen,  mislukken,  vallen 
[v.  voorstel];  —  to,  aanpakken,  be- 
ginnen. 

fallacious    [fs'ieij'as]    bedrieglijk. 

fallacy    ['fsbsi]    bedrieglijkheid, 
drogreden,    dwaalbegrip   o. 

fallen   ['fD;l(3)n]   V.D.  van  fall. 

fallibility   [faeli'biliti]    feilbaarheid. 

fallible   ['fselibl]    feilbaar. 

fallovi'  ['fjelou]  vaalrood,  vaalbruin; 
braak    [land]. 

false  [foils]  vals,  onwaar,  verkeerd; 
trouweloos,  ontrouw. 

falsehood  ['foilshud]  valsheid,  leugen. 

falsification    [fDilsifi'keiJsn]    verval- 
sing. 

falsify   ['fDiIsifai]    vervalsen;  logen- 
straffen,  beschamen. 

falsity    ['foilsiti]    valsheid;   onjuist- 
heid,  onwaarheid. 

falter   ['foilts]   strompelen;  stamelen, 
stotteren;  haperen,  weifelen. 

fame    [feim]    faam,  vermaardheid; 
roem,    (goede)    naam. 

famed   [feimd]   beroemd,  vermaard. 

familiar    [fa'miljs]    gemeenzaam; 
(wel)bekend;   vertrouwelijk,   ver- 
trouwd,  intiem;    (al  te)    familiaar. 

familiarity    [fsmili'jeriti]    gemeen- 
zaamheid,  vertrouwelijkheid,  ver- 
trouwdheid;  familiariteit. 

familiarize   [fa'miljaraiz]    gemeen- 
zaam maken,  vertrouwd  maken. 


family  ['faemili]  gezin  o;  familie;  ge- 
slacht   o,   huis   o. 

famine    ['fsmin]    hongersnood; 
schaarste,  gebrek  o,  nood. 

famish  ['fsmij]  uithongeren;  (ver)- 
hongeren. 

famous    ['feimas]    beroemd;    prachtig. 

fan  [fasn]  wan;  waaier;  blaasbalg; 
enthousiast,  maniak;  vt  wannen; 
waaien,  koelte  toewuiven;  aanwak- 
keren,  aanblazen. 

fanatic  [fa'naetik]  dweper,  fanaticus; 
aj   fanatiek,   dweepziek. 

fanaticism  [fs'nsetisizm]  dweepzucht, 
fanatisme   o. 

fancier    ['fsensia]    liefhebber. 

fanciful  ['fjensiful]  fantastisch;  gril- 
lig;  denkbeeldig,  hersenschimmig. 

fancy  ['fsensi]  fantasie,  ver-,  inbeel- 
ding;  denkbeeld  o,  voorstelling;  in- 
val,  gril;  liefhebberij;  lust,  zin;  vt 
zich  verbeelden,  zich  voorstellen, 
denken;  zin  krijgen  of  hebben  in, 
houden  van. 

fancy  articles  ['fsensi'aitiklz]  galante- 
rieen. 

fancy  dress  ['fasnsi'dres]  kostuum  o 
[voor  gekostumeerd  bal]. 

fancy  fair  ['fsnsi'fes]  liefdadigheids- 
bazaar. 

fancy  price    ['fasnsi'prais]    fabelach- 
tige  prijs. 

fang    [fasrj]    slagtand,   giftand;   klauw. 

fantastic   [faen'tEestik]   denkbeeldig; 
fantastisch,  grillig. 

far  [fa:]  ver,  afgelegen;  verre(weg), 
veel;  by  — ,  ■ — ■  and  away  the  best, 
verreweg  de  beste;  —  and  near,  ■ — ■ 
and  wide,  wijd  en  zijd,  heinde  en 
ver;  as  —  as,  tot  (aan);  as  {so) 
■ — ■  as,  voor  of  in  zover;  so  — ,  tot 
zover;  tot  nu  toe,  tot  dusver;  in  zo- 
ver. 

farce  [fa:s]  klucht. 

farcical    ['fa:sikl]    kluchtig;    klucht-. 

fare  [fes]  vracht;  passagier;  vracht- 
prijs,  tarief  o\  (geld  o  voor)  kaart- 
je  o;  kost,  voedsel  o\  vi  (er  bij) 
varen,  zich  bevinden. 


farewell 


92 


fear 


farewell    ['fes'wel]    vaarwel;    vaarwel 

0,  afscheid  o, 
far-fetched    ['fa:'fetjt]   vergezocht. 
farm   [fa:m]    boerderij,  fokkerij,  kwe- 

kerij;     vt     (ver)pachten,    verhuren; 

uitbesteden  (ook:  •-—  oa/);bebouwen. 
farmer   ['farms]   pachter;  boer,   [scha- 

pen-  &]  fokker,  [pluimvee-  &]  hou- 

der,    [oester-  &]    k^\^eker. 
farming    ['faimirj]    landbouw,  boeren- 

bedrijf  o,   [fruit-  &]    teelt;  aj  land- 
bouw-,  pacbit-. 
farmland   ['faimlasnd]   bouwland  o. 
farmstead    ['fa:msted]    boerderij. 
farmyard    ['fa:m'ja:d]    boerenerf   o. 
far-reaching   ['fa:'ri:tjir)]   verreikend; 

verstrekkend,  ingrijpend. 
farrier  ['fserie]  hoefsmid. 
far-seeing    ['fa:'si:ir)],    far-sighted 

['fa/saitid]      verziend;     jig      (ver) 

vooruitziend. 
farther   ['fa  :3a]   verder. 
farthermost    ['faiSsmoust]    verst. 
farthest   ['fa:3ist]  verste;  at  {the)   — , 

op  zijn  hoogst;  uiterlijk. 
farthing  ['faiSig]  1/4  penny;  jig  duit. 
fascinate    ['fssineit]    betoveren,   be- 

goochelen,  boeien,  bekoren. 
fascination   [fsesi'neijan]   betovering. 
fascist    ['fsesist]    fascist (isch). 
fashion  ['fasjsn]  manier,  wijze;  mode; 

trant;  vorm,  snit,  fatsoen  o\  people 

of  — ,  mensen  van  stand;  vt  vormen. 
fashionable  ['faejansbl]  in  de,  naar  de 

mode;  modieus;  tot  de  grote  wereld 

behorende,    deftig;    gangbaar;    con- 

ventioneel. 
fast  [fa:st]  vasten  o\  vi  vasten;  aj  vast, 

wasecht;  (ge)hecht;  snel,  vlug,  vlot; 

—  friends,  dikke  vrienden;  —  train, 

sneltrein;  my  watch  is  — ,  mijn  hor- 

loge  is  voor. 
fasten    ['fa:sn]    vastmaken;    sluiten, 

dichtdoen;   vestigen    [de   blik]. 
fastener  ['fatsns]  fastening  ['fa:snig] 

sluiting. 
fastidious    [faes'tidias]    lastig,   kies- 

keurig. 
fasting    ['fa:stir)]    vasten  o. 


fat  [fast]  vet  o;  the  —  is  in  the  fire, 
nu  heb  je  de  poppen  aan  het  dan- 
sen;   aj  vet;   dik. 

fatal    ['feitl]    noodlottig;   dodelijk. 

fatality  [fs'tseliti]  noodlot  o,  noodlot- 
tigheid;  ramp;  200  fatalities,  200 
doden. 

fate    [feit]    noodlot  0;   lot  o. 

fateful    ['feitful]    fataal,  profetisch; 
gewichtig. 

father  ['farSa]  vader;  pater;  Father 
Christmas,   het  kerstmannetje. 

fatherhood   ['fa.Sshud]    vaderschap  0. 

father-in-law    ['faiSarinb:]    schoon- 
vader. 

fatherly   ['faiSsli]    vaderlijk. 

fathom  ['faeSam]  vadem;  vt  vademen, 
doorgronden,  peilen. 

fathomless  ['fseSsmlis]  peilloos,  gron- 
deloos. 

fatigue  [fa'tiig]  afmatting,  vermoeid- 
heid,  vermoeienis;  corvee;  vt  afmat- 
ten,  vermoeien. 

fatten    ['fastn]     (vet)mesten. 

fatty   ['fjeti]   vettig,  vet. 

fatuity    [fs'tjuiiti]    dwaasheid. 

fatuous    ['fsetjuas]    onzinnig,    dwaas. 

fault  [f3:lt]  fout;  schuld;  find  ■— 
with,  berispen,  aanmerking(en)  ma- 
ken   op. 

faultiness    ['fsrltinis]    gebrekkigheid; 
onjuistheid,    verkeerdheid. 

faultless    ['fD:ltlis]    feilloos. 

faulty   ['f3:lti]   met  fouten,  onjuist, 
verkeerd,    gebrekkig,    defect. 

favour  ['feiva]  gunst,  genade;  lint  o, 
strik;  your  ■ — '  of  the  14th  inst.,  Uw 
geacht  schrijven  van  de  l4e  dezer; 
in  —  of,  ten  gunste  van;  be  in  — 
of,  gunstig  gezind  zijn,  voor  iets 
zijn;  vt  zijn  voor;  begunstigen;  be- 
vorderen,  steunen;  bevoorrechten. 

favourable   ['feivarsbl]   gunstig. 

favourite  ['feivarit]  gunsteling(e); 
favoriet  [bij  wedstrijd];  lieveling; 
aj  geliefkoosd,  lievelings-. 

fear  [fia]  vrees  (voor,  of),  angst;  for 
■~~'  of  {lest),  uit  vrees  dat;  vt  vre- 
2en,  bang  zijn. 


fearful 


93 


ferocious 


fearful  ['fisful]  vreesachtig;  vreselijk; 
—   of,  bevreesd  voor. 

fearless    ['fialis]    onbevreesd. 

feasible  ['fi:zibl]  doenlijk,  uitvoer- 
baar,  mogelijk. 

feast  [fi:st]  feest  o,  gastmaal  o;  pi 
feestvieren,  smullen,  brassen;  • — ■  on, 
zich  vergasten  aan,  [de  ogen]  wei- 
den  aan. 

feat  [fi:t]  daad;  (wapen)feit  o;  pres- 
tatie. 

feather   ['feSa]   ve(d)er. 

feathered  ['feSsd]  be-,  gevederd,  snel. 

feature  ['fiitja]  ( gel aats) trek;  (hoofd)- 
punt  o,  glanspunt  o;  speciaal  arti- 
kel  o  enz.;  klankbeeld  o  [radio]; 
hoofdfilm;  vt  presenteren,  vertonen, 
brengen   [speciaal  artikel,   enz.]. 

February  ['februari]  februari. 

fed  [fed]  V.T.  &  V.D.  v.  feed;  he  ~ 
up  with,  zijn  bekomst  hebben  van, 
beu  zijn  van. 

federal  ['fedaral]  federaal,  bonds-. 

federate   ['fedsreit]    (zich)    tot  een 
(staten)bond  verenigen. 

federation    [feda'reijan]    (staten)- 
bond,  federatie. 

fee  [fi:]  loon  o,  honorarium  o;  (en- 
tree-,  abonnements-,   school)geld   o. 

feeble  ['fi:bl]   zwak. 

feed  [fi:d]  voeden,  spijzigen;  voe(de)- 
ren,  (laten)  weiden;  zich  voeden; 
eten;  —  on,  leven  van,  (zich)  voe- 
den met. 

feeder  ['fiida]  voeder,  eter;  vetwei- 
der;  voedingskanaal  o,  -leiding, 
aanvoerwals;  zijhjn;  zuigfles. 

feeding-bottle    ['fi:dir)b3tl]    zuigfles. 

feeding-stuffs  ['fiidigstAfs]  voederar- 
tikelen. 

feel  [fi:l]  (ge)voelen,  betasten;  vin- 
den,  menen,  achten;  (zich)  voelen; 
aanvoelen;  7iot  ■ — ■  like  food  {going 
8c),  geen  trek  hebben;  /  do  not  — 
u  p  to  it,  ik  heb  er  geen  lust  in. 

feeler   ['fi:b]  voelhoorn. 

feeling  ['fiilirj]  gevoel(en)  o\  stem- 
ming; opwinding;  verontwaardiging; 
with  a  touch  of  '~,   een  tikje  ge- 


raakt;   a]  gevoelvol,   gevoelig. 
feet   [fi:t]    mv.  van  foot. 
feign   [fein]  veinzen,  huichelen;  — ed 

hand,  verdraaide   hand. 
feint    [feint]    list;    voorwendsel   o\ 

schijnbeweging. 
felicitous    [fi'lisitas]   gelukkig    [be- 

dacht  &]. 
felicity  [fi'lisiti]   geluk  o,  gelukzalig- 

heid;   felicities,   gelukkige  vondsten, 

gedachten  &. 
feline   ['fi:lain]   katte(n)-,  katachtig, 

kattig;  poeslief. 
fell  [fel]    (neer)vellen;  V.T.  van  fall. 
felloe    ['felou]   veig   [v.   e.  rad]. 
fellow  ['felou]  maat,  kameraad;  vent; 

andere  of  gelijke  (van  twee);  weer- 

ga;   lid   o\   af  mede-. 
fellow-feeling    ['felou'fi:lii]]    medelij- 

den  o,  medegevoel  o;  sympathie. 
fellowship  ['feloujip]  kameraadschap- 

(pehjkheid);    broederschap;    (deel)- 

genootschap     o\     omgang,     gemeen- 

schap;  lidmaatschap  o. 
felly   ['feli]   veig   [v.  e.  rad]. 
felon    ['febn]    booswicht;    af   snood. 
felony   ['felani]    (hals)misdaad. 
felt    [felt]    vilt  o\   aj  vilten;   V.T.   & 

V.D.   V.   feel. 
female  ['fi:meil]  wijfje  o\  aj  vrouwe- 

lijk,   vrouwen-,   wijfjes-. 
feminine    ['feminin]    vrouwelijk;   ver- 

wijfd. 
fen  [fen]  moeras  o, 
fence  [fens]  schutting,  omheining,  hek 

o,    heg;    vt    omheinen;    beschutten; 

pareren;    '—    off,   afslaan;    vi   scher- 
fencer  ['fensa]  schermer.  [men. 

fencing   ['fensig]    schermen   o. 
fend   [fend]   afweren;   —  for  oneself, 

voor   zich    zelf   zorgen. 
fender   ['fenda]   haardrand. 
fennel  ['fenal]  venkel. 
ferment    ['fsimant]    gist;    gisting; 

[f3:'ment]    {vt  &)  vi  (doen)  gisten. 
fermentation    [f3:men'teij3n]    gisting. 
fern    [fain]    varen(s). 
ferocious    [fi'roujas]    woest;   wreed; 

verscheurend. 


ferocity 


94 


figure 


ferocity    [fi'rDsiti]    woestheid;   wreed- 

heid. 
ferret  ['ferit]  fret  o\  vi  snuffelen;  — 

out,    uitdrijven,    uitjagen;    uitvissen; 

opscharrelen. 
ferruginous    [fe'ruidsinss]    ijzerhou- 

dend. 
ferrule  ['feru:I]  metalen  beslag  o. 
ferry    ['feri]    veer   o\   vt  overzetten. 
ferry-boat    ['feribout]    veerpont. 
ferryman  ['ferimaen]  veerman. 
fertile    ['fsitail]    vruchtbaar. 
fertility    [fai'tiliti]    vruchtbaarheid. 
fertilizer  ['faitilaiza]    (kunst)mest- 

(stof). 
ferule   L'feru:!]   plak  [op  school]. 
fervency   ['fsivsnsi]   gloed,  vuur  o. 
fervent    ['fsivant]    vurig,   warm. 
fervour    ['fsiva]    ijver,    vurigheid, 

gloed. 
festal    ['festal]    feestelijk,    feest-. 
fester    ['fests]    zweren,   etteren. 
festival    ['festival]    feest  o. 
festive    ['festiv]    feestelijk,    feest-. 
festivity    [fes'tiviti]    feestelijkheid. 
festoon   [fes'tuin]    festoen  o  &  m, 

slinger. 
fetch    [fetj]    (be)halen,   brengen;    op- 

brengen;   bereiken;  jig  pakken   [het 

publiek];    slaken    [zucht]. 
fetid    ['fetid]    stinkend. 
fetter   ['fets]   keten,  boei,  kluister;  vt 

boeien;  binden;  belemmeren. 
feud   [fju:d]   vijandschap,  vete. 
feudal   ['fju:d3l]    feudaal,  leen-. 
fever    ['fi:v3]    koorts. 
feverish    ['fiivsrij"]    koorts (acht)ig. 
few    [fju:]    weinig;  a   — ,   enige,  wei- 

nige;  een  paar,  enkele. 
fiance(e)    [fi'a:nsei]    aanstaande,   ver- 

loofde. 
fib    [fib]    leugentje  o,  jokkentje  o. 
fibre  ['faiba]   vezel;  jig  aard. 
fibrous    ['faibrss]    vezel  (acht)ig. 
fickle    ['fikl]    wispelturig,  wuft,   gril- 

lig. 
fiction  ['fikjan]  verdichting;  verdicht- 

sel  o,  verzinscl   o\  fictie;   romanlite- 

ratuur,  romans. 


fictitious    [fik'tijas]    verdicht;   verzon- 

nen;  fictief,  gefingeerd;  denkbeeldig, 

onecht. 
fiddle   ['fidl]   viool. 
fiddler  ['fidb]  vioolspeler. 
fiddlestick   ['fidlstik]   strijkstok;   -~sl, 

larie! 
fidelity  [fi'deliti]  getrouwheid,  trouw. 
fidget  ['fidsit]  zenuwachtig  zijn,   (ze- 

nuwachtig)    draaien. 
fidgety   ['fidjiti]   onrustig,  ongedurig. 
fie    [fai]    foei!   bah! 
fief    [fi:f]    leen(goed)    o. 
field   [fi;ld]  veld  o,  terrein  o,  gebied 

o. 
field-glasses    ['fi:ldgla:siz]   veldkijker. 
field-marshal   ['fiild'maijsl]    veld- 

maarschalk. 
fiend  [fi:nd]  boze  geest;  duivel. 
fiendish    ['fi:ndij]    duivelachtig,    dui- 
vel s. 
fierce  [fias]  wild,  woedend,  verwoed; 

v/reed;  onstuimig,  fel. 
fieriness    ['fai?rinis]    vurigheid. 
fiery    ['faiari]    vurig,    vlammend,    ge- 

makkelijk  ontbrandbaar;  vuur-. 
fife   [faif]    (dwars)fluit;  pijper. 
fifer    ['faifa]    pijper. 
fifteen   ['fif'ti:n]   vijftien. 
fifteenth    ['fif'ti:n6]    vijftiende    (deel 

o). 
fifth  [fife]  vijfde  (deel  o). 
fiftieth   ['fiftiiB]   vijftigste   (deel  o). 
fifty   ['fifti]    vijftig. 
fig   [fig]    vijg;  /   don't   care  a   ■ — ■,   ik 

geef  er  geen  zier  om. 
fight    [fait]    gevecht   o,    strijd;    vecht- 

partij;    vi   vechten;    strijden;    vt    be- 

vechten,   vechten  met  of   tegen,   be- 

strijden;  laten  vechten. 
fighter     ['faita]     strijder,     vechter(s- 

baas);    jager    [vliegtuig]. 
fighting    ['faitig]    vechten   o,   gevecht 

o,    gevechten,    strijd;    a]    strijdbaar; 

strijd-,   gevechts-. 
figment    ['figmant]    verdichtsel    o, 

fictie. 
figurative    ['figjur-Ttiv]    figuurlijk. 
figure    ['figa]    figuur,    gedaante,    ge- 


filament 


95 


fire-annihilator 


stake,  afbeelding;  beeld  o\  cijfer  o\ 
prijs;  vt  afbeelden,  (zich)  voorstel- 
len;  —  out,  becijferen,  uitrekenen; 
—  up,  optellen;  vi  figureren,  voor- 
komen;  • — ■  as,  optreden  als,  door- 
gaan  voor;  /'/  — s  out  at...,  het 
komt   op... 

filament     ['fibmant]    vezeltje    o; 
(gloei)draad    [v.   el.   lamp]. 

filbert    ['filbat]    hazelnoot. 

filch   [fil(t)|]    (weg)kapen,  gappen. 

file  [fail]  vijl;  rij,  file;  gelid  o,  rot 
o\  lias,  rol;  volledig  bewaarde  num- 
mers,  enz.,  dossier  <?;  — s,  ook: 
archief  o  [v.  kantoor];  in  Indian 
(single)  — ,  een  voor  een  achter 
elkaar;  vt  (af)vijlen;  aan  een  snoer 
rijgen;  rangschikken,  opbergen;  de- 
poneren;  [een  aanklacht]  indienen; 
~'  one's  petition,  faillissement  aan- 
vragen;  vi  een  voor  een  achter  el- 
kaar  gaan    (lopen,    rij  den). 

filial    ['filjal]    kinderlijk. 

filibuster    ['filibASta]    vrijbuiter. 

filing-cabinet    ['failigkasbinit]    carto- 
theek. 

filings    ['failirjz]    vijlsel   o. 

fill  [fil]  vullen,  aan-,  vervullen  [een 
ambt];  bezetten,  bekleden,  inhemen, 
beslaan  [plaats];  zich  vullen;  ■ — 
out,  in-,  aan-,  opvullen;  drink  {eat) 
one's  — ,  drinken  (eten)  tot  men 
genoeg   heeft. 

filling  station  ['filigsteijsn]  laadsta- 
tion  o. 

filly    ['fili]    (merrie)veulen   o. 

film  [film]  vlies  o;  film;  vt  met  een 
vlies  bedekken;    (ver)filmen. 

filmy    ['filmi]    vliezig. 

filter  ['filta]  filter;  vt  filtreren,  zui- 
veren;  ~'  through,  doorsijpelen;  fig 
uitlekken. 

filth    [fil9]    vuil    o,   vuiligheid. 

filthy   ['fil9i]   vuil,  smerig. 

fin    [fin]    vin. 

final    ['fainsl]    eind(wed)strijd;   aj 
laatste,   beslissend,    eind-,    slot-,    de- 
finitief,   uiteindelijk. 

finally  ['fainsli]  eindelijk,  ten  laatste, 


ten  slotte,  uiteindelijk;  afdoend,  be- 
slissend, definitief. 

finance  [fi-,  fai'neens]  financien,  gel- 
delijk  beheer  o;  geldwezen  o\  vt  fi- 
nancieren,  geldelijk  steunen. 

financial   [fi-,  fai'nEenJsl]   financieel, 
geldelijk. 

financier  [fi-,  fai'naensia]  financier; 
[fi-,    fainaen'sia]    vt   financieren. 

finch    [finlt);]    vink. 

find  [faind]  vondst;  vindplaats;  vt 
vinden;  onder-,  bevinden;  aantref- 
fen,  ontdekken;  zoeken,  halen,  aan-, 
verschaffen;  [een  vonnis]  vellen;  — 
out,   ontdekken;    betrappen. 

fine  [fain]  (geld)boete;  vt  beboeten; 
aj  mooi,  fraai,  schoon;  fijn;  uitste- 
kend,  prachtig. 

finery    ['fainsri]    opschik. 

finger  ['firjgs]  vinger;  little  — ,  pink; 
at  one's  '—s'  ends,  op  zijn  duim- 
pje;   vt  bevoelen,  betasten. 

finger-bowl,  finger-glass  ['firjgaboul, 
-gla;s]   vingerkom. 

finger-post  ['firjgspoust]  handwijzer. 

finger-print    ['firjgaprint]    vingeraf- 
druk. 

finish  ['finij]  einde  o,  slot  o;  afwer- 
king;  vt  eindigen,  voltooien,  af- 
maken  [ook:  doden];  afwerken;  uit- 
lezen;  op-,  leegeten;  leeg-,  uitdrin- 
ken;    vi   ophouden,    uitscheiden. 

finishing    ['finijirj]    afwerking;    -^ 
stroke,    genadeslag. 

Finland   ['finbnd]    Finland   o. 

Finn    [fin]    Fin. 

Finnish   ['finiJ]   Fins. 

fir    [fa:]    den,   denneboom. 

fire  ['fais]  vuur  o;  brand,  hitte;  ka- 
chel,  haard;  on  — ,  brandend,  in 
brand;  gloeiend;  set  —  to,  in  brand 
steken;  take  — ,  vlam  vatten;  vt  in 
brand  steken;  afschieten,  lossen  [een 
schot] ;  fig  aanvuren,  aanwakkeren; 
vi  vuren,  schieten;  • — '  aw  ay  I,  voor- 
uit!;   begin  maar! 

fire-alarm    ['faisralaim]    brandmelder. 

fire-annihilator  ['fai3r3'nai(h)iieit3] 
blusapparaat  o,  snelblusser. 


fire-arm 


96 


flank 


fire-arm    ['faiaraim]   vuurwapen  o. 

firebrand   ['faisbraend]    stokebrand. 

fire-brigade    ['faiabrigeid]    brand- 
weer. 

fire-engine    ['fai3rend3in]    brandspuit. 

fire-escape    ['faiariskeip]    brandtrap; 
redding(s) toestel  o. 

fire-extinguisher   ['faisreks'tiggwijs] 
zie  jire-unnihilator. 

fire-fly    ['faiaflai]   glimworm. 

fire-insurance    ['faisrinjuarsns] 
brandverzekering. 

fireman    ['faiamsn]    brandweerman; 
stoker. 

fireplace    ['faiapleis]    haard. 

fire-proof    ['fai3pru:f]    vuurvast, 
brandvrij. 

fire-screen  ['faisskriin]  vuurscherm  o. 

fireside    ['faia'said]    haard. 

fireworks   ['faiswsiks]   vuurwerk  o. 

firm  [f3:m]  naam,  firma;  aj  vast, 
standvastig;  vastberaden;  hard,  ste- 
vig,   flink. 

firmament   ['fsimamsnt]   uitspansel  o. 

first  [f3:st]  eerst;  ten  eerste;  ■ — •  cous- 
in,  voile  neef  (nicht);  -~  night, 
premiere;  at  {the)  — ,  in  het  be- 
gin; eerst,  aanvankelijk;  fro7?i  the 
— ,  van  het  begin,  al  dadelijk;  it 
may  be  years  ~',  het  kan  nog  wel 
jaren  duren. 

first-hand   ['f3:st'haend]    uit  de  eerste 

firstly    ['fsistli]    ten   eerste.         [hand. 

first-rate   E'faist'reit]    prima. 

firth    [faiO]    zeearm,    riviermond. 

fish  [fij]  vis;  an  odd  {queer)  '-^,  een 
rare  sijs;   ft  vissen. 

fish-bone    ['fijboun]    (vis)graat. 

fisherman    ['fijsman]    visser. 

fishery  ['fijsri]  visserij. 

fishing-boat   ['fijigbout]   vissersboot. 

fishing-tackle    ['fijifjtaekl]   vistuig  o. 

fishmonger   ['fiJmArjga]    vishandelaar. 

fishy  C'fiji]  visachtig;  visrijk;  fig  ver- 
dacht,  met  een  luchtje  er  aan;  a 
—   meal,  een  vismaal   o. 

fissile    E'fisail]    splijtbaar. 

fission    ['fijan]    splijting. 

fissure    ['fija]    kloof,   spleet,   scheur. 


fist    [fist]    vuist. 

fit  [fit]  aanval,  vlaag,  bevlieging;  it 
tvas  a  bad  ■ — ,  het  zat  niet  goed; 
a  shivering  — ',  een  rilling;  by  — s 
and  starts,  met  horten  en  stoten, 
bij  vlagen;  aj  geschikt,  bekwaam; 
behoorlijk,  gepast,  voegzaam;  fris, 
gezond;  vt  passen  (op,  bij,  voor, 
in),  goed  zitten;  —  on,  aanpas- 
sen;  aanbrengen,  aanzetten;  —  out, 
uitrusten;  ' — 'to,  (aan)zetten  aan; 
geschikt  maken  voor,  bekrwamen 
voor;  —  up,  aanbrengen  [toestel]; 
[huis]  inrichten;  monteren;  uitrus- 
ten; ■ — ■  to  a  nicety  {to  a  T),  pre- 
cies   passen. 

fitful  ['fitful]  ongestadig;  ongeregeld; 
veranderlijk,  grillig. 

fitter    L'fita]    monteur;    (gas) fitter. 

five    [faiv]    vijf. 

fix  [fiks]  moeilijkheid;  vt  vastmaken. 
-stellen;  (be)vestigen,  bepalen,  aan- 
brengen; fixeren;  —  up,  op  touw 
zetten,  regelen;  —-  {up) on,  kiezen; 
besluiten    (tot). 

fixation  [fik'seijan]  vaststelling,  vast- 
legging;   bevestiging. 

fixed  [fikst]  vast. 

fixedly    ['fiksidii]    vast,   strak. 

fizz    [fiz]    sissen,  bruisen. 

fizzle  ['fizl]  sissen;  --^  out,  met  een 
sisser  aflopen. 

fizzy   ['fizi]    mousserend,  gazeus. 

flabby  ['flsbi]  zacht,  week,  slap. 

flag  [flaeg]  vlag;  platte  steen;  lis;  t'l 
mat  hangen,  verslappen,  verflauwen, 
kwijnen. 

flagrant  ['fleigrant]  flagrant,  in  het 
oog   lopend;    schandalig. 

flag-stone    ['fIa;gstoun]    platte  steen. 

flail   [fleil]    (do"rs)vlegeI. 

flake    [fleik]    vlok,   schilfer;    ~    of 
ice,    ijsschots. 

flame    [fleim]    vlam;    vi   op-,    ont- 
vlammen,  vlammen. 

Flanders   ['flaindaz]    Vlaanderen  o. 

flange   ['flasnds]    flens. 

flank  [fliegk]  zijde;  flank;  vt  flan- 
keren. 


flannel 


flannel  ['fl8en(3)l]  flanel  o\  aj  flanel- 

len. 
flap    [flasp]    lap,   lapje  o,   slip;    (vlie- 

ge)klap;  afhangende  rand  [v.  hoed]; 

rt   [met  de  vleugels]    slaan. 
flapper  ['flaspa]  bakvisje  o. 
flare    [flea]    geflakker    o,     (flakker)- 

vlam,    fakkel;    pronkerij;    vi    flakke- 

ren,  (op)vlammen,  flikkeren;  —  up, 

fig  opstuiven. 
flash    [flasj]    glans,   flikkering,   straal, 

schicht,  flits;  a  '—'  of  lightning,  een 

bliksemstraal;  in  a  '~,  in  een  oog- 

wenk;  vi  flikkeren,  bliksemen;   fon- 

kelen;   opvlammen;    (voort)schieten, 

flitsen. 
flash-light    ['flsjlait]    flikkerlicht    o; 

flitslicht   o,   magnesiumlicht  o\   zak- 

lantaarn. 
flask   [fla:sk]    flacon. 
flat    [fla;t]    vlakte;   plat  o    [v.   sabel] ; 

platte  kant;  etage(woning),  flat;  on- 

diepte;   vlet;   aj  vlak,   plat;   eenvou- 

dig;    smakeloos,     verschaald;     saai; 

flauw;   a    ■ — ■    failure,   een   compleet 

fiasco  o. 
flat-iron    ['flaetaisn]    strijkijzer   o. 
flatly    ['flsetli]    vlak,   plat;    botweg; 

vierkant,  totaal. 
flatten     ['flsetn]     plat,    vlak    malcen; 

(ter)neerdrukken   of   slaan;   pletten. 
flatter    ['fljeta]    vleien;    flatteren. 
flatterer    ['flastara]    vieier. 
flattery    ['flaetsri]    vleierij. 
flaunt  [fb:nt]  wapperen,  zwieren;  — 

{with),   pronken    (met). 
flavour    ['fleivs]   geur,   smaak;   aroma 

o\    vt   geur   geven,    kruiden. 
flaw   [fb:]  barst,  breuk,  scheur;  fout; 

vlek,  smet;  rukwind. 
flawless    ['fb:lis]    zonder    scheur   of 

breuk;  zonder  fout,  vlekkeloos. 
flax   [fleeks]   vlas  o. 
flaxen    ['fljeksan]    vlassig;    vlas-. 
flay   [flei]   villen,    (af)stropen. 
flea    [fli:]    vlo;   send   one   away   with 

a  —  in  his  ear,  iemand  afschepen. 
fled   [fled]   V.T.  &  V.D.  v.  flee. 
flee    [fli:]    (ont)vluchten,   vlieden. 

Eng-.  Zakwrdbk.  11 


97  floating 

fleece   [fli:s]    (schaaps)vacht;  vlies  o. 

fleecy    ['fli:si]    wollig;   vlokkig. 

fleet  [fli:t]  vloot;  schare,  groep;  af 
vlug,   rap;   vi    (heen)  Snellen. 

fleeting  ['fli:tir)]  voorbijgaand,  ver- 
gankelijk,  vluchtig. 

Flemish  ['flemij]  Vlaams. 

flesh  [flej]  vlees  o\  in  the  — ,  in 
levenden   lijve. 

fleshy    ['fleji]    vlezig;   vlees-;    dik. 

flew    [flu:]    V.T.   van  fly. 

flexible  ['fleksibl]  buigzaam,  plooi- 
baar;   handelbaar. 

flick  [flik]  tikje  o\  knip;  vt  tikken; 
• —    away    (off),   wegknippen. 

flicker  ['fliks]  geflakker  o,  (op) flik- 
kering;   vi   flakkeren,    flikkeren. 

flight  [flait]  vlucht;  loop,  vaart; 
reeks;  zwerm,  troep;  escadriUe 
[vliegtuigen] ;  —  of  stairs,  trap; 
—  of  steps,  bordes  o;  put  to  '~, 
op  de  vlucht  drijven;  take  ■ — \  op 
de  vlucht  gaan. 

flight-deck   ['flaitdek]   vliegdek  o. 

flighty  ['flaiti]  wispelturig;  lichtzin- 
nig;   halfgaar. 

flimsy  ['flimzi]  dun,  onsolide,  on- 
deugdelijk;    luchtig,   los;    armzalig. 

flinch  [flinj]  aarzelen,  terugdeinzen; 
krimpen   [v.  pijn]. 

fling  [flig]  gooien,  (af)werpen,  smij- 
ten;  vliegen,  stormen   [uit  vertrek]. 

flint  [flint]  keisteen,  vuursteen  o  & 
m  [stofnaam],  vuursteen  m  [voor- 
werpsnaam]. 

flip  [flip]  knip,  tik;  vt  een  tikje  ge- 
ven;   (■weg)knippen. 

flippancy   ['flipansi]   Ios(lippig)heid. 

flippant  ['flipsnt]  los(lippig),  lucht- 
hartig,  onbezonnen,  lichtzinnig. 

flirt  [fb:t]  flirt;  vi  fladderen;  flirten. 

flirtation   [fb:'teij3n]   geflirt  o,  flirt. 

flit   [flit]    zweven,  vliegen,  fladderen. 

float  [flout]  vlot  o\  dobber;  vi  zwe- 
ven; drijven,  dobberen;  wapperen; 
vt  vlot  maken;  onder  water  zetten; 
in  omloop  brengen;  lanceren,  uit- 
strooien   [praatje]. 

floating    ['floutif)]    drijvend;    viottend 


flock 


98 


foe 


[schuld];   -^   bridge,   schipbrug. 
flock  [fbk]  kudde,  tioep,  zwerm;  vlok; 

vi   in:    • — •    {together) ,   samenkomen, 

samenscholen,   stromen    (naar,   to). 
floe   [flou]    ijsschots. 
flog    [fbg]    slaan,    (af)ranselen. 
flood    [fUd]    vioed,   stroom,  overstro- 

ming;    zondvloed;    vt    onder    water 

zetten,   overstromen. 
floodgate   ['flAdgeit]   sluisdeur. 
floodlight   ['fUdlait]    (verlichten  door 

middel  van)    strijklicht  o. 
floor   [fb:]   vioer;  grond;  verdieping. 
floor-cloth   ['fb:kb9]    (vloer)zeil  o. 
flop    [fbp]    klap,   flap;  plof;   vi  flap- 
pen,  ploffen;  vt  kwakken. 
floral    ['fbirsl]    bloeme(n)-,  bloem-. 
florid   E'fbrid]   bloemrijk;  blozend; 

zwierig. 
florin    ['fbrin]   gulden,   florijn    [in 

Engeland:   twee-shilling-stuk]. 
florist    E'fbrist]    bloemist. 
flotilla   [flou'tib]    flottielje. 
flounder  ['flaunds]   bot  [vis];  vi  [in 

de  modder  &]    baggeren,   spartelen; 

hakkelen,  knoeien. 
flour    ['flaus]    bloem,   meel   o. 
flourish      ['fUriJ]      zwaai;      zwierige 

wending,    versiering,    krul;    fanfare; 

vi  bloeien,  gedijen;  vt  versieren  [met 

krullen] ;  zwaaien  met;  pronken  met. 
flow     [flou]     (over)vloed,    stroom; 

loop;   vi  vloeien,   overvloeien,    stro- 
men;  golven    [v.   kleed]. 
flower    ['flaus]    bloem;    bloei;    vi 

bloeien;   -^ed,  gebloemd,  met  bloe- 

men. 
flower-pot   ['flauapDt]    bloempot. 
flowery  ['flausri]   bloemrijk. 
flown    [floun]    V.D.  v.   fly. 
flu   [flu:]   influenza,  griep. 
fluctuate    ['flAktjueit]    op  en  neer 

gaan,    schommelen;    weifelen. 
fluctuation    [fUklju'eiJan]    schomme- 

ling    [v.   prijzen   &] ;   weifeling. 
flue    [flu:]    rookkanaal    o\   vlampijp; 

(lucht)koker. 
fluency  ['flu:3nsi]  vloeiendheid,  vaar- 

dig-,  vlotheid;  bespraaktheid. 


fluent  ['flu:3nt]  vioeiend;  bespraakt; 
vlot. 

fluff    [fUf]    dons   o,   piuis  o. 

fluffy   ['fUfi]   donzig,  dons-. 

fluid  ['flu:id]  vloeistof;  fluidum  o;  aj 
vloeibaar,    niet    vast;    beweeglijk, 
vioeiend. 

fluke    [flu:k]   bof   [geluk]. 

flung    [fUrj]    V.T.   &   V.D.   v.   fling. 

flunkey   ['fUrjki]   lakei. 

flurry  ['fUri]  zenuwachtig  maken;  in 
de  war   brengen. 

flush  [fUJ]  (plotselinge)  toevloed; 
stroom;  opwelling;  bios;  gloed,  roes, 
opwinding;  vi  gutsen;  blozen;  gloei- 
en;  — ed,  ook:  verhit;  aj  overvloe- 
dig  (voorzien  van,  of) ;  gelijk,  ef- 
fen,  vlak. 

Flushing    ['fJAjiij]    Vlissingen  o. 

flute    [flu:t]    fluit;   groef;   plooi. 

flutter  E'fJAts]  gefladder  o;  agitatie; 
vi  fladderen;  wapperen;  dwarrelen; 
flakkeren  [licht];  popelen  ['t  hart]; 
vt  haasten,    agiteren. 

flux    [fUks]    vloed. 

fly  [flai]  vlieg;  no  flies  on  him, 
iemand  die  er  wezen  mag;  vi  vlie- 
gen;  vluchten;  wapperen;  let  — , 
laten  schieten,  vieren;  —  into  a 
passion  {rage),  woedend  worden; 
vt  vluchten  uit;  laten  wapperen, 
voeren  [een  vlag];  vliegen  met,  om, 
over;  —  a  kite,  een  vlieger  opla- 
ten;   een  balletje  over  lets  opgooien. 

flyer  ['flais]  vluchteling;  (hoog)vlie- 
ger. 

flying-boat    ['flaiiijbout]    vliegboot. 

flying-bridge   ['flaiirj'brids]   nood- 
brug;   gierpont. 

fly-wheel   ['flaiwi:l]   vliegwiel   o. 

foal    [foul]    veulen  o. 

foam   [foum]   schuim  o\  vi  schuimen; 

—  at    {the)    mouth,   schuimbekken. 
fob  [fob]  horlogezakje  o\  vt  bedotten; 

—  off,  afschepen. 

focus    ['foukas]    brandpunt   o;    vt   in- 

stellen;  concentreren  [aanJacht]. 
fodder  ['fods]  voeder  o. 
foe   [fou]   vijand. 


fog 


99 


forbidding 


fog    [fog]    mist,   nevel. 

foggy  ['f3gi]  mistig,  nevelig;  vaag; 
beneveld. 

foil  [f^il]  schermdegen;  verfoeliesel 
o\  he  a  ■ — •  to,  beter  doen  uitkomen; 
vt  verijdelen,  verlegen  maken,  het 
winnen  van. 

foist   [fDist]    —   something  on   one, 
iemand  lets   aansmeren. 

fold  [fould]  vouw;  kudde;  schaaps- 
kooi;  vt  vouwen;  sluiten. 

folding-bed  ['fouldirjbed]  opklapbed 
o;    veldbed   o\    kermisbed    o. 

folding-chair    ['fouldig'tjEa]   vouw- 
stoel. 

foliage    ['fouliid3]    loof(werk)    o. 

folk    [fouk]    mensen,  volk(je)    o. 

follow  ['tblou]  volgen  (op),  navol- 
gen;   najagen. 

follower    ['fsloua]    volgeling. 

folly    ['f3li]    dwaasheid. 

fond  [fand]  liefhebbend,  teder;  dwaas, 
mal;  be  ■ —  oj,  houden  van. 

fondle    C'fDndl]    strelen,    liefkozen. 

fondly   E'fDndli]    teder,  vol   liefde. 

fondness  ['fjndnis]  tederheid,  liefde, 
genegenheid;  dwaasheid. 

font  [font]  doopvont;  vv^ijwaterbakje  o. 

food   [fu:d]   spijs,  voedsel  o,  eten  o. 

foodstuffs  ['fu:dstAfs]  levensmiddelen. 

fool  [fu:l]  gek,  dwaas,  zot;  (hof)nar; 
make  a  —  oj,  voor  de  gek  hou- 
den; make  a  '-~-  of  oneself,  zich  be- 
lachelijk  maken;  vi  beuzelen,  gek- 
heid  maken;  vt  voor  de  gek  hou- 
den; -—  atvay,  verbeuzelen; 
into  ...ing,  verleiden  cm  te... 

foolery    ['fuilsri]    dwaasheid. 

foolhardy  ['fu:lha:di]  roekeloos. 

fooling    ['fu;Iir]]    voordegekhouderij, 
gekke  streken,  gemal   o. 
^Toolish  ['fu:lij]   dwaas,  gek,  mal,  zot, 
stom;   look   — ,  gek    (op  zijn  neus) 
staan   kijken. 

foolishness    ['fuilijnis]    dwaasheid. 

fool-proof  ['fu:lpru:f]  absoluut  veilig. 

foot  [fut]  voet;  voeteneind  o;  in- 
fanterie,  voetvolk  o;  be  on  ~,  op 
de  been  zijn;  aan  de  gang  zijn;  put 


one's  ~'  down,  zeggen  waar  het  op 

staat,    ,,optreden";    vi   te   voet   gaan 

(ook:    -^   /■/). 
foot-and-mouth    ['futsn'mauO]    — 

disease,  mond-  en   klauwzeer  o. 
football    ['futbDilJ    voetbal    o    [spel], 

voetbal  m    [voorwerpsnaam]. 
footballer    ['futbDib]    voetballer. 
foothold    ['futhould]    steun    voor    de 

voet;  fig  vaste  voet. 
footing    ['futir)]    vaste    voet;    on    an 

equal  ■ — ■,  op  voet  van  gelijkheid. 
footlights    i'futlaits]    voetlicht  o. 
footman    ['futmsn]    lakei. 
foot-mark   ['futma:k]   voetspoor  o. 
foot-path  ['futpaiB]    (voet) pad  o. 
footstool    ['futstu:l]    voetbankje   o. 
foot-wear   ['tutwes]   schoeisei  o. 
fop    [fDp]    fat,   kwast,  modegek. 
foppish    ['fDpiJ]    fatterig,    kwasterig. 
for    [Fd:]    want;    voor,   in   plaats   van; 

gedurende;    uit;    om;    vanwege,   we- 

gens;  wat  betreft;   niettegenstaande; 

naar;  ■ — '  all  I  care,  voor  mijn  part; 

—  all  I  know,  voor  zover  ik  weet; 

• — ■    all  she  was  gifted,   hoe   talent- 

vol    ze    ook    was;    —     hours,     uren 

lang;   —  joy,   van  vreugde;  now  — 

itl,   nu  er  op  los!,  nu  komt  het  er 

op    aan! 
forage    ['f^ridg]    voe(de)r  o,   foerage; 

vt  foerageren. 
forbade   [fa'basd]    V.T.  van  forbid. 
forbear     ['foibes]     voorvader,     -zaat; 

[fji'bea]    vt    nalaten,    zich    onthou- 

den  van;   zich  wachten  voor;  vi  ge- 

duld    hebben,   wat   door   de   vingers 

zien. 
forbearance  [fD/besrans]  onthouding; 

verdraagzaamheid,   geduld   o,   toege- 

vendheid;   —  is  no  acquittance,  uit- 

stel  is  geen  afstel. 
forbearing    [fD/besrirj]    verdraag- 

zaam,  toegevend. 
forbid    [fs'bid]    verbieden;    Heaven 

— .',    dat   verhoede   God! 
forbidden   [fa'bidn]   V.D.  van  forbtd. 
forbidding    [fa'bidirj]    terugstotend, 

afschrikwekkend,  onaanlokkelijk. 


forbore 


100 


formality 


forbore   [fo/bD:]    V.T.   v.   forbear. 

forborne    [fD:'bD:n]    V.D.   v.    forbear. 

force  ih.s]  kracht,  macht,  geweld  o; 
the  {armed)  '~~^s,  de  strijdkrach- 
ten;  by  {mam)  ■ — ■,  met  geweld; 
by  —  of,  door  middel  van;  in  — , 
van  kracht;  goad  op  dreef;  in  gro- 
ten  getale;  come  into  ■ — ■,  in  wer- 
king  treden;  vt  dwingen,  noodza- 
ken;  vermeesteren;  af dwingen;  open- 
breken,  forceren;  dringen,  drijven; 
—  back,  terugdringen,  terugdrij- 
ven;  ■ — ■  down,  met  geweld  door- 
krijgen  of  -slikken;  —  into,  dwin- 
gen  tot;    —   /'/   o  n   one,   opdringen. 

forcedly   ['f^isidli]   gedwongen;  ge- 
zocht. 

forcible  ['fjisibl]  krachtig;  geweld- 
dadig. 

ford  [fD:d]  waadbare  plaats;  vt  door- 
waden. 

fore    [fo:]    voor(ste). 

foreboding  [fDi'boudir)]  voorspelling; 
voorgevoel   o. 

forecast    ['f3:ka:st]     (wear)  voorspel- 
ling;   [fD:'ka:st]    vt    ontwerpen, 
voorzien;   voorspallen. 

forecastle    ['fouksl]    vooronder   a. 

forefather    ['fsifaiSs]    voorvader. 

forefinger   ['fDifirjgs]   wijsvinger. 

forefront  ['fDifiAnt]  voorgevel;  voor- 
zijde;  fig  voorhoede,  eerste  gelid  o. 

foregoing    [f3:'gouir)]   voorafgaand. 

foregone    ['f3:gon]    —    conclusion, 
uitgeraaakte   zaak. 

foreground    ['fsigraund]    voorgrond. 

forehead  ['farid]   voorhoofd  o. 

foreign    ['forin]    vreemd,   buitenlands. 

foreigner  E'fDrina]  vreemdeling,  bui- 
tenlander. 

foreman  ['foimsn]  voorman,  measter- 
knacht;  voorzitter   [v.   jury]. 

foremost   ['tb:moust]   voorste,  eerste. 

forenoon   ['fD:nu:n]   voormiddag. 

foresee  [fst'si:]  voorzien,  vooruitzian. 

foresight  ['id: salt]  vooruitziende  blik; 
overleg  o. 

forest   ['fsrist]  bos  o,  woud  o. 

forestall    [fDi'stoJ]    voor    zijn,    voor- 


komen. 
forester    ['farists]    houtvastar. 
forestry   ['fsristri]   bosbouw. 
foretaste    ['foitaist]    voorsmaak;    voor- 

proefje  o. 
foretell    [fDi'tal]    voorzeggan,  voor- 

spellen. 
forethought    ['f3:9D:t]   voorbedacht- 

heid,   voorzorg,    overleg   o. 
forfeit  ['f3:fit]  varbauren  o;  verbaurde 

o,    boate;    pand    o\    play    (at)    — .f, 

pand  verbeuren;   vt  verbeuren,  ver- 

spelen,   verliezen. 
forfeiture  ['fD:fitj3]  verbeuren  o;  vcr- 

lies  o. 
forge    [folds]    smedarij,   smidsvuur  o; 

smeltoven;     /■/    smeden;    verzinnen; 

namakan,  vervalsan. 
forger   ['fsidsa]    smeder;  verzinner; 

wie  namaakt,  vervalser,  falsaris. 
forgery    ['foidsari]     vervalsing;    vals- 

heid  in  geschrifte;  namaak;  verdicht- 

sel   o. 
forget   [fa'gat]    vergeten. 
forgetful    [f3'getful]    vargeetachtig. 
forget-me-not    [fs'getminst]    vergeet- 

mij-nietje  o. 
forgive    [fa'giv]   vergeven,  kwijtschel- 

den. 
forgiveness    [fs'givnis]    vergiffenis; 

vergevensgezindhaid. 
forgiving   [fa'givir)]   vargavansgezind. 
forgo   [fo/gou]   afstand  doen  van,  af- 

zien  van,   zich   ontzeggen,   opgavan. 
forgot  (ten)     [fa'got(n)]    V.T.    & 

(V.D.)  van  forget. 
fork    [f3:k]    vork;    vertakking;    t^-ee- 

sprong;    vi   zich   vertakkan. 
forlorn    [fa'bin]    varlaten;   wanhopig. 
form    [fD:m]    vorm,   gedaante;    formu- 

lier  o;  fatsoen  o;  bank  (zonder  lea- 
ning);   (school)klasse;    leger    o    [v. 

haas];   bad   — ,   niet   ,,netjes";  good 

— ,   netjes,   zoals   het  hoort;   in  due 

'—',  naar  de  eis,  bahoorlijk;   vt  vor- 

men;    (uit)makan;   formeran. 
formal   ['foimal]   formael;  stellig,  uit- 

drukkelijk;  vormelijk;   officieel. 
formality    [fDi'mxliti]    formaliteit. 


formation 


101 


fountain-pen 


formation    [fDi'meiJan]   vorming,   for- 

matie. 
former  ['fsjma]  vorig,  eerste,  vroeger; 

the  —    ...the  latter,  de  eerste    (ge- 
ne)...,  de  laatste    (deze). 
formerly    ['foimali]    vroeger,    eertijds. 
formidable    ['fDimidabl]   ontzaglijk, 

vreselijk,   geducht. 
formula    ['foimjuls]    formule. 
formulate   ['f3:mjuleit]    formuleren. 
forsake  [fa'seik]  verzaken,  in  de  steek 

laten,   verlaten. 
forsaken    [fa'seikn]    V.D.   v.    forsake. 
forsook    [fa'suk]    V.T.   v.   forsake. 
forswear    [fDi'swEs]    afzweren;    onder 

ede    ontkennen;    ■ — ■    oneself,    een 

meineed    doen. 
fort    [f3:t]    fort   o,  bolwerk   o. 
forth  [fD:6]  voort,  vooruit;  uit,  (naar) 

buiten;  from   that  day   — ,  van  die 

dag  af. 
forthcoming     [f3:6'kAmii)]     ophanden 

(zijnd),    aanstaande;    aanwezig;    be 

■ — ',  er  komen  of  zijn. 
forthright    ['fD:9rait]    openhartig,   on- 

omwonden. 
forthwith   [fD:0'wi6]   op  staande  voet, 

onmiddellijk,    aanstonds. 
fortieth   ['foitiiB]   veertigste   (deel   o). 
fortification    [fD:tifi'keij3n]    verster- 

king. 
fortify    ['f3:tifai]    versterken. 
fortitude   ['fD:titju:d]    (ziels)kracht, 

vastberadenheid. 
fortnight    E'fDitnait]    veertien    dagen; 

Monday    — ,   maandag   over    14   da- 
gen. 
fortnightly   ['f3;tnaitli]   veertiendaags; 

alle  veertien  dagen. 
fortress    ['f3:tris]    sterkte,   vesting. 
fortuitous    [f3;'tjuit3s]    toevallig. 
fortunate    ['foitjanit]    gelukkig. 
fortune  ['fartjan]  geluk  o,  lot  o,  for- 

tuin  o   [geluk,  geldelijk  vermogen], 

fortuin   v    [lot,   noodlot]. 
fortune-teller    ['fortjanteb]    waarzeg- 

ger,  -ster. 
forty  ['fD:ti]  veertig. 
forv^'ard    ['fsiwad]    vooruit,    voor- 


waarts;  (ver)gevorderd;  vooruitstre- 
vend;  bijdehand  [kind] ;  vroeg- 
(rijp);  voorbarig,  voortvarend;  be- 
reidwillig;  brutaal,  vrijpostig;  from 
this  day  ■ — \  van  nu  af  (aan);  vt 
bevorderen,  vooruithelpen;  af-,  op-, 
na-,   door-,   overzenden,   verzenden. 

forwarding  ['foiwsdig]  bevordering; 
afzending;  expeditie;  ^^  agency,  ex- 
peditiezaak;    • — ■    agent,    expediteur. 

fossil   E'fDsil]    fossiel  o. 

foster  ['fosta]  (aan)kweken,  (op)voe- 
den,  bevorderen,  koesteren. 

foster-brother    ['fastsbrASs]    zoog- 
broeder. 

foster-child   C'fDstatJaild]    voedster- 
kind   o. 

foster-daughter    ['fostadotta]    pleeg- 
dochter. 

fosterer    ['fDstars]    voedster-,    pleeg- 
vader;    beschermer,   bevorderaar. 

foster-father    ['fDst3fa:33]    pleegvader. 

foster-mother    ['fostsmASs]    pleeg- 
moeder. 

foster-parents  ['fsstapesrants]  pleeg- 
ouders. 

foster-sister    ['fDstssists]    zoogzuster. 

foster-son    ['fsstssAn]    pleegzoon. 

fought    [f3:t]   V.T.   &  V.D.  v.  fight. 

foul  [faul]  vuil,  onrein,  bedorven;  ge- 
meen;  vals,  oneerlijk;  —  copy,  klad 
o;  vt  bevuilen,  bezoedelen;  in  bot- 
sing  (aanvaring)  komen  met,  sto- 
ten   op. 

found    [faund]    stichten,    grond(ves- 
t)en;  oprichten;    [metaal]   gieten; 
V.T.   &  V.D.  V.   find. 

foundation    [faun'deijsn]   grondslag; 
fondement     o,     fundering;     grond; 
grondvesting,    stichting,    oprichting; 
fends  o. 

founder  ['faunda]  grondlegger,  op- 
richter,  stichter;  ( metaal  )gieter;  vi 
zinken;   vergaan;   mislukken. 

foundling    ['faundlii)]    vondeling. 

foundry  ['faundri]   gieterij. 

fountain   ['fauntin]   bron,  fontein. 

fountain-head    ['fauntinhed]    bron. 

fountain-pen   ['fauntinpen]   vulpen. 


four 


102  frequently 


four   [Fd:]  vier;  they  crept  on  all  — .r, 

zij  kropen  op  handen  en  voeten. 
fourteen    ['f3:'ti:n]   veertien. 
fourteenth    ['f3:'ti:n6]    veertiende 

(deel   o). 
fourth    [fD:6]    vierde    (deel   o). 
fourthly    ['f3:6Ii]    ten  vierde. 

fowl    [faul]    vogel,   kip;   gevogelte   o. 

fox    [foks]    vos. 

fraction  ['frsekjan]  breuk;  brokstuk  o, 
brok  m  &  v  of  o;  onderdeel  o\ 
fractie. 

fracture  ['fraektja]  breuk;  vt  breken. 

fragile    ['frsedsail]    breekbaar, 
bro(o)s,   2wak. 

fragility    [fra'dsiliti]    breekbaarheid, 
bro(o)sheid,  zwakheid. 

fragment  ['frasgmant]  brok  m  &  v  oi 
0,  stuk  o,  brokstuk  o,  fragment  o. 

fragrance   ['freigrsns]   gear,  welrie- 
kendheid. 

fragrant  ['freigrsnt]  geurig,  welrie- 
kend. 

frail   [freil]    broos,  zwak,  teer. 

frailness  ['freilnis]  frailty  ['freilti] 
broosheid,    zwakheid,   teerheid. 

frame  [freim]  raam  o,  geraamte  o, 
frame  o\  lijst;  samenstel  o,  inrich- 
ting;  lichaamsbouw,  lichaam  o;  ge- 
steldheid;  vt  bouwen,  vormen,  ma- 
ken;  ontwerpen,  op  touw  zetten;  in-, 
omiijsten. 

framework  ['freimw3:k]  raam  o,  ge- 
raamte o,  kader  o. 

franc    [fraetjk]    frank. 

France   [fra:ns]   Frankrijk  o. 

franchise   ['fraen(t)J'aiz]    (voor)recht 
o,  vrijstelling;  burgerrecht  o\  stem- 
recht  o. 

frank    [fr^gk]    openhartig,   oprecht. 

frantic  ['frasntik]   dol,  razend. 

fraternal    [frs'tsinsl]    broederlijk. 

fraternity    [frs'tsmiti]    broederschap. 

fraternize    ['fraetsnaiz]    zich    verbroe- 
deren;   vriendschappelijk   omgaan 
(met,   with). 

fraud    [fn):d]    bedrog   o;    bedrieger. 

fraudulent    ['fr3:djubnt]    bedrieglijk; 
frauduleus. 


fraught  [fr):t]   beladen;  vol. 

fray    [frei]    twist,    gevecht    o,    strijd; 

vt   &   vi   rafelen;    verslijten. 
freak    [fri:k]    gril,  kuur. 
freakish   ['friikij]   grillig,  nukkig. 
freckle    ['frekl]    sproet. 
free    [fri;]    vrij;    ongedwongen;     vrij- 

willig;  vrijmoedig;  gratis,  kosteloos, 

franco;   royaal    [met  geld];    —   and 

easy,     ongedwongen,     ongegeneerd; 

make  —  with,  zich  ongegeneerd  van 

iets    bedienen;    vt    in    vrijheid    stel- 

len;   bevrijden. 
freebooter    ['fri.buits]    vrijbuiter, 
freedom   ['fri:d3m]   vrijdom,  vrijheid; 

ongedwongenheid;   ereburgerschap  o. 
free-handed    ['fri:'h;Endid]    vrijgevig, 

gul,   royaal. 
freely  ['fri:li]  vrij(elijk),  vrijuit; 

royaal;  gaarne. 
freemason    ['friimeisn]    vrijmetselaar. 
freemasonry  ['fri:meisnri]  vrijmetsela- 

rij. 
free-spoken   ['fri:spoukn]   ronduit, 

rondborstig,    vrijmoedig. 
freethinker    ['fri:'9ir)k3]    vrijdenker. 
free  trade    ['fri:'treid]   vrijhandel. 
freeze   [fri:z]   vriezen,  bevriezen,  stol- 

len. 
freight    [freit]   vracht,   lading;    vt  be- 

vrachten,   laden. 
freighter    t'freita]    bevrachter;   vracht- 

schip   o,   -vliegtuig  o,   -auto. 
freight    train     ['freittrein]     goederen- 

trein. 
French    [fren(t)J]    Frans;    —    bean, 

snijboon,    witte    boon;    the    ■ — ,    de 

Fransen. 
Frenchman  ['fren(t)Jm3n]   Fransman. 
frenzied   ['frenzid]   waanzinnig. 
frenzy    ['frenzi]    waanzin,    razernij. 
frequency    ['fri:kw3nsi]    herhaald 

voorkomen   o,  gedurige   herhaling; 

veelvuldigheid;   frequentie. 
frequent    ['fri:lcRQnt]    herhaald,    vaak 
voorkomend;  veelvuldig;  [fri'kwent] 

vt    (dikwijls)    bezoeken,  omgaan  of 

verkeren  met. 
frequently  ['fri.k^sQntli]  herhaaldelijk. 


fresh 

vaak,    dikwijls,    veelvuldig. 
fresh   [frej]    fris,  vers;  nieuw. 
freshen    ['frejn]    op-,   verfrissen;    toe- 

nemen   [v.  wind]. 
freshly    ['frejli]    fris,   vers;    onlangs, 

pas. 
freshman    ['frejmsn]    student  van  het 

eerste  jaar,  groen,  nieuweling. 
freshwater   ['freJwDita]    zoetwater-. 
fret  [fret]  knagen,  in-,  wegvreten;  ir- 

riteren;  uitsnijden,  uitzagen,  randen; 

zich  ergeren,  kniezen;  —  and  jmne, 

razen    en    tieren;     -^-^    away     {out) 

one's   life,    zich    doodkniezen. 
fretful    ['fretful]    gemelijk,   prikkel- 

baar. 
fret-saw    ['fretsD:]    figuurzaag. 
friar    ['frais]    monnik,   breeder. 
friction    ['frikjsn]    wrijving. 
Friday   ['fraidi]    vrijdag. 
fried    [fraid]    gebakken. 
friend    [frend]    vriend,   vriendin. 
friendly  ['frendli]  vriendelijk,  vriend- 

schappelijk;    bevriend,    vrienden-. 
friendship    ['frendjip]    vriendschap. 
frigate   ['frigit]   fregat  o. 
fright  [frait]  schrik,  vrees;  look  a  — , 

eruit  zien  als  een  vogelverschrikker. 
frighten    ['fraitn]    verschrikken,    doen 

schrikken;   —  away,  verjagen. 
frightful   ['fraitful]    verschrilckelijk. 
frigid   ['fridsid]   koud,  koel,  kil. 
frill    [fril]    jabot;    put    on    — s,    zich 

airs  geven;  vt  plooien. 
fringe    [frinds]    franje;    zoom,    rand; 

ponyhaar  o,  pony;   vt  afzetten,  om- 

randen. 
Frisian   ['frizian]   Fries. 
frisk    [frisk]    dartelen,    springen. 
frisky   ['fri'ski]    dartel. 
fritter  ['frits]  poffertje  o,  beignet;  vt 

—  away,  versnipperen,  verbeuzelen, 

verspillen. 
frivolity    [fri'voliti]    wuftheid. 
frivolous    ['frivabs]   wuft,  beuzel- 

achtig. 
friz(z)    [friz]   frizzle   ['frizl]   krullen, 

kroezen,   friseren. 
frizzy   ['frizi]    krullend,   kroes-. 


103  fry 

frock  [frok]   pij,  jurk;  kiel. 

frock-coat    ['frDk'kout]   geklede  jas. 

frog    [frDg]    kikvors,  kikker. 

frolic  ['frolik]  pret,  pretje  o,  grap; 
vi  prct  maken,   dartelen. 

from  [frDm]  van  (...af),  vandaan, 
(van)  uit;  (te  oordelen)  naar;  aan 
de  hand  van;  door. 

front  [frAnt]  voorkant,  -zijde;  voor- 
gevel;  front  o\  gezicht  o;  in  — , 
voorop,  voorin;  van  voren;  in  '—' 
of,  tegenover,  v66r;  voor...  uit;  aj 
voorste,  voor-,  eerste;  vi  —  to  {to- 
wards, upon),  liggen  op,  uitzien  op. 

frontage    ['frAntidj]    front   o\   gevel. 

front-door   ['frAnt'd?:]    voordeur. 

frontier   ['frAntjs]  grens. 

frontispiece   ['frAntispi:s]   titelplaat. 

frost  [frDst]  vorst;  glazed  ■~',  ijzel;  vt 
glaceren  [taart];  mat  maken. 

frost-bitten   ['frDstbitn]   bevroren. 

frost-bound  ['frostbaund]  vast-,  inge- 
vroren,   bevroren. 

frostwork    ['frDstw3:k]    ijsbloemen. 

frosty  ['frDsti]  vriezend,  vorstig, 
vries-;    kil,    ijzig   koud. 

froth  [frD9]   schuim  o\  vi  schuimen. 

frothy  ['fnSi]  schuimachtig;  schui- 
mend;   winderig,    (zin)ledig. 

frown  [fraun]  fronsen,  stuurs  kijken; 
—  at  {on,  upon),  met  geen  goed 
oog  aanzien;  afkeuren. 

froze   [frouz]   V.T.  van  freeze. 

frozen    [frouzn]    V.D.   van  freeze. 

frugal  ['fruigal]  matig,  sober,  karig, 
spaarzaam    (met,    of). 

frugality  [fru'gasliti]  matigheid,  so- 
berheid,   karigheid,   spaarzaamheid. 

fruit  [fru:t]  vrucht,  vruchten,  fruit  o. 

fruiterer    ['fruitsra]    fruithandelaar. 

fruitful   ['fruitful]   vruchtbaar. 

fruitless    ['fruitlis]    vruchteloos. 

fruit-tree    ['fru:ttri:]    vruchtboom. 

frump   [frAmp]   slons. 

frustrate  [frAs'treit]  verijdelen,  dwars- 
bomen,    teleurstellen. 

frustration  [frAs'treiJan]  verijdeling, 
teleurstelling. 

fry  [frai]  gebraden  vlees  o\  jonge  vis- 


frying-pan 


104 


fuselage 


sen;  the  lesser  — ,  de  mindere  go- 
den,  de  kleine  luiden;  the  small  — , 
het  jonge  volkje,  het  kleine  grut; 
vt  bakken,  braden. 

frying-pan  C'fraiigpaen]  braadpan;  out 
of  the  ■ — ■  into  the  jive,  van  de  re- 
gen  in  de  drop. 

ft.   =  joot\  feet. 

fuel  C'fjuil]  brandstof;  vt  van  brand- 
stof  voorzien;  vi  brandstof  (benzi- 
ne)   innemen. 

fugitive  ['fju:d3itiv]  vluchteling;  aj 
vluchtig,  voorbijgaand;  voortvluch- 
tig. 

fulfil   [ful'fil]   vervullen,  uitvoeren. 

fulfilment   [ful'filmant]   vervuUing. 

full  [ful]  vol,  gevuld;  volledig,  vol- 
tallig;  —  of,  vol  van,  vol;  at  the 
{her)  — ,  vol  [v.  maan];  in  ■ — ■, 
voluit;  ten  voile;  volledig;  t  o  the 
— ,  ten  voile,  geheel   en  al. 

full-blooded    ['ful'bUdid]    volbloe- 
d(ig). 

full-grovv'n    ['furgroun]    volwassen. 

fully  ['full]  ten  voile,  geheel,  volop; 
voluit;   volledig. 

fulminate  ['fAlmineit]  knallen,  ont- 
ploffen,   donderen,   fulmineren. 

fulsome  ['fulssm]  walglijk,  overdre- 
ven    (lief  &). 

fumble    C'fAmbl]    (be)voelen,    (be)- 
tasten,  frommelen. 

fume  [fju:m]  damp,  uitwaseming; 
lucht;  vi  roken,  dampen;  koken  [v. 
woede];  vt  uit-,  beroken. 

fun  [fAn]  grap,  aardigheid;  pret,  pret- 
je  o,  plezier  o\  make  ■ — •  of,  voor 
de  gek  houden,  de  draak  steken 
met;  in  — ,  voor  de  aardigheid; 
like   ■ — ',   dat  het  een  aard  heeft. 

function  ['fAfjkJsn]  ambt  o;  functie; 
plechtigheid,  feestelijkheid,  partij;  vi 
functioneren,   werken. 

functionary  ['fAijkJanari]  functiona- 
ris,  ambtenaar. 

fund  [fAnd]  fonds  o;  —s,  fondsen, 
geld  o,  kapitaal   o\  in  •~j,  bij  kas. 

fundamental  [fAnda'mentl]  grondbe- 
ginsel   o,  grondslag,   basis;   aj  prin- 


cipieel,  grond-. 
funeral    ['fjurnsrsl]    begrafenis. 
fun  fair  ['fAnfea]  lunapark  o,  kermis. 
fungous   ['fAijgasJ   zwamachtig. 
fungus    ['fAijgas]    zwam;    paddestoel. 
funicular    [fju'nikjub]     —    railway, 

kabelspoorweg. 
funk  [fArjk]   angst;  bangerd;  vt  ■ — •  it, 

bang  zijn,  niet   (aan)durven. 
funnel  ['fAnl]  trechter;  pijp  [v.  stoom- 

schip]. 
funny    ['fAni]    grappig,    aardig,    mop- 
pig;  vreemd,  gek  [v.  gevoel  &]. 
fur  [fa:]   bont  o,  pelswerk  o,  pelterij, 

pels,    pelsjas;    aj    bonten,    bont-;    vt 

met   bont   voeren,   bekleden;    vi   be- 

slaan    [v.    tong]. 
furbish   ['f3;bij']    polijsten,  bruineren, 

(op)poetsen;  —  up,  opknappen. 
furious   ['fjusriss]  woedend,  tazend 

(op,  with). 
furl  [f3:l]    [zeil]  oprollen;  opvouwen. 
furlough   ['fsilou]   verlof  o. 
furnace    ['famis]     (stook)oven. 
furnish   ['fainij]   verschaffen,  leveren; 

voorzien    (van,    with);    uitrusten; 

meubileren. 
furnisher   ['fsmija]   leverancier;  meu- 

belmaker. 
furniture  ['fainitjs]  meubelen,  meubi- 

lair    o,    huisraad    o,    stoffering;    '~ 

van,  verhuiswagen. 
furrier    ['fAria]    bont\\'erker. 
furriery   ['fAriari]   pelterij. 
furrow   E'fArou]   voor,  groef;  vt  gwe- 

ven,   doorploegen. 
further   ['fa:3a]   verder;  verste   [v. 

twee] ;   fig   nader    [bericht] ;    vt   be- 

vorderen. 
furtherance    ['fa:3arans]    bevordering. 
furthermore   L'faiSamD:]  verder,  daar- 

bij. 
furthermost    ['fa:3amoust]    verst. 
furtive   ['faitiv]   heimelijk,  steels. 
fury    ['fjuari]    woede,    razernij. 
fuse    [fju:z]    lont,   buis    [v.   granaat]; 

zekering;    vi  &   ft    (samen)smelten. 
fuselage   ['fjuizilids]   romp   [v.  vlieg- 

tuig]. 


fusion 


105 


gaol 


fusion    E'fjuigan]    (samen) smelting. 
fuss   [fAs]    opschudding,   drukte;   piet- 

lut;     zeur;    vi    druk    doen,    drukte 

maken. 
fussy   E'fAsi]    druk;  pietluttig. 
fusty    E'fAsti]    duf,    muf. 
futile    ['fju:tail]    beuzelachtig,   ver- 

geefs,  nutteloos,  waardeloos,  nietig. 
futility    [fju'tiliti]    beuzelachtigheid, 


kinderachtigheid,    nietigheid. 
future   ['fjurtja]    toekomst;  toekomen- 

de   tijd;    aanstaande;   aj   toekomstig, 

aanstaand. 
fuzzy    ['fAzi]    vlokkig;    donzig;   kroes; 

vaag;   beneveld. 
fy   [fai]    foei! 
fylfot  L'filfot]  hakenkruis  o,  swastika. 


g  [d3i]    (de  letter)   g. 

gable    E'geibl]    geveltop,    puntgevel. 

gad   Egasd]    —  about,  rondlopen,  lan- 

terfanten. 
gad-fly  E'gaedflai]  brems,  horzel. 
gadget  E'gasdsit]  instrumentje  o,  ding 

o,   snufje  o;  true. 
gag  Egasg]  mondprop;  verlakkerij;  leu- 
gen;  vt  knevelen;    (woorden)    inlas- 

sen  in;  beetnemen. 
gage    Egeids]    pand    o,    onderpand    o. 
gaiety   E'geiati]    vrolijkheid,  pret. 
gaily   E'geili]    zie  gay. 
gain    Egein]    (aan)winst,    voordeel    o\ 

vt  verwerven,    (ver)krijgen;   verdie- 

nen,  winnen;   bereiken,   behalen;   vi 

voorlopen  Ev.  kick] ;  '^  over,  over- 

halen. 
gainings    ['geinirjz]    winst. 
gainsay    Egein'sei]     tegenspreken. 
gait    Egeit]    gang,   pas. 
gaiter   E'geits]    slobkous. 
gale    Egeil]    bries;    storm. 
gall    Ego:l]    gal;   ontvelling;    vt   't  vel 

afschaven;  drukken   Ev.  zadel];  ver- 

bitteren,  kwellen,  ergeren. 
gallant  E'gaebnt]  dapper,  kranig;  fier; 

zwierig. 
gallantry   E'gaslantri]   dapperheid. 
gallery   E'gaelsri]   galerij;  schilderijen- 

museum  o;  tribune;  schellinkje  o. 
galley   E'gseli]   galei;   kombuis. 
gallon   E'gEebn]   gallon   —   4.54  liter. 
gallop  E'gsebp]  galop;  vi  galopperen; 

—  ing    consumption,    vliegende    te- 

ring. 


gallows  E'gselouz]  galg. 
galore   Egs'b:]   in  overvloed. 
galosh   [ga'bj]   overschoen. 
gamble    E'gasmbI]   gok,  fig  loterij;   vi 

gokken,  dobbelen. 
gambler  E'gfembb]  dobbelaar,  gokker. 
gambol    E'gsmbal]    sprong;    vi   sprin- 

gen,  huppelen. 
game   Egeim]    spel  o\  wild  o\  have  a 

—  of...,  een  spelletje...  "doen;  WiZ^e 

—  of,  voor  de  gek  houden;  the  '--' 
is  up,  het  spel  is  verloren,  het  is 
mis;  ■—  and  ■ — ■,  gelijk  op;  aj  flink, 
dapper,  branie;  lam,  mank  Ev. 
been];  be  —  for,  aandurven,  voor 
iets  te  vinden  zijn;  die  ■ — ■,  moedig 
sterven;  vi  spelen,  dobbelen. 

game-bag  E'geimbaeg]  weitas. 

game-cock   E'geimkok]   vechthaan. 

gamekeeper   E'geimkiipa]   jachtopzie- 
ner. 

gamester   E'geimsts]   speler. 

gaming-house    E'geimighaus]    speel- 
huis  o. 

gammon    E'gasmsn]    bedriegerij,   mal- 
ligheid. 

gamut   E'gasmat]   gamma. 

gander    E'gasnda]    mannetjesgans. 

gang    Eg£er)]    (misdadigers)bende; 
ploeg  werklieden. 

gang-board   E'ga£r)bD:d]   loopplank. 

gangster    E'gasQSta]    bendelid    o,    ban- 
diet. 

gangvi^ay  E'gaerjwei]    (midden) pad  o, 
doorgang;   loopplank. 

gaol  Edseil]  zie  ]ail. 


gaoler 


106 


generosity 


gaoler    ['d3eil3]    zie  jailer. 

gap    [giEp]    gat   o,   opening,   gaping, 
leemte,  tekort  o\  bres;  fig  kloof. 

gape    [geip]    gapen;   ^^   at,  aangapen. 

garage   ['gaerids]   garage. 

garb    [ga:b]    gewaad   o,   kleding. 

garden   ['ga:dn]   tuin,  hof. 

gardener    ['gaidna]    tuinman. 

gardening  ['gaidnirj]  tuinbouw,  tui- 
nieren  o. 

garden-party  ['ga:dnpa:ti]  tuinfeest  o. 

gargle    E'gaigl]    gorgelen. 

garland    ['ga:bnd]    guirlande. 

garlic   ['ga:lik]    knoflook  o  &l  m. 

garment    ['ga:m3nt]    kledingstuk    o, 
gewaad  o. 

garnish  ['ga:nij]  garneren,  opmaken, 
versieren;   voorzien    (van,   with). 

garret  ['gsrit]  vliering,  zolderkamer- 
tje   o. 

garrison  ['gaerissn]  garnizoen  o;  vt 
bezetten;  in  garnizoen  leggen. 

garrulous  I'gasrubs]    praatziek. 

garter    ['gaits]    kouseband. 

gas    [g£es]    gas   o\   vt    (ver)gassen. 

gaselier    [gaesa'lis]    gaskroon. 

gaseous    ['gssias]    gasvormig,   gas-. 

gas-fire    ['gaesfaia]    gaskachel,   gas- 
haard. 

gash  [g£J]  sne(d)e,  jaap,  houw;  vt 
(open)snijden,  japen. 

gasp  [ga:sp]  hijgen  o\  snik;  be  at 
the  last  -~,  zieltogen;  vi  (naar 
adem)    snakken,    hijgen. 

gas-ring    ['gassrir)]    gasstel   o. 

gas-stove   ['gsesstouv]   gaskomfoor  o, 
-fornuis   o\   gaskachel. 

gastronomer  [gjes'trDnama]  fijnproe- 
ver. 

gasworks   ['gasswaiks]  gasfabriek. 

gate   [geit]   poort;  hek  o. 

gateway    ['geitwei]    poort. 

gather  ['gjeSa]  vergaren,  bijeen-,  in-, 
verzamelen;  krijgen  [vaart] ;  pluk- 
ken;  innemen,  plooien;  afleiden,  op- 
maken; zich  verzamelen;  bijeenko- 
men;  with  ■ — ing...,  met  stijgende 
of  klimmende...;  —  breath,  (weer) 
op  adem  komen. 


gathering  ['gaeSarirj]  in-,  verzameling; 

bijeenkomst;   gezelschap   o;   abces   o. 
gauche    [gouj]    fig  links. 
gaucherie    ['goujari]    fig  linksheid. 
gaudy    ['gD:di]    opzichtig,   bont. 
gauge    [geid3]    maat;     fig     maatstaf; 

spoorwijdte;  diepgang;  kaliber  o\  vt 

peilen.  meten. 
gaunt    [go:nt]    schraal,   mager. 
gauntlet  ['gD:ntlit]   (scherm-,  rij-,  lan- 

ge   dames)handschGen;    run   the    — , 

door  de  spitsroeden  lopen. 
gauze    [go:z]   gaas  o. 
gave    [geiv]    V.T.   van  give. 
gay   [gei]    vrolijk,   levendig;   luchthar- 

tig;    los(bandig),    bont,    (veeljkleu- 

rig. 
gaze    [geiz]    starende   blik;    vi   staren. 
gazette    [ga'zet]    (Engelse)    Staatscou- 

rant. 
gear   [gia]    tuig  o,  gareel   o\  gerei   o; 

versnelling;  out  of  ■ — ,  afgekoppeld; 

fig  ontredderd;  in  de  war. 
gear-case  ['giskeis]  kettingkast. 
gearing   ['giarirj]    overbrengwerk  o. 
gee   [dsi:]   hu!;  sakkerloot! 
geese   [gi:s]   ganzen. 
gelatin (e)    ['dselstin]    gelatine. 
gem  [d3em]  edelgesteente  o,  kieinood 

o\  juweel   o. 
gender   ['dgenda]    geslacht  o. 
general    ['d5en3r3l]    algemeen    o;    ge- 

neraal;    in    — ■,    in    (over)    't    alge- 
meen; a]  algemeen. 
generalization  [dsenarslai'zeijsn]  ver- 

algemening;   generalisering. 
generalize    ['djensralaiz]    generalise- 

ren. 
generally  ['dsenarali]   gewoonlijk;  al- 
gemeen,  in   (over)   het  algemeen. 
generate    ['djenareit]    voortbrengen; 

ontwikkelen  [gas],  opwekken  [elek- 

triciteit];  generating  station,    (elek- 

trische)    centrale. 
generation    [dsena'reijsn]    voortbren- 

ging;  opwekking;  generatie,  geslacht 

o. 
generosity    [dsens'r^siti]    edelmoedig- 

heid,  mildheid,   milddadigheid. 


generous 


107 


gherkin 


generous    ['dsensras]    edel(moedig), 

mild(dadig);  overvloedig. 
genesis  ['dsenisis]  genesis:  wording (s- 

gescl-iiedenis). 
genial  ['djiinisl]  opgewekt,  gemoede- 

lijk;    (lekker)   warm   [weer]. 
genitive   ['dsenitiv]   genitief,  tweede 

naamval. 
genius    ['dsirniss]    genius;    geest;    be- 

schermgeest;   genie  o,    (natuurlijke) 

aanleg. 
Genoa    ['dsenoua]    Genua   o. 
gent   [dsent]   heer,  poen. 
genteel    [djen'ti:!]    net,   fijn,   deftig. 
gentile    ['d3entail]    heiden:    niet-jood; 

a]  heidens:   niet-joods. 
gentle  ['dsentl]  zacht;  vriendelijk;  van 

goede  geboorte;  the  ■ — ■   sex,  het 

schone  geslacht. 
gentlefolk(s)     ['dsentlfoukfs)]    voor- 

name    lieden,    betere    stand  (en). 
gentleman   ['dsentlmsn]    (mijn)heer; 

gentleman:   fatsoenlijk  man. 
gentlemanlike    ['dsentlmsnlaik], 
gentlemanly    ['dsentlmanii]    fatsoen- 
lijk,   beschaafd,   als   een   heer. 
gentleness    ['dsentlnis]    zachtheid. 
gentlewoman    [dsentlwuman]    vrouw 

van  geboorte,    (eciite)    ,,dame". 
gently    ['dsentli]    zaciit(jes),   vriende- 
lijk. 
gentry  ['dsentri]  de  deftige  stand,  ko- 

mend    na    de    adel;    these    '~,    die 

,,heren". 
genuine   ['dgenjuin]    echt. 
genus    ['d3i:n3s]    geslacht   o,   soort. 
geographer    [dgi'Dgrafa]    aardrijks- 

kundige. 
geographic  (al)     [d3i3'grcefik(I)] 

aardrijkskundig. 
geography    [dsi'sgrafi]    aardrijks- 

kunde. 
geology   [dsi'Dbdgi]    geologic. 
geometric(al)    [d3i3'metrik(l)]    meet- 

kundig. 
geometry    [d3i'Dmitri]    meetkunde. 
geranium  [d3i'reinj3m]   geranium. 
germ  [d33:m]   kiem. 
german    ['d33:m3n]    brother    {cousin) 


"-,  voile  breeder  (neef). 

German    ['d33:m3n]    Duitser;    (het) 
Duits;  a]  Duits. 

Germany  ['d33:m3ni]  Duitsland  o. 

germinate  ['d33:mineit]  (doen)  ont- 
kiemen,  ontspruiten. 

germination  [d33:mi'neij3n]  ontkie- 
ming. 

gerund   ['d3er3nd]   gerundium  o. 

gesticulate    [d3es'tikjuleit]   gesticule- 
ren. 

gesticulation  [d3estikju'leij3n]  gesti- 
culatie,   gebaar   o,  gebarenspel   o. 

gesture   ['d3estj3]   gebaar  o. 

get  [get]  (ver)krijgen;  begrijpen;  beet- 
nemen;  —  /'/  done  {copied  &)  lets 
laten  doen  (overschrijven  &);  — 
you  gone!,  scheer  je  weg!;  —  rich, 
ill  &,  rijk,  ziek  &  worden;  1  got 
■  ■■ing,  ik  begon  te...;  —  at,  komen 
bij  (aan),  bereiken,  te  pakken  krij- 
gen;  ■ — ■  away,  wegkomen,  zich 
wegpakken;  er  vandoor  gaan;  ~' 
down,  afstappen,  naar  beneden 
gaan;  jig  onder  krijgen;  —  on, 
vooruitkomen,  vorderen,  opschieten; 
//  is  {you  are)  — ting  on  my  nerves, 
het  (je)  maakt  me  zenuwach- 
tig;  —  on  with,  overweg  kunnen 
met;  —  out,  uitkomen,  uitlekken; 
uitstappen;  --~'  out!,  eruit!;  -~ 
over,  [een  verlies]  te  boven  ko- 
men; —  round,  weer  beter  war- 
den; • — •  round  the  difficulty,  om- 
zeilen;  —  through,  (telefonisch) 
aansluiting  krijgen;  komen  door;  — 
t  o,  komen  bij,  bereiken,  er  toe  ko- 
men (om);  the  fire  was  got  un- 
der, men  werd  de  brand  meester; 
—  up,  opstaan;  op-,  instappen;  in 
elkaar  zetten,  op  touw  zetten,  mon- 
teren. 

get-up  [get'Ap]  opmaken  o\  regeling, 
aankleding  [v.  e.  stuk],  uitvoering, 
verzorging   [v.  e.  boek] ;  uitrusting. 

gewgaw   ['gju:g3:]   prul  o. 

ghastly  ['ga:stli]  doodsbleek;  spook- 
achtig;    akelig;    afgrijselijk. 

gherkin  ['g3:kin]   augurkje  a. 


ghost 


108 


glide 


ghost    [goust]    geest,   spook  o,   schiin, 

verschijning;  schijntje  o. 
ghostly    ['goustli]    spookachtig. 
GI    ['dsii'ai]    Amerikaanse   soldaat. 
giant    ['dsaiant]    reus. 
gibberish    ['gibsrij]    brabbeltaal. 
gibbet    ['dsibit]    galg;    kraanarm. 
gibe    [dsaib]    schimpscheut,    hatelijk- 

heid;    vi   honen,    schimpen,    spotten 

(met,  at). 
giddy   i'gidi]    duizelig;    duizelingwek- 

kend;    onbezonnen. 
gift  [gift]   gave,  gift,  geschenk  o. 
gifted    C'giftid]    begiftigd;   begaafd. 
gig    [gig]    cabriolet;    giek. 
gigantic    [dsai'gsntik]    reusachtig. 
giggle   ['gigl]   giechelen. 
gild    [gild]   vergulden,    (ver)sieren. 
gill    [gil]    kieuw;    lei. 
gillyflower  ['d3iliflau3]   anjelier. 
gilt    [gilt]    verguldsel    o\    aj   verguld. 
gilt-edged    ['giltedsd]    verguld    op 

snee;  goudgerand    [effecten]. 
gin    [dsin]     (val)strik;    jenever. 
ginger    ['dsindss]    gember;   rode;    fut. 
ginger   beer    ['d3ind33'bi3]    gember- 

bier   o. 
gingerbread    ['d3ind33bred]    peper- 

koek. 
gingerly    ['dsindsali]    behoedzaam. 
ginger-nut    ['d3ind33nAt]    pepernoot. 
gipsy   ['d3ipsi]    zigeuner(in). 
giraffe  [d3i'ra:f]  giraffe. 
gird   [g3;d]   aan-,  omgorden;  om-,  in- 

sluiten,  omgeven,  omsingelen. 
girder   ['gsida]    (dwars)balk. 
girdle    ['gaidl]    gordel;    vt  omgorden. 
girl  [g3:l]  meisje  o\  his  best  ~',  zijn 

,,meisje"  o;  old  — ,  beste  (meid). 
girl  guide  ['gail'gaid]  padvindster. 
girlhood    ['gailhud]    meisjesjaren; 

meisjes. 
girlish    ['gsilij"]   meisjesachtig,  meis- 
jes-. 
girt   [g3:t]   V.T.  &  V.D.  v.  gird. 
gist    [dsist]    hoofdpunt    o,    kern. 
give    [giv]   geven;    ~^    battle,   slag  le- 

veren;    —    a  w  a  y,    weggeven;     fig 

verklappen,  verraden;  —  /  ;;,   [stuk- 


ken  &]  inleveren;  onderdoen  (voor, 
to),  toegeven,  bet  opgeven;  betui- 
gen  [adhesie];  —  into,  ^~- 
{ti  p)o  n,  uitkomen  op;  • — -up,  op- 
geven;   afstand   doen  van. 

given  ['givn]  gegeven;  geneigd  (tot, 
to),  verslaafd    (aan). 

gizzard    ['gizad]    spiermaag;    that 
sticks  in  his  — ,  dat  zit  hem  dvi^ars. 

glacier  ['glsesja]  gletsjer. 

glad  [gl£ed]   blij(de),  verheugd. 

gladden    ['glaedn]    verblijden. 

gladly  ['glaedli]  blij;  blijmoedig;  met 
genoegen,    graag,    gaarne. 

gladness    ['glasdnis]    blijdschap. 

glamorous   ['glsemaras]   betoverend. 

glamour   ['glaema]    betovering. 

glance  [gla:ns]  flikkering;  oogopslag, 
blik;  at  a  -~,  met  een  oogopslag 
(blik);  vi  blinken;  kijken;  afscham- 
pen. 

gland   [glaend]    klier. 

glare  [glea]  schel  licht  o;  gloed; 
glans;  schittering;  woeste  blik;  vi 
schitteren,  hel  schijnen;  fel  afste- 
ken;  woest  kijken. 

glaring  ['glearir)]  schel,  (oog)verblin- 
dend,    schitterend    [oog];    brutaal, 
schril    [v.    contrast]. 

glass  [gla.s]  glas  o;  spiegel;  (verre)- 
kijker;  zandloper;  barometer;  — es, 
lorgnet;   bril;   aj  glazen,  glas-. 

glass-blovi'er    ['glaisbloua]    glasblazer. 

glassy    ['gla;si]    glasachtig,  glazig; 
glas-;    (spiegel) glad. 

glaze  [gleiz]  verglaassel  o,  glazuur  o; 
glans;  vt  achter  (in)  glas  zetten; 
verglazen;    glanzen,    glaceren. 

glazier    ['gleizia]    glazenmaker. 

gleam  [gli:m]  glans,  schijnsel  o, 
straal;  vi  blinken,  glanzen,  schijnen. 

glean  [gli:n]  naiezen,  op-,  in-,  ver- 
zamelen;  opvangen. 

glee   [gli:]   vrolijkheid. 

gleeful    ['gli;ful]    vrolijk,   blijde. 

glen   [glen]   dal  o;  vallei. 

glib    [glib]    glad,    rad    (van    tong), 
welbespraakt. 

glide    [glaid]    glijvlucht,   zweefvlucht; 


glider 


109 


go 


vi  glijden;   zweven. 
glider   ['glaida]   glijder;  zweefvlieger; 

zweefvliegtuig   o. 
glimmer    ['glima]    zwak    schijnsel    o, 

glinstering,       (licht)schijn,      glimp, 

(zwakke)    opflikkering,    flauw    idee 

o;    vi    schemeren,    gloren,    blinken, 

(even)   opflikkeren. 
glimpse    [glim(p)s]    glimp,    (licht)- 

straal,  schijnsel  o;   (vluchtige)   blik, 

kijkje  o\  vt  even  zien. 
glint    [glint]    glimp,    glinstering, 

schijnsel  o,  blinken  o;  vi  glinsteren, 

blinken. 
glisten    ['glisn]    glinsteren,    flikkeren, 

fonkelen. 
glitter    Cglits]     flikkering,    geflonker 

o,    glans;    vi     flikkeren,     flonkeren, 

schitteren. 
gloaming    ['gloumir)]    schemering. 
gloat    [glout]    —    on,   upon   of   over, 

zich   verkneukelen    in. 
globe    [gloub]     (aard)bol;     (oog)bal; 

ballon   [v.  lamp];  viskom. 
globe-trotter   ['gloubtrDta]   wereld- 

reiziger. 
globular   ['gbbjub]    bolvormig. 
globule   ['gbbju:l]    bolletje   o. 
gloom    [glu:m]    duisterheid,    donker- 

heid,   somberheid. 
gloomy    ['glu:mi]    donker,    duister, 

somber,    droefgeestig;    droevig. 
glorification  [gbrrifi'keijsn]  ver- 

heerlijking. 
glorify    ['gbirifai]    verheerlijken. 
glorious    ['gbrrias]    roem-,   glorierijk, 

glansrijk,   heerlijk,   prachtig. 
glory    ['gb:ri]    roem,    lof,    eer;    heer- 

lijkheid;  glorie,  stralenkrans;  vi  '~ 

in,  prat  gaan  op. 
gloss    [gbs]    glans,   luister;    (schone) 

schijn;  glosse,  commentaar  m  of  o\ 

vt  glanzen;  glossen  maken  bij   (op), 

uitleggen;  —  over  a.  thing,  iets  ver- 

goelijken,  iets  bemantelen. 
glossary    ['gbsari]    verklarende  woor- 

denlijst. 
glossy  ['gbsi]  glanzend. 
glove    [glAv]    handschoen. 


glove-fight    ['gUvfait]    bokspartij. 

glow  [glou]  gloed,  vuur  o\  vi  gloei- 
en,  branden. 

glower  E'glaua]  staren,  boos  of  drei- 
gend  kijken  (naar,  at,  upon). 

glow-worm   ['glouw3:m]   glimworm. 

gloze    [glouz]    ^-    over,   bemantelen, 
vergoelijken. 

glue  [glu:]  lijm;  vt  lijmen,  kleven, 
plakken. 

gluey   ['glu:i]   lijmig,  kleverig. 

glum  [gUm]   donker,  somber,  nors. 

glut  [gUt]  (over)verzadigen;  overla- 
den,  overvoeren. 

glutton  ['gUtn]  gulzigaard;  veelvraat; 
be  is  a  —  for,  hij  is  del  op. 

gluttonous  ['glAtanas]  gulzig,  vraat- 
zuchtig. 

gluttony  ['glAtsni]  gidzigheid,  vraat- 
zucht. 

gnarl   [na:l]   knoest. 

gnarled    [na:ld],    gnarly    ['na.li] 
knoestig. 

gnash    [naej]    knarsen    (op). 

gnat    [ncEt]    mug. 

gnaw    [nD:]    knagen,    (af)kluiven. 

gnome    [noum]    kabouter. 

go  [gou]  gaan,  lopen;  heengaan,  ver- 
dwijnen;  wegraken;  reiken  [v.  geld, 
gezag  &];  worden;  zijn;  —  bad,  be- 
derven;  —  far,  vet  gaan  (reizen); 
het  ver  brengen,  voordelig  in  't  ge- 
bruik  zijn;  '~-'  strong,  (nog)  kras 
zijn;  as  the  phrase  {term)  ■ — es,  zo- 
als  het  heet;  —  shares,  gelijk  op 
delen;  .■ — •  itl,  toe  maar!,  geef  hem!; 
—  one  better  than,  meer  bieden; 
meer  doen,  overtreffen;  '^  about, 
rondlopen;  in  omloop  zijn;  een  om- 
weg  maken;  -^  about  it  the  wrong 
way,  de  zaak  (het)  verkeerd  aan- 
pakken;  •^-'  along,  voortgaan;  • — • 
along  with  you!,  loop  rond!;  —^  a  t 
it,  er  op  los  gaan,  aanpakken;  '^ 
b  y,  voorbijgaan,  passeren;  •^^  by 
appearances,  afgaan  op  het  uiterlijk, 
oordelen  naar  de  schijn;  ■ — ■  down, 
naar  beneden  gaan;  ondergaan  [de 
zon] ;  naar  de  kelder  gaan;  —  for. 


goad  110 

af-,  losgaan  op;  —  jor  a  drive, 
een  toertje  gaan  maken;  —  jor 
little  {nothing),  weinig  (niet)  mee- 
tellen;  geen  effect  hebben;  —  in 
jor,  (mee)doen  aan  [sport  &];  •— - 
o  n,  doorgaan,  verder  gaan  (met) 
voorbijgaan  [tijd];  aan  de  gang 
(aan  de  hand)  zijn;  te  keer  gaan 
he  went  on  to  say...,  hij  vervolg 
de...;  —  through,  doorgaan 
doorlopen  [v.  les];  doorzoeken  [zijn 
zakken];  doorstaan,  meemaken;  -^^ 
w  i  t  h  o  u  t  {one' s  dinner,  grog  &), 
het  stellen  zonder  (buiten),  niet 
krijgen;  that  — es  without  saying, 
dat  spreekt  vanzelf;  (a  1  s  z  e  1  f  s  t. 
nmw.)  vaart;  gang;  mode;  aanval; 
keer;  beurt;  it's  a  — .',  top!;  {these 
hats  are)  all  the  — ,  quite  the  — , 
de  mode;  a  jolly  {nice,  pretty)  — /, 
een  mooie  boel;  /'/  is  no  — ,  dat 
(het)  gaat  niet;  het  geeft  (baat) 
niets;  have  a  —  (at),  het  eens  pro- 
beren,  onder  handen  nemen. 

goad  [goud]  prikkel;  vt  prikkelen, 
aansporen    (tot,   into,    to). 

go-ahead    ['goushed]    voortvarend. 

goal    [goul]    eind-,    merkpaal,    doel- 
(einde)   o\  doelpunt  o. 

goal-keeper  ['goulkirpa]  doelverdedi- 
ger. 

goat  [gout]  geit;  bok. 

gobble    ['gDbl]    opslokken. 

go-between   ['goubitwi:n]    bemidde- 
laar,    tussenpersoon. 

goblet   ['gDblit]    beker. 

goblin   ['goblin]   kabouter,    (boze) 
geest. 

go-by  ['goubai]  give  the  — ,  achter 
zich  laten;  ontsnappen  aan;  laten 
schieten;   afdanken. 

God,  god  [god]  God,  (af)god;  the 
^^s,  het  schellinkje. 

godchild    ['godtjaild]    petekind   o. 

goddaughter    ['goddaits]    peetdochter. 

goddess   ['godis]   godin. 

godfather    ['godfaiSs]    peet(oom). 

godliness   ['godlinis]   godsvrucht. 

godly   ['gDdli]   godvruchtig. 


good-natured 


godmother   ['godmASa]   petemoei. 

godsend  ['godsend]  uitkomst,  buiten- 
kansje  o,  meevaller. 

godson    ['godsAn]    peetzoon. 

God-speed  ['god'spi;d]  hid  •~,  geluk 
of  goede  reis  wensen. 

goggles  ['goglz]  (stof)bril;  oogklep- 
pen. 

going  ['gouig]  gaande;  be  ■~  to,  op 
het  punt  zijn  om;  van  plan  zijn 
om;  — ,  — ,  gone,  eenmaal,  ander- 
maal,    derdemaal. 

goings-on  [gouirj'zon]  gedrag  o,  ge- 
doe  o. 

goitre   ['goita]    kropgezwel  o. 

gold    [gould]    goud  o\  aj  gouden. 

golden    ['gouldn]    gouden,   gulden. 

gold-fish    ['gouldfij]    goudvis. 

goldsmith    ['gouldsmi6]    goudsmid. 

golf  [golf,  gof]  golfspel  o;  vi  golf 
spelen. 

golliwog    ['goIiwDg]    boeman(pop). 

golosh  [gs'bj]   overschoen. 

gondola   ['gondsb]   gondel. 

gone  [gon]  V.D.  van  go;  verloren, 
weg,    op;    dood. 

good  [gud]  goed;  ,,zoet"  [v.  kinde- 
ren];  aardig;  braaf;  knap,  sterk  & 
goed  (in,  at);  make  ■ — ■,  (weer) 
goedmaken,  vergoeden;  goed  terecht- 
komen,  er  komen;  bewijzen;  ten  uit- 
voer  brengen;  it  is  no  {not  a  bit 
oj)  — ,  't  is  van  (heeft)  geen  nut, 
't  geeft  niet(s);  tv hat's  the  '~-  {oj 
it)?,  wat  geeft  (baat)  het?;  it  is 
jor  your  — ,  om  uw  bestwil;  coyne 
t  o  — ,  gedijen;  be  ten  pounds  to 
the  — ,  £  10  voordeel  hebben,  nog 
£     10     te    goed    hebben;    zie    ook: 


good-breeding  [gud'bri:dif)]  welgema- 

nierdheid,   beschaafdheid. 
good-bye   [gud'bai]    (goeden)dag;  say 

— ,  afscheid  nemen   (van,  to). 
goodies    ['gudiz]    lekkers   o,  snoep  a. 
goodish    ['gudij]    goedig,    tamelijk 

(goed). 
good-natured    [gud'neitjsd]    goedaar- 

dig,  goedhartig. 


goodness  111 

goodness      ['gudnis]      goedheid; 

{gracious)!,      goeie      genade; 

knows  where,  de  hemel  weet  waar; 

thank    — I,   goddank;   jar   — '   sake, 

cm  godswil. 
goods    [gudz]    goederen,  goed  o\  wa- 

ren;   /'/  is  the  ■ — •,  je  ware. 
goodwill  E'gud'wil]  welwillendheid; 

klandizie,   clientele. 
goody    E'gudi]    bonbon;    a]    sullig; 

zoetsappig. 
goose   [gu:s]   gans. 
gooseberry  ['guzbari]  kruisbes. 
gorge    [goidj]    strot,   keel;   bergengte; 

vt  opslokken,  inslikken;  volstoppen. 
gorgeous    ['gDids^s]    prachtig,   koste- 

lijk. 
gorse   [gD:s]    brem. 
gospel   ['gDspsl]    evangelic  o. 
gossamer    ['gDsama]     herfstdraad, 

-draden;   a]  ragfijn. 
gossip  ['gDsip]   babbelaar(ster);  buur- 

praatje  a,  gepraat  o,  gebabbel  o\  vi 

babbelen,   kletsen. 
got    [gpt]    V.T.    &   V.D.   van  get. 
gout    [gaut]    jicht. 
gouty    t'gauti]    jichtig. 
govern    ['gAvan]    regeren,   besturen, 

leiden,  beheersen. 
governance    ['gAvsnsns]    bestuur  o, 

leiding. 
governess    ['gAvanis]    gouverneurs- 

vrouw;  bestuurster;  gouvernante. 
government    ['gAvanmant]    bestuur   o, 

regering;    leiding;    gouvernement   a. 
governor    ['gAvana]    landvoogd,    gou- 

verneur;  bestuurder;  directeur;  ouwe 

beer,   baas,   chef. 
gown  [gaun]  japon,  kleed  o;  tabberd, 

toga. 
grab  [grseb]  greep,  vangst,  buit;  7nake 

a  ■ — ■  at,  grijpen  naar;  vi  ■ —  at,  grij- 

pen   naar;  vt  pakken. 
grace    [greis]    genade,    gunst,    beval- 

ligheid,  gratie;   respijt   o,   uitstel   o\ 

tafelgebed    o;    good    ■ — s,    gunst;    he 

had  the  ■ — '  to...,  was  zo  fatsoenlijk 

(beleefd)  om...;  with  a  bad  — ,  met 

tegenzin,    niet    van    harte;    with    a 


grand  duchess 


good  — ',  graag,  van  harte;  met  fat- 
soen;  vt  (ver)sieren,  opluisteren; 
vereren;   begunstigen. 

graceful  t'greisful]  bevallig,  gracieus. 

graceless  ['greislis]  snood;  onbevallig. 

gracious  ['greijas]  genadig;  gunstig; 
minzaam;  good  — .',  '~-'  me!,  goeie 
genade! 

grade  [greid]  graad,  rang,  trap;  kwa- 
liteit;  vt  graderen,  rangschikken, 
sorteren. 

gradual  ['grasdjual]  trapsgewijze  op- 
klimmend  &,   geleidelijk. 

graduate  ['graedjueit]  in  graden  ver- 
delen;  graderen;  promoveren;  (ge- 
leidelijk) overgaan  (in,  into);  ['grse- 
djuit]    gegradueerde. 

graduation  [graedju'eijan]  promotie; 
gradering. 

graft  [gra:ft]  ent;  vt  enten. 

Grail   [greil]   graal. 

grain  [grein]  graan  o,  koren  o; 
(graan)korrel;  grein  (tje)  o\  kor- 
reling,  kern;  draad;  against  the  — , 
tegen  de  draad;  ;/  goes  against  the 
■ — •  with  me,  het  staat  me  tegen,  stuit 
me  tegen  de  borst;  vt  korrelen; 
grein(er)en;   nerven,   aderen. 

grammar  ['grsema]  spraakkunst,  -leer, 
grammatica;  —  school,  gymnasium 
o. 

grammatical  [gra'majtikal]  gramma- 
ticaal. 

gramme    [grsm]    gram  o. 

gramophone  ['graemafoun]  grammo- 
foon. 

granary    ['graenari]    korenschuur. 

grand  [grsend]  vleugel  [piano];  a] 
groot,  groots;  voornaam,  edel,  prach- 
tig- 

grandam  ['grasndsem]  grootje  o. 

grand-aunt   ['graenda:nt]   oudtante. 

grandchild    ['graen(d)tjaild]    klein- 
kind  o. 

grand-dad    ['graenddasd]    opa. 

grand-daughter  ['graenddD:ta]  klein- 
dochter. 

grand  duchess  ['grasnd'dAtJis]  groot 
hertogin. 


grand  duke  1 1 2 


grand  duke  ['grasnd'djuik]  groother- 
tog. 

grandfather  ['grcen(d)fa:33]  groot- 
vader;   — 's  clock,  staande  klok. 

grandiloquence    [grjen'dibkwsns] 
bombast;    grootspraak. 

grandmother  ['gr8en(d)mA33]  groot- 
moeder. 

grand-nephew  ['graendnevju:]  achter- 
neef. 

grand-niece    ['graendnirs]    achternicht. 

grandson    ['gr£en(d)sAn]    kleinzoon. 

grand-uncle   ['grsndArjkl]  oudoom. 

granite   ['grsenit]    graniet  o. 

grannie,  granny   ['grseni]   grootje  o. 

grant  [gra:nt]  schenking,  concessie, 
bijdrage,  subsidie;  vt  vergunnen, 
toestaan,  inwilligen,  verlenen,  schen- 
ken;  toegeven,  toestemmen;  God  — 
;'/,  God  gave  het!;  take  for  ■ — ed, 
(als   vanzelfsprekend)    aannemen. 

granular    ['grsenjub]    korrelig. 

granulate   ['grsenjuleit]    korrelen. 

grape    [greip]     druif. 

grape-fruit    ['greipfru:t]   pompelmoes. 

grape-shot   ['greippt]    schroot  o. 

graphic    ['grasfik]    grafisch. 

grapnel   ['grx-pnsl]   dreg(ge). 

grapple  ['grspl]  enteren;  aanklampen; 
omklemmen,  beetpakken;  • — •  with, 
worstelen   met. 

grasp  [gra:sp]  greep,  bereik  o\  macht; 
houvast  o\  bevattingsvermogen  o\  vt 
aan-,  vastgrijpen,  beetpakken,  (om)- 
vatten,  begrijpen;  omklemmen,  vast- 
houden. 

grasping   ['grarspirj]   inhalig. 

grass    [gra:s]   gras  o. 

grasshopper    ['graishspa]    sprinkhaan. 

grass-plot   ['gra:spbt]   grasperk  o. 

grate  [greit]  traliewerk  o;  rooster; 
(vuur)haard;  vt  tralien;  wrijven, 
knarsen  [op  de  tanden];  krassen, 
schuren. 

grateful    ['greitful]    dankbaar. 

grater    ['greita]    rasp. 

gratification  [graetifi'keijan]  bevredi- 
ging;  genoegen  o,  behagen  o\  belo- 
ning,  gratificatie. 


green 


gratify    ['graetifai]    bevredigen,    vol- 

doen;  behagen;  belonen;  — tng,  ook: 

aangenaam,   verheugend. 
gratis    ['greitis]    gratis,    kosteloos. 
gratitude    ['grastitju:d]    dankbaarheid. 
gratuitous   [gra'tjuritas]   gratis,  koste- 
loos; ongemotiveerd,  ongegrond;  no- 

deloos. 
gratuity    [gra'tjuiiti]    gift;    fooi;    gra- 
tificatie. 
grave  [greiv]  graf  o;  a]  deftig,  stem- 

mig,  statig,  plechtig,  ernstig. 
grave-digger   ['greivdiga]    doodgraver. 
gravel  ['gr£ev3l]  kiezel  o  &  in,  kiezel- 

zand  o,  grind  o\  vt  begrinden. 
graveyard   ['greivja:d]    kerkhof  o. 
gravitation   [grasvi'teijan]    zwaarte- 

kracht. 
gravity   ['graeviti]   gewicht  o\  gewich- 

tigheid;    deftigheid,    ernst;    zwaarte, 

zwaartekracht;    spec/fic    '-~,    soorte- 

lijk  gewicht  o. 
gravy   ['greivi]  vleesnat  o,  jus. 
gray    [grei]    zie  grey. 
graze  [greiz]    (laten)  grazen,  weiden; 

schaven;   schampen;   rakelings  voor- 

bijgaan,   even  aanraken. 
grazier   ['greizis]   vetu'cider. 
grease    [gri:s]    vet  o,    smeer   o  &   m\ 

[gri:z]     rt    smeren,    in-,    besmeren; 

(in)vetten;    de    handen    smeren. 
greasy    ['gri:zi]    smerig,   vettig. 
great    [greit]    groot;   heerlijk,   leak, 
greatcoat    ['greit'kout]    overjas. 
great-grandfather    ['greit'grasn(d)- 

fa:33]    overgrootvader. 
great-grandson   ['greit'grasn(d)sAn] 

achterkleinzoon. 
greatly   ['greitii]  grotelijks;  zeer. 
greatness   ['greitnis]  grootte,  groot- 

heid. 
Greece   [gri:s]    Griekenland  o. 
greed   [gri:d],  greediness   ['gri:dinis] 

hebzucht,    begerigheid,    gretigheid, 

gulzigheid. 
greedy    ['gri:di]    hebzuchtig,   begerig 

(naar,  of),  gretig,  gulzig. 
Greek    [gri:k]    Griek;    aj   Grieks. 
green    [griin]    groen,    onrijp,    nieuw, 


greenery 


113 


around 


vers,    fris;    '—   stuff    {food,     meat), 

groenten;  the  — ,  het  grasveld;  het 

dorpsplein;    — s,   groente(n). 
greenery    ['griinsri]    oranjerie,    serre. 
greengage   ['griin'geids]    reine-claude. 
greengrocer  ['griingrousa]  groen(te)- 

boer. 
greenhorn  ['gri:nhD:n]   groen,  sul. 
greenhouse    ['gri:nhaus]    oranjerie, 

serre. 
Greenland   ['gri inland]    Greenland  o. 
greet    [gri:t]    begroeten,  groeten. 
greeting   ['griitit]]   begroeting,  greet. 
gregarious    [gri'gearias]    in   groepen 

levend   [v.  dieren]. 
grenade   [gri'neid]    (hand)granaat. 
grenadier    [grena'dia]    grenadier. 
grew   [gru:]    V.T.  van  grow. 
grey    [grei]    grijs,  grauw. 
greybeard    ['greibisd]    grijsaard. 
greyhound   L'greihaund]   windhond. 
grid  [grid]  rooster;   (hoogspannings)- 

net  o;  centrale  (elektriciteits-,  gas)- 

veorziening. 
gridiron    ['gridaian]    (braad) rooster. 
grief    [gri:f]     dreefheid,    smart;    ver- 

driet,  leed  o,  kemmer;  come  to  -~', 

een  engeluk  krijgeo;  een  val  deen; 

de  nek  breken,  mislukken,  stranden, 

schipbreuk  lijden. 
grievance  ['gri;v3ns]  grief. 
grieve    [gri;v]    bedroeven,   verdrieten, 

leed    (aan)doen;   betreuren;    treuren 

(over,   at,   over). 
grievous    ['grirvas]    zwaar,    drukkend, 

pijnlijk,    smartelijk,   bitter,    deerlijk, 

jammerlijk. 
grill    [gril]    rooster;   geroosterd   vices 

o;  vt  reesteren,  braden;   ■ — ing  hot, 

smoorheet. 
grille   [gril]    traliewerk  o,  -hek  o. 
grim   [grim]   grimmig,  bars;  bar, 

streng,    hard,    verschrikkelijk;    fel, 

verwoed,    verbeten,    woest. 
grimace   [gri'meis]   grimas,  grijns. 
grime   [graim]   vuil  o,  reet  o. 
grimy    ['graimi]    vuil,    smerig. 
grin    [grin]    grijns,   grijnslach;    vi 

grijnzen,  grinniken. 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


grind  [graind]  malen,  fijn  wrijven; 
(af)slijpen;  draaien  [orgel];  drillen 
[jengens];  zich  afbeulen,  ploeteren, 
blokken;  knarsen;  —  one's  teeth, 
tandenknarsen. 

grinder   ['grainda]    kies,  maaltand; 
slijper. 

grindstone   ['graindstoun]    slijpsteen. 

grip  [grip]  greep,  heuvast  o,  vat; 
come  to  — s,  handgemeen  worden; 
vt  (vast)grijpen,  beetpakken;  fig 
pakken,  boeien. 

grisly  ['grizli]   akelig,  griezelig. 

gristle  ['grisi]  kraakbeen  o. 

grit  [grit]  steengruis  o\  zand-  of  bik- 
steen  o  &.  tn;  fig  energie,  fut;  -~j, 
grutten;    vt  wrijven;   knarsen    (op). 

gritty   ['griti]   zandig,  korrelig;  fig 
flink. 

grizzled    ['grizld]    grijs,  grauw. 

grizzly    ['grizli]    grijs  (achtig). 

groan  [groun]  gesteun  o,  gekreun  o\ 
vi  ste(u)nen,    kreunen,   kermen. 

groats    [grouts]   grutten. 

grocer   ['grousa]   kruidenier. 

grocery  ['grousari]  kruidenierswaren; 
kruidenierswinkel. 

groin   [grDin]    lies. 

groom  [gru:m]  stalknecht;  rijknecht; 
(livrei)bediende;  kamerheer;  bruide- 
gom;   vt  verzergen   [v.  uiterlijk]. 

groove  [gru:v]  groef,  sponning;  gleuf; 
fig    sleur;    vt   groeven. 

grope  [group]    (tastend)   zoeken, 
(rond)tasten    (naar,   for,   after). 

gross  [grous]  gres  o;  aj  dik,  groot, 
grof,   ruw;   schremelijk,   erg;   brute. 

grotesque  [greu'tesk]  gretesk,  petsier- 
lijk. 

grotto   ['grDtou]  grot. 

ground  [graund]  grend;  bodem;  ter- 
rein  a;  ■ — s,  grendsop  o,  (koffie)- 
dik  o\  aanleg,  plantsoen  o,  park  o\ 
change  {shift)  one's  — ,  van  stand- 
punt  (positie)  veranderen;  gain  ^~-, 
veld  winnen,  vorderen;  lose  — ,  ter- 
rein  verliezen;  on  the  —  of...,  op 
grond  van;  on  the  — {s)  that...,  op 
grend  van  het  feit,  dat...;  vt  gron- 

8 


groundfloor  114 


den;    grondvesten;    gronderen;    well 

— ed,  gegrond;  goed  onderlegd   (in, 

in);  vi  aan  de  grond  lopen,   stran- 

den;   V.T.    &   V.D.    van   grind;    -— 

glass,  matglas  o. 
groundfloor    ['graund'fb:]    heneden- 

verdieping. 
ground-plan    ['graundplsn]    platte- 

grond. 
group    [gru:p]    groep;    vt  groeperen. 
grouping    ['gru.pir)]     groepering. 
grouse    [graus]    korhoen    o,    korhoen- 

ders. 
grove   [grouv]   bosje   o. 
grovel  E'grDvl]  kruipen,  zich  in  't  stof 

vernederen. 
grow   [grou]  groeien;  toenemen;  wor- 

den;    laten    groeien    (staan),    (ver)- 

bouwen,    kweken,    telen;     — -     upon 

one,  vat  krijgen  op;  zich  opdringen 

[v.  gedachte]. 
grower    ['grous]    verbouwer,    kweker. 
growl    [graul]    grauw,   snauw,  geknor 

0,  gebrom   o;   vi  snauwen,  knorren, 

grommen,   brommen. 
grown    [groun]    V.D.    v.    grow;    be- 

groeid;    volwassen;    greet. 
grown-up    ['groun'Ap]    volwassen. 
growth    [grouO]   groei;  toeneming, 

vermeerdering;  gewas  o,  produkt  o; 

gezwel  0. 
grub  [grAb]  larve,  made;  eten  o,  kest; 

vi  graven;    pioeteren. 
grubby  ['giAbi]  vol  maden;  vuil,  vies. 
grudge     [grAds]     wrok;     bear     (owe) 

one   a    ■ — ■,   have   a    ■ — '    against    one, 

(een)     wrek     koesteren    jegens;    rt 

misgunnen,  niet  gunnen;  he  — s  no 

labour,  geen  arbeid  is  hem  te  veel. 
grudgingly   ['grAd3ir|li]   met  tegenzin, 

ongaarne. 
gruel   ['grual]    dunne  pap,   brij. 
gruesome    ['gru:s3m]    ijselijk,    grieze- 

lig,    ijzingwekkend,    afschuwelijk. 
gruff    [grAf]    nors,   bars,   gref. 
grumble    ['grAmbl]    morren,    knorren; 

brommen;  rommelen. 
grumpy  ['grAmpi]  brombeer;  aj  brom- 

merig. 


gu.nca-pig 

Grundy    ['grAndiJ    Mrs    — ,   de   boze, 

kwaadsprekende  wereld. 
grunt    [grAnt]    knorren    [v.   varken]. 
guarantee    [gasrsn'ti:]    (waar)borg, 

garantie;    vt    waarborgen,    garande- 

ren;  vrijwaren. 
guard    [ga:d]    wacht,    hoede,   beschut- 

ting,    dekking;    bescherming,    bewa- 

king;  bewaker,  wachter;  garde;  cen- 

ducteur;  vt  (be)heeden,  beschermen; 

bewaken;   vi  zich   hoeden,  eppassen 

(voor,  against). 
guarded    ['ga:did]    voorzichtig,    gere- 

serveerd. 
guardian  ['gaidjan]  voogd;  bewaarder, 

bewaker;   curator,   opziener;    —    an- 
gel,   bescherm.engek 
guardianship    ['ga:dj3njip]    voogdij, 

bewaking,  hoede. 
guess    [ges]    gissing;   give  a   ~-    {at), 

raden   (naar);  by  — ,  op  de  gis;  vi 

raden,    gissen;    denken;    vermoeden. 
guest    [gest]    gast,   lege;    introduce; 

paying  ■—-,  betalend  loge. 
guest-house   ['gesthaus]   tehuis  o, 

pension  o. 
guest-room  ['gestrum]  logeerkamer. 
guidance   ['gaidans]    leiding;  geleide 

o;  voorlichting. 
guide    [gaid]    leidsman,    (ge)leider, 

gids;  vt  (ge)leiden,   (be)sturen. 
guide-book    ['gaidbuk]    gids. 
guide-dog    ['gaiddog]    geleidehond. 
guide-post  ['gaidpoust]  weg\\'ijzer. 
guild   [gild]   gilde  o  &  v. 
guilder    ['gilds]    gulden. 
guile    [gail]    (arg)list,    valsheid. 
guileful    ['gailful]    arglistig,   vals. 
guileless  ['gaillis]   argeloos. 
guillotine    [gib'tiin]    guillotine;    — 

window,    schuilraam   o;   vt   guilioti- 

neren. 
guilt    [gilt]    schuld;    misdaad. 
guiltless    ['giltlis]    onschuldig. 
guilty   ['gilti]   schuldig   (aan,   of); 

misdadig;    schuldbewust. 
guinea   ['gini]    gienje    (21    shilling). 
guinea-pig    ['ginipig]    Guinees   bigge- 

tje  o,  marmetje  o;  fig  preefkonijn  o. 


guise 


115 


half 


guise  Lgaiz]  gedaante;  uiterlijk  o, 
voorkomen  o,  schijn;  in  {under)  the 
—  oj,  bij  wijze  (onder  de  schijn) 
van,   als. 

guitar   [gi'ta:]    gitaar. 

gulf    [gAlf]    golf,    (draai)ko]k,    zee- 
boezem;   jig  afgrond,   klove. 

gull  [gAl]  (zee)meeuw;  jig  onnozele; 
vt  voor  't  lapje  houden. 

gullet    ['gAlit]    slokdarm,    keel. 

gullibility   [gAli'biliti]   lichtgelovig- 
heid,  onnozelheid. 

gullible  ['gAlibl]  lichtgelovig,  onnozel. 

gully    ['gAli]    goot;    geul;    ravijn   o. 

gulp  [gAlp]  siok;  at  a  (one)  ■ — ^,  in 
een  siok  (teug);  vt  inslikken;  ~ 
down,    slikken,    inslokken. 

gum  [gAm]  gom  m  of  o\  — s,  tand- 
vlees  o;  vt  gommen. 

gun  [gAn]  geweer  o\  kanon  o;  revol- 
ver; (saluut)schot  o;  jager;  stand 
(stick)  to  one's  ■ — s,  op  zijn  post 
blijven,  standhouden;  voet  bij  stuk 
houden. 

gunboat    ['gAnbout]    kanonneerboot. 


gun-carriage  ['gAnkseridsl   affuit. 
gun-cotton    ['gAnkstn]    schietkatoen    o 

&  m. 
gunner  ['gAna]  kanonnier;  schutter. 
gunpowder  ['gAnpauds]    (bus)kruito. 
gush    [gAj]    stroom,    uitstorting,    uit- 

barsting;    vi    gutsen,     (uit)stromen; 

jig   dwepen. 
gust    [gASt]    vlaag;   windvlaag. 
gusto    ['gAstou]    smaak,  genot  o\   ani- 

mo. 
gut  [gAt]  darm;  — s,  buik;  jig  fut,  lef 

o  Si  m\  vt  uithalen;  leeghalen,  plun- 

deren;    uitbranden. 
gutter    ['gAts]    goot,    groef. 
gutter-snipe  ['gAtssnaip]  straatjongen. 
guttural    CgAtarsl]    keelklank. 
guy  [gai]   vogelverschrikker;  kerel. 
guzzle    E'gAzl]    brassen;   schrokken. 
gymnasium    [dsim'neizjsm]    gymnas- 

tiekzaal;    [buiten  Engeland]  gymna- 
sium 0. 
gymnastic  [dsim'nsestik]   gymnastisch, 

gymnastiek-;    ' — s,  gymnastiek. 


H 


h    [eitj]    (de  letter)    h. 

habit  ['habit]  gewoonte,  aanwensel  o; 

(rij)kleed   o\   dracht. 
habitation    [haebi'teijsn]    woning, 

woonplaats. 
habitual    [ha'bitjusl]    gewoon. 
habitually   [hs'bitjuali]   gewoonlijk. 
habituate    [ha'bitjueit]    (ge)wennen. 
habitude   ['heebitjuid]   gewoonte,  heb- 

belijkheid. 
hackle    ['hzekl]    (vlas)hekel;   vt  heke- 

len;   stukhakken,  verminken. 
hackney    ['hskni]    rij-,    huurpaard    o; 

huurrijtuig  o\  aj  huur-;  '--'ed:  afge- 


had    [had]    V.T.   &   V.D.   v.    have. 
haddock    ['haedak]    schelvis. 
haft    [hasft]    heft  o,  handvat   o. 
hag    [haeg]    heks,   toverkol. 


haggard   ['hasgad]    wild,   verwilderd. 
haggle    ['haegl]    kibbelen,    (af)dingen. 
Hague  (The)    [Sa  'heig]   Den  Haag. 
hail    [heil]    hagel;    heil!;    out    oj 

(within)  — ,  niet  te  (te)  beroepen; 

vi   hagelen;    —    jrom,   vandaan   ko- 

men;   vt  aanroepen;    begroeten. 
hailstorm   ['heilstaim]   hagelbui. 
hair   [h£a]   haar  o. 
hairbreadth    ['heabred9]   haarbreed  o. 
hairdo    ['headu:]    kapsel    o. 
hairdresser  ['headresa]   kapper. 
hairpin    ['heapin]    haarspeld. 
hair-splitting    ['heasplitii]]    haarklove- 

rij. 
hairy    ['heari]    harig,   behaard;   haren. 
hale    [heil]    fris,  gezond,   flink. 
half     [ha:f]     helft;     ~    past     (jive), 

half  (zes);  aj  half;  not  — .',  en  of!; 


half-caste 


116 


hang 


not  ^~-'   had,   nog  zo  kwaad   niet. 

half-caste    ['ha:fka:st]    halfbloed. 

half-hearted  ['ha:f' ha;tid]  lauw,  half- 
slachtig,  weifelend. 

half-pay    ['ha;f'pei]    non-activiteits- 
traktement  o,  wachtgeld  o. 

halfpenny   ['heipsni]    halve  stuiver. 

half-time  ['ha:f' taim]  rust;  aj  voor  de 
halve  tijd. 

halfway   ['ha:f'wei]    halverwege, 

halibut    E'haelibAt]    heilbot. 

hall   [hD:l]    hal;  vestibule;   zaal. 

hall-mark  ['hDiI'maik]  stempel  o  Scm. 

hallow   ['haelou]   heiligen,  wijden. 

hall-porter    ['hD:lp3:t3]    portier. 

hall-stand    ['hDiIstaend]    gangkapstok. 

hallucination  [h3l(j)u:si'neij3n]  hal- 
lucinatie,    zinsbegoocheling. 

halt  [h3:lt]  halte,  stilstand;  halt!; 
kreupelheid;  vi  halt  houden,  stil- 
staan;  mank,  kreupel  lopen;  fig 
weifelen;  mank  gaan;  '~  between 
two  opinions,  op  twee  gedachten 
hinken;  vt  halt  laten  houden,  tot 
staan  brengen. 

halter   ['hDilts]    halster,   strop. 

halt  sign    ['h3:ltsain]    stopbord  o. 

halve    [ha:v]    halveren. 

ham    [haem]    dij;   ham. 

hamlet   ['hsmlit]    gehucht  o. 

hammer  ['hsma]  hamer;  throwing  the 
•~-,    kogelslingeren    o;    vi   hameren. 

hammock   ['haemak]  hangmat. 

hamper  ['hasmpa]  pakmand;  sluitkorf; 
vt  bemoeilijken,  belemmeren,  ver- 
strikken. 

hamster   ['hzemsta]   hamster. 

hand  [haend]  hand;  wijzer  [v.  uur- 
werk];  arbeider,  man;  be  a  bad 
{poor)  ■ — ■  {not  much  of  a  — )  at, 
slecht  zijn  in,  geen  bolleboos  zijn 
in;  he  is  a  new  ■ — ',  een  nieuweling, 
beginner;  he  is  an  old  —-,  hij  is 
een  oudgediende;  — s  off!,  afblij- 
ven!;  — s  tip!,  handen  omiioog!;  be 
a  t  — ,  bij  de  hand  zijn,  in  de  buurt 
zijn;  op  handen  zijn;  from  —  to 
mouth,  van  de  hand  in  de  tand;  be 
o  n     — ,    aanwezig    zijn,    voorradig 


zijn;  on  all  ■ — s,  van  alle  kanten; 
on  the  other  — ,  van  de  andere 
kant;  —  over  fist,  —  over  — , 
hand  over  hand;  steeds  veldwinnen- 
de;  vlug;  come  t  o  ~-,  in  handen 
vallen;  zijn  bestemming  bereiken  [v. 
brieven];  no...  to  ■-~,  geen...  bij  de 
hand;  with  all  -^j  (on  board), 
met  man  en  muis;  vt  aan-,  over- 
reiken,  ter  hand  stellen,  overhandi- 
gen,  afgeven;  —  down,  aangeven; 
overleveren;  ■ — ■  /'  n,  inleveren,  aan- 
bieden,  afgeven;  ■ — •  out,  uitdelen; 
■ —  over,  in-,  afleveren,  overhan- 
digen;  fig  overmaken,  -leveren,  -dra- 
gen;  — ■  r  0  II  n  d,  ronddelen,  rond- 
dienen. 

handbag    ['hasndbaeg]    handtas. 

handbill    ['hsendbil]    strooibiljet    o. 

handcuff    ['hsndkAf]    handboei;    vt 
boeien. 

handicap  ['hsendiksep]  handicap;  fig 
hindernis;  nadeel  o\  vt  handicappen; 
fig  in  minder  gunstige  positie  bren- 
gen, belemmeren. 

handicraft  ['hsendikraift]  handwerk  o. 

handkerchief   ['hcegkatjif]   zakdoek. 

handle  ['hcendl]  handvat  o,  hengsel  o, 
(hand)greep,  kruk,  zwengel;  (deur)- 
knop;  vt  betasten;  hanteren;  aan- 
pakken;  behandelen;  omgaan  met; 
bedienen  [geschut]. 

handle-bar   ['hsndlba:]   stuur  o   [v. 
fiets]. 

hand-made  ['hsendmeid]  uit  (met)  de 
hand  gemaakt,  handwerk-. 

handshake   ['hfendjeik]    handdruk. 

handsome    ['haenssm]    mooi,   fraai, 
knap,  royaal,  mild;  aardig,  flink. 

handwriting  ['hsendraitirj]  handschrift 

0. 

handy  ['hsendi]  handig;  van  pas;  bij 
de  hand. 

handy-man   ['haendim^n]   duivelstoe- 
jager,  hulp. 

hang  [haerj]  (op)hangen,  behangen; 
laten  hangen;  —  fire,  fig  niet  op- 
schieten;  geen  opgang  maken;  ^^ 
;'/.',    drommels!;    —    on,    aanhangen. 


hangar  117 


harrow 


vasthangen;  volhouden. 

hangar   ['h^gga:]    (vliegtuig)loods. 

hangdog  ['haerjdDg]  • —  look,  gluipe- 
rige  blik,  boeventronie. 

hanging  ['h£er)ii]]  ophanging,  hangen 
o\  '-~'S,  draperie(en);  behang(sel) 
o\  aj  (af)hangend,  hang-;  a  —  af- 
fair {matter),  een  halsmisdaad. 

hangman    ['hasrjman]    beuL 

hanker  ['hsrjks]  (vurig)  verlangen, 
hunkeren    (naar,  for,  after). 

hanky-panky  ['hierjki'paerjki]   hocus- 
pocus. 

hansom  (cab)  ['hasnsam  Ckaeb)]  han- 
som   [tweewielig   huurrijtuig]. 

haphazard  [hsp'harzad]  bloot  toeval 
o\  at  {by)  — ,  op  goed  geluk;  aj 
op  de  bof  &  ondernomen,  (in  't 
wild)   gewaagd. 

hapless    ['hseplis]    ongelukkig. 

happen  ['hsepn]  (toevallig,  vanzelf) 
gebeuren,  voorvallen;  —  on  {up- 
on), toevallig  ontmoeten;  1  ■ — ed  to 
see  him,  toevallig  zag  ik  hem;  as 
it  — s,  as  it  — ed,  juist. 

happenings   ['hspnigz]   gebeurtenis- 
sen. 

happiness    ['hcepinis]    geluk   o,   blij- 
heid,  tevredenheid. 

happy  ['haspi]  gelukkig,  blij,  tevreden. 

happy-go-lucky  E'haepigou'lAki]  zorge- 
loos,   lukraak    (uitgevoerd). 

harangue  [hs'rser]]  aanspraak;  (hefti- 
ge)    toespraak;   vt  toespreken. 

harass    ['haerss]    kwellen,    teisteren; 
afmatten;    bestoken. 

harbour  ['haibs]  haven;  vt  herber- 
gen;   koesteren    [gedachten]. 

hard  [ha:d]  hard,  zwaar,  moeilijk; 
hardvochtig,  streng;  -^  cash,  klin- 
kende  munt;  --^  labour,  tuchthuis- 
straf;  '--'  names,  scheldwoorden;  — 
of  hearing,  hardhorig;  look  —  at, 
strak  aankijken;  ■ — ■  on  {upon), 
vlak  bij  (op);  hard  (streng)  voor; 
■ — ■  u  p,  slecht  bij  kas;  verlegen  (om, 
for). 

harden    ['ha:dn]    harden,    hard    (ge- 
voelloos)    maken,   verharden. 


hardened    ['ha:dnd]    verstokt. 
hard-hearted    ['ha:d'ha:tid]    hardvoch- 
tig. 
hardihood   ['ha:dihud]    onversaagd- 

heid,    koenheid;    onbeschaamdheid. 
hardly    ['ha:dli]    nauwelijks,   ternau- 

wernood,    bijna    niet;    moeilijk;    — 

ever,  bijna  nooit;    —    ...when    {be- 
fore), nauwelijks...   of. 
hardship    ['ha:d,fip]   moeilijkheid,  on- 

gemak   o,   onbillijkheid;   ontbering. 
hardware   ['ha:dw83]    ijzerwaren. 
hard-wearing    ['hatd'wEarir)]    sterk, 

niet  gauw  slijtend. 
hardy  ['ha:di]  gehard;  stout(moedig), 

koen;    flink. 
hare   [hea]   haas. 
hare-brained    ['heabreind]    onnaden- 

kend. 
haricot  ['hasrikou]  snijboon. 
hark  [ha:k]  luisteren;  ■— -  back,  terug- 

gaan,    terugkomen    (op,    to). 
harlequin    ['hatlikwin]    harlekijn. 
harm    [harm]    kwaad    o,    schade;    na- 

deel  o,  letsel  o;  be  out  of  -^'j  way, 

geborgen  zijn;  vt  kwaad  doen,  scha- 

den,   benadelen. 
harmful    ['harmful]    nadelig,    schade- 

lijk. 
harmless    ['haimlis]    onschadelijk;   ar- 

geloos,    onschuldig. 
harmonic    [ha:'mDnik]    harmonisch. 
harmonious    [ha:'mounJ9s]    harmoni- 

erend,   overeenstemmend,    wellui- 

dend;   eendrachtig. 
harmonize   ['haimanaiz]   harmonieren, 

overeenstemmen;  in  overeenstem- 

ming  brengen. 
harmony    ['haimani]    harmonic,    over- 

eenstemming,    eensgezindheid. 
harness   ['ha:nis]   harnas  o;   (paarde)- 

tuig  o;  gareel  o;  vt  harnassen;  (op)- 

tuigen,  aanspannen;  fig  aanwenden, 

gebruiken   (voor,  to). 
harp  [ha:p]  harp;  vi  op  de  harp  spe- 

len;   -^^   on  the  same  string,  er  tel- 

kens  op   terugkomen. 
harpoon    [ha:'pu:n]   harpoen. 
harrow    ['hjerou]    eg(ge);    vt    eggen; 


harry  118 

pijnigen,   folteren. 
harry    ['hasri]    vervolgen,    kwellen, 

teisteren,  plunderen,  afstropen. 
harsh   [ha:J]   hard,  scherp,  grof,  ruw, 

wrang,   stroef;    streng. 
hart    [ha:t]    hert  o. 
harvest     ['ha:vist]     oogst;     vt     (in)- 

oogsten,    in-,   opzamelen. 
harvester    ['haivista]    oogster. 
has    [haez]    3de   pers.    enk.    v.    have. 
hash   [haej]    hachee  m  &  o\  fig  men- 

gelmoes  o  Sc  v,    (rommel)zootje  o; 

vt  '~-  {up),  (fijn)  hakken. 
haste    [heist]    haast,    spoed;    more    — 

less  speed,  haastige  spoed  is  zelden 


head-gear 


hasten  ['heisn]  zich  haasten  (spoe- 
den);  verhaasten,  bespoedigen. 

hasty  C'heisti]  haastig;  gehaast,  over- 
ijld;    driftig. 

hat    [hst]    hoed. 

hatch  [haetj]  broedsel  o\  luik  o\  vt 
uitbroeden;    arceren. 

hatchet    ['hastjitj    bijl. 

hate  [heit]  haten,  het  land  (een  he- 
kel)   hebben  aan. 

hateful    ['heitful]    hatelijk;   gehaat; 
akelig. 

hat-rack    ['hstrEk]    kapstok. 

hatred    ['heitrid]    haat. 

haugthy    ['h3;ti]    hoogmoedig,   hoog- 
hartig,    trots;    uit    de    hoogte. 

haul  [h3:l]  trek,  haal;  vangst;  Vifinst; 
buit;  vt  trekken,  slepen;  vervoeren; 
halen. 

haunch  [hD:n(t)J]  heup  [v.  dier], 
lendestuk    o\    bout;    dij. 

haunt  [hD:nt]  verblijfplaats,  verzamel- 
plaats  [v.  dieren];  schuilplaats,  le- 
ger  o\  vt  bezoeken,  (rond)waren  in, 
om,  bij;  (steeds)  vervolgen,  kwellen 
[gedachten];  • — ed  house,  spookhuis 
o. 

have  [haev]  hebben;  beetnemen;  laten; 
/  will  —  a  suit  made,  laten  ma- 
ken;  what  will  you  ^^  me  do?,  dat 
ik  doen  zal?;  let  him  —  it,  hem 
er  van  langs  geven;  there  you  ■ — - 
7ne,   daar  kan  ik  gecn  antwoord  op 


geven. 

haven  ['heivn]  haven;  toevluchtsoord 
o, 

havoc  E'haevsk]  verwoesting;  make  ■ — ■ 
oj,  vreselijk  huishouden  met;  ver- 
woesten. 

hawk  [hD:k]  havik;  vt  (rond)venten 
(ook:  —  about');  jig  uitstrooien, 
verspreiden. 

hawker    ['h3:ka]    venter,   marskramer. 

hawthorn    ['h3:6D:n]    hagedoorn. 

hay  [hei]  hooi  o;  make  — ,  hooien, 
make  —  while  the  sun  shines,  het 
ijzcr  smeden  als  het  heet  is. 

hayrick  ['heirik],  haystack  ['heistiek] 
hooiberg. 

hazard  ['haezsd]  toeval  o\  risico  o,  ge- 
vaar  o;  kans;  vt  wagen. 

hazardous    ['hcezsdss]    gewaagd. 

haze   [heiz]    damp,  nevel,  waas  o. 

hazel  ['heizl]  hazelaar;  als  a]  licht- 
bruin;   — -nut,  hazelnoot. 

hazy  E'heizi]  dampig,  wazig,  nevelig; 
jig  beneveld;  vaag. 

he    [hi:]    hij. 

head  [hed]  (opper)hoofd  o;  kop; 
kruin,  top,  spits;  gewei  o;  hoofd- 
einde  o\  stuk  o,  stuks  [vee];  ■ — ■ 
over  heels,  hals  over  kop;  I  can 
make  neither  ^^  nor  tail  oj  it,  ik 
kan  er  geen  touw  aan  vastknopen; 
keep  your  — ,  houd  u  kalm,  verlies 
't  hoofd  niet;  it  has  turned  his  ■ — ^, 
't  heeft  hem  het  hoofd  op  hoi  ge- 
bracht;  —  j  o  r  e  7n  o  s  t,  voorover; 
o  j  j  his  — ,  niet  wel  bij  't  hoofd, 
gek;  0  n  that  ■ — ,  op  dat  punt,  te 
dien  aanzien;  bring  the  afjair  t  o 
this  — ,  tot  dit  resultaat;  het  zo  ver 
laten  komen;  vt  aan  het  hoofd  staan 
van;  aanvoeren;  toppen  [bomen]; 
koppen  [voetbal];  an  article  '-^ed 
...,  met  het  opschrift...;  —  jor 
{towards),  aansturen  op,  gaan  naar; 
• — ■  o  j  j,  opvangen,  de  pas  afsnijden. 

headache    ['hedeik]    hoofdpijn. 

head-dress  ['heddres]  kapsel  o\  hoofd- 
tooi. 

head-gear   ['hedgia]    hoofddeksel  o. 


heading 


119 


hedge 


heading    ['hedir)]    hoofd    o,   titel,    op- 

schrift  o\  rubriek. 
headland    ['hedbnd]    voorgebergte    o. 
head-light    ['hedlait]    koplicht  o. 
head-line    ['hedlain]    kop    [als   op- 

schrift]. 
headlong    ['hedbrj]    met    het    hoofd 

vooruit,    hals    over    kop;    dol,    blin- 

delings;   onstuimig,   roekeloos. 
head-master    ['hed'maista]    hoofd    o 

van  school;  directeur;  rector. 
headphone (s)    ['hedfoun(z)]    kop- 

telefoon. 
headquarters     ['hed'kw3:t32]    hoofd- 

kwartier  o\   hoofdkantoor  o. 
headstrong  ['hedstrsr)]   koppig,  eigen- 

zinnig. 
headway  ['hedwei]  vaart,  gang;  make 

■ — ■,   opschieten,   vooruitkomen;    zich 

uitbreiden. 
head  wind    ['hedwind]    tegenwind. 
heady    ['hedi]    koppig;    onbesuisd. 
heal    [hi;l]    helen,    genezen. 
health    [helO]    gezondheid,   welzijn  o\ 

in   {good)    — ,  gezond. 
healthful    ['helOful]    gezond. 
healthiness    ['heI9inis]    gezondheid. 
healthy    ['helOi]    gezond. 
heap  [hi:p]  hoop,  stapel;  vt  ophopen; 

'—'...    upon,    ■ — '    with...,    overladen 

met... 
hear    [hia]    horen,   luisteren    (naar); 

verhoren,  overhoren;  vernemen. 
heard    [hsid]    V.T.  &  V.D.   v.   hear. 
hearer   ['hiara]    (toe)hoorder. 
hearing  ['hiarir)]  gehoor  o\  verhoor  o. 
hearsay    C'hiasei]    by    {from,   on)    — , 

van  lioren   zeggen. 
hearse    [hais]    lijkwagen. 
heart    [ha:t]    hart   o\   kern,    binnenste 

o;    -—s,    harten    [in    't    kaartspel]; 

lose  — ,  de  moed  verliezen;  take  '~ 

{of  grace),  moed  vatten;  at  ■-^,  in 

zijn    hart;    in    de   grond    (van    zijn 

hart);    get    {know,    learn)    by    — , 

van  buiten;  lay  t  o  ^~-',  iets  ter  har- 

te  nemen;  zich  iets  aantrekken;  take 

it   {heavily)    to  — ,  zich  iets    (erg) 

aantrekken. 


heartache  ['haiteik]  hartzeer  o,  harte- 

leed  o. 
heart-breaking    ['hattbreikir)]    hartver- 

scheurend. 
hearten   ['ha:tn]   bemoedigen. 
heart  failure   ['haitfeilja]    hartverlam- 

ming. 
heartfelt   ['ha:tfelt]   diepgevoeld,  op- 

recht,   innig. 
hearth    [ha: 6]    haard,   haardstede. 
hearth-rug   ['ha:6rAg]    haardkleedje  o. 
heartily  ['ha:tili]  hartelijk,  van  harte; 

hartgrondig;  hartig;   flink. 
heartiness    ['ha:tinis]    hartelijkheid; 

animo. 
heart-rending  ['ha:trendir)]  hartver- 

scheurend. 
hearty  ['ha:ti]  hartelijk;  hartig;  flink; 

hartgrondig. 
heat  [hi:t]   hitte,  warmte,  gloed,  vuur 

o;   manche    [in   wedstrijd];    vt  heet 

(warm)   maken,   verwarmen,  verhit- 

ten;   opwinden. 
heath    [hi:9]    heide. 
heathen   ['hiiSan]    heiden;  aj  heidens. 
heathenish   ['hiiSaniJ]    heidens. 
heathenism  ['hiiSanizm]  heidendom  o. 
heather    ['heSa]    heidekruid   o. 
heat-wave   ['hi:tweiv]    hittegolf. 
heave   [hi:v]    vt  opheffen,    (op)tillen, 

ophalen;   doen   zwellen;    ^^    a  sigh, 

een  zucht  slaken;  vi  rijzen,  zich  ver- 

heffen,  deinen;  zwoegen   [v.  borst]; 

(op) zwellen;    kokhalzen. 
heaven   ['hevn]   hemel;  by  — s!,  good 

^^-■s!,   goeie   hemel!;   for    — 's   sake, 

om   's   hemelswil. 
heavenly   ['hevnli]    hemels;  hemel-; 

„zalig"   (lekker  &). 
heavy    ['hevi]    zwaar,    zwaarmoedig; 

loom;    hevig;     druk     [verkeer];     — 

type,  vette  letter;   —  with,  zwanger 

van,  bezwangerd  met   [geuren  &]. 
Hebrew   ['hiibru:]    het  Hebreeuws; 

Hebreeer;  aj  Hebreeuws. 
hectic    ['hektik]    teringachtig,   tering-; 

fig  koortsachtig,  jachtig,  opwindend, 

dol. 
hedge  [hed3]  heg,  haag;  vt  omheinen, 


hedgehog 


1 20  hereby 


in-,  afsluiten;  vi  zich  gedekt  houden, 
een  slag  om  de  arm  houden. 

hedgehog    ['hedshog]    egel. 

hedgerow  ['hed3rou]   haag. 

heed  [hi:d]  opmerkzaamheid,  oplet- 
tendheid;  pay  (no)  '—■  to,  (niet) 
letten  op,  zich  (niet)  bekreunen 
om;  take  ■^,  oppassen,  zich  in  acht 
nemen;  vt  acht  geven  (slaan)  op, 
letten  op. 

heedful  ['hi:dful]  oplettend;  behoed- 
zaam;   be   —    of,   letten  op. 

heedless  ['hi:dlis]  onachtzaam,  zorge- 
loos;   —   of,  niet  lettend  op. 

heel  [hi:I]  hiel,  hak;  show  one's  — s 
{a  clean  pair  of  -^-J),  take  to  one's 
-~j,  het  hazepad  kiezen;  be  at  the 
— s  of,  op  de  hielen  zitten;  bring  to 
-~,  doen  gehoorzamen,  klein  krij- 
gen. 

he-goat   ['hi:gout]    bok. 

heifer    ['hefs]    vaars. 

height    [hait]    hoogte,   toppunt   o\ 
hoogste    graad;    lengte. 

heighten  ['haitn]  verhogen. 

heinous   ['heinss]  snood,  gruwelijk. 

heir   [es]    erfgenaam. 

heiress    ['earis]    erfgename. 

heirless    ['ealis]    zonder  erfgenaam. 

heirloom    ['ealuim]    erfstuk  o. 

held  [held]  V.T.  &  V.D.  v.  hold. 

helicopter   ['helikopta]   hefschroef- 
vlicgtuig  o. 

hell    [hel]    hel;   the   ■ — ■    of  a  row 
{noise),  een  hels  kabaal  o. 

hellish    ['helij]    hels. 

helm   [helm]   helmstok,  roer  o. 

helmet  ['helmit]  helm. 

helmsman   ['helmzman]   roerganger. 

help  [help]  hulp;  there  is  no  —  for 
it,  er  is  niets  aan  te  doen;  be  of 
-~,  helpen;  vt  helpen;  /  could  not 
■ — ■  laughing,  ik  kon  niet  nalaten  te 
lachen,  moest  wel  lachen;  //  can't 
be  "^ed,  er  is  niets  aan  te  doen; 
—  one  to  the  gravy,  de  jus  aan- 
geven,  bedienen  van. 

helpful  ['helpful]  behulpzaam,  hulp- 
vaardig;  bevorderlijk;   nuttig,  bruik- 


baar. 
helping    ['helpirj]    portie    [eten]. 
helpless    ['helplis]    hulpeloos;   onbe- 

holpen. 
helter-skelter   ['helt3'skelt3]   holderde- 

bolder,   overhaast. 
helve    [helv]    steel    [v.   bijl]. 
hem    [hem]    zoom;    vt    (om)zomen, 

omringen. 
hemisphere  ['hemisfis]   halfrond  o, 

halve  bol. 
hemlock    ['hembk]    dollekervel. 
hemp   [hemp]   hennep. 
hempen    ['hempsn]    hennepen. 
hen   [hen]   hoen  o,  hen,  kip;  wijfje  o 

[v.  vogels]. 
hence    [hens]    van    nu    af,    van    hier; 

hieruit,    vandaar;    daarom;    a    week 

— ,   over    een   week. 
henceforth    ['hens'fDiO],    — forward 

[-'fDiwad]    van    nu    af,    voortaan. 
henchman   ['hen(t)Jm3n]   bediende, 

volgeling,  trawant,  handlanger. 
hen-house   ['henhaus]   hoenderhok  o. 
henpecked  ['henpekt]  onder  de  pan- 

toffel  zittend. 
her  [ha:]  haar. 
herald    ['herald]    heraut;    fig   voorlo- 

per,    (voor)bode;    vt     aankondigen, 

inluiden    (ook;    - — '   in). 
heraldry    ['hersldri]    wapenkunde. 
herb    [hsib]    kruid   o. 
herd  [h3:d]  kudde;  troep;  herder,  hoe- 

der;    vi    -—^    together,   bijeenkruipen, 

samenscholen;  vt  bijeendrijven;  hoe- 
den. 
herdsman    ['hsidzman]    veehoeder. 
here   [his]  hier,  alhier;  it's  neither  — ■ 

nor  there,  het  heeft  er  niets  mee  te 

maken;    het    doet    er    niet    toe;    dat 

raakt  kant  noch  wal;   ^~-' s  to  you!, 

(op   je)    gezondheid!;    —    you    are, 

alstublieft;    —   goes,   vooruit!,    daar 

gaat  ie! 
hereabout(s)    ['hisrabautfs)]   hierom- 

trent,  hier  in  de  buurt. 
hereafter    [hia'raifta]    hierna;   the  — , 

het  hiernamaals. 
hereby   ['hia'bai]   hierbij;   hierdoor. 


hereditary  121 

hereditary  [hi'reditari]    (over)erfelijk, 

overgeerfd,   erf-. 
heredity  [hi'rediti]  erfelijkheid;  over- 

erving. 
herein    ['hia'rin]    hierin. 
hereof   L'hia'rDv]    hiervan. 
heresy   ['herisi]   ketterij. 
heretic    ['heritik]    ketter. 
heretical    [hi'retikl]    ketters. 
hereto    ['hia'tu:]    hiertoe. 
hereupon    ['hiara'pon]    hierop. 
herewith  ['hia'wiS]  hiermede;  hierbij. 
heritage  ['heritidsl  erfdeel  o,  erfenis. 
hermetic(al)    [ha;'metik(l)]   herme- 

tisch,    luchtdicht. 
hermit    ['hsimit]    kluizenaar. 
hernia  ['hstnis]  breuk. 
hero    ['hisrou]    held. 
heroic   [hi'rouik]    heldhaftig;  helden-. 
heroine   ['herouin]    heldin. 
heroism    ['herouizm]    heldhaftigheid, 

heldenmoed. 
heron   ['heran]    reiger. 
herring    ['herirj]    haring;   red   — ,  ge- 

rookte  bokking. 
hers   [haiz]   de,  het  hare,  van  haar. 
herself   [ha/self]    zij-,  haarzelf,   zich 

zelve,  zich;   by  ■ — ■,  alleen. 
hesitate  ['heziteit]   aarzelen;  naar  zijn 

woorden  zoeken,  haperen. 
hesitation    [hezi'teijan]    aarzeling, 

weifeling;  hapering. 
heterogeneous   [hetara'dsiinias]   hete- 

rogeen,   ongelijksoortig. 
hew  [hju:]   (be-,  uit)houwen,  hakken. 
hewn    [hju:n]    V.D.   v.    hew. 
heyday    ['heidei]    bloeitijd,   hoogte- 

punt  o. 
hiatus    [hai'eitas]    gaping,   leemte. 
hibernate    ['haibaineit]    overwinteren. 
hiccough,   hiccup    ['hikAp]    hik;    vi 

hikken. 
hid   [hid]    V.T.   &  V.D.  V.   hide. 
hidden  ['hidn]  V.D.  v.  hide. 
hide    [haid]    huid,    vel    o\   vt   verber- 

gen,    verstoppen    (voor,    jrom)\    vi 

zich  verbergen. 
hide-and-seek   ['haidan'si:k]   verstop- 

pertje   o. 


hidebound  ['haidbaund]  jig  bekrom- 
pen. 

hideous  ['hidias]  afschuwelijk,  afzich- 
teHjk. 

hiding  ['haidirj]  rammeling;  verber- 
gen o\  schuilplaats;  be  in  '-~,  zich 
schuilhouden;  go  into  ■ — ■,  zich  ver- 
bergen,   onderduiken. 

hiding-place    ['haidirjpleis]    schuil- 
plaats. 

higgledy-piggledy  ['higldi'pigldi]  op 
en  door  elkaar,  overhoop. 

high  [hai]  hoog,  verheven;  sterk;  — 
noon,  voile  middag;  the  ■ — '  road, 
de  grote  weg;  —  school,  middel- 
bare  school;  a  ■ — ■  sea,  een  zware 
zee;  the  ■ — ■  seas,  de  voile  (open) 
zee;   ■ — ■   and  low,   overal. 

highfalutin(g)     ['haifa'lu;tin(r))], 
high-flown    ['haifloun]    hoogdra- 
vend. 

high-handed    ['hai'haendid]    eigen- 
machtig,   laatdunkend. 

highland    ['hailandj    bovenland  o, 
hoogland  o. 

Highlander   ['hailanda]   Hooglander. 

high  life   ['hai'laif]    de  grote  wereld. 

high  light    ['hai'lait]'  glanspunt   o. 

highly   ['haili]    hoog;   hoogst,   zeer. 

high-minded    ['hai'maindid]    edel, 
grootmoedig. 

highness    ['hainis]    hoogheid,    hoogte. 

high  priest    ['hai'pri:st]    hogepriester. 

high-spirited    ['hai'spiritid]    vurig, 
fier,  hooghartig,  stoutmoedig. 

highway   ['haiweij   grote  weg. ' 

highwayman    ['haiweiman]    struik- 
rover. 

hike  [haik]  voetreis.  wandeltocht;  vi 
trekken. 

hiker  ['haika]   trekker. 

hilarious    [hi'lSarias]    vrolijk. 

hilarity   [hi'lsriti]   vrolijkheid. 

hill    [hil]    berg,   heuvel,  hoop. 

hill-side    [hil'said]    heuvelhelling. 

hilly    ['hili]    bergachtig,   heuvelachtig. 

hilt  [iiilt]  gevest  o,  hecht  o,  heft  o; 
up  to  the  — ,  geheel   en  al. 

him    [him]   hem. 


himself 


122 


hold 


himself  [him'self]  hij-,  hemzelf,  zich- 

(zelf);    by   ^-,   alleen. 
hind    [haind]    hinde;   boer;   aj  achter- 

st(e),  achter-. 
hinder  ['hainda]  achter  (ste);  ['hinda] 

vt    hinderen;    verhinderen,    beletten. 
hind(er)most    ['haind(3)moust]    ach- 

terste. 
hindrance    ['hindrans]    hindernis;    be- 

letsel  o. 
Hindu  ['hin'du:]   Hindoe. 
hinge   [hin(d)3]    hengsel  o,  scharnier 

o\  fig  spil;  vi  draaien,  rusten   (om, 

op,  on,  upon). 
hinny    ['hini]    muilezel. 
hint   [hint]  wenk;  zinspeling;  zweem, 

spoor  o;  take  the  ~^,  de  wenk  be- 

grijpen  of  opvolgen;   vt  aanduiden, 

te  kennen  geven,  laten  doorscheme- 

ren;  [een  idee]  opperen;  —  at,  zin- 

spelen   op. 
hinterland   ['hintalzend]    achterland  o. 
hip   [hip]    heup. 
hippopotamus    [hipa'potamss]    nijl- 

paard   o. 
hire   ['haia]    huur,  loon  a;   vt  huren; 

—    {out),   verhuren. 
hireling    ['haialif]]    huurling. 
hire-purchase    ['haia'paitjis]    huur- 

koop,   afbetalingsstelsel    o. 
hirer   ['haiara]   huurder. 
his    [hiz]    zijn;   van  hem;   he  and    — , 

hij  en   de  zijnen. 
hiss  [his]  gesis  o,  gefluit  o\  vi  sissen; 

(uit)fluiten;   —   down,   uitfluiten. 
historian   [his'toirian]   geschiedkundi- 

ge. 
historic(al)     [his'tDrik(l)]    geschied- 

kundig,   historisch. 
history   ['histari]   geschiedenis;  ver- 

haal    o. 
hit  [hit]  stoot,  slag;  tref;  treffer;  steek 

(onder    water),    fijne    zet;     succes- 

(stuk)    o;    direct    — ,    voltreffer;    vt 

slaan,  raken,  treffen,   stoten;   raden; 

/'/    —    my  fancy,    viel    net    in   raijn 

smaak;     —     or    miss,    lukraak;    — 

(up) on,    toevallig    aantreffen,    vin- 

den;  komen  op  [de  gedachte];  V.T. 


&  V.D.  V.  hit. 

hitch  [hitj]  ruk;  kink  (in  de  kabel) ; 
hapering,  beletsel  o;  vi  blijven  ha- 
ken  (steken);  vt  vastmaken,  vast- 
haken. 

hitch-hike  ['hitjhaik]   liften. 

hitch-hiker    ['hitjhaika]    lifter,   -ster. 

hither  ['hiSa]  hierheen,  hier;  '~  and 
thither,  heen  en  weer. 

hitherto  ['hiSa'tu:]  tot  hier(toe),  tot 
nog  toe,  tot  dusver. 

hive    [haiv]    bijenkorf,    (bijen)zwerm. 

hoard  [h3:d]  hoop,  voorraad,  schat; 
vt  vergaren,   (op)sparen;  hamsteren. 

hoarding    ['haidir)]    houten   schutting. 

hoar-frost    ['hD/frast]    rijp,    rijm. 

hoarse    [ha:s]    bees,   schor. 

hoary   ['ha:ri]   grijs,  wit. 

hoax  [houks]  fopperij;  grap;  vt  fop- 
pen,    voor    de   gek    houden. 

hobble    ['habl]    strompelen,    hinken. 

hobbledehoy    ['habldi'hai]    slungel. 

hobby  ['hsbi]  stokpaardje  o;  liefheb- 
berij. 

hobby-horse  ['habi'hais]  hobbelpaard 
o.  stokpaardje  o. 

hock    [hak]    rijnwijn. 

hockey    ['haki]    hockey(spel)    o. 

hod    [had]    kalkbak;    stenenbak. 

hodge-podge    ['hadspadj]    hutspot, 
mengelmoes    o   Si   v. 

hodman    ['hadman]    opperman. 

hoe    [hou]    schoffel;    vt   schoffelen. 

hog    [hag]    varken   o. 

hogshead    ['hagzhed]    okshoofd    o 
(238,5   1). 

hoist   [haist]    (op)hijsen;    (op)lichten. 

hold  [hould]  houvast  o,  vat,  greep; 
steunpunt  o\  (scheeps)ruim  o;  catch 
{get,  lay,  seize,  take)  -~  of,  grij- 
pen,  pakken,  te  pakken  krijgen;  keep 
—  of,  vasthouden;  vt  houden,  te- 
rug-,  vast-,  weerhouden;  inhouden, 
bevatten;  achten,  van  oordeel  zijn; 
crop  nahouden,  huldigen  [theorie]; 
boeien  [lezers];  bekleden,  innemen 
[plaats];  hebben,  bezitten;  vi  aan- 
houden,  (blijven)  duren;  doorgaan; 
gelden,    van    kracht    zijn;    bet    uit-, 


hole 


123 


hook 


volhouden;   ■ —   by,  vasthouden  aan; 
—    forth,    betogen;     oreren; 
good,  gelden,  van  kracht  zijn;  door- 
gaan. 

hole  [houl]   gat  o,  ho!  o,  kuil. 

holiday    ['hDlidi]    feestdag,  vakantie- 
dag;  the  — s,  de  vakantie. 

holiness    ['houlinis]    heiligheid. 

Holland  ['habnd]  Holland  o,  Neder- 
land  o. 

hollow    ['HdIou]    holte;    aj   hoi;    vt 
uithollen. 

holly   ['HdH]   hulst. 

hollyhock    ['lulihDk]    stokroos. 

holster   ['houlsta]   holster. 

holy    ['houli]    heilig,   gewijd. 

Holy  Saturday  ['houli'saetadi]  Paas- 
zaterdag. 

Holy  Thursday    ['houli'63:zdi]   He- 
melvaartsdag. 

holy  water  ['houIi'wDita]  wijwater  o. 

Holy   Week    ['houH'wi:k]    Goede 
Week. 

homage  ['hDmidsl  hulde,  huldiging; 
do  {pay)  ■ — ■  to,  hulde  bewijzen, 
huldigen. 

home  [houm]  huis  o,  t(e)huis  o; 
woonstede;  (vader)Iand  o\  —  is 
■ — ■  be  it  ever  so  homely,  eigen  haard 
is  goud  waard;  at  ~-,  t(e)huis;  in 
't  (vader)land,  hier  (te  lande); 
make  yourself  at  ~',  doe  alsof  je 
thuis  bent;  a]  huiselijk,  huis-;  in-, 
binnenlands;  raak,  gevoelig;  ~'  de- 
partment {Home  Office),  Ministe- 
rie  o  van  Binnenlandse  Zaken;  bring 
--  to...,  aan  het  verstand  brengen, 
doen  beseffen;  drive  ■ — ■,  in-,  vast- 
slaan;  fig  kracht  bijzetten;  go  '~-, 
naar  huis  gaan;  fig  raak  zijn;  see 
— ,  thuisbrengen. 

home-bred    ['houm'bred]    inlands;  fig 

huisbakken;  eenvoudig. 
homely    ['houmli]    huiselijk;    eenvou- 
dig, alledaags,  gewoon,  lelijk. 
home-made    ['houm'meid]    eigenge- 

maakt;  van  inlands  fabrikaat. 
homesick    ['houmsik]    het  heimwee 
hebbend, 


homesickness    ['houmsiknis]    heimwee 

o. 
homespun    ['houmspAn]    eigengespon- 

nen;  fig  huisbakken;  eenvoudig. 
homestead   ['houmsted]   hofstede. 
home  truth   ['houmtru;9]   harde  waar- 

heid. 
homeward  ['houmwad]   huiswaarts; 

—  boi/nd,  op  de  thuisreis. 
homily    ['hsmili]    leerrede,    (zeden)- 

preek. 
homogeneous    [hDma'dsimias]    homo- 

geen,  gelijksoortig. 
hone    [houn]    wetsteen;    vt   aanzetten. 
honest   ['onist]    eerlijk,  rechtschapen, 

onvervalst;  braaf,  eerbaar. 
honesty    ['^nisti]    eerlijkheid,    recht- 

schapenheid,  braafheid,  eerbaarheid; 

—  is  the  best  policy,  eerlijk  duurt 
het  langst. 

honey    ['hAni]    honi(n)g;    {my)    — , 

snoes,  schat. 
honeycomb    ['hAnikoum]    honi(n)g- 

raat. 
honeymoon   ['hAnimu:n]   wittebroods- 

weken,  huwelijksreis. 
honeysuckle  ['hAnisAkl]   kamperfoelie. 
honk   [horjk]   toeteren  [met  hoorn]. 
honorary   ['anarsri]   ere-, 
honour    ['ons]    eer,   eerbewijs   o\   eer- 

gevoel  o\  erewoord  o;  Your  Honour! , 

Edelachtbare   [rechter];  pay  due  — 

to  a  bill,  een  wissel  honoreren;  /  n 

--^     of,     ter    ere    van;    upon    my 

{word  and)    — ,  op  mijn  erewoord; 

vt  eren,  vereren;  honoreren  [wissel]. 
honourable   ['snarabl]   eervol;  acht- 

baar,    eerzaam,    eerwaardig. 
honourably   ['Dnarsbli]    eervol,  met 

ere. 
hood   [hud]    kap. 
hoodwink    ['hudwii]k]    blinddoeken, 

misleiden,    om    de    tuin    leiden. 
hoof  [hu:f]   hoef. 
hook  [huk]  haak,  vishaak,  angel;  sik- 

kel,  snoeimes  o\  duim,  kram;  bocht; 

by   —    or   by   crook,   op   de   een   of 

andere  manier;  eerlijk  of  oneerlijk; 

0  n    his    own    ■-~,    op    eigen    houtje 


hooked 


124 


hound 


(risico);  vt  aan-,  dichthaken;  aan  de 

haak  slaan;   naar  zich  toe  halen;  vi 

(blijven)   haken. 
hooked    [hukt]    krom. 
hooligan    ['huiligan]    straatschender. 
hoop    [hu:p]    hoepel. 
hooping-cough    ['huipirjkof]    kink- 

hoest. 
hoot   [hu:t]    (uit)jouwen;  schreeuwen 

[v.   uil];   toeten,   toeteren;    —    after 

(at),   na-,    uitjouwen. 
hooter    ['huita]    sirene,   toeter. 
hop  [hap]   hop   [plant];  sprongetje  o; 

dansje    o,    danspartij;    w    huppelen, 

hinken,    springen,     dansen;     ^^     //, 

'em  smeren,  ophoepelen. 
hope    [houp]    hoop,    verwachting;    vi 

hopen    (op,  for),  verwachten. 
hopeful   ['houpful]   hoopvol;  veelbe- 

lovend. 
hopeless  ['houplis]  hopeloos. 
hop-o'-my-thumb    ['hopsmiOAm] 

kleinduimpje  o,  peuter. 
hopscotch   ['hDpsivDtJ"]    hinkelspel  o. 
horde   [had]    horde. 
horizon   [ha'raizn]    horizon. 
horizontal    [hDii'zDntl]    horizontaal. 
horn    [h3:n]    hoorn,    horen    o    [stof- 

naam],  hoorn,  horen  m  [voorwerps- 

naam];  voelhoorn;  aj  hoornen. 
horned  [hD:nd]  gehoornd,  hoorn-; 

hoornvormig. 
hornet    ['hD:nit]    horzel. 
horny    ['hatni]    hoornachtig;    eeltig. 
horrible  ['hDribl]  afschuwelijk,  afgrij- 

selijk,   akelig,  gruwelijk. 
horrid    ['harid]    afschuwelijk. 
horrify    ['hDrifai]    met    afschuw    ver- 

vullen;    — ing,    afschuwelijk. 
horror    ['bars]    huivering,    rilling; 

(af)schrik,    afschuw;    gruwel,    ver- 

schrikking. 
horse    [hD:s]    paard   o;   cavalerie; 

schraag,    rek   o,    bok;     white     — s, 

witgekuifde  golven. 
horseback  ['hsisbask]  on  ■-~^,  te  paard. 
horse-chestnut  ['h3:stJ'esnAt]  wilde 

kastanje. 
horse-cloth    ['hD:skb9]    paardedek  o. 


horsehair   ['hDishsa]   paardehaar  <?;  aj 

paardeharen. 
horseman   ['hDisman]   ruiter. 
horsemanship    ['hDismanJip]    rijkunst. 
horse-power  ['haispaua]  paardekracht. 
horse-shoe   ['HdisJu:]    hoefijzer  o. 
horse-show    ['hDisJou]    paardenten- 

toonstelling;  concours  hippique  o  & 

m. 
horsewhip    ['hD:swip]    rijzweep. 
horsewoman  ['hoiswuman]   paard- 

rijdster. 
horticultural    [hDiti'kAltJsral]    tuin- 

bouwkundig,    tuinbouw-. 
horticulture    ['hDitikAltJa]    tuinbouw. 
hose   [houz]   slang   [v.  brandspuit]. 
hosier    ['hou33]    winkelier  in  gebreid 

of  geweven  ondergoed. 
hosiery    ['houssri]    gebreid   of   gewe- 
ven ondergoed  o,  kousen. 
hospitable   ['haspitsbl]   herbergzaam, 

gastvrij. 
hospital    ['hDspital]    ziekenhuis    o, 

hospitaal  o. 
hospitality   [hDspi'tasliti]   herberg- 

zaamheid,  gastvrijheid. 
host    [houst]    heer  o,  leger  o,   schaar, 

menigte;     gastheer;     waard,   herber- 

gier;  hostie. 
hostage    ['hostidsl    gijzelaar. 
hostel  ['hDstal]   hospitium  o;  kosthuis 

o\    (jeugd)herberg. 
hostess    ['houstis]   gastvrouw;  waar- 

din. 
hostile  ['hDstail]  vijandelijk;  vijandig. 
hostility    [has'tiliti]    vijandelijkheid; 

vijandigheid. 
hot    [hst]    heet,   warm;   vurig,   hevig; 

heftig;   be  —   on,  gebrand  zijn  op; 

in  -~   haste,  in  vliegende  vaart. 
hot-bed   ['hDtbed]   broeibak;   broeinest 

o. 
hotchpot (ch)    ['hDtJpDtCJ)]   hutspot, 

mengelmoes  o  &  v. 
hotel   [hou'tel]    hotel   o. 
hothead  ['hathed]  heethoofd,  driftkop. 
hothouse    ['hathaus]    broeikas. 
hound   [haund]   jachthond,   bond;  vt 

achtervolgen,  vervolgen. 


hour 


125 


hundredweight 


-s,  de 


hour   [aua]    uur  o\  the  small 

uren  na  middernacht. 
hour-glass    ['au3gla:s]    2andloper. 
hour-hand    ['auahsend]    uurwijzer. 
house    [haus]    huis  o\    (schouwburg)- 

zaal;  woning;    [hauz]   vt  onder  dak 

brengen;   huisvesten;   stallen. 
house-boat    ['hausbout]   woonschip   o. 
housebreaker    ['hausbreika]    inbreker; 

sloper. 
household    ['haushould]     (huis)gezin 

o,   huishouden   o\   a]  huishoudelijk, 

huiselijk;    huis-;    ■~'    word,    bekend 

gezegde  o,  begrip  o. 
housekeeper ['hauski: pa]  huishoudster. 
housekeeping    ['hauski:pir|]    huishou- 

ding. 
housemaid  ['hausmeid]  werkmeid. 
housewife    ['hauswaif]    huisvrouw; 

-moeder;    ['hAzif]    naainecessaire. 
hove   [houv]   V.T.  &  V.D.  v.  heave. 
hovel  ['hDvl]  hut,  stulp;  krot  o,  kot  o. 
hover  ['hava]  fladderen,  zweven,  (blij- 

ven)   hangen;  weifelen. 
how   [hau]   hoe;   -^  about...?,  hoe 

staat  het  met...  ? 
however    [hau'evs]    niettemin;   echter, 

evenwel,  maar;  hoe...  ook. 
howitzer    ['hauitsa]    houwitser. 
howl    [haul]    gehuil    o,   gejank   o\    vi 

huilen,   janken. 
howler   ['haula]    flater. 
h.p.    =    horse-power,   paardekracht, 

p.k. 
hub   [hAb]    naaf;  jig  middelpunt  o. 
hubbub   E'hAbAb]   geraas  o,  rumoer  o. 
huckster   ['hAksta]  venter,  kramer. 
huddle  E'hAdl]   (verwarde)  hoop;  war- 

boel;  vt  op  een  hoop  of  door  elkaar 

smijten. 
hue   [hju:]   kleur;  tint,  schakering. 
hued  [hju:d]  getint. 
hug   [hAg]    omhelzing;   vt  omhelzen, 

knuffelen;   koesteren. 
huge   [hju:d3]    ^^^^  gtoot,  kolossaal. 
hulk    [hAlk]   oud,  onttakeld  schip  o. 
hulking    ['hAJkii)]    log,    lomp,   plomp. 
hull    [hAl]    schil,  dop;    (om)hulsel   o; 

romp   [v.  schip]. 


hum   [hAm]   gegons  o,  gezoem  o,  ge- 

snor   o,   gebrom    o,   geneurie    o\    vi 

gonzen,  zoemen,  snorren,  neurien. 
human  ['hju:man]  menselijk,  mensen-. 
humane   [hju'mein]    menslievend,  hu- 

maan;    —    society,    redding(s)maat- 

schappij. 
humanity   [hju'mzeniti]    mensheid; 

menselijkheid. 
humanize    ['hju:manaiz]   heschaven. 
humanly    ['hju:manli]    menselijk;    — 

speaking,    menselijkerwijs    gespro- 

ken. 
humble  L'hAmbl]   deemoedig,  nederig; 

bescheiden;  onderdanig;  vt  vernede- 

ren. 
humbug    ['hAmbAg]    kale   bluf,    larie; 

bluffer;    vt   bedotten. 
humid    ['hju:mid]    vochtig. 
humidity    [hju'miditi]    vochtigheid. 
humiliate   [hju'milieit]   vernederen. 
humiliation  [hjumili'eijan]   vernede- 

ring. 
humility   [hju'militi]    nederigheid, 

ootmoed. 
humming-bird    ['hAmir)ba:d]    kolibrie 
humming-top   E'hAmirjtDp]   bromtol. 
humorist   ['hju:marist]   humorist. 
humorous    ['hju:maras]    luimig,  grap 

humour   ['hju:ma]    (lichaams)vocht  o\ 

humeur  a,  stemming,  luim;  humor; 

out  of   — ,   in  een  kwade  luim;   vt 

zijn    zin    geven,    believen,    toegeven 

(aan). 
hump    [hAmp]    bult,    bochel;    give 

{have)    the    -~-,    het    land    opjagen 

(hebben). 
humpback    E'hAmpbsk]    bochel;    ge- 

bochelde. 
humpbacked    E'hAmpbjekt]    gebocheld. 
hunch     [hAn(t)J']     bochel;    homp;    vt 

krommen,   optrekken. 
hunchback(ed)    ['hAn(t)Jbask(t)]   zie 

humpback{ed). 
hundred    E'hAndrad]    honderd. 
hundredth    ['hAndrad9]    honderdste 

(deel   o). 
hundredweight    ['hAodradweit]    cente- 


hung 


126 


ice-bound 


naar    (=    112   Eng.    ponden    =    ± 

50  kilo). 
hung    [Hai]]    V.T.   en  V.D.  v.   hang. 
Hungarian  [hArj'gearian]  Hongaar(s). 
Hungary    ['liArjgsri]    Hongarije  o. 
hunger    ['hArjga]    honger;    hunkering; 

t'i  hongeren,  hunkeren   (naar,  after, 

for). 
hungry ['hAfjgri]  hongerig;  hunkerend; 

be   — ,  honger  hebben. 
hunt     [hAnt]      jacht;     vi     jagen;     fig 

snuffelen,    zoeken;    —    after    (for), 

najagen,    jacht    maken    op. 
hunter   ['hiAnts]    jager;  jachtpaard  o. 
hunting    ['hAntirj]    jacht,    jagen    o. 
huntress    ['hAntris]    jageres. 
huntsman    ['hAntsman]    jager;   pikeur. 
hurdle    [h3:dl]     (tenen)    horde. 
hurdy-gurdy    ['haidigaidi]    draaiorgel- 

tje  o. 
hurl    [h3:l]    slingeren,    werpen. 
hurrah    [hu'ra:]    hoera! 
hurricane    ['hAriksn]    orkaan. 
hurried    ['hArid]    haastig,   gehaast. 
hurry  ['hAri]  haast,  haastige  spoed;  be 

in  a  ■ — •,  haast  hebben;  zich  haasten; 

vi  zich   haasten;    —    up,   haast  ma- 
ken,   voortmaken;    vt   haasten;    ver- 

haasten;   overhaasten. 
hurt   [hstt]   letsel  o,  wonde;  slag;  na- 

deel  o,  schade;   vt  pijn  doen;  won- 

den;     kwetsen,     beledigen;    schaden; 

V.T.  &  V.D.  V.  him. 
hurtful    ['h9:tful]    schadelijk,  nadelig. 
husband   ['hAzband]   echtgenoot,  man. 
husbandry      ['hAzbsndri]      landbouw; 

teelt;  huishoudkunde,  zuinig  beheer 

o. 
hush   [hAj]   zwijgen  o,   (diepe)   stilte; 

vt  tot  zwijgen  brengen,  sussen;  — .', 


stil!,  st!;  —  up,  in  de  doofpot  stop- 
pen. 
husk    [hAsk]    schil,    bolster,     kaf     o; 

(om)hulsel  o\  vt  schillen,  pellen. 
husky   ['hAski]   schor,  hees. 
hussar   [hu'za:]   huzaar. 
hussy   ['hAzi]    ondeugd,   feeks. 
hustle    E'hAsl]    gejacht    o,    geduw    o, 

gedrang    o;    vt    dringen,     (■weg)du- 

wen;  voortjagen,  jachten. 
hut   [hAt]   hut,  keet;  barak. 
hutch    [hAtj]    kist;   trog;   hok  o. 
hutment    ['hAtmant]    barak(ken). 
hyacinth    ['haiasinOJ    hyacint. 
hydraulic    [hai'dr3:lik]    hydraulisch. 
hydrochloric   [haidrs'kbirik]    —   acid, 

zoutzuur  o. 
hydrogen    ['haidridssn]    waterstof. 
hydrophobia  [haidrs'foubia]  water- 

vrees,  hondsdolheid. 
hydroplane   ['haidrsplein]   watervlieg- 

tuig  o. 
hyena   [hai'iins]    hyena. 
hygiene   ['haid3i:n]    gezondheidsleer. 
hygienic    [hai'dsiinik]    hygienisch. 
hymn   [him]   lofzang,  gezang  o. 
hyphen    ['haifsn]    koppelteken   o. 
hypnosis    [hip'nousis]    hypnose. 
hypnotic    [hip'nDtik]    hypnotisch. 
hypnotist   ['hipnstist]   hypnotiseur. 
hypnotize  ['hipnstaiz]  hypnotiseren. 
hypochondria   [haipa'kDndria]   zwaar- 

moedigheid. 
hypochondriac    [haips'kDodriaek] 

zwaarmoedig   demand). 
hypocrisy   [hi'pakrisi]   huichelarij. 
hypocrite    ['hipskrit]    huichelaar. 
hypocritical    [hipa'kritikl]    huichel- 

achtig,   gehuicheld,   geveinsd. 
hypothesis    [hai'pDBisis]    hypothese, 

^'eronderstelling. 


i    [ai]    (de  letter)    i. 
I    [ai]    ik. 

ice    [ais]    ijs   o\   vt  bevriezen;   frappe- 
ren    [drankenj;    glaceren    [suiker- 


werk] . 
iceberg    ['aisbaig]    ijsberg. 
ice-bound    ['aisbaund]    ingevroren; 

dicht-,  toegevroren,  bevroren. 


ice-cream 


127 


illusion 


ice-cream   ['ais'kriim]    (room)ijs  o. 
Iceland    ['aisbnd]    IJsland  o. 
Icelandic  [ais'laendik]  IJsIands. 
icicle   ['aisikl]    ijskegel. 
icy  ['aisi]  ijsachtig,  ijskoud,  ijzig,  ijs-. 
idea    [ai'dis]    denkbeeld   o,   begrip    o, 

gedachte,  idee  o  &.  v. 
ideal    [ai'disl]    ideaal   o;   a;  ideaal; 

ideeel;   denkbeeidig. 
identic(al)    [ai'dentik(l)]    (de-,  het)- 

zelfde,  gelijk,  identiek. 
identification    [aidentifi'keijan]    ver- 

eenzelving,    gelijkstelling;    identifi- 

catie. 
identify   [ai'dentifai]   vereenzelvigen, 

gelijkstellen,  -maken,  identificeren. 
identity    [ai'dentiti]    gelijk(luidend)- 

heid;  persoon(lijkheid) ;   identiteit; 

—   card,  identiteitsbewijs   o. 
idiocy    ['idiasi]    stompzinnigheid. 
idiom  ['idiam]   idioom  o,  taaleigen  o. 
idiot   ['idist]   idioot. 
idiotic   [idi'otik]    idioot,  mal. 
idle   ['aidl]    stil(zittend,  -staand,  -lig- 

gend),  nietsdoend,  werk(e)loos;  lui; 

ongebruikt;  ijdel,  nutteloos;  pi  leeg- 

lopen,    niets    doen,    luieren,    lanter- 

f  an  ten. 
idleness   ['aidlnis]   lediggang,  luiheid; 

nutteloosheid,  ijdelheid. 
idler    ['aidb]    leegloper,    dagdief. 
idol    ['aidl]    afgod.  [ding. 

idolatry    [ai'dobtri]    afgoderij;   vergo- 
idolization    [aidslai'zeijan]    ver(af)- 

goding. 
idolize    ['aidalaiz]   ver(af)goden. 
idyl(l)    ['aidil]    idylle. 
i.  e.   =   that  is,  dat  is,   d.i. 
if   [if]    indien,   zo,  als,   ingeval;   zo... 

al,    al;    of. 
ignite    [ig'nait]    in   brand   steken, 

(doen)  ontbranden,   (doen)  gloeien. 
ignition    [ig'nijsn]    ontbranding,  ont- 

steking;  gloeiing. 
ignoble  [ig'noubl]  onedel,  schandelijk. 
ignominious    [igna'minias]    schande- 
lijk; smadelijk. 
ignominy  ['ignsmini]    schande(lijk- 

heid),   oneer;   smaad. 


ignorance    ['ignarans]    onkunde,   on- 

wetendheid. 
ignorant     ['ignarant]     onwetend,    on- 

kundig;    —    of,   onbekend   met;   on- 

kundig  van. 
ignore    [ig'nD:]    niet   willen   weten   of 

kennen,  geen  notitie  nemen  van,  ne- 

geren. 
ill    [il]     kwaad    o,    kwaal,    ramp;    aj 

kwaad,  slecht,  ziek;  take  it  — ,  het 

kwalijk  nemen;   ■ — ■   at  ease,  niet  op 

zijn  gemak. 
ill-advised   ['ilad'vaizd]    onberaden. 
ill-bred    ['il'bred]    onopgevoed;   onbe- 

schaafd. 
illegal    [i'liigal]    onwettig. 
illegality    [ili'gseliti]    onwettigheid. 
illegibility   [iled3i'biliti]    onleesbaar- 

heid. 
illegible   [i'ledsibl]   onleesbaar. 
illegitimate   [ili'd3itimit]   onwettig, 

ongeoorloofd,  onecht. 
ill-fated   ['il'feitid]  ongelukkig,  ramp- 

spoedig. 
ill-feeling  ['il'fiilir)]  kwade  gevoelens; 

onwelwillendheid,  kwaad  bloed  o. 
illicit  [i'lisit]  ongeoorloofd;  onwettig. 
illiterate    [i'litarit]    ongeletterd;    an- 

alfabeet. 
ill-judged  ['iI'dsAdsd]  onberaden;  on- 

wijs,   onverstandig. 
ill-mannered    ['il'maenad]    ongema- 

nierd. 
ill-natured    ['iKneitJad]    kwaadaardig. 
illness   ['ilnis]   ongesteldheid,  ziekte. 
illogical    [i'bd3ikl]    onlogisch. 
ill-tempered   ['il'tempad]   kwaadge- 

luimd;    humeurig. 
ill-treat  ['il'triit]  mishandelen;  slecht 

(verkeerd)    behandelen. 
illuminate  [i'l(j)u:mineit]  verlichten; 

belichten;  voorlichten;  licht  werpen 

op;    verhelderend    werken;    verluch- 

ten. 
illumination    [il(j)u:mi'neijan]    ver- 

lichting;   belichting;  voorlichting; 

verluchting;  glans. 
illusion   [i'l(j)ii:3an]   illusie;    (zins)- 

begoocheling,  zinsbedrog  o. 


illusive 


128 


impassable 


illusive    [i'l(j)u:siv],    illusory    [i- 

'l(j)u:s3ri]  denkbeeldig;  bedrieglijk. 
illustrate     ['ibstreit]     toelichten,    op- 

helderen;    illustreren. 
illustration    [ibs'treijan]    illustratie; 

toelichting;  verduidelijking. 
illustrative    [i'Ustrativ]    illustrerend, 

ophelderend,    verduidelijkend. 
illustrious    [i'lAStriss]    doorluchtig, 

beroemd,   roemrijk,  vermaard. 
ill-will    ['il'wil]    wrok,    kwaadwillig- 

heid. 
image     ['imids]     beeld    o,    beeltenis; 

evenbeeld  o;  toonbeeld  o;  vt  afbeel- 

den,   afspiegelen,    voorstellen. 
imaginable    [i'msedsinabl]    denkbaar. 
imaginary    [i'mgedsinari]    ingebeeld, 

denkbeeldig. 
imagination    [imasdsi'neijan]   verbeel- 

ding,    fantasie,   voorstelling. 
imaginative    [i'msedsinativ]    vol    ver- 

beeldingskracht;  van  fantasie  getui- 

gend;   van   de   verbeelding. 
imagine  [i'mtedsin]   zich  in-,  verbeel- 

den,    zich    voorstellen. 
imbecile   ['imbisail]    zwakhoofdig, 

idioot. 
imbecility    [imbi'siliti]   geesteszwakte, 

onnozelheid. 
imbibe    [im'baib]    op-,    inzuigen,    (in 

zich)   opnemen. 
imbue  [im'bju:]  doortrekken;  drenkcn; 

verven;    doordringen;    fig   vervullen 

(van,   with). 
imitate    ['imiteit]    navolgen,   naboot- 

sen,  namaken,  nadoen. 
imitation    [imi'teijan]    navolging,   na- 

bootsing;    imitatie. 
imitative    ['imiteitiv]   nabootsend,  na- 

volgend;  nabootsings-. 
imitator   ['imiteita]   navolger,  naboot- 

ser,  wie  namaakt. 
immaculate   [i'miekjulit]   onbevlekt, 

smetteloos;   onberispelijk. 
immaterial   [ima'tiarial]   onstoffelijk, 

onlichamelijk;    van    geen   betekenis. 
immature  [ims'tjua]  onrijp. 
immeasurable    [i'mesarabl]    onmeet- 

baar;    onmetelijk,    oneindig. 


immediate  [i'mi:dj3t]  onmiddellijk, 

direct;   naast(bij   zijnd). 
immemorial   [imi'mDirisl]   onheuglijk. 
immense    [i'mens]    onmetelijk,   onein- 
dig, kolossaal. 
immensity  [i'mensiti]  onmetelijkheid, 

oneindigheid. 
immerse   [i'mais]    indompelen,  onder- 

dompelen;    '—d   in,   verdiept   in. 
immersion   [i'maijsn]   in-,  onderdom- 

peling;    het  verdiept  zijn. 
immigrant    ['imigrant]    immigrant. 
immigrate    ['imigreit]    immigreren. 
immigration  [imi'greijan]  immigratie. 
imminent    ['iminsnt]    dreigend,    na- 

kend,  ophanden  (zijnd),  aanstaande. 
immobile    [i'moubil]    onbeweeglijk. 
immobility   [ima'biliti]   onbeweeglijk- 

heid. 
immoderate  [i'mDdarit]  on-,  boven- 

matig,  onredelijk,  overdreven. 
immodest    [i'mDdist]    onbescheiden; 

onbetamelijk,   onzedig. 
immoral    [i'maral]    onzedelijk;   zede- 

loos. 
immorality   [ima'rsliti]   onzedelijk- 

heid;   zedeloosheid. 
immortal   [i'msital]   onsterfelijk. 
immortality   [im3:'t£eliti]    onsterfelijk- 

heid. 
immortalize    [i'moitslaiz]    onsterfe- 
lijk maken.  vereeuwigen. 
immovable  [i'muivabl]  onbeweegbaar, 

onbeweeglijk;  onveranderlijk,  on- 

wrikbaar;  onroerend,  vast;   '-~s,   on- 

roerende   of  vaste   goederen. 
immune  [i'mjurn]  immuun:  onvatbaar 

(voor,  from),  vrij    (van,  from). 
imp   [imp]   duiveltje  o,  rakker. 
impact    ['impaskt]    stoot,    schok,    bot- 

sing;    inwerking,    invloed. 
impair  [im'pes]   benadelen,  aantasten, 

verzwakken. 
impalpable    [im'pselpsbl]     ontastbaar. 
impart  [im'pa;t]   mededelen,  geven. 
impartial  [im'paijal]  onpartijdig. 
impartiality   [impa:Ji'aeliti]   onpartij- 

digheid. 
impassable    [im'pa:s3bl]    onbegaan- 


impassible 


129 


importunity 


baar,   ontoegankelijk. 
impassible   [im'pasibl]   onbewogen, 

ongevoelig,   gevoelloos. 
impassive   [im'paesiv]  onbewogen,  on- 
gevoelig, onverstoorbaar. 
impatience    [im'peijans]    ongeduld   o. 
impatient  [im'peijant]  ongeduldig; 

■ — •    oj,    niet    kunnende    uitstaan    of 

dulden. 
impeach  [ira'piitj]  in  twijfel  trekken; 

beschuldigen,   aanklagen. 
impeachment    [im'piitjmsnt]    ver- 

dachtmaking;     (stellen    o     in    staat 

van)    beschuldiging,   aanklacht. 
impecunious    [impi'kju;ni3s]    onbe- 

middeld,   onvermogend. 
impede    [im'pi:d]    bemoeilijken,    ver- 

hinderen,   belemmeren,    beletten. 
impediment    [im'pedimant]    verhinde- 

ring,    belemmering,    beletsel   o. 
impel    [im'pel]    aandrijven,    (voort)- 

bewegen;   aanzetten. 
impend   [im'pend]    dreigen    [v.   ge- 

vaar],  ophanden  zijn. 
impenetrable   [im'penitrabl]   ondoor- 

dringbaar,   ondoorgrondelijk. 
imperative    [im'perativ]    gebiedende 

wijs;    a'l    gebiedend,    noodzakelijk, 

verplicht(end)    (voor,  upon). 
imperceptible   [impa'septibl]   onmerk- 

baar. 
imperfect    [im'p3:fikt]    onvolmaakt, 

onvolkomen;     ^^    tense,    onvoltooid 

verleden   tijd. 
imperfection    [imps'fekjan]    onvol- 

maaktheid,   onvolkomenheid. 
imperial    [im'pisrisl]    keizerlijk,    kei- 

zer(s)-,  rijks-. 
imperil   [im'peril]   in  gevaar  brengen. 
imperious    [im'pisriss]   gebiedend, 

heerszuchtig;    bazig. 
imperishable    [im'perijabl]    onvergan- 

kelijk,   onverslijtbaar. 
impersonate  [im'paissneit]   verper- 

soonlijken. 
impertinence    [im'psitinans]    niet    ter 

zake  zijn   o\   onbeschaamdheid. 
impertinent    [im'p3:tin3nt]    niets   met 

de  zaak  te  maken  hebbend,  niet  van 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


pas;   ongepast;   onbeschaamd. 
imperturbable    [imp3't3:b3bl]   onver- 
stoorbaar. 
impervious   [im'p3:vi3s]  ondoordring- 

baar;    ontoegankelijk,    niet    vatbaar 

(voor,  to). 
impetuous    [im'petju3s]    onstuimig, 

heftig. 
impetus    ['impit3s]    aandrang,    aan- 

drift;   vaart,   stoot,  vlucht. 
impiety  [im'paisti]  goddeloosheid, 

oneerbiedigheid. 
impious  ['impiss]  goddeloos,  profaan. 
impish    E'impiJ]    duivels,    ondeugend. 
implacable  [im'pleiksbl]  onverzoen- 

lijk. 
implant  [im'pla:nt]    (in)planten,  zaai- 

en;   inprenten. 
implement    ['implim3nt]    gereedschap 

o;  werktuig  o\   — ^.r,  uitrusting. 
implicate  ['implikeit]  insluiten,  (ver)- 

wikkelen,    betrekken    (bij,   in). 
implication    [impli'keijsn]     verwikke- 

ling;     gevolgtrekking;    stilzvirijgende 

conditie;    by    — ,    stilzwijgend;    in- 
direct. 
implicit    [im'plisit]    daaronder   begre- 

pen,      stilzwijgend      (aangenomen) ; 

onvoorwaardelijk;     blind     [vertrou- 

wen]. 
implore   [im'pb:]    smeken    (om,  jor), 

afsmeken. 
imply  [im'plai]   insluiten,  inhouden; 

vooronderstellen. 
impolite    [imp3'lait]    onbeleefd. 
import   ['impD;t]   invoer,  import; 

[im'pDit]    vt    invoeren,    importeren. 
importance    [im'p3;t3ns]    belang    o, 

gewicht   o,   betekenis. 
important    [im'p3:t3nt]    belangrijk, 

van  gewicht,  gewichtig    (doend). 
importation  [impo/teij'sn]  invoer;  in- 

gevoerd  artikel  o\  invoering. 
importer  [im'p3:t3]  importeur. 
importunate    [im'pD:tjunit]    lastig, 

opdringerig. 
importune    [im'pD:tjun]    lastig  vallen, 

overlast  aandoen. 
importunity      [impD:'tju:niti]      lastig- 

9 


impose 


130 


inability 


heid;     overlast;    onbescheiden    aan- 

houden   o. 
impose  [im'pouz]  opieggen;  — '   {up')- 

on,    imponeren;    misleiden;     bedrie- 

gen;  in  de  handen  stoppen. 
imposing    [im'pouzirj]    imposant,    in- 

drukwekkend. 
imposition    [imps'zijan]    opiegging; 

belasting;    strafwerk    o;    misleiding. 
impossibility  [impDsi'biliti]  onmoge- 

lijkheid. 
impossible    [im'pDsibl]    onmogelijk. 
impostor   [im'posta]   bedrieger. 
imposture   [im'pDstJ'a]   bedrog  o. 
impotence    ['impatsns]    onmacht, 

machteloosheid;  onvermogen  o. 
impotent    ['impstsnt]    onmachtig, 

machteloos;   onvermogend. 
impoverish    [im'pDvsriJ"]   verarmen. 
impoverishment    [im'pDvsriJmant] 

verarming. 
impracticable    [im'praektiksbl]    on- 

doenlijk,   onuitvoerbaar;   onbruik- 

baar,   onbegaanbaar    [v.  weg]. 
imprecation   [impri'keijan]   verwen- 

sing. 
impregnable  [im'pregnsbl]  onneem- 

baar;   onaantastbaar. 
impregnate  [im'pregneit]  doortrekken, 

doordringen    (van,    with) ;    verzadi- 

gen. 
impress     ['impres]      indruk;     afdruk, 

stempel  o&Lin;   [im'pres]   z^/ inpren- 

ten,    stempelen;    indruk    maken    op; 

—  u  p  o  n,    (zijn  stempel)    drukken 
op;  op  het  hart  drukken;  inprenten; 

—  with,    doordringen   van. 
impression    [im'prejsn]    af-,    indruk; 

stempel  o  &i  m;  druk   [v.  boek]. 

impressionable  [im'prejsnabl]  voor 
indrukken  vatbaar,   gevoelig. 

impressive    [im'presiv]    indruku'ck- 
kend. 

imprint  ['imprint]  indruk  [v.  voet 
&],  afdruk;  stempel  o  &  m;  [im- 
'print]  vt  drukken,  stempelen,  in- 
prenten. 

imprison    [im'prizn]   gevangenzetten. 

imprisonment    [im'priznmant]    gevan- 


genschap,  gevangenzetting,  gevange^ 

nis(straf). 
improbability  [imprDbs'biliti]   on- 

waarschijnlijkheid. 
improbable    [im'prDbabl]    onwaar- 

schijnlijk. 
improper    [im'propa]    ongeschikt;   on- 

behoorlijk,  ongepast;  onjuist. 
improve    [im'pru:v]    verbeteren,   beter 

maken,  verhogen,  veredelen,  vervol- 

maken;   beter  worden,   vooruitgaan; 

~-   on  of  upon,  verbeteringen  aan- 

brengen  in  of  aan;  verbeteren,  over- 

treffen. 
improvement  [im'pruivmsnt]  verbete- 

ring,    beterschap,    vooruitgang. 
improvisation   [impravai'zeijan]   im- 

provisatie. 
improvisator  [im'pnvizeita]   improvi- 
sator. 
improvise    ['impravaiz]    improviseren. 
imprudence    [im'prutdans]    onvoor- 

zichtigheid. 
Imprudent    [im'pruidant]    onvoorzich- 

tig. 
impudence    ['impjudsns]    onbe- 

schaamdheid,    schaamteloosheid. 
impudent  ['impjudsnt]  onbeschaamd, 

schaamteloos. 
impulse  ['impAls],  impulsion  [im'pAl- 

Jan]    aandrijving,   aandrang,   opwel- 

ling,  stoot. 
impulsive    [im'pAlsiv]    aandrijvend; 

voortstuwend,    stuw-;   impulsief. 
impunity  [im'pju:niti]  straffeloosheid; 

with   — ,  straffeloos. 
impure   [im'pjus]   onzuiver,  onrein. 
imputable  [im'pjuitsbl]  te  wijten  aan. 
imputation   [impju'teijsn]    beschuldi- 

Sing. 

impute  [im'pju:t]  toeschrijven,  wijten, 
toedichten,    ten    laste    leggen. 

in.   :=   inch{es). 

in  [in]  in,  naar,  bij,  volgens,  aan,  op; 
met...  aan  (op),  met;  over;  binnen, 
thuis;  --^  itself,  op  zich  zelf;  you 
are  —   for  it,  je  bent  ,,zuuj". 

inability    [ina'biliti]    onvermogen  o, 
onbekv,'aamheid. 


inaccessible 


131 


inclusive 


inaccessible    [inask'sesibl]    ongenaak- 

baar;   ontoegankelijk,   onbeklimbaar, 

onbereikbaar. 
inaccurate  [i'naekjurit]  onnauwkeurig. 
inaction    [i'naekjan]    werkeloosheid, 

nietsdoen  o. 
inactive  [i'nsektiv]  werkeloos;  niet  ac- 

tief;   traag. 
inadequate   [i'nsdikwit]   onevenredig; 

onvoldoende,    ontoereikend. 
inadmissible    [insd'misibl]    onaanne- 

melijk;   ontoelaatbaar. 
inadvertence    [insd'vaitans],    ^'Cy 

[-si]   onachtzaamheid,  onoplettend- 

heid. 
inalienable    [i'neiljanabl]    onver- 

vreemdbaar. 
inane    [i'nein]    leeg,   zinloos;    idioot. 
inanimate    [i'naenimit]    levenloos,   on- 

bezield. 
inanity    [i'nseniti]     (zin)ledigheid; 

zinloosheid;   banaliteit. 
inappropriate    [ina'proupriit]    onge- 

schikt,  ongepast. 
inapt    [i'naspt]    ongeschikt,   onbe- 

kwaam. 
inarticulate  [ina:'tikjulit]  ongeleed; 

niet  gearticuleerd,   onduidelijk. 
inasmuch    [insz'mAtJ]    •^^    as,    aange- 

zien. 
inaudible   [i'ojidibl]   onhoorbaar. 
inaugurate  [i'nD.gjureit]  inwijden,  in- 

huldigen,    onthuUen,    openen,    inlei- 

den   [tijdperk]. 
inauguration    [inDigju'reiJsn]    inwij- 

ding,   inhuldiging. 
inborn    ['in'boin],  inbred    ['in'bred] 

aan-,   ingeboren,   ingeschapen. 
incalculable    [in'kaslkjubbl]    onbere- 

kenbaar. 
incandescent    [inkasn'desant]    (wit)- 

gloeiend;  —  light,  (gas)gloeilicht  o. 
incapable      [in'keipsbl]      onbekwaam; 

onbevoegd;    —    oj,    niet    kunnende, 

niet   in   staat   om. 
incarnate    [in'kaineit]    incarneren,   be- 

lichamen. 
incarnation    [inka/neijan]    incarnatie, 

vleeswording,  belichaming. 


incendiary  [in'sendjari]   brandstichter; 

jig  stokebrand,   opruier;   brandbom; 

a]    brandstichtend;    brand-;    jig    op- 

ruiend. 
incense    ['insens]    wierook;    vt   bewie- 

roken;    [in'sens]   vertoornen. 
incentive    [in'sentiv]    prikkel,   aanspo- 

ring,   drijfveer. 
incessant(ly)    [in'ses3nt(li)]    aanhou- 

dend,  onophoudelijk. 
inch   [in(t)J]   Engelse  duim  [V12  voet 

=   2V2  cm];  every  ■ — '  a  gentleman, 

op-en-top  een  heer;    —    by   — ,   by 

'-~es,  langzaam;  langzamerhand;  to 

an    ■ — ■,   precies,   op   een  haar. 
incident    ['insidsnt]    voorval    0,    inci- 
dent o;  aj   (in)vallend    [v.   straal]; 

■ — ■  to,  voortvloeiend  uit;  verbonden 

met,    eigen    aan. 
incidental    [insi'dental]    toevallig,   bij- 

komend,    bijkomstig,    bij-;    tussen-. 
incidentally    [insi'dentali]    toevallig; 

terloops;  tussen  t\\'ee  haakjes;  overi- 

gens. 
incinerate    [in'sinsreit]    verassen. 
incise    [in'saiz]    insnijden,    kerven. 
incision    [in'si33n]    insnijding,    snede. 
incisive    [in'saisiv]    snijdend;    scherp; 

snij-. 
incisor    [iii'saiza]    snijtand. 
incite    [in'sait]    aansporen,   prikkelen; 

aanzetten,    aanhitsen. 
incitement   [in'saitmsnt]    aansporing, 

prikkel,  aanhitsing. 
inclement    [in'klemant]    bar,    guur. 
inclination   [inkli'neijsn]   helling;  in- 

clinatie;  neiging,  genegenheid. 
incline    [in'klain]    helling;   vi  neigen, 

buigen,    (over)hellen,   geneigd  zijn; 

vt  doen    (over)hellen,   schuinzetten; 

— d  plane,  hellend  vlak  o. 
include   [in'klu:d]   insluiten,  be-,  om- 

vatten,     meetellen,    -rekenen;    opne- 

men. 
including    [in'klu:dir)]    met    inbegrip 

van...,    (erbij)    inbegrepen. 
inclusion   [in'klu:33n]    insluiting;   op- 
name. 
inclusive    [in'klursiv]    insluitend;    in- 


incoherent 


132 


indelicate 


clusief;  from...,  to... — ,  van...   tot 

en  met...;  ■ — ■  of,  met  inbegrxp  van. 
incoherent    [inkou'hiarsnt]    onsamen- 

hangend. 
incombustible  [inksm'bAstibl]   on- 

brandbaar. 
income    ['inkam]    inkomen   o,  inkom- 

sten. 
incoming     ['inkAmirj]     in-,    binnenko- 

mend;    nieuw    [v.    ambtenaar]. 
incommode    [inka'moud]    lastig    val- 

len,    storen,    belemmeren. 
incomparable    [in'kDmpsrsbl]    onver- 

gelijkelijk,   weergaloos. 
incompatible   [inkam'psetibl]   onver- 

enigbaar;  geheel  uiteenlopend. 
incompetence    [in'kDmpitans],    — cy 

[-si]    onbekwaamheid,  ongeschikt- 

heid,    onbevoegdheid. 
incompetent    [in'kDmpitsnt]    onbe- 

kwaam;  ongeschikt,  onbevoegd. 
incomplete  [inksm'pliit]  onvolkomen, 

onvolledig. 
incomprehensible    [inkDmpri'hensibl] 

onbegrijpelijk. 
inconceivable    [inkan'siivsbl]    onbe- 
grijpelijk; ondenkbaar. 
incongruous    [in'korjgruas]    ongelijk- 

(soortig),  onverenigbaar;  ongerijmd, 

ongepast. 
inconsiderate    [inksn'sidsrit]    onbe- 

zonnen,  ondoordacht;   onattent. 
inconsistent    [inkan'sistant]    niet    in 

overeenstemming,   onverenigbaar 

(met,   with);   inconsequent. 
inconsolable    [inkan'soulabl]    on- 

troostbaar. 
inconspicuous   [inksn'spikjuss]   niet 

opvallend;   onaanzienlijk. 
inconstant    [in'kjnstsnt]    onbestendig, 

onstandvastig,    wispelturig. 
incontestable    [inksn'testabl]    onbe- 

t^'istbaar. 
inconvenience   [inksn'virnjsns]    onge- 

legenheid,    ongemak   o,    ongerief    o; 

vt    in    ongelegenheid    brengen,    tot 

last  zijn;  lastig  vallen. 
inconvenient    [inksn'virnjant]    ongele- 

gen,    lastig,   ongeriefelijk. 


incorporate    [in'koipareit]    inlijven 
(bij,    in,    with),    opnemen    [in    een 
corporatie  &];  rechtspersoonlijkheid 
verlenen. 

incorporation   [inko;p3'reiJ'3n]   inlij- 
ving,   opname. 

incorrect    [inka'rekt]    onnauwkeurig, 
onjuist;    niet  correct. 

incorrigible   [in'koridsibl]   onverbe- 
terlijk. 

increase  ['inkri:s]  groei,  aanwas,  was- 
sen  o,  toename,  vermeerdering;  ver- 
hoging;  be  on  the  — ,  aangroeien, 
wassen,  toenemen;  [in'kri:s]  vi 
(aan)groeien,  toenemen,  stijgen;  vt 
doen  aangroeien  &;  vermeerderen, 
vergroten,   verhogen,   uitbreiden. 

incredible    [in'kredibl]    ongelofelijk. 

incredulity  [inkri'dju:liti]  ongelovig- 
heid. 

incredulous    [in'kredjulss]    ongelovig. 

incriminate  [in'krimineit]  beschuldi- 
gen. 

inculcate   [in'kAlkeit]   inprenten. 

incumbent  [in'kAmbsnt]  rustend  (op, 
on)\  it  is  ■ — •  upon  you,  het  is  uw 
plicht. 

incur  [in'ka:]  zich  op  de  hals  halen; 
zich   blootstellen   aan. 

incurable    [in'kjuarsbl]    ongeneeslijk. 

incursion  [in'kaijsn]   inval. 

indebted  [in'detid]  schuldig,  verplicht; 
we  are  —  to  him  for...,  we  heb- 
ben  hem...  te  danken;  we  zijn  hem 
erkentelijk  voor... 

indecent    [in'diissnt]    onbetamelijk, 
onvertogen,  onwelvoeglijk. 

indecision   [indi'si33n]  besluiteloos- 
heid. 

indecourous  [in'dek3r3s]  onwelvoeg- 
lijk. 

indeed    [in'di:d]    inderdaad,    (voor)- 
zeker,    waarachtig,   wel,    ja    (zelfs), 
dan   ook,    trouwens. 

indefatigable    [indi'ffetigsbl]    onver- 
moeibaar,    onvermoeid. 

indefinite    [in'definit]    onbepaald. 

indelible    [in'delibl]    onuit^isbaar. 

indelicate   [in'delikit]   onkies. 


indemnification 


133 


individual 


indemnification    [indemnifi'keijan] 

schadeloosstelling,    vergoeding. 
indemnify    [in'demnifai]    schadeloos 

stellen;    vrijwaren    (voor,    against, 

from). 
indemnity    [in'demniti]    vrijwaring; 

schadeloosstelling,  vergoeding; 

kwijtschelding;   afkoopsom. 
indent  [in'dent]  uittanding,  insnijding, 

inkerving,     (in)  keep;    vt    intanden, 

(uit)tanden,    insnijden. 
indenture    [in'dentjs]    contract   o. 
independence    [indi'pendsns]    onaf- 

hankelijkheid. 
independent   [indi'pendant]    onafhan- 

kelijk;  zelfstandig. 
indescribable  [indis'kraibsbl]  onbe- 

schrijfelijk. 
indestructible    [indis'trAktibI]    onver- 

woestbaar,    onvernielbaar. 
indeterminate   [indi't3:minit]  onbe- 

paald,  vaag. 
indetermination    [indit3:mi'neij3n] 

onbepaaldheid;    besluiteloosheid. 
index    ['indeks]    index;    wijsvinger, 

(hand)wijzer;   inhoudsopgaaf;   lijst 

[v.  boeken]. 
index  card  ['indekska:d]  fiche  o  8c  v. 
India    L'indjs]    India    o;    Further    -~-, 

Achter-Indie  o. 
Indian    ['indjan]    Indier;    Indiaan;    aj 

Indisch,   Indiaas;    Indiaans. 
india-rubber  ['indja'tAba]  gomelastiek 

o. 
indicate  ['indikeit]    (aan)wijzen,  aan- 

duiden,  te  kennen  geven;  wijzen  op. 
indication   [indi'keijan]   aanwijzing, 

aanduiding,  teken  o. 
indicative   [in'dikstiv]   aantonend(e 

wijs). 
indict    [in'dait]    aanklagen. 
indictment    [in'daitmant]    aanklacht; 

akte   van    beschuldiging. 
Indies  ['indiz]   the  — ,  Indie  o. 
indifference    [in'difrans]    onverschil- 

ligheid. 
indifferent    [in'difrant]    onverschillig 

(voor,  to);  van  geen  of  weinig  be- 

langr   niet  veel  zaaks,  middelmatig. 


indigence    ['indidsans]    behoeftigheid, 

armoede. 
indigenous    [in'didsinss]    inlands,   in- 

heems;    ingeboren. 
indigent    ['indidsant]    behoeftig,   arm. 
indigestible    [indi'dsestibl]    onver- 

teerbaar. 
indigestion    [indi'd3estjan]    slechte 

spijsvertering. 
indignant    [in'dignant]    verontwaar- 

digd    (over,   at,   with). 
indignation    [indig'neijan]    veront- 

waardiging. 
indignity    [in'digniti]    smaad,    boon. 
indigo    ['indigou]    indigo    m    [plant, 

verfstof],   indigo   o    [kleur]. 
indirect     [indi'rekt]     zijdelings;    indi- 
rect;  —   object,  medewerkend  voor- 

werp  o. 
indiscernible    [indi'za:nibl]    niet  te 

onderscheiden  of  te  onderkennen. 
indisciplinable    [in'disiplinabl]    tuch- 

teloos. 
indiscipline   [in'disiplin]    tuchteloos- 

heid. 
indiscreet  [indis'kri:t]  onvoorzichtig; 

indiscreet:    loslippig. 
indiscretion    [indis'krejan]   onvoor- 

zichtigheid;  indiscretie. 
indiscriminate    [indis'kriminit]    geen 

onderscheid   makend,   zonder   onder- 

scheid  of  in  den  blinde  (toegepast). 
indispensable    [indis'pensabl]    onver- 

mijdelijk;  onmisbaar;  noodzakelijk. 
indispose    [indis'pouz]    ongeschikt 

maken;    afkerig  maken. 
indisposed   [indis'pouzd]   niet  gezind; 

ongenegen;    ongesteld. 
indisposition   [indispa'zijan]    onge- 

steldheid,    onwelwillendheid,    onge- 

neigdheid;    afkerigheid. 
indisputable    [in'dispjutabl]    onbe- 

twistbaar. 
indissoluble   [indi'sDljubl]   onoplos- 

baar,  onverbreekbaar. 
indistinct    [indis'tir)(k)t]    onduidelijk, 

verward. 
individual  [indi'vidjual]  eenling;  per- 

soon;    individu    o\    ai    individueel, 


indivisible 


134 


infantile 


afzonderlijk,    apart. 
indivisible    [indi'vizibl]    ondeelbaar. 
indolence   ['indabns]    traagheid. 
indolent    ['indabnt]    traag,   vadsig. 
indomitable   [in'dDmitabI]   ontembaar, 

onbedwingbaar. 
Indonesia   [indou'ni:j'i3]    Indonesie  o. 
Indonesian  [indou'niijian]  Indonesier; 

a]  Indonesisch. 
indoor  ['indD:]   binnen-,  huiselijk, 

huis-,   kamer-. 
indoors    [in'dDiz]    binnen(shuis). 
indorse    [in'dDis]    zie   endorse. 
indubitable  [in'djuibitabl]  ontwijfel- 

baar. 
induce    [in'dju;s]    bewegen,   nopen; 

aanleiding   geven    tot,    veroorzaken; 

afleiden. 
inducement  [in'djuismsnt]  aanleiding, 

drijfveer;  overredingsmiddel  o. 
induction    [in'dAkJan]   gevolgtrek- 

king;   inductie. 
indulge    [in'dAld3]    toegeven    (aan), 

zijn  zin  geven;  —  in,  zich  de  weel- 

de   veroorloven   van,   zich   permitte- 

ren,  zich  overgeven  aan. 
indulgence  [in'dAldjans]  bevrediging; 

inschikkelijkheid,    toegeeflijkheid; 

gunst;   aflaat. 
indulgent    [in'dAldssnt]    inschikkelijk, 

toegeeflijk. 
industrial    [in'dAStrisl]    industrieel, 

industrie-,    nijverheids-,   bedrijfs-. 
industrialist    [in'dAstrisIist]    indus- 
trieel. 
industrialization    [ indAstrialai'zeiJ'an] 

industrialisering. 
industrialize   [in'dAStrislaiz]    industri- 

aliseren. 
industrious    [in'dAStrias]    arbeidzaam, 

werkzaam,  nijver,  vlijtig. 
industry   ['indsstri]    naarstigheid;   nij- 

verheid,  industrie,  bedrijf  o. 
inebriate  [i'ni:brieit]  dronken  maken. 
inebriation    [iniibri'eijan],    inebriety 

[ini'braiati]  dronkenschap. 
inedible    [i'nedibl]    oneetbaar. 
ineffable   [i'nefabl]   onuitsprekelijk. 
ineffaceable  [ini'feisabl]  onuitwisbaar. 


inefficient  [ini'fijsnt]   ongeschikt,  on- 

bruikbaar;   geen   effect   sorterend. 
inept    [i'nept]    ongerijmd;    ongeschikt. 
ineptitude    [i'neptitju:d]    ongerijmd- 

heid;   ongeschiktheid. 
inequality    [ini'kwDliti]    ongelijkheid. 
inequity   [i'nekrwiti]    onbillijkheid. 
inert    [i'nait]    log,    loom,    traag. 
inertia    [i'naijia]    traagheid. 
inescapable  [inis'keipsbl]  onontkoom- 

baar. 
inevitable   [i'nevitabl]   onvermijdelijk. 
inexact   [inig'zaekt]    onnauwkeurig, 

onjuist. 
inexcusable    [iniks'kjuizabi]    onver- 

geeflijk. 
inexhaustible   [inig'zDistibI]   onuitput- 

telijk. 
inexorable    [i'nekssrabl]    onverbidde- 

lijk. 
inexpedient    [iniks'pi:di3nt]    ondoel- 

matig,  ongeschikt,   ondienstig. 
inexpensive    [iniks'pensiv]    goedkoop. 
inexperience    [iniks'pisrians]    onerva- 

renheid. 
inexperienced    [iniks'piarianst]    oner- 

varen. 
inexplicable    [i'nekspliksbl]    onver- 

klaarbaar. 
inexpressible    [iniks'presibl]   onuit- 
sprekelijk. 
inextinguishable    [iniks'tirjgwijabl] 

on(uit)blusbaar,    onlesbaar,    onbe- 

daarlijk. 
infallibility    [infaeli'biliti]    onfeilbaar- 

heid;   onbedrieglijkheid. 
infallible    [in'fElibl]    onfeilbaar;    on- 

bedrieglijk. 
infamous    ['infamgs]    schandelijk; 

berucht. 
infamy  ['infami]  schande(lijkheid); 

schanddaad. 
infancy   ['infansi]    kindsheid;  minder- 

jarigheid;   beginstadium  o. 
infant  ['infant]  zuigeling  (ook:  • —  in 

arms);  kind  o;  aj  jong;  opkomend; 

kinder-. 
infantile   ['infsntail]   kinderlijk,  kin- 

derachtig,  kinder-. 


infantry 


135 


ingenuous 


infantry   ['infantri]    infanterie. 
infant  school  ['infsntsku.l]  kleuter- 

school. 
infatuate  [in'faetjueit]  verdwazen;  ver- 

blinden;  ■ — d  with,  verliefd  op. 
infatuation    [infaetju'eijsn]    ver- 

dwaasdheid;    bevlieging;    malle   ver- 

liefdheid. 
infect    [in'fekt]    aansteken,   besmetten; 

bederven,  verpesten. 
infection   [in'fekjsn]    infectie,   aanste- 

king,   besmetting;   bederf  o,  verpes- 

ting;   aanstekelijkheid. 
infectious  [in'fekjas]   besmettelijk, 

aanstekelijk;   smet-. 
infer    [in'fa:]    besluiten,   afleiden,  op- 

maken;    insluiten,   beduiden. 
inference    ['infsrans]    gevolgtrekking. 
inferior   [in'fiaris]   mindere,  onderge- 

schikte;   a]  minder,   lager,    onderge- 

schikt;  onder-. 
inferiority    [infiari'ariti]    minderheid, 

minderwaardigheid;   ondergeschikt- 

heid. 
infernal  [in'fsmsl]   hels,  duivels. 
infertile    [in'fartail]    onvruchtbaar. 
infest    [in'fest]    onveilig  maken;    ver- 
pesten. 
infidel  ['infidal]  ongelovig(e). 
infidelity    [infi'deliti]    ongeloof  o\ 

ontrouw. 
infiltrate   [in'filtreit]   insijpelen,  lang- 

zaam  doordringen. 
infinite    ['infinit]    oneindig. 
infinitesimal  [infini'tesimsl]  oneindig 

klein. 
infinitive  [in'finitiv]  onbepaalde  wijs. 
infinity    [in'finiti]    oneindigheid. 
infirmary   [in'faimari]   ziekenhuis  o\ 

ziekenzaal. 
infirmity  [in'faimitij  zwakheid,  zwak- 

te,  ziekelijkheid,  gebrek  o. 
inflame   [in'fleim]    doen  ontvlammen; 

doen   gloeien;    (doen)    ontsteken. 
inflammable  [in'fla^msbl]  ontvlam- 

baar. 
inflammation  [infla'meij'sn]  ontvlam- 

ming,  ontsteking. 
inflammatory  [in'flcematari]  verhit- 


tend;   ontstekings-;  opruiend. 
inflate  [in'fleit]  opblazen;  oppompen; 

opdrijven  [prijzen]. 
inflation    [in'fleijan]    opblazen    of 

oppompen  o;  inflatie. 
inflator    [in'fleita]    fietspomp. 
inflexible    [in'fleksibl]   onbuigbaar; 

onbuigzaam. 
inflict    [in'flikt]    opleggen    [straf]; 

[slag]    toebrengen    (aan,    upon); 

doen  ondergaan. 
infliction   [in'flikjsn]    (straf)opleg- 

ging,    straf,    kwelling. 
influence    ['influans]    invloed;    vt 

invloed  hebben  op,  beinvloeden. 
influential  [influ'enjsl]  invloedrijk. 
influenza  [influ'enza]  griep. 
inform    [in'fDim]    mededelen,    berich- 

ten,    onderrichten,    in-,    voorlichten; 

— -   oj,  berichten,  melden. 
informal    [in'fDimal]    informed;    fa- 

miliaar,  zonder  complimenten. 
informant  [in'fDimant]  zegsman. 
information    [infa'meijsn]    kennisge- 

ving,  mededeling,  onderricht  o,  be- 

richt  o\  kennis;  voorlichting,  inlich- 

ting(en). 
informed    [in'foimd]   goed  ingelicht, 

op  de  hoogte. 
informer    [in'fsims]    aanbrenger. 
infraction    [in'frskjan]    zie    infringe- 
ment. 
infrequent   [in'friikwant]   zeldzaam. 
infrequently    [in'friikwantli]    zelden. 
infringe    [in'frin(d)3]    overtreden, 

schenden,  inbreak  maken  op. 
infringement   [in'frin(d)3m3nt]   over- 

treding,  schending,  inbreak. 
infuriate    [in'fjuarieit]    razend    (woe- 

dend,   dol)   maken. 
infuse  [in'fja:z]  ingieten,  inboezemen, 

bezielen;  laten  trekken  [thee]. 
infusion    [in'fju:33n]    ingieting,   inge- 

ving;  aftreksel  o. 
ingenious  [in'dsiinjss]  vindingrijk, 

vernuftig. 
ingenuity  [indsi'njuiiti]  vindingrijk- 

heid,  vernuftigheid. 
ingenuous   [in'dsenjuss]   ongekun- 


inglorious 


136 


inopportune 


steld,    openhartig;    na'ief. 
inglorious   [in'gbirias]   roemloos. 
ingot  ['ir)g3t]  baar,  staaf. 
ingrained    [in'greind]    doortrokken; 

ingeworteld;    doortrapt. 
ingratiate    [in'greijieit]    —    oneself 

with,  zich  bemind  maken  bij. 
ingratitude   [in'grastitju:d]   ondank- 

baarheid. 
ingredient  [in'griidiant]  ingredient  o, 

bestanddeel   o. 
ingress    ['ingres]    binnentreden   o, 

-dringen   o\    in-,   toegang. 
inhabit   [in'hsbit]   bewonen. 
inhabitant  [in'hasbitant]  in-,  bewoner. 
inhalation    [inhs'leijsn]    inademing, 

inhalatie. 
inhale    [in'heil]    inademen,   inhaleren. 
inherent    [in'hisrant]    onafscheidelijk 

verbonden,    inherent. 
inherit    [in'herit]    (over) erven. 
inheritance   [in'heritans]   overerving; 

erfenis. 
inhibit    [in'hibit]    beletten,   stuiten, 

remmen. 
inhibition  [inhi'bij'an]  belemmering, 

remming;  rem. 
inhospitable  [in'hDspitsbl]  onherberg- 

zaam,   ongastvrij. 
inhuman    [in'hju:m3n]    onmenselijk. 
inimical   [i'nimiksl]   vijandig;  schade- 

lijk. 
inimitable    [i'nimitsbl]    onnavolgbaar. 
iniquitous    [i'nikwitss]   onrechtvaar- 

dig,  onbillijk;  ongerechtig,  snood. 
iniquity   [i'nikwiti]  ongerechtigheid, 

onbillijkheid;    snoodheid. 
initial    [i'nijsl]    eerste  letter,  initiaal; 

aj  eerste,  voorste,  begin-,  aanvangs-; 

vt  paraferen. 
initiate    [i'nijieit]    inwijden;   inleiden, 

beginnen;    [i'nijiit]    ingewijde. 
initiation    [iniji'eijan]    inwijding; 

begin  o. 
initiative    [i'nijistiv]    begin   o,   initia- 

tief   o;   aj   inleidend,   begin-,   eerste. 
inject  [in'djekt]  inspuiten. 
injection    [in'djekjsn]    inspuiting. 
injudicious    [indsu'dijas]    onoordeel- 


kundig,  onverstandig. 
injunction   [in'dsArjkJan]    uitdrukke- 

lijk  bevel  o,  gebod  o. 
injure    ['in(d)33]    benadelen,    onrecht 

aandoen,  kwaad  doen,  kwetsen. 
injurious    [in'(d)3U3ri3s]    nadelig, 

schadelijk;  beledigend,  krenkend. 
injury   ['in(d)33ri]    nadeel  o,  onrecht 

o,  kwaad  o;  kwetsuur,  verwonding, 

letsel   0,   schade. 
injustice    [in'dsAStis]    onrecht    o,    on- 

rechtvaardigheid. 
ink   [igk]    inkt. 
inkling   ['irjklir)]   aanduiding,  flauw 

vermoeden  o. 
inkstand   ['ir)kst£end]    inktkoker. 
ink-well    ['ir|kwel]    inktpot. 
inky    ['ir]ki]    inktachtig,   vol    inkt; 

zo    zwart   als    inkt. 
inlaid    ['inleid]  ingelegd  (linoleum  o). 
inland  ['inland]  binnenland  o\  aj  bin- 

nenlands;   landinwaarts. 
inlet    ['inlet]    ingang,    opening,    weg; 

inham;   inzetsel  o. 
inmate    ['inmeit]     (mede)  bewoner, 

huisgenoot;   inzittende. 
inmost    ['inmoust]    binnenste;   ge- 

heimste. 
inn    [in]    herberg,    logement   o. 
innate    [i'neit]    in-,    aangeboren. 
innavigable    [i'naevigsbl]    onbevaar- 

baar. 
inner    ['ins]    inwendig,  binnenst,  bin- 

nen-;  verborgen. 
innermost    ['inamoust]    binnenste. 
innkeeper    ['inkirpa]    herbergier. 
innocence    ['inasans]   onschuld;   onno- 

zelheid. 
innocent    ['inasant]    onschuldig    (aan, 

of);    onschadelijk;    onnozel;    • —     of 

windows,   zonder  ramen. 
innocuous    [i'nakjuas]   onschadelijk. 
innumerable  [i'njuimarabl]  ontelbaar, 

talloos. 
inoculate    [i'nakjuleit]    (in)enten. 
inoffensive   [ina'fensiv]   onschadelijk, 

onschuldig. 
inopportune    [i'nDpatjuin]    ontijdig, 

ongelegen. 


inordinate 


137 


instance 


inordinate  [i'n3:dinit]  ongeregeld; 
bovenmatig,   buitensporig. 

inquest  ['inkwest]  onderzoek  o;  {cor- 
oner's) — ,  gerechtelijke  lijkschou- 
wing. 

inquire  [in'kwais]  navraag  doen, 
vragen,  informeren,  onderzoeken; 
---^   into,  onderzoeken. 

inquiry  [in'kwaisri]  vraag,  onderzoek 
o\  aan-,  navraag;  make  inquiries, 
inlichtingen  inwinnen,  een  onder- 
zoek  instellen. 

inquiry-office   [in'kwaisriDfis]   infor- 
matiebureau  o. 

inquisitive   [in'kwizitiv]    (alles)    on- 
derzoekend,  nieuwsgierig. 

inroad    ['inroud]    inval;   inbreuk. 

insane   [in'sein]    krankzinnig. 

insanity    [in'saeniti]    krankzinnig- 
heid. 

insatiable    [in'seijiabl]    onverzadelijk. 

inscribe   [ins'kraib]   in-,  opschrijven, 
griffen. 

inscription  [ins'krippn]  inschrijving; 
in-,   opschrift   o. 

inscrutable    Lins'kru.-tsbl]    ondoor- 
grondelijk,    onnaspeurlijk. 

insect    ['insekt]    insekt    o. 

insecure    [insi'kjus]    onveilig,   onvast. 

insensible    [in'sensibl]    ongevoelig 
(voor,    o/,    /o);    gevoelloos;    bewus- 
teloos;   onbewust;   onmerkbaar. 

inseparable  [in'sepsrsbl]  onafscheide- 
lijk   (van,  from). 

insert  [in's3:t]  invoegen,  inlassen, 
inzetten;  plaatsen  [in  krant]. 

insertion  [in's3;J'3n]  invoeging,  inlas- 
sing;   plaatsing    [i.   e.    krant]. 

inset  ['inset]  inzetsel  o\  ingevoegd 
blad  o,  bijkaartje  o,  medallion  o  [v. 
illustratie]. 

inside  ['in'said]  binnenkant;  • —  out, 
het  binnenste  buiten;  door  en  door 
[kennen];  ['insaid]  aj  binnenst, 
binnen-;  —  information,  inlichtin- 
gen van  ingevi'ijden;  [in'said]  bin- 
nen in,    (naar,  van)    binnen,  in. 

insider    [in'saids]    ingewijde. 

insidious    [in'sidias]    arglistig;    verra- 


derlijk. 
insight    ['insait]    inzicht  o. 
insignificant    [insig'nifikant]    onbete- 
kenend,    onbeduidend,    onbelangrijk, 
gering. 
nsincere    [insin'sis]    onoprecht. 
nsinuate    [in'sinjueit]    handig  of  on- 
gemerkt   indringen,     inschuiven,     te 
verstaan  geven,   insinueren. 
insinuation    [insinju'eijan]    indringen 
o  &;   bedekte  toespeling;  insinuatie. 
insipid    [in'sipid]    smakeloos,   flauw, 

geesteloos. 
insipidity   [insi'piditi]    smakeloosheid, 

fiauwheid. 
insist   [in'sist]   aanhouden,  volhouden; 
(nadrukkelijk)    beweren;    aandrin- 
gen;   —   on,   staan  op;   stilstaan  bij; 
bhjven  bij. 
nsistence    [in'sistsns]    aanhouden    o, 

aandringen    o,   aandrang. 
nsolence    ['insabns]    onbeschaamd- 

heid. 
nsolent    ['inssbnt]    onbeschaamd. 
nsoluble    [in'soljubl]    onoplosbaar. 
nsolvency    [in'sDlvonsi]    onvermogen 

o   tot  betaling,   insolventie. 
nsolvent   [in'sDlvant]   onvermogend 

om  te  betalen,   insolvent. 
insomnia    [in'sDmnis]    slapeloosheid. 
inspect   [in'spekt]   onderzoeken,   in- 

specteren. 
inspection   [in'spekjan]    inzage,  be- 
zichtiging,    onderzoek    o,    inspectie, 
toezicht  o. 
inspector  [in'spekta]  onderzoeker;  op- 

ziener,   inspecteur. 
inspiration   [inspi'reijsn]   inademing; 

inblazing,   ingeving,   inspiratie. 
inspire  [in'spaia]  inademen;  inblazen, 

ingeven,    inboezemen,   bezielen. 
inst.    ^    instant,    dezer. 
nstall   [in'stD:!]   een  plaats  geven;  in- 

stalleren. 
nstallation    [instDi'leiJan]    installatie. 
instalment    [in'stDilmsnt]    installatie, 
aanleg;    aflevering,    termijn,   gedeel- 
te  o. 
instance    ['instans]    aandrang,    drin- 


instant 


138 


intent 


gend  verzoek  o;  voorbeeld  o,  geval 

o\   instantie;  jor   — ,  bij  voorbeeld; 

vt    (als   voorbeeld)    aanhalen. 
instant  ['instant]   ogenblik  o\  aj  drin- 

gend;    ogenblikkelijk;    the   twentieth 

~,    de   twintigste   dezer. 
instantaneous    [instan'teinjas]    ogen- 
blikkelijk;   ~'    photo,   momentopna- 

me. 
instantly    ['instsntli]    ogenblikkelijk, 

onmiddellijk,   op  staande  voet. 
instead    [in'sted]    in    plaats    daarvan; 

~   of,  in  plaats  van. 
instep  ['instep]  wreef  [v.  voet]. 
instigate   ['instigeit]    aansporen;   aan-, 

ophitsen. 
instigation    [insti'geijan]    aansporing; 

aan-,    ophitsing;    at    the    ~-    oj,    op 

aandrang  van. 
instil  (1)    [in'stil]   indruppelen;  jig  in- 

boezemen,  inprenten    (in,  into}. 
instinct   ['instigkt]    instinct  o. 
instinctive    [ins'tirjktiv]    instinctief. 
institute    ['institju:t]    instituut   o,    in- 

stelling;    vt    instellen,    stichten;    in- 

stalleren,   aanstellen    (tot). 
institution    [insti'tjuijan]    instituut   o, 

instelling,    stichting;    aanstelling. 
instruct   [ins'ttAkt]    onderwijzen,  on- 

derrichten;    last  geven. 
instruction   [ins'ttAkJan]   onderwijs  o, 

les;  lastgeving,  opdracht,   instructie, 

voorschrift  o. 
instructive  [ins'trAktiv]  onderwijzend, 

leerzaam,  leerrijk. 
instrument    ['instrumant]    instrument 

o;    gereedschap    o,   werktuig    o\    — 

panel,    instrumentenbord    o. 
insubordination    [ins3bD:di'neiJ'3n] 

weerspannigheid,  verzet  o. 
insufferable   [in'sAfarabl]   onduldbaar, 

onverdraaglijk;    onuitstaanbaar. 
insufficient    [msa'fijant]    onvoldoend. 
insular  ['insjub]  eiland-;  fig  bekrom- 

pen. 
insulate   ['insjuleit]   afzonderen;  iso- 

leren. 
insulation    [insju'leijan]    afzondering; 

isolatie. 


insulator    ['insjuleita]    isolator, 
insult    ['insAlt]    belediging,    boon; 

[in'sAlt]    vt   beledigen,    honen. 
insuperable  [in'sjuiparabl]  onover- 

komelijk. 
insupportable    [ins3'pD:t3bl]    on(ver)- 

draaglijk. 
insurance   [in'Juarans]    verzekering, 

assurantie. 
insure   [in'Jua]   verzekeren,  assureren. 
insurgent   [in'saidsant]   oproerig. 
insurmountable   [insa'mauntabl]    on- 

overkomelijk. 
insurrection    [insa'rekjan]   opstand. 
intact    [in'taekt]    intact,   gaaf. 
intangible    [in'tcendsibl]    ontastbaar. 
integral    ['intigral]    integrerend;    ge- 

heel,   volledig,    integraal. 
integrity   [in'tegriti]   volledigheid,  in- 

tegriteit,    onkreukbaarheid,   eerlijk- 

heid;    zuiverheid;    geheel    o. 
intellect    ['intilekt]    intellect    o,    ver- 

stand   o. 
intellectual   [inti'lektjual]   intellectu- 

eel,    geestelijk;    geestes-. 
intelligence   [in'telidsans]   verstand  o, 

begrip   o,    schranderheid;    nieuws   o, 

berichten,   inlichtingen. 
intelligent    [in'telidsant]    verstandig, 

vlug    (van   begrip),    intelligent. 
intelligible   [in'telidsibl]    begrijpelijk. 
intemperance   [in'temparans]    onma- 

tigheid. 
intemperate   [in'temparit]    onmatig. 
intend  [in'tend]  van  plan  zijn,  de  be- 

doeling   hebben,   bedoelen;     bestem- 

men    (voor,  for). 
intended   [in'tendid]   voorgenomen  &, 

aanstaande;    opzettelijk. 
intending     [in'tendirj]    aanstaand;    • — ■ 

purchasers,  gegadigden. 
intense    [in'tens]    ingespannen,    hevig, 

krachtig,   diep,   intens. 
intensify    [in'tensifai]    versterken. 
intensity    [in'tensiti]    hevigheid, 

kracht. 
intensive   [in'tensiv]    intensief. 
intent  [in'tent]  oogmerk  o,  bedoeling, 

opzet   o;   to   all   ■ — s  and  purposes, 


intention 


139 


interruption 


reitelijk;   aj  ingespannen;    —    upon, 

gericht  op;   uit  op;  verdiept  in;   •~-' 

upon  mischief,  kwaad  in  zijn  schild 

voerend. 
intention   [in'tenjsn]   voornemen  o, 

oogmerk  o,  bedoeling. 
intentional    [in'tenjansl]    voorbedach- 

telijk,   opzettelijk,   met   opzet. 
inter   [in'ta:]    begraven. 
intercalate    [in'tsikaleit]    invoegen, 

inlassen. 
intercalation  [intaika'leijan]   invoe- 

ging,    inlassing. 
intercede   [inta'siid]    tussenbeide  ko- 

men. 
intercept    [inta'sept]    onderscheppen, 

opvangen,   (de  pas)   afsnijden. 
intercession    [inta'sejsn]    tussenkomst, 

bemiddeling,   voorspraak. 
intercessor   [inta'sesa]    (be)middelaar. 
intercourse    ['int3kD:s]    omgang,    ge- 

meenschap,  verkeer  o. 
interdict    [inta'dikt]    verbieden. 
interdiction    [inta'dikjsn]    verbod   o. 
interest    ['int(3)rest]    belang    o\    be- 

langstelling;     aandeel     o\     invloed; 

parti);    rente,    interest;    of    ■ — ■,    be- 

langwekkend,    interessant;    vt    inte- 

resseren,  belang  inboezemen;  belang 

doen    stellen    (in,   for,   in);   de   be- 

langen  raken   van. 
interested   ['int(3)restid]   belangstel- 

lend;    belang   hebbend;    betrokken; 

zelfzuchtig. 
interesting   ['int(3)restir)]   interessant. 
interfere  [inta'fia]  tussenbeide  komen, 

ingrijpen,  zich  mengen  (in,  in);  — 

with,  zich  bemoeien  met;   belemme- 

ren,    (ver)storen. 
interference    [inta'fisrsns]    tussen- 
komst,  inmenging;   storing. 
interim    ['intsrim]    tussentijd. 
interior    [in'tiaria]    binnenste   o;   bin- 

nenland  o;   interieur  o;  aj  binnen-; 

inwendig;   binnenlands;   innerlijk. 
interject    [inta'dsekt]    er   tussen  gooi- 

en,    uitroepen. 
interjection    [inta'dsekjan]    tussen- 

werpsel  o,  uitroep. 


interloper    [inta'loups]    onderkruiper; 

beunhaas. 
interlude    ['int3l(j)u:d]    pauze;   inter- 
mezzo 0. 
intermediary   [inta'mirdiari]    tussen- 

persoon,   bemiddelaar;   bemiddeling; 

a'l  tussen-;  bemiddelend. 
intermediate    [inta'miidjat]    tussenlig- 

gend,   tussen-. 
interment    [in'taimant]    begrafenis. 
interminable  [in'taiminabl]  eindeloos, 

oneindig'. 
intermission    [inta'mijan]    onderbre- 

king,   tussenpoos,   verpozing. 
intermittent    [inta'mitant]     (af)wisse- 

lend,    intermitterend. 
intern   [in'tain]    interneren. 
internal    [in'tainsi]    inwendig,    inner- 
lijk; binnenlands;  binnen-. 
international    [inta'nsejanal]    inter- 

nationaal. 
internment    [in'taiomant]    internering. 
interpellant    [inta'pebnt]    interpel- 

lant. 
interpellate    [in'taipeleit]    interpelle- 

ren. 
interpellation    [intaipe'leijan]    inter- 

pellatie. 
interpret    [in'taiprit]    uitleggen,   ver- 

tolken. 
interpretation   [intaipri'teijan]   uitleg- 

ging,   vertolking. 
interpreter   [in't3;prit3]    uitlegger, 

vertolker,    tolk. 
interrogate    [in'terageit]    (onder)- 

vragen. 
interrogation    [intera'geijan]    onder- 

vraging,  vraag. 
interrogative    [inta'rsgativ]    vragend. 
interrogator  [in'terageita]    (onder)- 

vrager. 
interrogatory  [inta'rDgatari]  vraag; 

ondervraging;    verhoor    o;    aj    (on- 

der)  vragend. 
interrupt    [inta'rApt]    af-,    onderbre- 

ken;   (ver)hinderen,  storen;  in  de 

rede  vallen. 
interruption   [inta'rApJan]   af-,  on- 

derbreking,   storing;   interruptie. 


intersect 


140 


invective 


intersect   [inta'sekt]    (door)snijden, 

(door)kruisen;   elkaar   snijden. 
intersection    [inta'sekjsn]    (door)snij- 

ding;   snijpunt  o;   kruispunt  o. 
interstice    [in'tsistis]    tussenruimte, 

opening,  spleet. 
interval    ['intaval]    tussenruimte;    tus- 

senpoos;    pauze. 
intervene    [ints'viin]    tussenbeide   ko- 

men;    ingrijpen;    zich   voordoen. 
intervention  [ints'venjan]  interventie, 

tussenkomst. 
interview    ['intavju:]    interview  o; 

vraaggesprek  o\  vt  interviewen. 
intestate   [in'testit]   zonder  testament 

(overledene). 
intestine    [in'testin]    darm,    ingewan- 

den  (meest  -^j);  a]  inwendig;  bin- 

nenlands. 
intimacy    E'intimssi]    vertrouwelijk- 

heid,   intimiteit,    innigheid. 
intimate   ['intimit]   intieme  vriend;  a] 

innerlijk,    innig;    vertrouwelijk;    in- 

tiem;    ['intimeit]    vt    bekendmaken, 

te  kennen  geven,   aanduiden. 
intimation  [inti'meijan]  kennisgeving; 

wenk,  aanduiding. 
intimidate    [in'timideit]    bang  maken; 

vrees,  schrik  aanjagen. 
into    ['intu]    in,  tot. 
intolerable    [in'tDisrsbl]    on(ver)- 

draaglijk,  onduldbaar. 
intolerance    [in'tobrans]    onverdraag- 

zaamheid. 
intolerant    [in'tDbrant]    onverdraag- 

zaam. 
intoxicant    [in'Dksikant]    bedwelmend 

middel    o,    sterke   drank. 
intoxicate    [in'tsksikeit]    dronken  ma- 
ken, bedwelmen. 
intoxication  [intDksi'keiJsn]  dron- 

kenschap,   roes. 
intractable    [in'trsektabl]    onhandel- 

baar,   lastig. 
intransitive    [in'tra;nsitiv]    onover- 

gankelijk   [werkwoord]. 
intrepid    [in'trepid]    onverschrokken. 
intrepidity    [intri'piditi]    onverschrok- 

kenheid. 


intricacy   ['intrikssi]    ingewikkeld- 

heid. 
intricate    ['intrikit]    ingewikkeld. 
intrigue    [in'tri:g]    kuiperij,   gekonkel 

o,  intrige;  vi  kuipen,  intrigeren. 
intriguer    [in'trirga]    intrigant. 
intrinsic  [in'trinsik]   innerlijk,  wezen- 

lijk,  intrinsiek. 
introduce    [intr3'dju;s]    invoeren;    in- 

leiden,         binnenleiden;        indienen 

[wet];  voorstellen   [iemand],  intro- 

duceren. 
introduction    [intra'dAkJan]    invoe- 

ring,  inleiding;   indiening;  voorstel- 

ling;    introductie. 
introductory  [intra'dAktari]  inleidend. 
intrude  [in'truid]    (zich)   in-,  opdrin- 

gen;  (iemand)  lastig  vallen. 
intruder  [in'tru:da]  indringer. 
intrusion    [in'truijan]    binnendringen 

o. 
intrusive    [in'tru:siv]    indringend;   in- 

dringerig,  opdringerig. 
intrust  [in'ttASt]   zie  entrust. 
intuition  [intju'ijan]   intui'tie. 
inundate    ['ioAndeit]    onder  water 

zetten,   overstromen. 
inundation   [inAn'deiJan]    onderwater- 

zetting;   overstroming. 
inure   [i'njua]   gewennen,  harden. 
invade    [in'veid]    een    inval    doen    in, 

binnendringen,    inbreuk    maken    op. 
invader  [in'veida]  vijandelijke  indrin- 
ger. 
invalid   ['invaliid]   zieke,  lijder;  inva- 

lide;  a]  gebrekkig,  gebrekkelijk,  zie- 

kelijk,   lijdend;    [in'vaelid]    niet  gel- 

dend;   ongeldig. 
invalidate    [in'vaelideit]    ongeldig  ma- 
ken; ontzenuwen   [v.  argumenten]. 
invalidity    [inva'liditi]    zwakheid, 

krachteloosheid;  ongeldigheid. 
invaluable    [inVseljuabl]    onschatbaar, 

van   onschatbare  waarde. 
invariable    [in'veariabi]    onverander- 

lijk. 
invasion    [in'veisan]    (vijandelijke) 

inval;   invasie. 
invective    [in'vektiv]    smaadrede; 


inveigh 


141 


irony 


scheldwoord    o,    scheldwoorden;    aj 

scheldend. 
inveigh    [in'vei]    (heftig)    uitvaren, 

schelden,  schimpen. 
invent   [in'vent]    uitvinden;  bedenken, 

verzinnen. 
invention     [in'venjan]     (uit)vinding, 

uitvindsel   o,  verzinsel   o. 
inventive    [in'ventiv]    vindingrijk. 
inventor    [in'venta]    uitvinder;   ver- 

zinner. 
inventory  ['invsntri]   inventaris. 
inverse    [in'v3:s]    omgekeerd. 
inversion   [in'vaijan]   orakering,  om- 

zetting,    inversie. 
invert    [in'v3:t]    omkeren,    omzetten; 

—  ed  commas,  aanhalingstekens. 
invertebrate    [in'vaitibrit]    ongewer- 

veld;   jig   slap,   karakterloos;    ■ — s, 

ongewervelde   dieren. 
invest    [in' vest]    bekleden;    insluiten; 

[geld]   beleggen,  investeren. 
investigate  [in'vestigeit]  onderzoeken, 

navorsen. 
investigation   [investi'geijsn]    onder- 

zoek  o,  navorsing. 
investigator   [in'vestigeits]    onderzoe- 

ker,  navorser. 
investment    [in'vestmsnt]    (geld)be- 

legging,    investering. 
investor   [in'vests]    (geld)belegger. 
inveterate  [in'vetarit]  verstokt,  aarts-; 

ingeworteld,   ingekankerd. 
invidious   [in'vidiss]   hatelijk;  aansto- 

telijk;  netelig. 
invigorate    [in'vigareit]    kracht  bij- 

zetten  of  geven,  versterken. 
invincible   [in'vinsibl]    onoverwinne- 

lijk. 
inviolable   [in'vaiabbl]   onschendbaar. 
inviolate   [in'vaialit]   ongeschonden, 

ongerept. 
invisible   [in'vizibl]   onzichtbaar. 
invitation  [invi'teijan]   uitnodiging. 
invite   [in'vait]    (uit)nodigen,  verzoe- 

ken  (cm);  uitlokken. 
inviting   [in'vaitir]]    uitnodigend,  aan- 

lokkelijk,  verleidelijk. 
invocation    [inva'keijan]    in-,    aanroe- 


ping,   afsmeking. 
invoice    ['invois]    factuur;    vt   facture- 

ren. 
invoke    [in'vouk]    in-,    aanroepen,   af- 

smeken,    zich    beroepen    op. 
involuntary    [io'vobntari]    onwille- 

keurig;    onvrijwillig. 
involve   [in'volv]   wikkelen  of  hullen, 

verwikkelen,     betrekken;     insluiten, 

meebrengen;    the    persons    — d,    de 

daarbij    betrekken   personen. 
invulnerable    [in'vAlnsrsbl]    onkwets- 

baar. 
inward   ['inwad]    inwendig;   innerlijk; 

naar  binnen. 
iodine   ['aiadirn]    jodium   o. 
iodoform   [ai'DdafDim]    iodoform. 
I  O  U  =:  /  oive  you  [ik  ben  u  schul- 

dig],  schuldbekentenis. 
Irak,   zie  Iraq. 
Iran    [is'rain]    Iran  a. 
Iranian   [ai'reinjsn]    Iranier  m;  aj 

Iraans. 
Iraq   [i'raik]   Irak  o. 
Iraqi    [i'ra:ki]   Irakier;  aj  Iraaks. 
irascible  [i'rassibl]   opvliegend. 
irate    [ai'reit]    woedend,   toornig. 
ire    ['aia]    toorn. 
Ireland    ['aiabnd]    lerland   o. 
iris    ['aiaris]    iris. 

Irish   ['aiarij]    lers;  the   — ,  de  leren. 
Irishman    ['aiarijmsn]    ler. 
Irishwoman    ['aisrijwuman]    Terse, 
irksome    ['sikssm]    ergerlijk,    hinder- 

lijk,  vervelend. 
iron    ['aian]    ijzer   o;   strijkijzer   o\  aj 

ijzeren;  vt  strijken;  ■ — •  out,  vereffe- 

nen. 
ironclad   ['aisnklaed]   pantserschip  o. 
ironer    ['aisns]    strijk(st)er. 
ironic(al)    [ai'rDnik(l)]   ironisch. 
ironing-board    ['aianigbord]    strijk- 

plank. 
ironmonger    ['aisnmAfjga]    handelaar 

in  ijzerwaren. 
ironwork    ['aianwatk]     ijzerwerk    <?; 

■ — s,  ijzergieterij,   ijzerfabriek. 
irony   ['aiarani]    ironie;    ['aisni]    aj 

ijzerachtig,  ijzerhard,  ijzer-. 


irradiate 


142 


ivy 


irradiate  [i'reidieit]  bestralen,  doen 
stralen    (van,   with). 

irradiation  [ireidi'eijan]  bestraling. 

irrational  [i'rasjsnl]  onredelijk;  rede- 
loos;   irrationeel;   onmeetbaar. 

irreconcilable  [i'rekansaibbl]  onver- 
zoenlijk;    onverenigbaar. 

irredeemable  [iri'ditmabi]  onafkoop- 
baar,  onaflosbaar;  onherstelbaar. 

irrefragable  [i'refragabl]  onweerleg- 
baar. 

irrefutable  [i'refjutabi]  onomstotelijk, 
onweerlegbaar. 

irregular    [i'regjub]    onregelmatig; 
ongeregeld;    — s,    ongeregelde    troe- 
pen. 

irrelevant  [i'relivsnt]  niet  ter  zake 
(dienende). 

irremediable   [iri'miidisbl]   onher- 
stelbaar. 

irreparable    [i'repsrabl]    onherstel- 
baar. 

irrepressible  [iri'presibi]  niet  te  on- 
derdrukken;    onbedwingbaar. 

irreproachable  [iri'proutjabl]  onbe- 
rispelijk. 

irresistible  [iri'zistibl]  onweerstaan- 
baar. 

irresolute    [i'rez3l(j)u:t]    besluiteloos. 

irresolution  [irez3'l(j)u:j3n]  beslui- 
teloosheid. 

irrespective  [iris'pektiv]  —  of,  zon- 
der   te    letten   op;    ongeacht. 

irresponsible  [iris'ponssbl]  onverant- 
woordelijk;    ontoerekenbaar. 

irretrievably  [iri'triivabli]  onherstel- 
baar; •-—  lost,  onherroepelijk  ver- 
loren. 

irreverent    [i'revsrsnt]    oneerbiedig. 

irrevocable  [i'revaksbl]  onherroepe- 
lijk. 

irrigate   ['irigeit]   bevochtigen,  be- 
sproeien,  bevloeien,  irrigeren. 

irrigation  [iri'geijan]  bevochtiging, 
besproeiing,  bevloeiing,  irrigatie. 

irritable   ['iritabl]   prikkelbaar. 

irritate    ['iriteit]    prikkelen. 


irritation    [iri'teijsn]    prikkeling,    ge- 

prikkeldheid. 
irruption  [i'rApJan]   binnendringen  o, 

inval. 
is  [iz]  derde  pers.  enk.  van  be,  is. 
island    E'ailsnd]    eiland   o. 
isle   [ail]    eiland  o. 
isolate  ['aissleit]   afzonderen,  isoleren. 
isolation    [aisa'leijan]    afzondering, 

isolement  o. 
isotope  ['aisatoup]  isotoop. 
Israel   ['izreial]    Israel  a. 
Israeli  [iz'reiali]  Israeli;  a;  Israelisch. 
Israelite    ['izrialait]    Israeliet. 
Israelitish   ['izrislaitij]   Israelitisch. 
issue   ['isju:]  uitstroming;  nakomeling- 

schap;   uitgang;   uitweg;   uitslag,   re- 

sultaat    o;    uitvaardiging;      uitgifte; 

nummer  o   [v.  tijdschrift] ;  emissie; 

(geschil)punt  a,  kwestie,  strijdvraag; 

be  at  — ,  in  het  geding  zijn;  vt  uit- 

stromen,   naar   buiten   komen    (ook: 

—    forth,    out);    ■ — ■    fro7n,    komen 

uit;      voortkomen      uit;      afstammen 

van;   vt  af-,   uitgeven;    uitvaardigen; 

verzenden. 
isthmus  ['ismas]   landengte. 
it    [it]    het,  hij,  zij. 
Italian  [i'tasljsn]  Italiaan;  af  Italiaans. 
italic  [i'taslik]  cursief;  cursieve  letter; 

in  — s,  cursief. 
Italy   ['itali]    Italic  o. 
itch    [itj]    schurft;    jeuking,    jeuk;    vi 

jeuken;   hevig  verlangen. 
item   ['aitem]   artikel   o,  stuk  o,  post, 

punt  o  [op  agenda],  nummer  o  [v. 

program];    (nieuws)bericht  o. 
itinerant    [ai'tinsrant]    rondtrekkend. 
itinerary  [ai'tinsrsri]   reisboek  o; 

reisroute;   reisbeschrijving;   af 

(rond)reizend,  reis-. 
its   [its]   zijn,  haar. 
itself   [it'self]    zich    (zelf). 
ivory   ['aivsri]   ivoor  m  of  o\  af  ivo- 

ren. 
ivy   [aivi]   klimop. 


h: 


Jew 


j    [dsei]    (de  letter)   j. 

jab  [dsab]  steek,  por;  vi  steken,  por- 
ren. 

jabber  ['dsseba]   kakelen,  brabbelen, 
wauwelen. 

Jack  [d3£ek]  Jan,  Jantje  o;  jantje 
o  (=  matroos);  '~  Ketch,  de  beul; 
before  you  could  say  ■ — ■  Robinson, 
in  een,  twee,  drie. 

jack  [d3£ek]  vijzel,  krik;  (houten) 
bok;  boer  [in  't  kaartspel];  man- 
netje  o   [van  diersoorten]. 

jackal    ['dsasks;!]    jakhals. 

jackanapes   ['dsasksneips]   aap;  kwast. 

jackass   ['dsaekss]    ezel. 

jacket  ['dsaskit]  buis  o;  omhulsel  o\ 
omslag;   schil   [v.  aardappel]. 

jack-towel    ['dsasktaual]    rolhanddoek. 

jade  [dseid]  knol,  oud  paard  o\  bit- 
tersteen  o  81  m\  vt  afjakkeren. 

jagged   ['dsaegid]    getand,  geschaard. 

jail   [dseil]   gevangenis. 

jail-bird   ['dgeilbaid]    boef. 

jailer   ['dseib]   cipier. 

jam  [dscem]  jam;  opeenhoping,  op- 
stopping,  gedrang  o\  vt  (samen)- 
drukken,  -pakken,  -duwen;  vastzet- 
ten,  klemmen;  versperren;  storen 
[radiouitzendingen] . 

jamb   [dsasm]    (deur)stijl,  pijler. 

jangle  [d3£ei]gl]  ontstemmen;  ramme- 
len,   rinkelen    (met). 

January   ['dsasnjuari]  januari. 

Japan  [dsa'pasn]  Japan  o\  aj  Japans. 

japan  [dsa'pEn]  lak  0  &  m;  vt  (ver)- 
lakken. 

Japanese    [d32ep3'ni:z]    Japanner(s); 
a]  Japans. 

jar  [d3a:]  fles,  kruik,  pot;  gekras  o, 
schuurgeluid  o\  wanklank;  vi  kras- 
sen,  schuren;  — ring  note,  wan- 
klank; —  with,  in  botsing  komen 
met,   niet  harmonieren  met. 

jaundice   ['d33:ndis]   geelzucht. 

jaunt    [d3D:nt]    tochtje   o. 

jaunty  ['dsDinti]  zwierig. 

Java   ['dga:v3]   Java  o. 


Javanese    [d3asv3'ni:z]    Javaan,   Ja- 

vanen;  a]  Javaans. 
javelin   ['d3£evlin]    speer. 
jaw    [d3D:]    kaak;    klauw    [v.    tang]; 

jig  brutale  bek;   geklets  o\   vt  klet- 

sen. 
jealous  ['d3el3s]  jaloers,  naijverig  (op, 

o/);  angstvallig  bezorgd  of  wakend 

(voor,  about,  of). 
jealousy    ['dsebsi]    jaloezie,   naijver, 

angstvallige  bezorgdheid. 
jeep   [d3i:p]    jeep   [autootje]. 
jeer    [dsia]    hoongelach   o,   spotternij; 

vi  spotten  (met,  at);  schimpen  (op, 

at);    vt   bespotten,   beschimpen,    ho- 

nen. 
jejune    [d3i'd3u:n]    nuchter;   mager, 

dor. 
jelly    ['dseli]    gelei.   111   o  Si  m,   dril; 

gelatinepudding. 
jelly-fish   ['dselifij]   kwal. 
jeopardize    ['dsepsdaiz]    in  gevaar 

brengen. 
jeopardy    ['d3ep3di]    gevaar  o. 
jerk    [d39:k]    stoot,   ruk,   hort,   schok; 

vi  stoten,  rukken,  schokken;  vt  ruk- 

ken  aan,  stoten;   keilen. 
jerky  ['dsaiki]   hortend. 
jerry    ['dseri]    mof    [persoonsnaam]. 
jersey  ['d33:zi]   trui. 
jessamine  ['d3es3min]   jasmijn. 
jest    [dsest]    kwinkslag,   grap;    in    — , 

voor    de   aardigheid;    schertsend;    vi 

schertsen. 
jester    ['d3est3]    spotvogel;   nar. 
Jesuit    ['d3ezjuit]    jezui'et. 
Jesus   ['d3i:z3s]  Jezus. 
jet    [dset]     (water) straal,    fontein; 

(gas)vlam;  (gas)bek;  straalvliegtuig 

o;  git  o;  a]  gitten;   vi    (uit)spuiten. 
jet-black  ['dset'blsek]  gitzwart. 
jet  fighter  ['dsetfaita]   straaljager. 
jet  plane  ['d3etplein]  straalvliegtuig  o. 
jet-propelled    ['dsetpra'peld]    met 

straalaandrijving,   straal-. 
jetty  ['dseti]   havendam,  pier,  steiger. 
Jew    [d3u:]    jood. 


jewel 


144 


judiciary 


jewel  E'dsuil]   juweel  o. 

jeweller    ['dsuila]    juwelier. 

jewel(le)ry    ['dsuilri]    juwelen. 

Jewess    ['d3uis]    jodin. 

Jewish   ['d3uij]   joods. 

jib   [d^ib]    kluiver. 

jiffy   ['d3ifi]   in  a  — ,  in  een  wip. 

jigsaw  ['dgigss:]  '~-  puzzle,  legkaart. 

jingle   ['d3ir)gl]    (laten)    rinkelen. 

jingo   ['dsiijgou]   jingo:    (Engelse) 
chauvinist. 

job  [d3Db]  werk  o,  taak,  karwei,  baan; 
zaakje  o;  and  a  good  •—'  tool,  en 
maar  goed  ook!;  vt  uitvoeren  [aan- 
genomen  werk];  (ver)huren;  han- 
delen   in;  gokken    [op  de  beurs]. 

jobber  ['d3Db3]  stukwerker;  stalhou- 
der;    (effecten)handelaar. 

jobmaster    ['dsDbmaista]    stalhouder. 

jockey    ['dsDki]    jockey. 

jocose   [d33'kous]   grappig. 

jocosity    [dss'kositi]    grappigheid; 
grap. 

jocular    ['ds^kjub]    grappig,   snaaks. 

jocund  ['dsokand]  vroHjk,  opgewekt. 

jog    [d33g]    duwtje    0,     por;     sukkel- 
drafje    o\    vt    aanstoten,    schudden, 
aanporren;    vi   sjokken. 
oggle    ['d3Dgl]    schudden;   sjokken. 

og-trot   ['dsDg'trDt]   sukkeldrafje  o. 

oin  [d33in]  verenigen,  samenvoegen, 
verbinden;  leggen  (zetten)  [bij  of 
tegen];  bij-.  toevoegen;  zich  voe- 
gen  (aansluiten)  bij;  toetreden  tot; 
zich  verenigen  (met);  dienst  nemen 
[bij  't  leger];  —  battle,  de  strijd 
aanbinden;  —  hands,  de  handen 
vouwen;  jig  de  handen  ineenslaan; 
• — ■  in,  deelnemen  aan;  meedoen 
(aan),   meezingen. 

joiner   ['d3Din3]    schrijnwerker. 

joint  [d3Dint]  verbinding,  voeg;  ge- 
writht  o;  gelid  o;  scharnier  o; 
knoop;  stuk  a  (vlees);  out  of  — , 
uit  het  hd,  uit  de  voegen;  vt  ver- 
binden; voegen;  aj  verbonden,  geza- 
menhjk;   gemeenschappelijk;   mede-. 

joint-stock  ['d3Dint'stDk]  maatschap- 
pelijk  kapitaal  o\   '~~    company, 


maatschappij  op  aandelen. 
joke  [d30uk]  scherts,  grap,  aardigheid; 

in  -—,  voor  de  aardigheid,  uit  gek- 

heid;   vi  schertsen,   gekheid  maken; 

joking   apart,    alle   gekheid   op    een 

stokje. 
joker    ['d30uk3]    grappenmaker;   joker 

[in  kaartspel]. 
jolly  ['d33li]  vrolijk,  jolig;  leuk;  aar- 

dig;  drommels;  heel. 
jolt    [d30ult]    hort,    stoot,    schok;    vi 

stoten,    schokken,    schudden. 
jostle  ['d3DsI]    [met  de  elleboog]   sto- 
ten,   duwen;    verdringen;    dringen, 

hossen. 
jot    [d33t]    jota;    vt    —    {dowji),    op- 

schrijven,   aantekenen,   noteren. 
journal    ['dssinsl]    dagboek    o,    jour- 

naal  o;    (dag)blad  o,  tijdschrift  o. 
journalism   ['dssmalizm]   journalis- 

tiek. 
journalist    ['d33:n3list]    journalist. 
journey    ['d33:ni]    reis;    go    on   a    — ■, 

op  reis  gaan;  vi  reizen. 
journeyman    ['dsainiman]    gezel, 

knecht. 
Jove  [d30uv]  Jupiter;  by  -~.',  sakker- 

loot! 
jovial   ['dsouvjsl]   vrolijk,  blijmoedig. 
joy    [d33i]    vreugde,    blijdschap. 
joyful    ['ds^iful],   joyous    ['d3Di3s] 

vreugdevol;    blijde,   vrolijk. 
jubilant    ['d3u:bil3nt]    jubelend,   jui- 

chend;    opgetogen. 
jubilate  ['d3u:bileit]  jubelen,  juichen. 
jubilation    [d3u:bi'leij3n]    gejubel    o, 

gejuich   o. 
jubilee    ['d3u:bili:]    jubileum  o. 
judge    [d3Ad3]    rechter,    beoordelaar, 

kenner;  jurylid  o   [tentoonsteliing]; 

vt    oordelen    (ook:    achten),    beoor- 

delen;  schatten   [afstand]. 
judg(e)ment  ['d3Ad3m3nt]  oordeel  o; 

vonnis    o\    mening,     (gezond)    ver- 

stand  o\  give  ■ — ■,  uitspraak  doen. 
judicial    [d3u'dij'3l]    gerechtelijk, 

justitieei;   onpartijdig. 
judiciary    [d3u'dij3ri]    rechterlijk(e 

macht). 


judicious  145 

judicious   [dsu'dijas]   verstandig, 
oordeelkundig. 

jug    [dsAg]    kruik;    kan. 

juggle   ['d3AgI]    goochelen. 

juggler    ['dsAgb]    goochelaar. 

jugglery    ['dsAgbri]    goochelarij. 

juice    [d3u:s]    sap   o. 

juicy    ['d3u:si]    saprijk,   sappig. 

July    [dsu'lai]    juli. 

jumble  ['d3Ambl]  mengelmoes  o  &l  v, 
warboel;  vt  dooreengooien. 

jump  [d3Amp]  sprong;  vi  springen, 
opspringen;  -^  at  an  offer  {a  pro- 
posal), met  beide  handen  aangrij- 
pen;  vt  laten  springen;  springen 
over;  overslaan. 

jumpy    E'dsAmpi]    zenuwachtig. 

junction    ['d3Ar)kJ'3n]    verbinding(s- 
punt  o),  vereniging(spunt  o). 

juncture  ['dsArjktJs]  voeg,  naad,  (kri- 
tiek)  ogenblik  a. 

June   [d3u:n]    juni. 

jungle  ['d3Ar)gl]  (tropische)  wildernis. 

junior   ['d3u:nJ3]    jongere,  junior; 
jnngste    [bediende]. 

juridical  [dsu'ridiki]  gerechtelijk,  ju- 
ridisch. 

jurisdiction   [dsusris'dikjan]   rechts- 
gebied  o;   rechtsbevoegdheid;   recht- 


keeper 


spraak. 
jurisprudence     [d3U3ris'pru:d3ns] 

rechtsgeleerdheid. 
jurist   ['d3U3rist]    jurist,  rechtsgeleer- 

de. 
jury    ['d3U3ri]    gezworenen,  jury, 
juryman    ['d3u3rim3n]    gezworene. 
just    [d3Ast]    gerechtig,    rechtvaardig; 

verdiend,  billijk,    juist;  even;  (daar)- 

net;  eens  (even);  (alleen)  maar;  — 

so!,    precies!;    —    what     does     this 

mean?,  wat  betekent  dit  eigenlijk?; 

not  —  yet,  nu  niet;  vooreerst  niet; 

it's   ■ — ■   possible,   wel    (best)    moge- 

lijk. 
justice   ['d3AStis]   gerechtigheid,  recht- 

vaardigheid;  recht  o\  justitie;   rech- 

ter   [van  het  Hooggerechtshof ] ;   ■ — ■ 

of  the  peace,  plaatselijke  magistraat. 
justification  [d3Astifi'keij3n]  recht- 

vaardiging,    verdediging,    verant- 

v/oording;  wettiging. 
justify   ['d3Astifai]   rechtvaardigen, 

verantwoorden,  wettigen. 
jut   [d3At]    uitsteeksel  o\  vi  uitsteken, 

uitspringen. 
jute    [d3u:t]    jute. 
juvenile    ['d3u:vinail]    jeugdig;    jong; 

voor    (van)    de   jeugd. 


K 


k    [kei]    (de  letter)    k. 

Kaffir    ['kaef3]    Kaffer. 

kale    [keil]    (boeren)kool. 

kangaroo    [k£er)g3'ru:]    kangoeroe. 

keel    [ki:l]    kiel    [v.   schip]. 

keen  [ki:n]  scherp,  hevig,  vurig,  bits; 
del,  fel,  happig,  gebrand  (op,  af- 
ter,  on),   hartstochtelijk. 

keen-sighted  ['ki:n'saitid]  scherp  van 
gezicht. 

keep  [ki:p]  vt  houden;  behouden,  te- 
gen-,  op-,  terughouden;  (be)hoeden; 
bewaren;  er  op  na  houden,  (in 
voorraad)  hebben;  onderhouden; 
vieren;  ■ —  one  waiting,  laten  wach- 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


ten;  vi  zich  (goed)  houden,  goed 
blijven  [v.  vruchten];  —  (o«)  run- 
ning, looking  8c,  blijven  lopen,  kij- 
ken  &;  —  at  it,  ermee  doorgaan; 
—  down,  bedwingen,  in  bedwang 
houden;  '~'  /'  n,  inhouden;  school- 
houden;  —  out,  (er)  buiten  hou- 
den; buiten  blijven;  —  to,  (zich) 
houden  aan;  bhjven  bij;  —  to- 
gether, bijeenhouden  of  -blijven; 
'^  u  p,  opblijven;  ophouden,  onder- 
houden [vriendschap,  kennis,  strijd 
&];  handhaven;  volhouden. 
keeper  ['kirps]  bewaarder;  bewaker, 
oppasser,  opzichter;  cipier. 

10 


keeping 


146 


knacker 


keeping    ['kiipirj]    bewaring;     hoede; 

onderhoud   o\    overeenstemming;    in 

{out  of)  '-~'  with,  (niet)  strokendmet. 
keepsake    ['ki:pseik]    herinnering, 

souvenir  o. 
keg   [keg]   vaatje  o. 
ken   [ken]   gezichtskring,   (ge)zicht  o. 
kennel    ['kenl]    (honde)hok    o;    troep 

[jachthonden];  hoi  o;  goot. 
kept   [kept]   V.T.  &  V.D.  van  keep. 
kerchief  ['ksrtjif]   hoofddoek,  hals- 

doek. 
kernel   ['ksmsl]   korrel;  pit,  kern. 
ketch   [ketj]   kaag   [schip]. 
kettle    ['ketl]    ketel;    a   pretty    ~    of 

fish,  een  mooie  boel. 
key    [ki:]    sleutel;    toon(aard);    toets, 

klep;  aj  sleutel-,   hoofd-,  voornaam- 

ste,  belangrijk,  onmisbaar;   vt  span- 

nen;  stemmen;   —   up,  opschroeven. 
keyboard    ['ki:bD:d]    klavier    o,    toet- 

senbord  o. 
keyhole    ['ki:houl]    sleutelgat   o. 
keynote  ['ki:nout]  grondtoon. 
key-ring   ['kiirig]   sleutelring. 
keystone  ['ki:stoun]  sluitsteen. 
khaki   ['ka:ki]   kaki  a. 
kick    [kik]    schop,   trap;    (terug)stoot; 

fig  fut;   vi  schoppen,   trappen;   sto- 

ten;   ■ — •   off,  de  aftrap  doen. 
kick-off    ['kik'3:f]    aftrap. 
kid    [kid]    jonge  geit;  geitele(d)er  o, 

glace  o  [leer];  kind  o,  jochie  o. 
kiddy    ['kidi]    peuter,   kleine. 
kid  glove  ['kid'gkv]  glacehandschoen. 
kidnap   ['kidnaep]    ontvoeren. 
kidnapper   ['kidnasps]    ont\'oerder. 
kidney   ['kidni]   nier;  of  that  — ,  van 

dat  slag    (soort). 
kidney-bean    ['kidni'bi:n]    bruine 

boon;  snijboon;  pronkboon. 
kill  [kil]   doden;  slachten;  fig  te  niet 

doen,  afmaken  [een  wet];  be  — ed, 

ook:   sneuvelen. 
killing   ['kilir)]   dodelijk,  moorddadig; 

onweerstaanbaar  aardig,  leuk  &. 
kill-joy    ['kildgDi]    spelbederver. 
kiln    [kil(n)]    (droog)oven. 
kilogram  (me)  ['kibgraem]  kilogram  o. 


kilometer,    — ^metre   ['kibmiita]    kilo- 
meter. 
kilt  [kilt]   rokje  o  der  Bergschotten. 
kin    [kin]    verwantschap,   geslacht  Oj 

familie;  ■ — ■  to,  verwant  aan. 
kind     [kaind]     soort,    slag    o,    aard; 

...of  a    '—',   zo'n   soort...;   /    —    of 

thought   so,    dat   dacht   ik   wel   half 

en   half;    nothing   of   the    — !,   niets 

van    dien    aard;    niets    daarvan!;    af 

vriendelijk,  goed. 
kind-hearted  ['kaind'ha:tid]   goed- 

_  (hartig). 
kindle    ['kindl]    ontsteken;    aansteken, 

doen    ontvlammen    of    ontbranden; 

vuur  vatten. 
kindliness    ['kaindlinis]    goedheid, 

vriendelijkheid,    welwillendheid. 
kindly    ['kaindli]    vriendelijk,    goed- 

(aardig),  welwillend;  —  tell  me..., 

wees  20  goed  mij  te  zeggen. 
kindness   ['kaindnis]   vriendelijkheid, 

goedheid.    ■ 
kindred    ['kindrid]    (aan)verwant. 
king    [kig]    koning,  heer;  dam;  go  to 

'—,  dam  halen. 
kingdom  ['kigdam]  koninkrijk  o. 
kinship    ['kinjip]     (bloed)verwant- 

schap. 
kinsman    ['kinzmsn]    bloedverwant. 
kipper    ['kips]    gezouten   en   gerookte 

baring  of  andere  vis;  vt  zouten  en 

roken. 
kiss   [kis]   kus,  zoen;   schuimpje  o;  vt 

kussen,  zoenen. 
kit    [kit]    uitrusting;    gereedschappen. 
kitchen    ['kitjin]    keuken. 
kitchen-garden   ['kitjin'gaidn]   moes- 

tuin. 
kitchen-range    ['kitjinreindg]    kook- 

fornuis  o. 
kite    [kait]    wouw;   vlieger. 
kith    [ki6]    '^   and  kin,  kennissen  en 

verwanten. 
kitten    ['kitn]    katje   o. 
knack    [n£ek]    slag,   handigheid;    (zot- 

te)    gewoonte,   aanwensel   o. 
knacker   ['naeks]    (paarden)vilder; 

sloper. 


knapsack  147 

knapsack    ['naepsaek]    ransel,   knapzak. 
knave  [neiv]  schurk,  schelm;  boer  [in 

het  kaartspel]. 
knavery    ['neivsri]    schurkerij. 
knavish  ['neivij]   schurkachtig,  schur- 

ken-. 
knead    [ni:d]    kneden. 
knee   [ni:]   knie. 

knee-breeches    ['niibritjiz]    kniebroek. 
knee-cap    ['ni:kaep]    kniebeschermer; 

knieschijf. 
kneel    [ni:I]    knielen    (voor,  to). 
knelt   [nelt]   V.T.   &  V.D.   v.   kneel. 
knew   [nju:]   V.T.  v.  know. 
knickerbockers  ['nikaboksz],  knickers 

['nikaz]    wijde    kniebroek. 
knick-knack    ['niknaek]    snuisterij. 
knife    [naif]    mes   o. 
knife-board     ['naifbDid]     slijpplank. 
knife-grinder   ['naifgrainda]   messen- 

slijper,  scharenslijper. 
knife-rest    ['naifrest]    messelegger. 
knight    [nait]    ridder;   paard   o    [v. 

schaakspel];  vt  tot  ridder  slaan;  tot 

de   adelstand  verheffen. 
knight-errant    ['nait'erant]    dolende 

ridder. 
knighthood   ['naithud]    ridderschap   o 

[waardigheid],   ridderschap  v   [ver- 

zamelnaam]. 
knightly   ['naitli]   ridderlijk,  ridder-. 
knit    [nit]    breien,   knopen;    (ver) bin- 
den,    verenigen;    he    —    his    brows, 

hij    fronste   de   wenkbrauwen;    V.T. 

&    V.D.    van    knit. 
knitting-needle    ['nitir)ni:dl]    brei- 

naald. 
knob   [oDb]   knobbel,  knop;   knoest. 
knobby   ['nobi]    knobbelig. 


labourer 


knobstick    ['nsbstik]    knuppel. 

knock  [oDk]  slag,  klap,  klop,  geklop 
o;  there  is  a  ■ —  tat  the  door),  er 
wordt  geklopt;  vi  slaan,  (aan)klop- 
pen,  bonzen;  —  about,  rondslen- 
teren;  rondscharrelen;  —  {one's 
head)  against,  het  hoofd  stoten 
tegen;  —  d  o  w  n,  neerslaan,  om- 
gooien,  omverlopen,  aanrijden  [met 
auto];  uit  elkaar  nemen;  toewijzen 
[op  vendutie];  verslaan;  —  out, 
(er)  uitslaan,  uitkloppen;  verslaan; 
bewusteloos  slaan    [bij   't  boksen]. 

knocker    ['naka]    klopper. 

knock-knees    ['nokniiz]    x-benen. 

knock-out  ['oDk'aut]  het  uitslaan  [bij 
boksen],   genadesiag. 

knot  [oDt]  knoop;  strik;  band;  knob- 
bel; knoest;  knoedel,  knot;  groepje 
o  (mensen);  vt  knopen;  verbinden; 
ven,\fikkelen. 

knotted    ['nDtid]    knoestig,    kwastig. 

knotty  C'nati]  vol  knoesten;  netelig, 
ingewikkeld. 

know  [nou]  kennen,  (soms:  kunnen); 
herkennen;  weten;  ondervinden,  mer- 
ken,  zien;  there  is  no  — ing...,  men 
kan  niet  weten. 

knowing  ['nouirj]  kundig,  schrander; 
geslepen,   slim;  veelbetekenend. 

knowingly  ['nouigli]  willens  en  we- 
tens,  met  opzet;  kundig;  veelbete- 
kenend. 

knowledge  ['nalidg]  kennis,  kunde; 
(mede)weten  o;  it  is  common  — , 
't  is  algemeen  bekend. 

known    [noun]    V.D.   van  know. 

knuckle    ['nAkl]    knokkel;    schenkel. 


1    [el]    (de  letter)    1. 

label    ['leibl]    etiket   o,   label,   strook; 

benaming;   vt  etiketteren;   noemen. 
laboratory    ['laebaratari]    laborato- 

rium   o. 
laborious    [la'b3:rias]   werkzaam; 


moeizaam,   zwaar. 
labour   ['leiba]    arbeid,  werk  o\ 

moeite;    de   werkkrachten    of   arbei- 

ders;     vi     arbeiden,     werken,     zich 

moeite  geven,  zwoegen. 
labourer   ['leibara]   arbeider. 


laburnum 


148 


landed 


laburnum    [b'bainam]    goudenregen. 
labyrinth   ['laebirinG]   doolhof. 
lac  [leek]   lak  o  Si  m,  lakwerk  o. 
lace    [leis]    veter,  rijgsnoer  o;   boord- 

sel  o,  galon  o  8i  ;«;  kant;  vt  rijgen, 

snoeren;  galonneren;  versieren. 
lace-boot    ['leisburt]    rijglaars. 
lacerate   ['lEsareit]    (ver)scheuren. 
lacing    E'leisif)]   veter,  boordsel   o. 
lack  [leek]  gebrek  o,  gemis  o,  behoef- 

te,    tekort    o    (aan,    of);    vt   gebrek 

hebben   aan;   be   — ing,   ontbreken. 
lackey   ['laeki]    lakei. 
laconic  [b'konik]   laconiek,  kort  en 

bondig. 
lacquer  ['lasks]  lak  o  Si  m,  vernis  o  8i 

m\  lakwerk  o\  vt   (ver)lakken,  ver- 

nissen. 
lacuna    [b'kjurns]    leemte,   gaping, 
lad  [laed]   knaap;  jongen. 
ladder    ['lasds]    ladder;   vi  ladderen. 
laddie   ['laedi]    knaap,  ventje  o. 
lade   [leid]   laden,  beladen. 
laden    ['leidn]    V.D.    v.    lade. 
lading   ['leidirj]   lading. 
ladle    ['leidl]    pollepel;    vt    [met   een 

lepel]  opscheppen. 
lady    ['leidi]    dame,   vrouw    (des   hui- 

zes),  „mevrouw"  [v.  de  meid];  lady 

[echte  dame  &  titel];  the  {my)  old 

-"j    moeder    de   vrouw;    Our   Lady, 

Onze-Lieve- Vrouw. 
ladybird  ['leidibatd],  '~-bug  [-bAg] 

lieveheersbeestje  o. 
Lady  Day  ['leididei]   Maria-Bood- 

schap. 
lady    friend    ['leidi'frend]    vriendin. 
lady  help    ['leidi'help]    hulp  in  de 

huishouding. 
ladylike    ['leidilaik]    vrouwelijk,    als 

een   dame. 
ladyship    ['leidijip]    ladyschap,   lady's 

titel;    her    (your)    '~,    Lady... 
lady's-maid    ['leidizmeid]    kamenier. 
lag    [Iseg]    achteraankomen,   achter- 

blijven. 
lager    ['laiga]    lagerbier   o. 
laggard  ['lasgad]  talmer,  achterblijver; 

aj  achterblijvend,  traag. 


lagoon    [b'gu:n]    lagune. 

laic    ['leiik]    leek   m;  aj  leke(n)-. 

laid   [leid]   V.T.  &  V.D.  v.  lay. 

lain    [lein]    V.D.   v.   lie   [liggen]. 

lair  [lea]   hoi  o,  leger  o  [v.  dier]. 

lake    [leik]    meer  o. 

lamb    [lam]    lam  o;  lamsvlees   o. 

lambent    ['laembant]   lekkend,  spelend 

[v.   vlammen];    tintelend. 
lambkin    ['laemkin]    lammetje    a. 
lamblike    ['lasmlaik]    (zacht)    als   een 

lam. 
lame    [leim]    mank,    kreupel;    gebrek- 

kig,    armzalig;    vt   mank    (kreupel) 

maken;  verlammen. 
lament    [b'ment]    jammerklacht,  wee- 

klacht;    vi    (wee)klagen,    jammeren; 

vt  bejammeren,   betreuren;   the   late 

■ — ed zaliger,    wijlen... 

lamentable     ['Isemsntsbl]     beklagens- 

waardig,    betreurenswaardig;    jam- 

merlijk. 
lamentation  [Ijemen'teijan]  weeklacht, 

jammerklacht,    gejammer    o\    klaag- 

lied   0. 
lamina    ['lasmins,   meerv.   laminae 

'Isemini:]   dunne  plaat;  laag;  blad  o. 
lamp   [Ijemp]   lamp,  lantaarn. 
lamp-chimney    ['lasmptjimni]    lampe- 

glas  o. 
lampion    ['Ijempisn]    illumineer- 

glaasje  a,  vetpotje  o. 
lamplighter    ['laemplaits]    lantaarnop- 

steker. 
lampoon    [l£em'pu:n]    schotschrift  o. 
lamp-post    ['lasmppoust]    lantaarn- 

(paal). 
lance    [Ia:ns]    lans. 
lancer   ['larnss]   lansier. 
lancet    ['la:nsit]    lancet  o. 
land   [lasnd]   land  a;  bodem;  see  how 

the  ■ — ■  lies,  poolshoogte  nemen;  by 

— ,   over  land;   te  land;   vt    (laten) 

landen,     doen     belanden,    aan    land 

brengen,    lossen;    jig     brengen     [in 

moeilijkheden];    vi     (aan-,    be)Ian- 

den;   neerkomen. 
landed    ['laendid]    landerijen   bezitten- 

de,  grond-. 


landholder 


149 


late 


landholder  ['laendhoulda]   grondbezit- 

ter. 
landing    ['Isendir)]    landing;     lossing; 

aanvoer,   vangst    [v.   vis];    landings- 

plaats,  losplaats;  trapportaal  o. 
landing  craft  ['Isendirjkrarft]  landings- 

vaartuig  o,  landingsvaartuigen. 
landing-net   ['lcendir|net]   schepnet  o. 
landing-stage    ['l£endir)steid3]    aanleg- 

steiger. 
landlady    ['Isendleidi]    hospita;    waar- 

din;   huiseigenares;   landvrouw. 
landlord    ['Isndbid]    landheer;    huis- 

baas;  kostbaas;  waard. 
landmark   ['l£endma:k]   grenspaal;  ba- 

ken  o\    (bekend)    punt  o;  fig  mijl- 

paal. 
land-owner    ['lEendouna]    grondbezit- 

ter. 
landscape  ['l£en(d)skeip]  landschap  o. 
landslide   ['laendslaid]   grote  verschui- 

ving,    nederlaag,    overwinning    (bij 

de  verkiezing). 
landslip    ['laendslip]    bergstorting, 

aardverschuiving. 
land-tax    ['laendtaeks]    grondbelasting. 
lane  [lein]  landweg  [tussen  heggen]; 

doorgang;    steeg. 
language    ['lasrjgwids]    taal,    spraak; 

use  (bad)   — ,  vloeken,  schelden. 
languid    ['lasrjgwid]    mat,   slap,   loom, 

smachtend. 
languish    ['laeggwij]   verflauwen; 

(ver)kv.'ijnen,    (ver)smachten. 
languor    ['Isrjgs]    matheid,   loomheid. 
languorous    ['laerjgsras]    kwijnend, 

smachtend;  mat,  loom. 
lank(y)     ['l£er)k(i)]    schraal,    lang   en 

mager;   sluik   [v.  haar]. 
lantern     ['Isntsn]     lantaarn;    Chinese 

— ,  lampion. 
lantern-slide    ['laentanslaid]    lantaarn- 

plaatje  o. 
lap    [lasp]    schoot,   pand    [v.    kleding- 

stuk];  (oor)lel;  gekabbel  o;  vt  (om)- 

wikkelen;    (op)leppen,    (op)slorpen; 

vi  kabbelen. 
lap-dog    E'lspdDg]    schoothondje   o. 
lapel    [b'pel]    lapel    [v.    ias]. 


Lapp   [lasp],  Lapponian   [b'pounisn] 

Laplander;  aj  Laplands. 
lapse   [laeps]  verval  o,  verloop  o,  val, 

loop;  afval(ligheid);  fout;  vi  verlo- 

pen;     (ver)vallen;    afvallen,    afdwa- 

len. 
lapwing    ['laspwig]    kievit. 
larceny  ['la:sni]   diefstal. 
lard  [la:d]  reuzel;  v/ larderen,  (door)- 

spekken. 
larder  ['laida]  provisiekamer,  -kast. 
large   [la:d3]   groot,  ruim,  breed (voe- 

rig),   veelomvattend;   royaal;   at    —-', 

breedvoerig;    vrij,    op   vrije    voeten; 

over  het  algemeen;  in  't  wilde  weg. 
largely  ['la:d3li]   in  den  brede;  ruim- 

schoots,  veel;  grotendeels. 
large-minded    t'laids'maindid]    breed 

van  opvatting,   ruim  van  blik. 
largeness    ['laidsnis]    grootte;    onbe- 

krompenheid. 
largess(e)    ['laidses]    mildheid. 
lark   [la:k]   leeuwerik;  pret,  geintje  o; 

vi  lol  maken;  vt  voor  't  lapje  hou- 

den. 
larva    [']a:v3,    meerv.    larvae    'la:vi:] 

larve. 
larynx    ['lasrirjks]    strottehoofd    o. 
lash  [IseJ]  slag,  zweepslag,  gesel;  wim- 

per,    ooghaartje    o\    vt   zwepen;    jig 

opzwepen;  geselen;  striemen;  slaan; 

(vast)sjorren. 
lass    [lees]    deerntje    o,    meisje    o. 
lassitude    ['laesitju:d]    moeheid,   loom- 
heid, matheid;  afmatting. 
lasso    ['lassou]    lasso. 
last  [la:st]  leest;  last  o  &  m;  aj  laatst; 

vorig(e),    jongstleden;    hoogst;    the 

■ — ■    but  one,   op   een   na  de  laatste; 

■ — ■    night,   gisteravond;    at    — ,    ein- 

delijk,   ten   slotte;   vi    (blijven)    du- 

ren;   voortduren;    goed    blijven;    het 

uithouden. 
lasting  ['la:stir|]  duurzaam,  bestendig. 
lastly   ['la:stli]    ten  laatste,  ten  slotte. 
latch   [IsetJ]    klink. 
latchkey   ['Istjki:]   huissleutel. 
late    [leit]    laat;   te  laat;   laatst;  jong- 

st(e);    vergevorderd;     vorig,    gewe- 


lately 

zen;    wijlen;    of    -~,    in    de    laatste 

tijd. 
lately    ['leitli]    laatst,   onlangs;    in   de 

laatste  tijd. 
latent    ['leitsnt]   verborgen;  latent. 
later    ['leits]    later;    —    on,   later, 

naderhiand. 
lateral    ['Isetaral]    zijdelings,   zij-. 
latest   ['leitist]   laatste;  Alonciay  at 

{the)    — ,   op   zijn   laatst. 
lath    [la:e]    lat. 
lathe    [leiS]    draaibank. 
lather  ['laeSa]  zeepsop  o\  schuim  o\  vi 

schuimen;   vt  inzepen. 
Latin   ['lastin]    Latijn  o;  a]  Latijns. 
latitude  ['lastitju:d]    (geografische) 

breedte;  hemelstreek;  vrijheid,  speel- 

ruimte;   omvang. 
latter    ['lasts]    laatstgenoemde,    laatste 

(van  twee). 
lattice  ['Isetis]   traliewerk  o,  open  lat- 

werk  o\  vt  van  tralie-,  latwerk  voor- 

zien. 
laud    [b:d]    loven,    prijzen. 
laudable  ['bidabl]   lof-,  prijzens- 

waardig.  , 

laudatory    ['bidatari]    prijzend,    lo- 

vend;   lof-. 
laugh  [la:f]  lach,  gelach  o\  get  {have) 

the   —    oj  a  person,  iemand    (kun- 

nen)    uitlachen;    vi    lachen;    -^    at, 

lachen  cm,   uitlachen. 
laughable    ['laifabl]    belachelijk. 
laughing-stock    ['laifirjstDk]    voorwerp 

o  van   bespotting. 
laughter   ['la.fta]   gelach  o,  lachen  o. 
launch    [b:nj,   lainj"]    barkas;   vt  wer- 

pen,  slingeren;   te  water  laten;  lan- 

ceren,    beginnen,    inzetten,    ontkete- 

nen;    •~  forth  fig  in  zee  steken; 

• — '  into,  aan...   beginnen. 
launder    ['b:n-,   'lainda]    wassen  en 

opmaken. 
laundress  ['b;n-,  'la:ndris]  wasvrouw. 
laundry    ['b;n-,    'la:ndri]    was;    was- 

huis   o,   wasserij. 
laurel     ['brsl]     laurier;    lauwerkrans; 

■ — s,  fig  lauweren;   vt  lauweren. 
lava    ['la:v3]    lava. 


150  lay  sister 


lavatory  ['l£ev3t3ri]  wasplaats;  toilet 
o,  retirade,  W.C. 

lavender   L'lsevinds]    lavendel. 

lavish  ['IseviJ]  verkwistend,  kw,'istig 
(met,  of);  overvloedig;  vt  kwistig 
uitdelen;  verkwisten  (aan,  upon). 

law  [b:]  wet;  recht  o;  justitie;  voor- 
sprong;  bedenktijd;  be  at  — ,  in 
proces  liggen;  go  to  ~,  de  weg 
van   rechten   inslaan;    procederen. 

law-abiding  ['biabaidirj]  gehoorzaam 
(aan  de  wet),  ordelievend. 

law-breaker  [']3:breik3]  wetsovertre- 
der. 

lawcourt    ['b:kD:t]    rechtbank. 

lawful    ['b:ful]    wettig. 

lawless    ['b:lis]   wetteloos;  bandeloos. 

lawn    [b:n]    grasperk   o\    batist   o. 

lawn-mower   ['binmous]    grasmaai- 
machine. 

lawsuit  ['b:siu:t]  rechtsgeding  o,  pro- 
ces o. 

lawyer  ['bijs]  rechtsgeleerde,  advo- 
caat. 

lax    [Isks]    los,   slap,   laks. 

lay  [lei]  ligging;  lied  o,  zang;  V.T. 
V.  lie  [liggen];  aj  wereldlijk,  le- 
ke(n)-;  vt  leggen;  aan-,  beleggen; 
richten  [kanon];  —  the  cloth,  — 
dinner,  de  tafel  dekken;  • —  b  y, 
ter  zijde,  wegleggen,  afdanken; 
sparen;  —  d  o  w  n,  neerleggen; 
(vast)stellen  [regels],  voorschrijven, 
bepalen,  uitstippelen;  -^^  //  o  n, 
overdrijven;  —  it  on  thick,  het  er 
dik  opleggen;  — •  out,  uit-,  aan- 
leggen;  uitgeven,  besteden  (aan, 
/'«);  be  laid  up,  (ziek)  liggen,  het 
bed   moeten   houden. 

lay  brother    ['lei'brASa]    lekebroeder. 

lay-days    ['leideiz]   ligdagen. 

laydown  ['leidaun]  • —  collar,  liggen- 
de  boord  o  Si  m. 

layer    ['leia]    laag;    leghen. 

lay   figure    ['lei'figs]    ledenpop. 

layman    ['leiman]    leek. 

lay-out  ['lei'aut]  aanleg;  ontwerp  o; 
uitvoering;    inrichting. 

lay   sister    ['iei'sists]    lekezuster. 


laze 


151 


lee 


laze    [leiz]    luilakken,  lummelen. 
lazy   ['leizi]    lui,  vadsig. 
lazy-bones   ['leizibounz],  lazy-boots 

['leizibu:ts]    luiwammes,    luilak. 
lb.    =    pound  {s)    [gewicht]. 
lead    [led]    lood    o\    the    — s     (of    a 

house),  het  plat;  aj  loden;  ft  loden. 
lead  [li;d]   leiden;   (aan)voeren;  voor- 

opgaan,    de    leiding    hebben;    uitko- 

men    [bij   't  kaarten];    -^   the  way, 

voorgaan,    vooropgaan;    be    led,    a  - 

way,  zich  laten  meeslepen;  —  on, 

vooropgaan,    aanvoeren;   meeslepen; 

take  the  —^,  de  leiding  nemen. 
leaden    ['ledn]    loden,    loodzwaar; 

loodgrijs. 
leader    ['liida]     (ge)leider,    leidsman, 

aanvoerder;  hoofdartikel  o. 
leadership  ['li:dajip]  leiding. 
leading    ['li:dir|]    leiding;   aj  leidend; 

vooraanstaand;  eerste,  voorste,  voor- 

naamste;    hoofd-. 
leading-strings   ['li:dir)strir)z]   leiband. 
lead-pencil   ['led'pensil]    potlood  o. 
leaf   [li:f]   blad  o;  vleugel    [v.   deur]; 

turn  over  a  new  ■ — ■,  een  nieuw  en 

beter   leven    beginnen. 
leaflet    ['li:flit]    blaadje    o\    strooibil- 

jet  0,   traktaatje  o. 
league  [li;g]  verbond  o,  bond;   (zee)- 

mijl;  L —   oj  Nations,  Volkenbond; 

be  in  ■ — ■  with,  samenspannen  (heu- 

len)  met;  vt  &  vi  een  verbond  aan- 

gaan,    (zich)   verbinden. 
leak   [li:k]   lek  o;  lekkage;  vi  lekken. 
leakage    ['li:kid3]    lekkage,   lek  a. 
leaky    ['li:ki]    lek. 
lean    [li:n]     (laten)    leunen;     (over)- 

hellen,    neigen;   a]  mager,    schraal. 
leaning  ['liinirj]   overhelling;  neiging. 
leant  [lent]  V.T.  &  V.D.  v.  lean. 
leap     [li:p]      sprong;     by    -^j-     {and 

bounds'),  met    (grote)    sprongen;   vi 

springen;  vt  over...   springen;  over- 

slaan. 
leap-frog    ['li:pfng]    haasje-over  o. 
leapt   [lept]    V.T.  &  V.D.   v.   leap. 
leap-year   ['liipjis]    schrikkeljaar  o. 
learn    [bin]    leren;   vernemen;   te  we- 


ten  komen. 

learned  [b:nt,  -d]  leerde;  [heb]  ge- 
leerd;    ['Isinid]    aj   geleerd. 

learning  ['binir)]  geleerdheid,  weten- 
schap. 

learnt  [b:nt]  V.T.  &  V.D.  van  learn. 

lease  [li:s]  huurceel,  -contract  o; 
verhuring;  huurtijd;  pacht,  huur; 
long  — ,  erf  pacht;  my  ■ — '  oj  life, 
mijn  levensduur;  vt  (ver)huren; 
(ver)pachten. 

leasehold   ['li.should]   pacht;  pacht- 
hoeve,   pachtgoed  o. 

leaseholder    ['litshoulda]    pachter. 

leash  [li:J]  koppel;  band;  drietal  o 
[honden  &];  vt  binden,  (aan)kop- 
pelen. 

least  [li:st]  kleinste,  minste,  gering- 
ste;  at  — ,  ten  minste;  not  in  the. 
— ,  volstrekt  niet. 

leather  ['leSa]  leder,  leer  o\  aj  leren; 
vt  met  leer  bekleden;    (af)ranselen. 

leathery   ['leSsri]   leerachtig,  leer-. 

leave  [li;v]  verlof  o;  take  -~,  af- 
scheid  nemen;  take  French  - — •,  stil- 
letjes  weggaan  of  verdwijnen;  b  y 
your  ■ — ■,  met  uw  verlof;  o  «  — , 
met  verlof;  vi  weggaan,  vertrek- 
ken;  vt  verlaten;  nalaten;  overlaten; 
laten,  achterlaten,  laten  staan  (lig- 
gen);  —  alone,  er  van  afblij- 
ven,  zich  niet  bemoeien  met,  met 
rust  laten;  —  off,  afleggen  [kle- 
ren];  ophouden  met;  ■ — ■  out,  uit-, 
weglaten;   overslaan;   voorbijgaan. 

leaven  ['levn]  zuurdeeg  o;  zuurdesem; 
vt  desemen;  doortrekken,  doordrin- 
gen   (van,  with). 

leavings  ['li:vir)z]  overblijfsel  o,  over- 
schot  o,  kliekjes,   afval   o  8i  m. 

lecture  ['lektjs]  lezing;  college  o\ 
strafpreek;  vi  lezing  (en)  houden, 
college  geven;  de  les  lezen. 

lecturer    ['lektjara]    wie    een    lezing 
houdt,  spreker;  lector. 

led  [led]  V.T.  &  V.D.  v.  lead. 

ledge    [leds]    richel,    rand. 

ledger    ['ledsa]    grootboek   o. 

lee    [li:]    lij. 


leech 


152 


lessor 


leech   ['li:tj]   bloedzuiger. 

leek    [li;k]    prei. 

leer  [lis]  gluren. 

lees    [li:z]    droesem,  grondsop  o. 

leeward   ['li:w3d]   lijwaarts,  onder  de 

wind. 
leeway    ['li:wei]    make   ■ — ■,   afdrijven; 

make  up    '~,    de   achterstand   inha- 

len. 
left    [left]    linkerhand,   linkerzijde;   aj 

links,  linker;  V.T.  &  V.D.  v.  leave; 

any  tea   ~-?,   nog  thee  over? 
left-handed    ['left'hsendid]    links. 
left-overs  ['left'ouvsz]  kliekjes. 
leg  [leg]  been  o,  bout;  poot;  pijp  [v. 

broek];   schacht    [v.   laars];  jig  ge- 

deelte     o,     etappe;    give   one   a    — 

{up'),  een  handje  helpen,  een  zetje 

geven;  pull  a  person' s  ■ — • ,  iem.  voor 

't  lapje  houden;  vt  in:  —  ;'/,  lopen. 
legacy    ['legasi]    legaat  o,   erfenis. 
legal    ['li:g3l]    wettig;    rechtskundig. 
legality    [ii'gseliti]    wettigheid. 
legalization  [liigslai'zeijsn]   legalisa- 

tie;  wettiging. 
legalize    ['liigslaiz]    legaliseren;    wet- 

tigen. 
legatee  [lega'ti:]    legataris. 
legation    [li'geij'sn]    legatie. 
legend    ['ledssnd]    legende;    rand- 

schrift  o,  opschrift  o,  onderschrift  o. 
legendary   ['ledssndsri]   legendarisch. 
legging   ['legif)]    beenkap. 
legible  ['ledsibl]  leesbaar,  te  lezen. 
legion    ['li:d33n]    legioen   o\   legio. 
legislation    [ledsis'leijan]    wetgeving. 
legislative    ['ledsisleitiv]   wetgevend. 
legislator    ['ledsisleita]    wetgever. 
legitimacy    [li'dsitimssi]    wettigheid, 

rechtmatigheid,  echtheid. 
legitimate    [li'd3itimit]   wettig,  recht- 

matig,    echt;    [li'd3itimeit]    vt   wet- 

tigen,  echten. 
legitimation   [lidsiti'meijan]   wettig-, 

echtverklaring,    echting. 
leisure  ['lesa]    (vrije)   tijd;  at  — ,  op 

zijn  gemak;  be  at  — ,  onbezet  zijn, 

niets  te  doen   (om  handen)  hebben; 

ai  vrij. 


leisured  ['le33d]  met  veel  (vrije)  tijd. 
leisurely   ['lesali]   op  zijn  gemak;  be- 

daard. 
lemon  ['leman]   citroen. 
lemonade     [lema'neid]     (citroen)li- 

monade. 
lemon-squash   ['lemsn'skwoj]    citroen- 

kwast. 
lemon-squeezer    ['lemanskwiiza]    ci- 

troenpers. 
lend  [lend]   (uit)lenen;  verlenen;  —  a 

{helping)   hand,  een  handje  helpen. 
lender   ['lends]    (uit)lener;  geldschie- 

ter. 
length  [lei] 6]   lengte,  grootte;  af stand, 

duur;   eind(je)    o\  at   ■ — ■,  eindelijk, 

ten    slotte;    voluit;    uitvoerig;     {at) 

full  — ,  languit;  ten  voeten  uit;  le- 

vensgroot. 
lengthen    ['lerjOn]    (ver)lengen. 
lengthy   ['lerjGi]    lang(gerekt),  wijd- 

lopig,  langdradig. 
leniency   ['liinisnsi]    zachtheid,   zacht- 

zinnigheid;   toegevendheid. 
lenient   ['liiniant]   zacht(zinnig);   toe- 

gevend. 
lenitive    ['lenitiv]    verzachtend    (mid- 
del  o). 
lens    [lenz]    lens;    loep. 
Lent  [lent]  vasten. 
lent   [lent]   V.T.  &  V.D.  v.  lend. 
lenten    ['lentsn]    vasten-. 
lentil   ['lentil]    linze. 
leopard    ['lepad]    luipaard. 
leper    ['leps]    melaatse,    lepralijder. 
leprosy    ['leprssi]    lepra,   melaatsheid. 
leprous    ['lepras]    melaats. 
lesion   ['li:33n]   beschadiging,  benade- 

ling;   letsel  o,  kneuzing. 
less   [les]   minder,  kleiner;  min(us). 
lessee   [le'si:]   huurder,  pachter. 
lessen    ['lesn]    verminderen;   afnemen; 

kleiner  worden,  verkleinen. 
lesser    ['less]    kleiner,    minder; 

klein(st). 
lesson    ['lesn]    les;    teach    one   a    '-', 

iemand   een   lesje  geven. 
lessor     [le'sD;]     verhuurder,    verpach- 

ter. 


lest 


153 


life 


lest    [lest]    uit  vrees   dat,   opdat   niet. 

let  [let]  verhinderen,  (be)letten;  la- 
ten,  toelaten;  verhuren;  to  — ,  te 
huur;  ■ — '  alone,  zich  niet  be- 
moeien  met;  — •  alone,  laat  staan, 
daargelaten  dat...;  ■ — '  down,  neer- 
laten,  laten  zakken;  jig  in  de  steek 
laten;  erin  laten  lopen;  —  ojj, 
los-,  vrijlaten;  laten  vallen;  kwijt- 
scheiden;  ontslaan,  vrijstellen  van; 
afschieten,  afsteken  [vuurwerk]; 
V.T.  &  V.D.  van  let. 

lethargy  ['leBadgi]  slaapzucht,  diepe 
slaap,   doffe  onverschilligheid. 

letter  ['leta]  brief;  letter;  verhuur- 
der;  man  of  ^^s,  geleerde,  letter- 
kundige;  by  '—,  per  brief,  schrif- 
telijk;  to  the  — ,  letterlijk;  vt  let- 
teren,  merken. 

letter-box    ['letabsks]    brievenbus. 

letterpress    ['letspres]    bijschirift   o, 
tekst   [bij   plaatje]. 

lettuce    ['letis]    latuw,  salade,  sla. 

levee  ['levi]  receptie  [ten  hove  voor 
heren]. 

level  ['levl]  waterpas  o\  niveau  o, 
Spiegel,  peil  o;  vlakte;  vlak  o;  on  a 
— ,  op  gelijke  hoogte;  op  een  lijn 
(staand);  a]  waterpas,  horizontaal, 
vlak;  gehjk(matig);  get  ■ — ■  with, 
quitte  worden,  afrekenen  met;  vt 
gelijkmaken,  slechten;  waterpassen; 
richten,  aanleggen  [geweer] ;  mun- 
ten   (op,  at). 

level  crossing    ['levl'krDsir)]    overweg. 

lever  ['li:v3]   hefboom. 

leviathan    [li'vaiaBan]    kolos. 

levity   ['leviti]   licht(zinnig)heid. 

levy  ['levi]  heffing;  lichting;  vt  hef- 
fen;  lichten;  —  war,  een  oorlog  be- 
ginnen,  oorlog  voeren. 

lewd    [lju:d]    ontuchtig,   wulps. 

liability  [laia'biliti]  verantwoordelijk- 
heid;  (geldelijke)  verplichting;  jig 
last,  blok  o  aan  het  been,  nadeel  o\ 
liabilities,  passief  o. 

liable  ['laiabl]  verantwoordelijk;  on- 
derhevig,  blootgesteld  (aan,  to);  ■ — 
to  service,  dienstplichtig. 


liar  ['laia]   leugenaar. 

libel  ['laibal]  smaadschrift  o;  smaad; 
vt  belasteren. 

libellous  ['laibabs]  lasterlijk. 

liberal  ['libarsl]  mild,  royaal;  over- 
vloedig;   liberaal,  vrijzinnig;   vrij. 

liberality  [libs'rasliti]  mildheid,  gul- 
heid;    vrijzinnigheid. 

liberate   ['libsreit]   bevrijden,  vrij- 
laten,  ontslaan. 

liberation    [liba'reijan]    bevrijding, 
vrijlating. 

liberator    ['libareits]    bevrijder. 

libertine  ['libstin]  lichtmis;  aj  los- 
bandig. 

liberty  ['libati]  vrijheid;  at  ~',  vrij; 
in  vrijheid. 

librarian   [lai'brEsrian]    bibliothecaris. 

library    ['laibrari]    bibliotheek;    stu- 
deerkamer. 

lice  [lais]  meerv.  van  louse. 

licence  ['laissns]  verlof  o,  vergun- 
ning,  vrijheid,  losbandigheid;  pa- 
tent 0,  diploma  o\  rijbewijs  o. 

license  ['laissns]  vergunning  verlenen, 
toelaten,    patenteren. 

licentious    [iai'senjas]    los(bandig). 

lichen   ['laiksn]   korstmos  o. 

lick  [lik]  lik;  mep;  vt  likken  (aan); 
(af)ranselen,  het  winnen  van. 

licking  ['likirji   rammeling. 

lid  [lid]  deksel  o\  lid  o;  that  puts  the 
—  on  it,  dat  doet  de  deur  dicht, 
dat   is    het    toppunt. 

lie  [lai]  leugen;  ligging;  give  a  per- 
son the  ~',  iemand  iets  heten  lie- 
gen;  give  the  ■ — ■  to,  verloochenen, 
logenstraffen;  vi  liegen;  liggen;  — 
about,  rondslingeren;  —  down, 
gaan  liggen;  —  down  under,  op 
zich  laten  zitten;  —  low,  zich  koest 
(schuil)   houden. 

liege   [Ii;d3]  leenheer;  leenman. 

lien   ['li:3n]    pandrecht  o. 

lieu    [Iju:],   in    —    oj,   in  plaats  van. 

lieutenant   [lef'ten3nt]    luitenant; 
plaatsvervanger;  jig  schildknaap. 

life  [laif]  leven  o,  (levens)duur,  le- 
vensbeschrijving;  as  large  as  ■ — ■,  le- 


lifebelt 


154 


limitation 


vensgroot;  in  levenden  lijve;  for 
dear  {very)  ~',  for  his  ■ — ■,  uit 
alle  macht,  wat  hij  (zij  &)  kon; 
not  for  the  —  of  me,  nog  voor 
geen  geld  van  de  wereld;  /  o  the 
■ — •,   sprekend  gelijkend. 

lifebelt    ['laifbelt]    redding(s)gordeI. 

lifeboat   ['laifbout]   redding(s)boot. 

lifebuoy    ['laifboi]    redding(s)boei. 

life-guard    ['laifga:d]    lijfwacht. 

life-insurance  ['laifinjusrans]  levens- 
verzekering. 

life-jacket  ['laifd3aekit]  redding(s)- 
vest  o. 

lifeless  ['laiflis]   levenloos. 

lifelong    ['laifbrj]    levenslang. 

Iife-si2e(d)    ['laif'saiz(d)]    (op)    na- 
tuurlijke  grootte,  levensgroot. 

lifetime  ['laiftaim]  levensduur;  men- 
senleeftijd. 

lift  [lift]  (op)heffing;  til;  lift;  get  a 
-~',  (voor  niets)  mee  mogen  rijden; 
give  one  a  — ,  iemand  mee  laten 
rijden;  fig  hem  een  zetje  geven;  vt 
(op)heffen,  (op)tillen,  (op)lichten; 
verheffen;  opslaan  [de  ogen];  op- 
steken  [de  hand  &];  rooien;  om- 
hooggaan,  rijzen;  optrekken  [v. 
mist]. 

light  [lait]  licht  o;  levenslicht  o\ 
vlammetje  o,  lucifer;  vt  verlichten, 
bij-,  voorlichten;  aan-,  op-,  ontste- 
ken;  vi  lichten;  af  licht,  helder;  ge- 
makkelijk;  lichtzinnig,  luchtig;  los 
[v.   grond]. 

lighten  ['laitn]  verlichten,  verhelde- 
ren,   opklaren;    (weer)  lichten. 

lighter  ['laita]  aan-,  ontsteker;  lich- 
ter. 

light-headed  ['lait'hedid]  licht  in  't 
hoofd;    lichtzinnig. 

light-hearted  ['lait'haitid]  opgewekt; 
luchtig,  lichthartig. 

lighthouse  ['laithaus]  vuurtoren;  '~ 
keeper,   vuurtorenwachter. 

lightning  ['laitnifj]  weerlicht  o  &  m, 
bliksem;    a]   bliksemsnel. 

lightning-conductor,  ~rod,  ['laitnirj- 
ksndAkts,    -rod]    bliksemafleider. 


lignite    ['lignait]    bruinkool. 

like    [laik]    gelijke,  weerga;    • — '  draws 

to    -~,    soort    zoekt    soort;    the    ■ — , 

iets   dergelijks;    a]  gelijk,   dergelijk, 

(de)zelfde;    gelijkend;    (zo)als;    zo; 

what  is  it  ■ — ■ .'',  hoe  ziet  het  er  uit, 

hoe   is   het,   wat   is  het  voor   iets?; 

that  is  just  —  him,  dat  is  net  iets 

voor  hem. 
like    [laik]    voorliefde;    — s    and   dis- 
likes,   sympathieen  en   antipathieen; 

vt  houden  van,    (gaarne)    mogen,  't 

prettig    (aardig,    lekker  &)    vinden; 

/'/  you  ■ — ■,  als  u  wilt;  I  ■ —    to  see 

it,  ik  zie  het  graag. 
Iik(e)able    ['laikabl]    prettig,    aange- 

naam,   sympathiek. 
likelihood    ['laiklihud],    likeliness 

['laiklinis]   waarschijnlijkheid. 
likely    ['laikli]    waarschijnlijk;   ge- 

schikt,   aardig;    knap    [v.   uiterlijk]; 

not   '~.',   kan  je  begrijpen! 
liken    ['laikn]    vergelijken    (bij,   to). 
likeness   ['laiknis]   gelijkenis;  gedaan- 

te;  portret  o. 
likewise   ['laikwaiz]    evenzo;   des-, 

insgelijks,  eveneens,  ook. 
liking    ['laikirj]    zin,    smaak,   lust, 

(voor)  lief  de. 
lilac   ['laibk]    sering;   a]  lila. 
Lilliputian   [lili'pjuijsn]   Lilliputter, 

fig  lilliputter. 
lily  ['lili]   lelie;   —   of  the  valley,  le- 

lietje-van-dalen  o. 
limb   [lim]   lid  o\  '~j,  ledematen. 
lime   [laim]    (vogel)lijm;  kalk;  linde- 

boom;    limoen. 
limelight    ['laimlait]    kalklicht    o\    in 

the  — ,  in  het  schelle  licht  der  pu- 

bliciteit. 
limestone  ['laimstoun]   kalksteen  o  & 

m. 
lime-tree    ['laimtri:]    lindeboom. 
limit   ['limit]    (uiterste)   grens,  grens- 

lijn;    limiet;    that's    the    ■ — \    dat    is 

het    toppunt;    vt    begrenzen,    beper- 

ken;   limiteren. 
limitation   [limi'teijsn]    beperking, 

grens;    beperktheid. 


ited 


155 


litter 


limited  ['limitid]  begrensd,  beperkt; 
bekrompen;  —  liability  company, 
naamloze  vennootschap  (met  be- 
perkte    aansprakelijkheid). 

limp  [limp]  slap;  vi  hinken,  mank, 
kreupel   lopen. 

limpid    ['limpid]    helder,    doorschij- 
nend. 

linden    ['lindsn]    lindeboom,    linde. 

line  [lain]  lijn,  regel,  streep;  grens- 
(lijn);  regeltje  o;  (richt)snoer  o; 
touw  o\  linie;  reeks,  rij;  branche, 
vak  o;  artikel  o\  ■ — ■  oj  action  {of 
conduct),  gedragslijn;  draw  the  — 
somewhere,  een  grens  trekken;  take 
a  '^  of  one's  own  (one's  own  — ), 
zijn  eigen  weg  gaan,  zijn  eigen  in- 
zicht  volgen;  along  the  — s  of, 
in  de  geest  (zin,  trant)  van,  op  de 
wijze  van;  /'  n  —  with,  op  een  lijn 
(staand)  met;  in  overeenstemming 
met;  come  into  ■ — '  with...,  zich 
scharen  aan  de  zijde  van;  o  n  these 
■^s,  op  deze  basis  (voet,  leest);  pt 
strepen;  afzetten  [met  soldaten], 
staan  langs;  voeren,  bekleden,  be- 
leggen,  beschieten;  —  t/p,  (zich) 
opstellen. 

lineage  ['liniidg]  geslacht  o,  afkomst; 
nakomelingschap. 

lineament    ['liniamant]    (gelaats)trek. 

linen  ['linin]  linnen(goed)  o;  aj  lin- 
nen. 

linen-draper  ['linindreips]  manufac- 
turier. 

liner   ['lains]   lijnboot. 

linger   ['lirjga]    toeven,   talmen;  wei- 
felen;  kwijnen. 

lingo   E'lirjgou]    (vreemd)   taaltje  o. 

linguist    ['lifjgwist]    taalkundige. 

linguistic    [lirj'gwistik]    taalkundig, 
taal-;    --^j,    taalwetenschap. 

liniment   ['linimsnt]    smeersel   o. 

lining   ['lainii]]   voering,  bekleding. 

link  [ligk]  schakel;  (pek)toorts;  fig 
band;  ■ — 'S,  golfbaan;  schakelman- 
chetknopen;  vt  steken  (door,  in); 
—  (up),  (aaneen)schakelen,  (zich) 
verbinden,   (zich)  verenigen,   (zich) 


aansluiten. 
linoleum  [li-,  lai'nouljam]  linoleum  o 

&  m. 
linseed  ['linsiid]  lijnzaad  o. 
lion   ['laian]    leeuw. 
lioness    ['laisnis]    leeuwin. 
lip    [lip]    lip. 

lipstick    ['lipstik]    lippenstift. 
liqueur  [li'kjua]   likeur. 
liquid    ['likwid]    vioeistof;    aj    vloei- 

baar;   vloeiend;   liquide. 
liquidate   ['likwideit]   vereffenen;  li- 

quideren. 
liquidation  [likwi'deijan]  vereffening; 

liquidatie. 
liquor    ['lika]    vocht   o;    (sterke) 

drank. 
liquorice   ['liksris]    zoethout  o;  drop. 
lisp   [lisp]   lispelen,  lispen. 
list    [list]     lijst;    catalogus;    zelfkant; 

slagzij(de),    overhelling;    ~-j-, 

(strijd)perk   o;   vt   in-,   opschrijven, 

noteren,     catalogiseren,     vermelden, 

opsommen;  vi  overhellen. 
listen   ['Hsn]   luisteren   (naar,  to);  — 

in    (to),   luisteren    (naar),   beluiste- 

ren  [radio], 
listener    ['lisns]    luisteraar. 
listener-in    ['lisns'rin]     (radio) luiste- 
raar. 
listless  ['listlis]  lusteloos,  slap, 
lit   [lit]   V.T.  &  V.D.  v.   light. 
litany    ['litsni]    litanie. 
literal    ['litaral]    letterlijk. 
literary     ['litsrsri]     letterkundig;    ge- 

letterd. 
literature    ['lit(3)ratj'3]    literatuur, 

letterkunde;     (reclame)  drukwerk    o: 

brochures,    enz. 
lithe(some)    ['Iai5(s3m)]    buigzaam, 

lenig. 
lithography    [li'SDgrsfi]    lithografie. 
litigious    [li'tid33s]    pleitziek;   be- 

tvv"istbaar;   recht(s)-. 
litmus  ['litmss]   lakmoes  o. 
litre   ['li:t3]   liter. 
litter   ['lits]    draagkoets,    (draag)baar; 

(stal)stro  o,  strooisel  o;  worp  [var- 

kens];    rommel;    vt   van    stro   voor- 


little 


156 


lodging-house 


zien,  strooien;  bezaaien;  overal   (or- 
deloos)    neergooien. 

little  ['litl]  klein,  kleinzielig;  weinig; 
■ — ■  butter,  weinig  boter;  a  —  but- 
ter, een  beetje  (wat)  boter;  the  ■ — 
one(s),  de  kleine(n);  after  a  ~', 
na  korte  tijd;  —  by  — ,  langza- 
merhand;  for  a  ■ — ,  een'  poosje; 
/'  «   — ,   in  het  klein. 

liturgy   ['litadsi]    liturgie. 

live  [laiv]  levend;  levendig;  edit,  heus 
[beest];  actief,  energiek;  gloeiend 
[kool];  scherp,  niet  ontploft,  gela- 
den,  onder  stroom;  actueel,  bran- 
dend  [v.  kwestie];  [liv]  vt  leven, 
bestaan;  blijven  leven;  wonen;  — 
o  n,  blijven  leven,  voortleven;  leven 
van;  —  0)2  grass,  zich  voeden  met 
gras;  —  to  (be)  a  hundred,  hon- 
derd  jaar  worden;  —  to  see...,  het 
beleven  dat. 

livelihood  ['laivlihud]  kostwinning, 
kost,  onderhoud  o,   bestaan  o. 

liveliness    ['laivlinis]    levendigheid, 
vrolijkheid;  drukte. 

livelong    ['livbi]]    the   ■ — •    day,    de 
godganse  dag. 

lively  ['laivli]  levendig,  vrolijk;  druk. 

liver  ['liva]  lever;  wie  leeft,  levende; 
a  free  {loose)    ■—,  een  losbol. 

livery    ['livari]    livrei. 

live-stock  E'laivst^k]   vee  o,  veestapel. 

livid    ['livid]    lood-,    lijkkleurig, 
(doods)bleek. 

lividity  [li'viditi]  loodkleur,  lijkkleur, 
doodsbleekheid. 

living  ['livir)]  leven  o,  bestaan  o,  kost; 
predikantsplaats;  aj  levend;  --^  wage, 
een  menswaardig  bestaan  verzeke- 
rend  loon  o. 

living-room    ['livirjrum]    huiskamer. 

lizard   ['lizad]    hagedis. 

lo    [lou]    zie!,  kijk! 

load  [loud]  lading,  last,  vracht;  ge- 
wicht  o\  — J-  of...,  hopen;  vt  (be)- 
laden,  bevrachten;  bezwaren;  vullen 
[pijp];  overladen. 

loading    ['loudir)]    lading,   vracht. 

loaf    [louf]    brood   o\   vt   leeglopen. 


rondslenteren   (ook:   • — '  about). 
loafer    ['loufs]    leegloper,   schooler, 
loam   [loum]   leem  o  Sc  m. 
loan    [loun]    lening;    vt    (uit)lenen. 
loath   [lou9]   afkerig;  ongenegen. 
loathe    [louS]    verafschuwen,    een   af- 

keer  hebben  van,  walgen  van. 
loathing    ['lou5ir)]    walg(ing),    weer- 

zin. 
loathsome   ['louSssm]   walglijk,  af- 

schuvv'elijk. 
lobby    ['bbi]    voorzaal,   portaal    o; 

koffiekamer,   foyer;  wandelgang. 
lobe    [loub]    lob;    lei. 
lobster    ['bbsta]    zeekreeft. 
local    ['loukal]    plaatselijk;    plaats-. 
locality   [lou'kasliti]   plaatselijkheid; 

plaats,   lokaliteit. 
locate    [lou'keit]    de  plaats  bepalen 

van,    plaatsen,   vestigen. 
location   [lou'keijsn]   plaatsbepaling, 

plaatsing,    plaats,   ligging. 
loch    [bx,   bk]    meer   o. 
lock    [bk]    lok;    slot    <?;    sluis;    u>2der 

' —   and  key,  achter  slot  en  grendel; 

vt    sluiten,    op-,    in-,    om-,    wegslui- 

ten;    klemmen. 
lock-chamber  ['bktjeimbs]  schutkolk, 

sluiskolk. 
locker    ['bka]    kastje   o,  kist. 
locket   ['bkit]  medallion  o. 
lock-keeper   ['bkkiipa]    sluiswachter. 
lock-out    ['bk'aut]    uitsluiting. 
locksmith    ['bksmiG]    slotenmaker. 
locomotive   ['louksmoutiv]    locomo- 

tief;  a]  zich   (automatisch)   voortbe- 

wegend;   bewegings-. 
locum  tenens  ['louksm'timenz]  plaats- 

vervanger. 
locust   E'louksst]    sprinkhaan. 
lodge    [bds]    optrekje    o,     huisje     o\ 

loge   [v.  vrijmetselaars];  vt   (neer)- 

leggen,    huisvesten,    zetten;    depone- 

ren;  indienen,  inzenden   (bij,  with); 

vi  wonen. 
lodger  ['bdga]  huurder. 
lodging     ['bd3if)]     huisvesting,     (in)- 

woning,  kamers;  in  — s,  op  kamers 
lodging-house    ['bdsighaus]   woning 


loft 


157 


loquacity 


waar  kamers  verhuurd  worden. 
loft    [bft]    zolder,    vliering;    duiven- 

til;   galerij. 
lofty    ['bfti]    verheven,    hoog;    trots. 
log   [bg]   blok  o\  logboek  o. 
logarithm   ['bgariOm]    logaritme. 
logbook    ['bgbuk]    logboek    o. 
loggerhead   ['bgahed]    be  at   ^~s,   el- 

kaar   in  het  haar   zitten. 
logic   E'bdsik]    logica,   redeneerkunde. 
logical    ['bdsikl]    logisch. 
loin    [bin]    lende,   lendestuk   o. 
loiter    ['bita]    talmen,    treuzelen;    — 

about,   rondslenteren. 
loiterer    ['iDitsrs]    treuzelaar,   slente- 

raar. 
loll   [bl]    lui   liggen,   leunen,   hangen. 
lollipop    ['blipDp]    snoepje   o,   lolly. 
London    ['Undsn]    Londen  o. 
Londoner   ['JAndsns]    Londenaar. 
lone    [loun]    eenzaam,   verlaten. 
loneliness  ['lounlinis]  eenzaamheid. 
lonely    ['lounli],    lonesome    ['loun- 

S3m]   eenzaam. 
long    [br)]    lang,   langdurig;   hoog 

[prijs] ;   groot;    —    jump,   versprin- 

gen    o\    don't    be    '—,    blijf   niet    te 

lang   weg;    so    ' — !,    tot    ziens!;    be- 
fore   — ,    eerlang,    weldra;    vi    ver- 

langen   (naar,  for). 
longanimity    [brjga'nimiti]    lankmoe- 

digheid. 
longboat    ['brjbout]    sleep. 
long-drawn   ['br)'dr3:n]    langgerekt. 
longer    ['brjgs]    langer;    no    "-,    niet 

langer    (meet). 
longest  ['iDrjgist]  langst;  at  (the)   — , 

op  zijn  langst. 
longing   ['bgir)]    (sterk)   verlangen  o; 

aj  verlangend. 
longitude    ['bn(d)3itju:d]     (geogra- 

fische)   lengte. 
long-playing  record  ['b^jpleiirj'rekDid] 

langspeelplaat. 
long-range   ['bgreinds]   verdragend 

[geschut];    lange-afstands  [vlucht]; 

op   lange   termijn. 
long-sighted   ['brj'saitid]   verziend; 

fig  vooruitziend;   —   bill,  langzicht- 


wissel. 

long-suffering    ['brj'sAf (3)rir)]    lank- 
moedig. 

long-term  ['br)t3:m]  op  lange  termijn; 
voor   lange   tijd. 

long-winded  ['br|'windid]  langdradig. 

look  [luk]  blik;  aanzien  o,  gezicht  o; 
voorkomen  o,  uiterlijk  o;  have  a  ^~-' 
at,  (even)  kijken  naar;  vi  kijken, 
zien,  er  uitzien;  lijken;  ~-  like,  ge- 
lijken    op;    er    naar    uitzien    (dat); 

—  before  you  leap,  bezint  eer  gij 
begint;  vt  er  uitzien  als;  verraden; 
(er  voor)  zorgen;  —  after,  acht 
geven   op;    letten   op,    zorgen   voor; 

—  at,  kijken  naar,  bekijken;  be- 
schouwen;  ■ — •  hack,  achteruitzien, 
terugzien;  omkijken;  —  for,  uit- 
zien naar;  verwachten;  zoeken 
(naar) ;  ■ — ■  forward  to,  verlan- 
gend   uitzien    naar;    tegemoet    zien; 

—  o  n,  toekijken;  —  out,  uitzien, 
uit...  zien;  (goed)  uitkijken;  ~- 
out],  opgepast!;  ■ — ■  out  for,  uitzien 
naar;  (zeker)  verwachten;  ■ —  to, 
(uit) zien  naar;  letten  op,  passen  op; 
zorgen  voor;  rekenen  op;  verwach- 
ten; —  up,  opzien,  opkijken;  op- 
zoeken. 

looker-on   ['luka'nn]    toeschouwer. 
looking-glass    ['lukir)gla:s]   Spiegel, 
look-out   E'luk'aut]   uitkijk. 
loom    [lu:m]    weefgetouw   a;   vi  op- 

doemen. 
loop    [Iu:p]    lis,    lus;    bocht;    duikel- 

vlucht;    vi  omduikelen. 
loop-hole    ['lu:phoul]    kijkgat    o, 

schietgat   o\  fig  uitvlucht,   uitweg. 
loose    [lu:s]    los;   ruim,  wijd;   slap, 
loose-fitting   ['Iu:s'fitir)]   loszittend. 
loosen    ['lu:sn]    losmaken;   losgaan. 
loot   [lu:t]   buit,  roof;  plundering;  vt 

(uit)plunderen,    (be)roven. 
lop   [bp]    (af)kappen;  afhakken; 

snoeien,   toppen. 
loquacious   [b'kweijas]  babbelziek: 

spraakzaam. 
loquacity   [b'kwassiti]   babbelzucht; 

spraakzaamheid. 


Lord 


158 


lubricate 


Lord,  lord  [b:d]  heer,  meester;  lord; 
{the)  —  Mayor,  titel  van  burge- 
meesters  in  't  Britse  Rijk;  the  ^^'s 
supper,  het  (laatste,  heilig)  Avond- 
maal;  vt  &  vi  —  (/'/),  de  baas 
spelen. 

lordly  ['b;dli]  als  een  groot  heer; 
voornaam,   vorstelijk. 

lordship  ['btdjip]  heerschappij;  heer- 
lijkheid;  lordschap  o\  your  {his) 
— ,    Uwe    (Zijne)    Genade. 

lorgnette  [b:n'jet]  face-a-main;  to- 
neelkijker. 

Lorraine  [b'rein]   Lotharingen  o. 

lorry   E'bri]   vrachtauto. 

lose  [lu:z]  verliezen;  verzuimen,  laten 
voorbijgaan;  kwijtraken;  doen  ver- 
liezen; achterlopen  [uurw'erk] ;  — 
one's  labour,  vergeefse  moeite  doen; 
—   one's  way,  verdwalen. 

loser    ['Iu:z3]    verliezer. 

losing  ['lu:zir)]  verliezend;  niet  te 
winnen,    hopeloos;    — s,   verlies    o. 

loss  [bs]  verlies  o,  nadeel  o,  schade; 
at  a  -~,  met  verlies;  het  spoor  bijs- 
ter;  niet  wetend  [wat...,  hoe...]; 
never  at  a  —-'  for  a  reply,  nooit  om 
een  antwoord  verlegen. 

lost  [bst]  V.T.  &  V.D.  V.  lose;  ver- 
loren  (gegaan),  weg;  verdwaald; 
omgekomen,   verongelukt,   vergaan. 

lot  [bt]  lot  o,  deel  o;  portie,  partij, 
kaveling,  perceel  o\  stel  o;  hoop, 
heel  wat,  boel. 

loth    [lou6]    zie  loath. 

lottery    ['btsri]    loterij. 

loud    [laud]    luid;    luidruchtig;    op- 
zichtig,  schreeuwend  [kleuren]. 

loud-speaker  ['laud'spiika]  luidspre- 
ker. 

lounge  [laun(d)3]  promenade;  hal 
[v.  hotel];  sofa,  ligstoel;  vi  luieren; 
slenteren;  lummelen. 

lounge-suit  ['laun(d)3s(j)u:t]  colbert- 
kostuum   0,   Colbert  o  &   m. 

louse  [laus]   luis. 

lousy    ['lauzi]    luizig;   fig   min. 

lout    [laut]    (boeren)kinkel,   pummel. 

loutish  ['lautij]  pummelig,  slungelig. 


lovable  ['Uvabl]  beminnelijk,  bemin- 
nenswaardig,    lief (tallig). 

love  [Iav]  liefde;  geliefde;  schat; 
{give)  my  -~  to  all,  de  groeten 
aan  allemaal;  7nake  —  to,  vrijen 
met,  het  hof  maken  aan;  for  — , 
uit  liefde;  for  the  —  of  God,  om 
godswil;  in  ~,  verliefd  (op, 
u>ith)\  out  of  ■ — ,  uit  liefde;  vt 
liefhebben,  beminnen,  houden  van, 
gaarne  hebben  of  willen. 

lovely    ['Uvli]    beminnelijk,   lief(tal- 
lig);    prachtig,    mooi,    heerlijk. 

lover  ['1av3]  (be)minnaar,  liefhebber; 
a  couple  of  — s,  een  vrijend  (min- 
nend)  paartje  o. 

loving  ['Uvir)]  liefhebbend,  liefdevol; 
toegenegen,  teder. 

low    [lou]    laag;   gering;    Neder- 
[Duits];     gemeen,    min;    neerslach- 
tig;     zacht     [stem];    zwak    [pols]; 
diep  [bulging];  —  7nass,  stille  mis; 
get    {run)    — ,   opraken;    vi   loeien. 

low-born    ['louboin]    van    lage   ge- 
boorte. 

lower  E'lous]  lager  (staand),  laag; 
dieper;  minder,  geringer;  beneden-, 
onder(ste);  later;  vt  lager  maken 
of  draaien;  temperen;  verlagen;  la- 
ten  zakken,  strijken  [zeil];  fnuiken 
[trots];  ['laus]  vi  nors,  dreigend, 
somber  zien  (naar,  at,  upon);  drei- 
gen    [v.   wolken]. 

lowermost    ['lousmoust]    laagst(e). 

lowest  ['louist]  laagst(e);  at  ■ — ■,  op 
zijn   laagst    (minst). 

lowland   ['loubnd]    laagland  o. 

lowly    ['louli]    nederig,   ootmoedig. 

low-minded   E'lou'maindid]   onedel, 
ordinair. 

lowness  ['lounis]  laagte,  geringheid; 
neerslachtigheid. 

low-spirited    ['lou'spiritid]    neer- 
slachtig. 

loyal  ['bial]    (ge)trouw,  loyaal. 

loyalty    ['bialti]    getrouwheid,     fon- 
derdanen)trouw,    loyaliteit. 

lozenge  ['bzindsj  ruitje  o\  tabletje  o. 

lubricate    ['Uj)u:brikeit]    olien,   sme- 


lucid 


159  lyrical 


ren;  lubricating  oil,  smeerolie. 
lucid    ['I(j)u:sid]    schitterend,    stra- 

lend;  fig  helder. 
lucidity    [I(j)u:'siditi]    helderheid. 
luck    [Uk]    toeval    o,    geluk    o,    bof; 

bad   — ,   pech;   good   ~-.',  veel   suc- 

ces!;  worse  — ,  ongelukkigerwijs;  ^e 

down    on    one's    — ,    be   out   of    — , 

pech  hehben. 
lucky    ['Uki]    gelukkig;    —    bird,   ge- 

luksvogel,   boffer. 
lucrative  ['I(j)u:kr3tiv]  winstgevend. 
lucre    ['l(j)u:k3]    winst,  voordeel   o. 
ludicrous    ['l(j)u:dikr3s]    belachelijk, 

lachwekkend,  koddig. 
luff   [Uf]   loef(zijde);  vi  loeven. 
lug   [lAg]    trekken,   slepen. 
luggage   ['lAgidg]    bagage. 
luggage-ticket    ['JAgidstikit]    bagage- 

regu  o. 
luggage-van  ['Ugidsvasn]  bagage- 

wagen. 
lugger    ['lAgs]    logger. 
lugubrious    [l(j)u'gju:bri3s]    luguber, 

somber,  treurig. 
lukewarm  ['l(j)u:kwD:m]   lauw. 
lull  [IaI]    (korte)   stilte,   (ogenblik  o) 

rust;   vt    (in   slaap)    sussen,  paaien; 

vi  gaan  liggen   [wind]. 
lullaby  ['lAJabai]  wiegelied(je)   o. 
lumbago    [Um'beigou]    spit    o    in    de 

rug. 
lumber   ['Umba]    (oude)    rommel. 
luminous    ['l(j)u:min3s]    lichtgevend, 

stralend,   helder,   licht-. 
lump    [JAmp]    stuk    o,    klomp,    klont, 

klontje  o;  brok  ?n  &.  v  oi  o;  bult; 

hoop,  boel;  by   (in)   the  ■■^,  bij  de 

roes,  en  bloc;  vt  bijeengooien,  -ne- 

men. 
lump-sugar    ['lAmp'Juga]    klontjes- 

suiker. 
lunacy   ['l(j)u:n3si]   krankzinnigheid. 
lunar    ['l(j)u:n3]    maan-. 


lunatic   ['l(j)u:n3tik]   maanziek(e); 

krankzinnig(e);  gek. 
lunch(eon)     ['lAnJ(3n)]    lunch;    vt 

lunchen. 
lung   [Ia:)]    long. 
lurch    [l3;tj]    ruk,    plotselinge   slinge- 

ring;   leave  in  the   '-~,  in  de  steek 

laten;    vi    slingeren,    plotseling    op 

zijde  schieten. 
lure    [Ijua]    lokaas    o,    verlokking;    vt 

(aan)lokken,  weg-,  verlokken. 
lurid  ['l(j)u3rid]    (doods)bleek,  vaal- 

(bruin);    ros(sig),    somber;    prikke- 

lend. 
lurk    [bik]    loeren;    zich    schuil   hou- 

den;  op  de  loer  liggen;  ^-^ing  rocks, 

blinde  klippen. 
luscious    E'IaJss]    sappig,   lekker. 
lush   [IaJ]   sappig,  mals,  weelderig. 
lust    [JASt]    (zinnelijke)    lust,  wellust, 

begeerte;    —    of   blood,    bloeddorst; 

vi    (vurig)    begeren,    dorsten    (naar, 

after,  for). 
lustre   ['lASta]   luister,  glans. 
lustrous    E'lAStras]    luisterrijk,   glans- 

rijk,    schitterend. 
lusty    E'lASti]    kloek,    flink    (en    ge- 

zond),  krachtig,  ferm. 
lute    [lju:t,   lu;t]    luit;   kit;    vt    (ver)- 

kitten. 
luxuriance    [lAg'3u3ri3ns]    weelderig- 

heid,  weligheid. 
luxuriant    [lAg'suariant]    weelderig, 

welig. 
luxurious    [lAg'3u3ri3s]    luxueus, 

weelderig;   wellustig. 
luxury   ['lAkJsri]    luxe,  weelde;  genot 

o\    wellust;    luxuries,    weeldeartike- 

len;   heerlijkheden. 
lye    [lai]    loog. 
lynch   [lin(t)J']    lynchen. 
lynx   [ligks]   los,  lynx. 
lyre    ['lais]    lier. 
lyrical    ['lirikl]    lyrisch,    lier-. 


160 


main 


M 


m    [em]    (de  letter)    m. 
macaroni    [mseka'rouni]    macaroni. 
mace   [meis]   foelie;  staf,  scepter. 
mace-bearer   ['meisbeara]    stafdrager, 

pedel. 
machinate   ['maekineit]   pi  kuipen,  in- 

trigeren;  rt  smeden,  beramen. 
machination   [maeki'neijan]   intrige, 

kuiperij. 
machine   [m3'J'i:n]   machine,  toestel  o; 

fig  apparaat  o;  fiets. 
machine-gun    [m3'Ji:ngAn]    mitrail- 

leur;   vt  mitrailleren. 
machine-gunner    [ms'JirngAna]    mi- 

trailleurschutter. 
machine-made    [ms'Jiinmeid]    machi- 

naal    (vervaardigd),   fabrieks-. 
machinery   [ms'Jiinsri]   machinerie, 

machines;    mechaniek;    fig    apparaat 

o;   inrichting;   opzet. 
machine  tool   [ms'Jiintu:!]   werktuig- 

machine. 
mackerel    ['maskrsl]    makreel. 
mackintosh    ['maekintDj]    regenjas. 
mad  [maed]  gek,  del;  krankzinnig,  ra- 

zend;  as  ■ —  as  a  hatter  {as  a  Alarch 

hare),   stapelgek. 
madam    ['masdam]    mevrouw,   juf- 

frouw. 
madden    ['meedn]   gek,   del,   razend 

maken. 
made   [meid]  V.T.  &  V.D.  v.  make; 

a    —    man,    iemand   die   binnen   is; 

—   up,    (op)gemaakt;   a  ^^  up  sto- 
ry,  een  verzonnen  verhaal   o. 
madhouse    L'msedhaus]   gekkenhuis   o. 
madman    ['maedman]    gek,    krankzin- 

nige. 
madness   ['maednis]   krankzinnigheid, 

razernij. 
magazine    [masga'zim]    magazijn  o; 

tijdschrift  o. 
maggot    L'maegat]    made. 
magic   ['msdsik]    toverkracht,   -kunst, 

betovering;     aj    magisch,     toverach- 

tig,    betoverend,    tover-. 
magician   [ma'dsijan]    tovenaar. 


magistrate    ['mced3istrit]    magistraat; 

politierechter. 
magnanimity    [maegna'nimiti]    groot- 

moedigheid. 
magnanimous    [masg'oEoimas]    groot- 

moedig. 
magnate    ['maegneit]    magnaat. 
magnesium    [maeg'niiziam]    magne- 
sium o. 
magnet  ['masgnit]  magneet. 
magnetic  [maeg'netik]   magnetisch, 

magneet-. 
magnetize  ['maegnitaiz]   magnetiseren. 
magneto    [maeg'niitou]    magneet. 
magnificence    [maeg'nifisans]   pracht, 

heerlijkheid,    luister. 
magnificent    [maeg'nifisant]    prachtig, 

heerlijk,    luisterrijk. 
magnify   ['maegnifai]   vergroten. 
magnifying-glass    ['maegnifaiii]gla:s] 

vergrootglas   o,   loep. 
magnitude  ['maegnitjuid]  grootte; 

grootheid. 
magpie   ['maegpai]   ekster. 
mahogany    [ma'hogani]   mahonie- 

hout  o. 
Mahometan    [ma'homitan]    zie  Alo- 

hammedan, 
maid   [meid]   meid;  meisje  o,  maagd; 

old  ■ — •,  oude  vrijster. 
maiden    ['meidn]    jonkvrouw,    meisje 

o,  maagd;   aj  maagdelijk,  jonkri'rou- 

welijk;  ongetrouwd,  meisjes-;  eerste. 
maidenly  ['meidnli]  maagdelijk,  jonk- 

vrouwelijk. 
maid-servant   ['meidsa:vant]   dienst- 

meisje  o. 
mail     [meil]     malienkolder,     pantser- 

hemd  o\  mail,  post;   vt   (be)pantse- 

ren;  met  de  post  of  mail    (ver)zen- 

den,    posten. 
mail-bag   ['meilbasg]   postzak. 
mail-coach  ['meilkoutj]  postwagen. 
maim    [meim]    verminken. 
main    [mein]    hoofdleiding    [v.    gas], 

(licht)net  o;  aj  voornaamste,  groot- 

(ste);     hoofd-;     the    ~-    force,    de 


mainland 


161 


man 


hoofdmacht;  by  '~  force,  door  ge- 
weld  alleen;  in  the  — ,  in  hoofd- 
zaak,  over  't  algemeen. 

mainland    ['meinbnd]    vasteland    o, 
hoofd(ei)land  o. 

mainly    ['meinli]    voornamelijk. 

mainspring  ['meinsprirj]  grote  veer; 
fig   hoofdoorzaak,    drijfveer. 

maintain    [men'tein]    handhaven,   in 
stand  liouden;  hooghouden;  steunen, 
onderhouden;    volhouden,    beweren; 
ophouden     [waardigheid],    bewaren 
[stilzwijgen]. 

maintenance    ['meintinans]    handha- 
ving,  verdediging;  onderhoud  o. 

maize    [meiz]    mais. 

majestic    [m3'd3estik]    majestueus. 

majesty    ['msdsisti]    majesteit. 

major  ['meidsa]  majoor;  meerderjari- 
ge;  aj  groot,  van  formaat,  belang- 
rijk,  hoofd-;  grootste;  majeur;  '— 
road,  voorrangsweg. 

major-general  ['meidsa'dsenaral]  ge- 
neraal-majoor. 

majority    [ma'dsDriti]    meerderheid; 
meerderjarigheid;   merendeel    o\   the 
—    of...,   ook:    de  meeste... 

make  [meik]  maaksel  o,  fabrikaat  o; 
soort;  slag  o\  vt  maken;  doen;  la- 
ten;  houden  [redevoering];  geven 
[antwoord],  brengen  [offers],  leve- 
ren  [bijdrage] ;  stellen  [voorwaar- 
den] ;  treffen  [regeling] ;  zetten 
[koffie],  opmaken  [bed];  trekken 
[gezicht];  afleggen  [afstandj;  voe- 
ran  [oorlog];  sluiten  [vrede];  ver- 
dienen  [geld];  halen  [trein,  slag]; 
bereiken;  klaarspelen;  he  will  never 
■ — ■  an  author,  hij  zal  nooit  een 
(goed)  schrijver  worden;  ■ —  for, 
aan-,  afgaan  op,  zich  begeven  naar, 
aansturen  op;  bevorderlijk  zijn  aan, 
bijdragen  tot  [geluk  &] ;  —  off, 
er  vandoor  gaan;  —  out,  onder- 
scheiden,  ontdekken;  begrijpen;  be- 
wijzen,  aantonen  [iets];  —  to  go, 
aanstalten  maken  om  te  gaan;  '~' 
up,  (op)maken,  klaarmaken;  vor- 
men;  in  elkaar  zetten;  bijleggen  [ge- 

Eng-.  Zakwrdbk.  11 


schil] ;  aanvullen  [leemte] ;  inhalen 
[tijd];  vergoeden  [verlies];  (zich) 
grimeren;  fig  komedie  spelen;  — 
up  one's  mind,  een  besluit  nemen, 
besluiten. 

make-believe  ['meikbili:v]  schijn,  ko- 
medie,   aanstellerij;    af   voorgewend. 

maker  ['meika]  maker,  vervaardiger, 
schepper;  fabrikant. 

makeshift  ['meikjift]  hulpmiddel  o, 
redmiddel  o\  als  aj  ...om  zich  te  be- 
helpen,  bij  wijze  van  noodhulp. 

make-up    ['meik'Ap]    opmaak;    samen- 
stelling;   gesteldheid;   grime;   ver- 
momming;  verzinsel  o. 

makeweight    ['meikweit]    toegift. 

malady    ['maebdi]    ziekte. 

malaria    [ma'learia]    malaria. 

Malay  [ma'lei]   Maleier;  a]  Maleis. 

male  [mail]  mannetje  o  [v.  dieren]; 
af  mannelijk,  mannen-. 

malediction    [msli'dikjan]    vervloe- 
king. 

malefactor  ['maelifaekta]   boosdoener, 
misdadiger. 

malevolent   [ma'levabnt]   kvi^aad- 
willig,   boosaardig. 

malice    ['mcelis]    boos(aardig)heid; 
boos  opzet  o. 

malicious   [ma'lijas]   boos(aardig); 
opzettelijk. 

malign  [ma'lain]  verderfelijk,  slecht, 
ongunstig;   vt  belasteren. 

malignant  [ma'lignant]  boos(aardig); 
kwaadaardig;  kwaadwillig. 

mall    [masl,    mD:l]    maliebaan. 

mallard   ['mselad]   wilde  eend. 

malleable   ['msliabl]    smeedbaar; 
fig   kneedbaar,   buigzaam. 

mallet   ['mslit]    (houten)   hamer. 

malt  [mailt]  mout  o  &  m\  vt  mouten. 

mam(m)a  [ma'ma:]  ma,  mama. 

mammal  ['masmal]   zoogdier  o. 

man  [mzen]  man,  mens;  werkman, 
knecht,  bediende;  (schaak)stuk  o, 
(dam)schijf;  a  ■— ,  men,  je,  iemand; 
old  — I,  ouwe  jongen!;  the  —  in 
the  street,  Jan  Publiek,  Jan  en  alle- 
man;  to  a  — ,  als  een  man,  tot  de 


manage 


162 


manutacturer 


laatste  man,  eenparig;  alien;  vt  be- 
mannen,  bezetten,  bedienen;  — •  ot2e- 
self,   zich  vermannen. 

manage  ['masnids]  besturen,  behande- 
len,  beheren;  —  to...,  het  z6  weten 
aan  te  leggen,  dat...,  net  nog  kun- 
nen;  '~  it  {?natters),  het  klaarspe- 
len;  het  hem  leveren. 

manageable  ['maenid33bl]  handelbaar, 
meegaand. 

management  ['ma£nid3m3nt]  behande- 
ling,  bediening;  bestuur  o,  beheer 
o,  administratie,  directie,  leiding; 
tact. 

manager  ['msenidsa]  bestuurder,  lei- 
der,    administrateur,    directeur. 

mandarin   ['masndarin]   mandarijn. 

mandate    ['maendeit]    bevelschrift    o, 
opdracht,  mandaat  o. 

mandatory  ['m£end3t3ri]  mandataris; 
aj  lastgevend;  gebiedend. 

mandible  ['mjendibl]  kinnebak;  kaak 
[v.  insekt]. 

mandolin(e)    [mjenda'lim]   mando- 
line. 

mane    [mein]    manen    [v.   paard]. 

manful   ['m^enful]   dapper,  manhaftig. 

manganese    [masggs'niiz]    mangaan   o. 

mange   [mein(d)3]   schurft. 

manger    ['mein (d) 33]    krib(be),  trog. 

mangle  ['masrjgl]  mangel;  vt  mange- 
len;  verscheuren;  havenen,  vermin- 
ken;    verknoeien. 

mangy   ['mein(d)3i]   schurftig. 

manhood   ['maenhud]   mannelijkheid; 
mannen;   menselijkheid;   moed. 

mania    ['meinis]    manie,    waanzin, 
waan. 

maniac  ['meiniaek]  maniak,  waanzin- 
nige. 

manifest  ['maenifest]  manifest  o\  aj 
openbaar,  duidelijk,  kennelijk;  vt 
openbaren,  openbaar  maken,  aan  de 
dag   leggen;    manifesteren. 

manifestation    [masnifes'teijan]    mani- 
festatie;    openbaarmaking,    openba- 
ring,   uiting. 

manifesto  [masni'festou]   manifest  o. 

manifold    ['maenlfould]    menigvuldig, 


veelvuldig,    vele. 
manikin     ['msenikin]     ledenpop;    fan- 

toom   o;    mannetje   0. 
manipulate    [ma'nipjuleit]    hanteren, 

behandelen,  bewerken,  manipuleren, 

knoeien   met. 
mankind    ['maenkaind]    de  mannen; 

[masn'kaind]  mensdom  o,  mensheid. 
manlike    ['masnlaik]    mannelijk. 
manly    ['msenli]    mannelijk,   manmoe- 

dig,  mannen-. 
manner  ['masna]  manier,  wijze;  soort, 

slag     o;     ■ — s,     fgoede)     manieren; 

after   the    —    oj...,    in    de    trant 

(stiji)   van;  in  a  — ,  in  zekere  zin; 

in  this  — ,  op  deze  manier   (wijze). 
mannered    ['msnadj    gemanierd. 
mannerism  ['mEoarizm]  gemaaktheid; 

'~-s,   maniertjes. 
mannerly   ['ma;n3li]    vv^elgemanierd, 

beleefd. 
manoeuvre  [m3'n(j)u:v3]  manoeuvre; 

vi  manoeuvreren. 
man-of-war  ['m2en9(v)'wD:]  oorlogs- 

schip  o. 
manor   ['maena]    (ambachts)heerlijk- 

heid;   landgoed  o. 
man-servant  ['masnsaivant]   knecht, 

bediende. 
mansion   ['maenjan]   herenhuis  o, 
manslaughter  ['msensbita]   (onvrijwil- 

lige)    doodslag,  manslag. 
mantel  (piece)    ['m£ntl(pi:s)] 

schoorsteenmantel. 
mantelshelf   ['maentljelf]    schoorsteen- 

rand. 
mantle    ['msentl]    mantel;   gloeikousje 

o\  vt  bemantelen,  bedekken. 
mantrap  ['msentraep]  voetangel,  klem, 

val. 
manual    ['maenjual]    manuaal    o    [or- 

gel];  handboek  o;  aj  hand  (en)-. 
manufactory   [m£enju'fasktari]   fabriek. 
manufacture   [mmju'fcektja]   vervaar- 

diging,    fabricage;     fabrikaat    o;    vt 

vervaardigen,   fabriceren;    • — d,  ook: 

fabrieks-. 
manufacturer  [maenju'faektjara]  fabri- 

kant. 


manure 


163 


manure    [ms'njus]    mest;    vt    (be)- 
mesten. 

manuscript  ['msnjuskript]  manuscript 
o,  handschrift  o;  aj  (met  de  hand) 
geschreven. 

many  ['meni]  veel,  vele;  ■ — '  a  fnan, 
■ — '  a  one,  menigeen;  ■ — '  a  time, 
menigmaal;  the  ■ — ■,  de  menigte,  de 
grote  hoop;  a  good  {great)  — , 
zeer  veel    (velen). 

many-sided    ['menisaidid]    veelzijdig. 

map  [masp]  (land)kaart;  vt  —  {otit), 
in   kaart  brengen,   ontwerpen. 

maple   ['meipl]    ahorn(boom). 

mar   [ma;]    bederven. 

maraud  [ma'rjid]  plunderen. 

marble  ['ma:bl]  marmer  o\  knikker; 
aj  marmeren;  vt  marmeren. 

March   [maitj]   maart. 

march  [maitj]  mars;  opmars,  (voort)- 
gang,  loop;  vi  marcheren;  op-,  aan- 
rukken;   —  past,  defileren   (voor). 

marchioness   ['maijsnis]   markiezin. 

marchpane  ['maitjpein]  marsepein. 

march  past    ['ma:tj'pa:st]    defile   o. 

mare  [mSa]   merrie. 

margarin(e)  [ma:d33'ri:n,  ma;g3'ri:n] 
margarine. 

margin  ['ma:d3in]  rand,  kant;  marge; 
J!g  speelruimte. 

marginal    ['maidsinal]    kant-,    rand-. 

marigold   ['msrigould]   goudsbloem. 

marine  [ma'riin]  handelsvloot,  mari- 
ne; zeestuk  o\  marinier;  aj  zee-, 
scheeps-. 

mariner  ['mserins]   zeeman,  matroos. 

maritime  ['maeritaim]  maritiem,  kust-, 
zee-. 

mark  [ma:k]  merk  o,  stempel  o  8c  m; 
teken  o,  cijfer  o,  punt  o  [op  school]; 
spoor  o;  blijk  o,  bewijs  o;  doel- 
(wit)  o;  peil  o;  (Duitse)  mark;  a 
man  of  — ,  een  man  van  betekenis; 
be  up  to  the  — ,  aan  de  (gestel- 
de)  eisen  voldoen;  vt  merken,  teke- 
nen;  kenmierken;  onderscheiden;  no- 
teren,  aantekenen;  bestemmen;  aan- 
geven,  aanduiden,  laten  merken;  op- 
merken,   letten   op;    -^    me,   let   op 


martyrdom 

'     time,    de    pas 


mijn    woorden!; 

markeren. 
marked   [ma:kt]    opvallend,   duidelijk, 

merkbaar. 
marker    ['maika]    aantekenaar,    mar- 

keur;   leeswijzer;   fiche  o  &  v, 
market   ['ma:kit]   markt;  vt  ter  markt 

brengen,  verkopen. 
marketable    ['maikitabl]    (goed)    ver- 

koopbaar,   courant. 
market-gardener    ['ma:kit'ga:dn3] 

tuinder. 
marketing    ['ma:kitir|]    markten   o; 

verkoop;  inkoop. 
market-place    ['maikitpleis]    markt- 

plein  o,  markt. 
marksman    ['maiksmsn]    (scherp)- 

schutter. 
marl   [ma:l]   merge!. 
marmalade  ['maimsleid]  marmelade. 
maroon  [ma'ru.n]   isoleren,  afsnijden, 

afzonderen. 
marquee    [ma:'ki:]    grote  tent. 
marquess,    marquis    ['ma:kwis]    mar- 

kies. 
marquise  [ma:'ki:z]  markiezin. 
marriage    ['meerids]    huwelijk    o;    re- 
lated   by    — ,    aangetrouwd;    ask    in 

— ,   ten   huwelijk   vragen. 
married   ['msrid]   gehuwd,  getrouwd; 

huwelijks-. 
marrow   ['maerou]    merg  o;  fig  pit  o 

&:  V. 
marrowfat    ['maeroufset]    kapucijner. 
marry   ['ma5ri]    trouwen;    (uit)huwen; 

fig    verbinden;    —    a   fortune,    een 

vrouw    met    geld    trouwen;    —    off, 

aan  de  man  brengen. 
marsh  [ma:]"]  moeras  o, 
marshal    ['majsl]    maarschalk;   vt  or- 

denen,  opstellen,  rangschikken;  aan- 

voeren;    — ling  yard,   rangeerterrein 

o. 
marshy  ['ma:Ji]   moerassig. 
marten   ['ma:tin]   matter. 
martial  ['maijal]   krijgshaftig,  krijgs-. 
martin    ['ma:tin]    huiszwaluw. 
martyr   ['ma its]    martelaar. 
martyrdom    ['martsdsm]    martelaar- 


marvel 


164 


matrimony 


schap  o,  marteldood;  marteling. 

marvel  ['ma:v3l]  wonder  o\  vi  zich 
verwonderen  (over,  at'),  verbaasd 
staan,    zich    afvragen. 

marvellous  ['ma:v(3)]3s]  wonderbaar- 
(lijk),    wonder-,    verbazend. 

marzipan    [ma:zi'p£en]    marsepein. 

masculine    ['maeskjulin]    mannelijk. 

mash  [m^J]  moutbeslag  o\  mengvoer 
o\  mengelmoes  o  Si.  v\  puree;  jig 
brij;  vt  mengen  [mout];  fijnstam- 
pen;  — ed  potatoes,  (aardappel)- 
puree. 

mask  [ma:sk]  masker  o,  mom  o\  vt 
maskeren;   vermommen. 

mason    ['meisn]    steenhouwer;   vrij- 
metselaar. 

masonic    [ma'sDoik]   vrijmetselaars-. 

masonry   ['meisnri]   metselwerk  o\ 
vrijmetselarij. 

masquerade  [mseska'reid]  maskerade; 
vi  zich  vermommen;  —  as,  ook: 
zich  voordoen  als,  zich  uitgeven 
voor. 

mass  [mass,  ma:s]  mis  [kerkdienst]; 
[m£es]  massa;  hoop;  vt  (in  massa) 
bijeenbrengen,  op-,  samenhopen; 
combineren;   vi  zich  verzamelen. 

massacre  ['msesska]  moord,  bloedbad 
o,    slachting;    vt    uit-,    vermoorden. 

massage  [ms'saij]  massage;  vt  mas- 
seren. 

massive    ['massiv]    massief,   zwaar; 
massaal,  aanzienlijk,  indrukwekkend. 

mast  [ma:st]  mast. 

master  ['ma:st3]  meester,  heer  (des 
huizes);  eigenaar,  baas,  chef;  hoofd 
o  (v.  college'),  rector;  leraar;  schip- 
per;  gezagvoerder;  Master  Henry,  de 
jongeheer  Hendrik;  the  ■ — ■  and 
mistress,  mijnheer  en  mevrouw;  vt 
zich  meester  maken  van,  overmees- 
teren,  meester  worden;  beheersen. 

masterful  ['maistsful]  meesterachtig; 
despotisch,  bazig. 

masterkey  L'maistski:]  loper  [sleu- 
tel]. 

masterly    ['marstsli]    meesterlijk. 

masterpiece  ['ma:st3pi:s]  meesterstuk 


o,  meesterwerk  o. 

mastership    ['ma:st3jipj    meester- 
schap  o. 

mastery   ['maistari]   meesterschap  a. 
overhand,    heerschappij. 

masticate   ['masstikeit]   kauwen. 

mastiff    ['ma:stif]    bulhond. 

mat    [meet]    mat,   matje   o. 

match  [mstj]  lucifer,  lont;  gelijke; 
partij,  huwelijk  o;  wedstrijd;  be  a 
■ — ■  for,  opgewassen  zijn  tegen;  be 
a  good  '-^  for,  goed  komen  bij; 
find  (meet)  one's  ■ — ■,  zijn  man 
vinden;  vt  paren,  evenaren;  tegen- 
over  elkaar  stellen,  in  overeenstem- 
ming  brengen  (met,  to)\  vi  een 
paar  vormen,  bij  elkaar  horen  (ko- 
men);   ...to   — ,   daarbij  komende. 

match-box    ['maetjb^ks]    lucifers- 
doosje   o. 

matchless  ['mstjlis]  weergaloos. 

mate  [meit]  maat,  makker,  kameraad; 
helper;  (levens)gezel(lin) ;  man- 
netje  o  of  wijfje  o  [v.  dieren]; 
stuurman;  vt  paren,  (in  de  echt) 
verenigen;    huwen. 

material    [ma'tisrial]    materiaal   o, 
(bouw)stof;    aj    stoffelijk,    lichame- 
lijk,  materieel;  van   belang,  belang- 
rijk,  wezenlijk. 

materialize  [ma'tisrislaiz]  realiseren; 
zich  verwezenhjken. 

maternal   [ma'tsrnsl]   moederlijk, 
moeder(s)-;  van  moederszijde. 

maternity  [ms'tatniti]  moederschap  o. 

mathematical   [m£9i'maetikl]   mathe- 
matisch,  wiskundig. 

mathematician    [majGima'tiJsn]    wis- 
kunstenaar,  wiskundige. 

mathematics    [mseGi'mstiks]   wis- 
kunde. 

matriculate  [ma'trikjuleit]  (zich  la- 
ten)    inschrijven   [als  student]. 

matriculation    [matrikju'leijan]    in- 
schrijving,    toelating    (als    student), 
toelatingsexamen   o. 

matrimonial   [maetri'mounjal]   huwe- 
lijks-,  echtelijk. 

matrimony   ['maetrimsni]    huweJijk;  o. 


matron 


165 


meddle 


matron  ['meitran]   getrouwde  dame, 
matrone;     moeder     [v.     weeshuis]; 
juffrouw   voor   de   huishouding    [v. 
kostschool];    directrice    [v.    zieken- 
huis]. 

matter  ['maets]  stof,  materie;  zaak, 
ding  o\  aangelegenheid,  kwestie;  et- 
ter;  a  • — ■  oj  course,  lets  vanzelf- 
sprekends;  a  —  oj  fact,  een  feit  o; 
as  a  —  of  fact,  in  feite;  inderdaad; 
trouwens;  what  is  the  —^  {with 
you)?,  wat  is  er?,  wat  scheelt  er 
aan?;  for  that  — ,  wat  dat  aan- 
gaat,  trouwens;  in  the  —  of...,  in- 
zake...;  vi  van  belang  zijn;  /'/  does 
not  -~,  het  komt  er  niet  op  aan. 

matter-of-fact  [msetorav'fsekt]  zakelijk, 
nuchter,  prozaisch. 

mattock    ['maetsk]    houweel   o. 

mattress    ['msetris]    matras. 

mature   [ma'tjua]   rijp;   vi  rijpen. 

matured   [ma'tjuad]    rijp;  belegen. 

maturity    [ma'tjuariti]    rijpheid;  ver- 
valtijd,   -dag. 

maul    [ma:l]    moker;    vt    beuken,    er 
op  timmeren;   toetakelen. 

Maundy  Thursday   ['m3:ndi'6a:zdi] 
Witte  Donderdag. 

maw   [ma:]    pens,  krop,  maag. 

mawkish  ['ma:kij']  walglijk  zoet;  sen- 
timenteel. 

maximum   ['maeksimam]   maximum  o. 

May    [mei]    mei;   meidoorn. 

may    [mei]    mogen,    kunnen. 

maybe  ['meibi:]  misschien,  mogelijk. 

mayor   ['m8a]   burgemeester. 

mayoral    ['mearal]    burgemeesterlijk. 

mayoralty   ['mSaralti]   burgemeester- 
schap  o. 

mayoress    ['mearis]    burgemeesters- 
vrouw;   vrouwelijke  burgemeester. 

maze  [meiz]  doolhof;  verbijstering; 
in  a  — ,  de  kluts  kwijt. 

me  [mi:]  mij. 

meadow    ['medou]    weide. 

meagre    ['mi:ga]    mager,    schraal. 

meal  [mi:l]  meel  o\  maaltijd,  maal  o\ 
at  ^—s,  bij  de  maaltijd;  aan  tafel. 

mealy    ['mi:li]    meelachtig;    melig; 


vlekkig;   bleek;  fig   zoetsappig. 
mean    [mi:n]    gemiddelde   o,    middel- 

maat,  middenweg,  middelevenredige; 

the    —    between,    het    midden    tus- 

sen...;  a]  gemiddeld,  middelbaar  [v. 

tijd];    middel-;    gering;    min,    laag, 

verachtelijk;     gierig;     vt    bedoelen; 

menen;    van    plan    zijn;    betekenen; 

bestemmen. 
meander    [mi'snda]    kronkeling;    vi 

kronkelen,   zich  slingeren. 
meaning   ['mi:nir)]    bedoeling;  beteke- 

nis;    a]   veelbetekenend. 
meaningless    ['mi:nir)lis]    zinledig; 

nietszeggend. 
means    [mi:nz]    middelen;    inkomsten; 

middel  o\  by  all  — ,  vooral,  zeker, 

stellig;    by    no    -~,    geenszins,    vol- 

strekt  niet;   by   —    of,   door  middel 

van. 
meant   [ment]   V.T.  &  V.D.  v.  mean. 
meantime  ['mi:n'taim]   in  the  — ,  in- 

tussen,   ondertussen. 
meanwhile    ['miin'hwail]    intussen, 

ondertussen. 
measles    ['mi:zlz]    mazelen. 
measurable    ['me33rabl]   meetbaar. 
measure    ['mesa]    maat,    mate;    maat- 

staf;   deler;  maatregel;   in  a   — ,  in 

zekere  mate,   tot  op  zekere  hoogte; 

made   to    — ,    op    maat;    vt   meten, 

op-,  afmeten,  toemeten;  de  maat  ne- 

men. 
measurement  C'mesamant]  meting,  af- 

meting,  maat. 
meat  [mi:t]  vlees  o;  spijs,  kost;  eten  o. 
mechanic    [mi'kaenik]    handwerksman; 

mecanicien,    monteur;   dental    — , 

tandtechniker;    — s,    werktuigkunde, 

mechanica. 
mechanical    [mi'kasnikl]   machinaal, 

werktuiglijk;    machine-. 
mechanician    [meka'nijan]    werktuig- 

kundige. 
mechanize    ['mekanaiz]    mechaniseren. 
medal   ['medl]    (gedenk) penning,  me- 

daille. 
meddle    ['medl]    zich   bemoeien,    zich 

inlaten  (met,  with). 


meddler 


166 


mend 


meddler    ['media]    bemoeial. 

meddlesome  ['medlsam],  meddling 
['medlir)]    bemoeiziek. 

mediaeval    [medi'i:v3l]   middeleeuws. 

mediate    ['mi:diit]    tussen(liggend); 
['miidieit]    vi  bemiddelen. 

mediation    [mi.di'eijsn]    bemiddeling. 

mediator   ['mitdieita]   bemiddelaar. 

medical  ['mediki]  medisch,  genees-, 
geneeskundig;  ■ — '  man,  medicus, 
dokter;  ^^  officer,  officier  van  ge- 
zondheid;  arts  v.  d.  Geneesk.  Dienst; 
'^  superintendent,  geneesheer-direc- 
teur. 

medicine  ['medsn]  medicijn,  genees- 
middel    o;    geneeskunde. 

mediocre    ['miidiouka]    middelmatig. 

mediocrity    [mi:di'3kriti]    middelma- 
tigheid. 

meditate  ['mediteit]  nadenken,  pein- 
zen;    overdenken,   denken  over. 

meditation  [medi'teijan]  overdenking, 
over-,  bepeinzing. 

meditative    ['mediteitiv]    (na)den- 
kend,  peinzend. 

Mediterranean  [medita'reinjan]  (van 
de)   Middellandse  Zee. 

medium  ['miidiam]  midden  o,  mid- 
denweg;  middelsoort;  middenterm; 
middel  o,  medium  o;  by  {through) 
the  —  of,  door  (bemiddeling  of 
tussenkomst  van);  aj  middelsoort-; 
middelfijn,  middelgroot  &. 

medlar    ['medb]    mispel. 

medley  ['medli]  mengelmoes  o  &  v\ 
mengeling;  aj  gemengd,  bont. 

meek  [mi:k]  zachtmoedig,  zachtzinnig, 
ootmoedig,   gedwee. 

meerschaum  ['miajsm]  meerschuim  o. 

meet  [mi:t]  geschikt,  gepast;  vt  ont- 
moeten,  tegenkomen,  (aan)treffen, 
vinden;  tegemoet  komen  (aan);  vol- 
doen  (aan);  voorzien  in;  het  hoofd 
bieden,  opvangen;  beantwoorden; 
kennis  maken  met;  bezoeken;  •— 
one  at  the  station,  afhalen;  vi  el- 
kaar  ontmoeten;  samen-,  bijeenko- 
men;  --^  with,  ontmoeten;  krijgen 
[ongeluk];     (onder)vinden;    lijden; 


wegdragen    [goedkeuring] . 

meeting  ['miitirj]  ontmoeting,  bij- 
eenkomst,  vergadering;  wedstrijd, 
wedren. 

megalomania   [megalou'meinja] 
grootheidswaan(zin). 

melancholy  ['mebnkali]  melancholic, 
zwaarmoedigheid,  droefgeestigheid; 
aj  melancholiek,  zwaarmoedig,  droef- 
geestig;  droevig,  treurig,  triest. 

melee    ['melei]    verward    gevecht    o, 
handgemeen  o. 

mellow  ['melon]  rijp,  mals,  murw, 
zacht;  vi  rijp  &  worden;  vt  doen 
rijpen;  temperen,  verdoezelen. 

melodious   [mi'loudjas]   melodieus, 
welluidend,  zangerig. 

melody   ['mebdi]   melodie. 

melon   ['mebn]  meloen. 

melt  [melt]  smelten,  vermurw-en,  ver- 
tederen. 

melting-pot  ['meltiripot]   smeltkroes. 

member  ['memba]   lid  o,  lidmaat  o. 

membership    ['membajip]    lidmaat- 
schap  o\  ledental   o. 

membrane  ['membrein]  vlies  o. 

membranous    ['membranas]   vliezig. 

memento    [mi'mentou]   gedachtenis, 
herinnering,  aandenken  o. 

memoir  ['memwa:]  verhandeling;  -^j, 
memoires,  gedenkschriften. 

memorable  ['memarabl]  gedenkwaar 
dig,  heuglijk. 

memorandum  [mema'rsendam]  memo- 
randum o,  notitie;   nota. 

memorial   [mi'mD:rial]   gedachtenis, 
herinnering;    verzoekschrift    o,     no- 
ta, memorie;  gedenkstuk  o,  gedenk- 
teken  o\  aj  geheugen-;  herinnerings-, 
gedenk-. 

memorize  ['memaraiz]  optekenen;  in 
de  herinnering  bewaren. 

memory  ['memari]  geheugen  o\  her- 
innering,   aandenken   o. 

men   [men]   meerv.  v.  man. 

menace  ['menis]  (be)dreiging;  drei- 
gement  o\  vt  (be)dreigen. 

menagerie  [mi'naed.3ari]  beestenspel  o. 

mend    [mend]    gestopte    of    verstelde 


mendacious 


167 


mess-tin 


plaats;  be  on  the  — ,  beterende;  vt 
(ver)beteren,  repareren,  verstellen, 
lappen,  stoppen;  vi  beteren,  beter 
worden;  vooruitgaan  [zieke];  zich 
(ver)beteren. 
mendacious    [men'deij'ss]    leugenach- 

mendacity   [men'dcesiti]    leugenachtig- 

heid. 
mendicant   ['mendilont]   bedelaar;  be- 

delmonnik;   aj  bedelend,   bedel-. 
mendicity    [men'disiti]    bedelarij;    be- 

delstand. 
menial    ['miinisl]    (dienst)knecht, 

huurling;    aj  dienend;    dienstbaar; 

huurlingen-;    fig   laag. 
Mennonite   ['mensnait]   doopsgezinde, 

mennoniet. 
mensurable   ['menjursbl]   meetbaar. 
mental    ['mentl]    geestelijk,   geestes-; 

—    arithmetic,    hoofdrekenen   o;    ■ — 

home,   zenuwinrichting;     —     nurse, 

krankzinnigenverpleger,    -verpleeg- 

ster;   -~   patient,  zenuwpatient. 
mentality    [men'tsliti]    geestesgesteld- 

heid;  denkwijze;  geestkracht. 
mentally  ['mentali]  geestelijk. 
mention   ['menjan]    (ver)melding,  ge- 

wag    o\    vt     (ver)meJden,    noemen; 

don't  —  itl,  geen  dank! 
menu    ['menju:]   menu  o  &  m,   spijs- 

kaart. 
mercantile    ['msikantail]   koopmans-, 

handels-. 
mercenary    ['maisinari]    huurling;    aj 

gehuurd,    huur-;    veil,    (voor    geld) 

te  koop;   baatzuchtig. 
mercer    ['m3:s3]    manufacturier    (in 

zijden    en    wollen    stoffen). 
mercery    ['maisari]    zijden   en   wollen 

stoffen;    manufactuurzaak. 
merchandise  ['msitjandaiz]  koopwaar, 

waren. 
merchant   ['msitjant]    koopman, 

(groot)handelaar;  aj  handels-. 
merchantman    ['m3:tj3ntm3n]    koop- 

vaardijschip  o. 
merciful    ['msisiful]    barmhartig,    ge- 

nadig. 


merciless    ['msisilis]    onbarmhartig, 

meedogenloos. 
mercury    ['maikjuri]    kwik(zilver)    o. 
mercy   ['maisi]    barmhartigheid,  gena- 

de;  weldaad,  geluk  o;  jor  — ' s  sake, 

om  godswil!;  at  the  ■ — •  oj,  overge- 

leverd    aan   de   genade   van. 
mere    [mis]    louter,   zuiver,    enkel; 

maar;  a  —  boy,  nog  maar  een  jon- 

gen. 
merely    ['miali]    enkel,   louter,   alleen. 
merge    [maids]    samensmelten    (met, 

into);  samenvloeien,  (doen)  opgaan; 

be   — d  in,   opgaan  in. 
meridian   [ma'ridisn]   meridiaan, 

middaghoogte,  toppunt  o. 
merit   ['merit]   verdienste;  the  — s  of 

the  case,  het  essentiele   (eigenlijke) 

der    zaak;    on    its     {own)     ■ — s,    op 

zich  zelf;   vt  verdienen. 
meritorious    [meri't3:ri3s]   verdien- 

stelijk. 
mermaid   ['maimeid]   meermin. 
merriment   ['merimsnt]  vrolijkheid. 
merry   ['meri]    vrolijk;   make  • — ■,  vro- 

lijk  zijn,  pret  maken. 
merry-andrew    ['meri'aendru:]    paljas, 

hansworst. 
merry-go-round   ['merigouraund] 

draaimolen. 
merry-making   ['merimeikig]   pretma- 

kerij,  feestje  o. 
mesh  [mej]  maas;  — es,  net(werk)  o. 
mess    [mes]    gerecht   o;   menage,   bak; 

knoeiboel;  vuil  goedje  o;  make  a  ■ — ■ 

of  it,  de  boel  verknoeien,  in  de  war 

schoppen;  be  in  a  — ,  overhoop  lig- 

gen;    be   in   a  fine    ~,   er   lelijk   in 

zitten;    vt    bemorsen,    vuil    maken; 

verknoeien;   vi  morsen,  knoeien;   ~^ 

about,   (rond)scharrelen. 
message   ['mesidsj    (koninklijke) 

boodschap;  bericht  o,  telegram  o. 
messenger   ['mesindss]   bode,  bood- 

schapper,   voorbode;    —    boy,    loop- 

jongen. 
mess-room    ['mesrum]    eetkamer. 
Messrs   ['messz]    de  Heren. 
mess-tin   ['mestin]   eetketeltje  o. 


messy 


168 


militate 


messy   ['mesi]    vuil,  wanordelijk. 
met   [met]   V.T.  &  V.D.  v.   7neet. 
metal    ['metl]    metaal   o;   steenslag   o; 

■ — s,   rails;    ai   metalen,    metaal-;    vl 

met  metaal  bedekken;  verharden  [een 

weg]. 
metallic   [mi'taelik]   metaalachtig,  me- 
talen, metaal-. 
metallurgy   [me'tasbidsi]  metallurgie: 

metaalbewerking. 
metamorphosis   [mets'moifasis]   ge- 

daanteverwisseling. 
metaphor   ['metsfs]    beeldspraak, 

overdrachtelijke  spreekwijze. 
metaphorical   [mets'forikl]    over- 

drachtelijk,  figuurlijk. 
mete  [mi:t]   —  out,  toedelen. 
meteor  ['miitjs]  meteoor. 
meteorological    [mirtjsrs'bdsikl]    me- 

teorologisch,  weerkundig. 
meter   ['miits]    meter   [voor  gas  &]. 
method  L'meBsd]  methode. 
methodical    [mi'BDdikl]    methodisch. 
meticulous    [mi'tikjulss]    overangst- 

vallig,   bijzonder   nauwgezet. 
metre   t'mita]   metrum  o;  meter. 
metrical    ['metrikl]    metrisch. 
metropolis    [mi'trDpslis]    hoofdstad; 

wereldstad   (speciaal  Londen). 
mettle   ['metl]   vuur  o,  moed,  fut. 
Meuse    [mju:z]    Maas. 
mew  [mju:]  m(i)auwen. 
Mexican   ['meksikan]   Mexicaan;  a] 

Mexicaans. 
mice  [mais]  meerv.  van  mouse. 
microbe  ['maikroub]  microbe. 
microphone    ['maikrafoun]    micro- 

foon. 
microscope  ['maikrsskoup]  micro- 
scoop. 
mid  air  ['mid'es]  in  -~,  in  de  lucht, 

tussen  hemel  en  aarde. 
midday  ['middei]  middag. 
middle    ['midl]    midden   o,   middei    o 

[v.  't  lichaam];  aj  midden-,  middei-, 

tussen-,    middelbaar. 
middle-aged   ['midi'eidsd]   van  mid- 

delbare  leeftijd. 
middle-class    ['midl'klais]    burger- 


klasse,    (gegoede)    middenstand;    «/ 

burgerlijk. 
middleman  ['midlmsn]  tussenpersoon. 
middlemost    ['midlmoust]    middelste. 
middle-sized    ['midlsaizd]    van   mid- 

delbare    grootte,    middelsoort-. 
middling    ['midlirj]    middelmatig,    ta- 

melijk,  20  zo. 
midge   [mids]   mug;  jtg  dwerg. 
midget    ['midsit]    dwergje   o;   als  a] 

miniatuur. 
midland    ['midland]    bet  midden  van 

een   land;   the  Midlands,   Midden- 

Engeland  o. 
midnight    ['midnait]    middernacht;    a] 

middernachtelijk. 
midriff   ['midrif]   middenrif  0. 
midshipman    ['midjipman]    adelborst. 
midst    [midst]    midden   o\   in   the   — 

oj,  te  midden  van. 
midway   ['mid'wei]    halverwege,   in 

het  midden. 
mien  [mi:n]   uiterlijk  o,  voorkomen  o. 
might    [mait]   macht,  kracht;   V.T.   v. 

may. 
mighty    ['maiti]    machtig,   groot;   erg. 
mignonette    [minja'net]    reseda. 
migrant    ['maigrant]    trekvogel;   land- 

verhuizer;     zwerver;     a]    zwervend; 

verhuizend;   trek-. 
migrate    [mai'greit]    verhuizen,    trek- 
ken  [v.  vogels  of  vis],  zwerven. 
migration   [mai'greijan]  verhuizing, 

trek. 
migratory   ['maigretari]   verhuizend, 

zwervend;    trek-;    '^    birds,    trekvo- 

gels. 
milch-cow  ['miltjkau]   melkkoe. 
mild   [maild]   zacht(aardig);  goedaar- 

dig  [ziekte];  zwak,  flauw;  licht  [si- 

gaar] . 
mile    [mail]    Engelse  mijl    [1609  m]. 
milestone    ['mailstoun]    mijlsteen; 

mijlpaal. 
militancy   ['militansi]   strijdlust. 
militant   ['militant]   strijdend,  strijd- 

lustig. 
military    ['militari]   militair. 
militate    ['militeit]    vechten,    strijden; 


militia 


169 


ministry 


fig  pleiten;  bevorderlijk  zijn   (voor, 
for). 

militia  [mi'lij'a]  militie. 

milk   [milk]   melk;  v(  melken. 

milker  ['milka]  melk(st)er;  melkkoe. 

milkmaid  ['milkmeid]  melkmeisje  o. 

milkman    ['milkm3n]    melkboer. 

milky   ['milki]    melkachtig,  melk-. 

mill  [mil]  molen;  fabriek;  spinnerij; 
vt  malen;  pletten;  vollen;  kartelen 
[munt]. 

millipede   ['milipi:d]   miijoenpoot. 

miller    ['mib]    molenaar. 

millet  ['milit]  gierst. 

milliard   ['miljsd]   miljard  o. 

millimetre    ['milimiits]    millimeter. 

milliner   ['milina]   modemaakster, 
modiste. 

millinery    ['milinsri]    modes,    mode- 
vak  o. 

million    ['miljan]    miljoen   o. 

millionaire    [milja'nea]    miljonair. 

mill-owner   ['milouna]   fabrikant. 

millstone    ['milstoun]   molensteen. 

milt    [milt]    milt;    hom. 

mime  [maim]  gebarenspel  o;  vt  mi- 
meren,   door  gebaren  voorstellen. 

mimic  ['mimik]  nabootser,  naaper;  aj 
nabootsend;  geveinsd,  schijn-,  on- 
echt;  -^^  warfare,  spiegelgevecht  o; 
vt  nabootsen,  naapen. 

mimicry  ['mimikri]  mimiek;  naboot- 
sing;   mimicry. 

mince  [mins]  fijnhakken;  do  not  ^-^ 
matters,  wind  er  geen   doekjes   om. 

mincemeat  ['minsmiit]  vulsel  a  van 
fijngehakte  krenten,  appels  &;  make 
—  of,  tot  moes  (kort  en  klein) 
slaan. 

mincing  ['minsig]   gemaakt,  nuffig. 

mind  [maind]  gemoed  o\  verstand  o, 
geest;  gedachten;  gevoelen  o,  me- 
ning,  opinie;  gezindheid,  neiging, 
lust,  zin;  speak  one's  ■ — ■,  zeggen 
Y/aar  't  op  staat;  be  i  n  two  •—'S 
about  it,  het  nog  niet  met  zich  zelf 
eens  zijn,  in  twijfel  zijn;  be  of 
one's  — ,  het  met  iemand  eens  zijn; 
that's  a  great  anxiety  off  my   — , 


dat  is  mij  een  pak  van  't  hart;  he 
has  something  o  n  his  — ,  hij  heeft 
lets  op  het  hart;  he  is  out  of 
his  — ,  hij  is  niet  wel  bij  het  hoofd; 
gek;  /  o  my  ■ — ■ ,  naar  mijn  zin;  in 
mijn  opinie;  vt  bedenken,  denken 
(geven)  om;  acht  slaan  op;  passen 
op;  ervoor  zorgen  dat;  er  lets  op 
tegen  hebben  dat;  ^-^  your  own 
business!,  bemoei  je  met  je  eigen 
zaken!;  I  should  not  —  a  cup  of 
tea,  ik  zou  wel  een  kopje  thee  wil- 
len  hebben;  would  you  —  telling 
me?,  zoudt  u  zo  vriendelijk  willen 
zijn  mij  te  zeggen?;  never  — !,  dat 
komt  er  niet  op  aan;  never  ■ — ■  about 
that,  never  you  — I,  bekommer  u 
daar  niet  over;  never  —  him,  stoor 
je  niet  aan  hem. 

minded  ['maindid]  gezind,  ingesteld; 
be  —  to,  van  zins  zijn;  zin  of  lust 
hebben  om. 

mindful  ['maindful]  indachtig,  oplet- 
tend,  zorgvuldig,  behoedzaam;  be 
—   of,  denken  om. 

mindless    ['maindlis]    onoplettend, 
achteloos. 

mine   [main]    de,  het  mijne;  van  mij. 

mine  [main]  mijn;  vt  ondermijnen; 
be  — d,  op  een  mijn  lopen. 

miner   ['maina]   mijnwerker. 

mineral  ['minarsl]  mineraal  o,  delf- 
stof;   aj  mineraal,   delfstoffen-. 

mingle  ['mirjgl]  (zich)  mengen,  ver- 
mengen. 

minimize  ['minimaiz]  tot  een  mini- 
mum herleiden;  verkleinen,  bagatel- 
liseren. 

minimum  ['minimam]  minimum  o. 

mining    ['mainit)]    mijnbouw. 

minion    ['minjan]    gunsteling. 

minister  ['minista]  minister;  gezant, 
predikant;  vi  dienen;  de  dienst  ver- 
richten;  —  to,  behulpzaam  zijn  in, 
bijdragen  tot;  voorzien  in;  verzor- 
gen. 

ministerial    [minis'tiarial]    ministeri- 
eel;   geestelijk;   dienend. 

ministry  ['ministri]  ministerie  o\  be- 


minor 


170 


jfire 


diening,  verzorging,  zorg;  (predik)- 
ambt  o,  dienst;  medewerking,  tus- 
senkomst. 

minor  fmaina]  minderjarige;  aj  min- 
der,  klein(er);   mineur. 

minority    [mai-,   mi'nDriti]    minder- 
heid;   minderjarigheid. 

minstrel  ['minstrsl]  minstreel;  neger- 
zanger. 

mint  [mint]  munt;  a  — ■  of...,  een 
boel    (hoop,  bom)...;   vt  munten. 

minuend    ['minjuend]    aftrektal   o. 

minus  ['mainas]  minus,  min,  minte- 
ken  o;  zonder,  behalve. 

minute  ['minit]  minuut;  the  ^J,  de 
notulen;  this  — ,  op  staande  voet; 
een  ogenblik  geleden,  zo  net;  to 
the  {a)  '-~^,  op  de  minuut  (af);  vt 
minuteren;  notuleren;  [mai'nju:t, 
mi'nju:t]  aj  klein,  gering,  minu- 
tieus,   haarfijn. 

minute-book    ['minitbuk]    notulen- 
boek  o\  kladboek  o. 

minute-hand   ['minithsnd]   minuut- 
wijzer. 

minutely    [mai-,   mi'nju;tli]    omstan- 
dig,   haarfijn. 

minx  [mirjks]  feeks,  kat. 

miracle  ['mirskl]  wonder  o,  mirakel  o. 

miraculous  [mi'reekjubs]  miraculeus, 
wonderbaarlijk;  wonderdadig,  won- 
der-. 

mirage   [mi'ra:3]   luchtspiegeling. 

mire    ['mais]    modder;    slik   o. 

mirror  ['mira]  spiegel;  vt  af-,  weer- 
spiegelen. 

mirth  [m3;6]  vrolijkheid,  lustigheid. 

mirthful    ['msieful]   vrolijk,   lustig. 

mirthless    ['m3:61is]    droefgeestig. 

miry   ['maiari]    modderig,   slijkerig. 

misadventure    ['misad'ventjs]    onge- 
luk    o,   tegenspoed. 

misanthrope  ['mizanOroup]  mensen- 
hater. 

misapprehension   ['misa?pri'henjan] 
misverstand  o,  misvatting. 

misappropriation  ['misaproupri'eijan] 
onrechtmatige   toeeigening. 

misbecome    ['misbi'kAm]    misstaan, 


niet  passen,  niet  voegen.        [drag  o. 

misbehaviour  ['misbi'heivja]  wange- 

misbelief  ['misbi'li:f]  verkeerd  geloof 
o,   dwaalleer;   dwaalbegrip   o. 

miscalculation    ['miskaelkju'leifan] 
misrekening;   verkeerde   berekening. 

miscall  ['mis'kD:!]  verkeerd  noemen; 
• — ed ,    ook:    zogenaamd. 

miscarriage  [mis'kajrids]  wegraken  o\ 
verongelukken  o;  mislukking;  • — ■  oj 
justice,  rechteilijke  dwaling. 

miscellaneous  [misi'leinjas]  gemengd, 
veelsoortig;  veelzijdig. 

miscellany  ['misilani]  mengelwerk  o, 
mengeling. 

mischance  [mis'tjains]  ongeluk  o;  by 
— •,    bij    ongeluk. 

mischief  ['mistjif]  onheil  o.  k^'aad  o, 
kattekwaad  o,  ondeugendheid. 

mischiefmaker   ['mistjifmeika]   on- 
ruststoker. 

mischievous    ['mistjivas]    schadelijk; 
moedwillig,   boosaardig,  ondeugend. 

misconceive   ['miskan'si:v]   verkeerd 
begrijpen  of  opvatten. 

misconception  ['miskan'sepjan]  mis- 
vatting,   wanbegrip   a. 

misconduct  ['mis'kandakt]  slecht  be- 
stuur  o\  wangedrag  <?;  ['miskan- 
'dAkt]  slecht  beheren,  verkeerd  lei- 
den;  —  oneself,  zich  misdragen. 

miscount  ['mis'kaunt]  verkeerde  (op)- 
teiling;     vt    verkeerd     (op)tellen. 

miscreant   ['miskriant]   onverlaat. 

misdeed    ['mis'di:d]    wandaad. 

misdemeanour  ['misdi'mi:na]  wange- 
drag o\  vergrijp  o,  misdrijf  o. 

misdirect  ['misdi'rekt]  verkeerde  aan- 
wijzingen   geven;    verkeerd   leiden; 
verkeerd  adresseren. 

misdoing  ['mis'du:ir|]  misslag;  mis- 
daad. 

miser    ['maiza]    gierigaard,   vrek. 

miserable  ['mizarabi]  ellendig,  ramp- 
zalig;   droevig,   armzalig. 

miserly    ['maizali]    gierig,   vrekkig. 

misery    ['mizari]    miserie,    eliende. 

misfire  ['mis'faia]  ketsing;  vi  ketsen; 
weigeren. 


misfortune 


171 


iniz(z)en 


misfortune    [mis'fDitj'an]    ongeluk   o. 

misgiving   [mis'givir]]   bezorgdheid, 
angstig  voorgevoel  o\  argwaan. 

misgovernment    ['mis'gAvanmant] 
wanbestuur  o,  wanbeheer  o. 

misguide  ['mis'gaid]  verkeerd  leiden; 
misleiden;  ■ — 'd,  ook:  onverstandig. 

mishap  [mis'hEp]  ongeval  o,  onge- 
luk o. 

mishmash    ['mijmaej]    mengelmoes    o 

&   V. 

misinterpret   ['misin'taiprit]    misdui- 
den,  verkeerd  uitleggen. 

misjudge  ['mis'dsAdg]  verkeerd  (be-) 
oordelen. 

mislay    [mis'lei]    op   een   verkeerde 
plaats    leggen,    zoekmaken. 

mislead  [mis'li:d]  misleiden,  bedrie- 
gen. 

mismanagement    ['mis'm2enid3m3nt] 
slecht  bestuur  o,  wanbeheer  o\  ver- 
keerde regeling,  verkeerd  optreden  o. 

misplace  ['mis'pleis]  verkeerd  plaat- 
sen  of  aanbrengen,   misplaatsen. 

misprint  ['mis'print]   drukfout. 

misrepresentation   ['misreprizen'tei- 
Jsn]  onjuiste  of  verkeerde  voorstel- 
jing. 

misrule  ['mis'ru:!]  wanorde,  verwar- 
ring,   tumult  o\  wanbestuur  o. 

miss  [mis]  (me)juffrouw;  misslag, 
misstoot,  misschot  o\  vt  missen, 
misslaan,  misschieten,  mislopen; 
verzuimen  [school,  lessen  of  gele- 
genheden];  weglaten;  —  //Ve,  zie 
misjire\  be  '—ing,  er  niet  zijn,  ont- 
breken;   vermist  worden. 

missal   ['misal]   missaal  o,  misboek  o. 

misshapen   [mis'Jeipn]  mismaakt, 
misvormd,    wanstaltig. 

missile    ['misail]    projectiel   o. 

mission  ['mijan]  zending,  missie;  ge- 
zantschap   o;  opdracht;   roeping. 

missionary   ['mijanari]   missionaris; 
zendeling. 

missive    ['misiv]    missive,    brief. 

misstatement  ['mis'steitmsnt]  verkeer- 
de of  onjuiste  voorstelling  (opga- 
ve),  onjuistheid. 


missus  ['mis3s]  (moeder  de)  vrouw, 
mevrouw   [v.   dienstboden]. 

mist    [mist]    mist,    nevel. 

mistake  [mis'teik]  vergissing,  dwaling, 
fout;  make  a  — ,  een  fout  maken; 
zich  vergissen  (in,  over');  by  {in) 
— ,  per  abuis;  a...  and  no  ■ — ■,  van 
je  welste,  een  echte...;  vt  misver- 
staan,  ten  onrechte  aanzien  (voor, 
for)\   zich   vergissen    in. 

mistaken  [mis'teikn]  verkeerd  begre- 
pen,  verkeerd;  misplaatst;  be  -~, 
zich  vergissen. 

mister    ['mists]    mijnheer,    de    heer; 
baas. 

mistletoe  ['misltou]  maretak,  vogel- 
lijm. 

mistook  [mis'tuk]  V.D.  v.  mistake. 

mistress  ['mistris]  gebiedster,  meeste- 
res;  vrouw  des  huizes;  onderwijze- 
res,  lerares;  juffrouw  [in  burger- 
kringen];  mevrouw  [altijd  geschre- 
ven   ISirs.   en   uitgesproken:   'misiz]. 

mistrust  ['mis'trAStl  wantrouwen  (o). 

misty   ['misti]   mistig,  beneveld,  vaag. 

misunderstand  ['misAods'stfend]  mis- 
verstaan,  verkeerd  of  niet  begrijpen. 

misunderstanding  ['misAnda'staendig] 
misverstand   o,   geschil   o. 

misuse  ['mis'ju;s]  misbruik  o\  ['mis- 
'ju:z]    vt   misbruiken;    mishandelen. 

mite  [mait]  mijt;  penning;  kleinig- 
heid,  ziertje  o;  peuter. 

mitigate  ['mitigeit]  verzachten;  leni- 
gen. 

mitigation  [miti'geijsn]  verzachting; 
leniging. 

mitre    ['maita]    mijter. 

mitten  ['mitn]  want;  mitaine;  get  the 
— ,  de  bons  krijgen. 

mix  [miks]  mengen,  vermengen;  ■ — ■ 
up,  dooreen-,  vermengen;  (met  el- 
kaar)  verwarren;  —  one  up  in  it, 
iemand  in  iets  betrekken;  ■ — ■  with, 
ook:    omgaan   met. 

mixer  ['mikss]  menger  [v.  dranken]; 
molen    [voor  beton]. 

mixture    ['mikstja]   mengsel  o. 

miz(z)en    ['mizn]    bezaan. 


moan 


1 72  monkey-wrench 


moan   [moun]   kreunen,  kermen,  jam- 

meren;  betreuren,  bejammeren. 
moat   [mout]    (kasteel)gracht. 
mob    [mab]     grauw    o,    gepeupel    o; 

troep,  bende;  menigte;  vt  hinderlijk 

volgen,    zich    verdringen    om. 
mobile    ['moubail]    beweeglijk;    ver- 

plaatsbaar,  rijdend;  mobiel. 
mobility    [mou'biliti]    beweeglijkheid. 
mobilization    [moubilai'zeijan]   mobi- 

lisatie. 
mobilize    ['moubilaiz]    mobiliseren. 
mock    [mok]    bespotting,    spot,    voor- 

werp    o  van    spot;    aj  vals,    onecht, 

nagemaakt,     schijn-,     huichelachtig, 

ironisch;    vt    spotten    met,    voor    de 

gek    houden,    spottend    naapen;    vi 

spotten   (met,  at). 
mocker  ['moka]  spotter. 
mockery    ['msksri]    spot,   bespotting, 

aanfluiting. 
mock-fight  ['raDk'fait]  spiegelgevecht  o. 
mock-turtle  ['msk'taitl]  nagemaakte 

schildpadsoep. 
mode   [moud]  mode;  vorm,  wijze. 
model   ['mDdl]   model  o,  voorbeeld  o, 

toonbeeld  o;  aj  model-;  vt  modelle- 

ren,    boetseren,    vormen. 
moderate  ['mDdarit]  matig,  gematigd; 

middelmatig;     ['mDdsreit]     vt    mati- 

gen,  stillen. 
moderation   [mDds'reiJsn]  matiging, 

tempering,   gematigdheid;   maat. 
modern  ['madan]  modern. 
modernize   ['mDdanaiz]   moderniseren. 
modest  ['modist]  bescheiden,  zedig. 
modesty    ['modisti]    bescheidenheid, 

zedigheid. 
modification  [mDdifi'keiJen]  wijzi- 

ging;  verzachting. 
modify   ['madifai]    wijzigen;   matigen, 

verzachten. 
modish    ['moudij]    modisch,    fatterig. 
Mohammedan    [mou'hasmidan]    mo- 

hammedaan(s). 
moist   [msist]   vochtig,   nat. 
moisten  ['mDisn]  bevochtigen;  vochtig 

worden. 
moisture  ['maistja]  vochtigheid,  vocht 


o    &   V. 
molar  ['moub]  maaltand,  kies. 
mole    [moul]    mol;    havendam,    pier; 

moedervlek. 
molecule    ['mDlikju:!]    molecule. 
mole-hill    ['moulhil]    molshoop. 
molest   [ms'lest]    molesteren,   lastig 

vallen. 
mollification    [mDlifi'keiJsn]   verzach- 
ting; vertedering,  vermurwing. 
mollify  ['mDlifai]  verzachten;  vertede- 

ren,   vermurwen. 
mollusc    ['mabsk]   weekdier  o. 
molten    ['moultn]   V.D.  v.   melt. 
moment  ['moumant]  moment  o\  ogen- 

blik  o;  belang  o\  the  —  /  knew,  zo- 

dra  ik  wist;  this  '~,  ogenblikkeHjk; 

daar  net;   of  great   {little)    ■ — •,  van 

groot   (weinig)  belang. 
momentarily   ['moumantsrili]    (voor) 

een  ogenblik. 
momentary    ['moumantari]     (voor) 

een  ogenblik,  vluchtig. 
momentous    [mou'mentas]    gewichtig. 
monarch    ['manak]    vorst,    vorstin; 

(alleen)heerser,    monarch. 
monarchic(al)    [mD'na:kik(l)]  mo- 

narchaal. 
monarchy   ['manaki]   monarchic. 
monastery    C'manastri]    (mannen)- 

klooster  o. 
monastic    [ma'nsestik]    kloosterlijk; 

klooster-;    kloosterachtig. 
Monday   ['mAndi]   maandag. 
monetary    ['mAnitari]    geldelijk,   mo- 

netair,  munt-. 
monetize  ['mAnitaiz]   aanmunten. 
money   ['mAni]   geld  o. 
money-box  ['mAnibaks]  spaarpot. 
moneyed   C'mAnid]   bemiddeld,  rijk. 
moneyless   ['mAnilis]   zonder  geld. 
money-order    ['mAnia:da]    postwissel. 
Mongol   ['marjgal],  Mongolian   [marj- 

'goulian]    Mongool;    aj   Mongools. 
mongrel   ['mAngral]   bastaard. 
monk    [mArjk]   monnik. 
monkey    ['mArjki]    aap;    vt  naapen;   vi 

morrelen,  donderjagen. 
monkey-wrench  ['mArjkirenJ]  schroef- 


monocle 


173 


mortgage 


sleutel. 
monocle   ['mDnDkl]   monocle. 
monogram    ['rriDnagrasm]  monogram  o. 
monologue     ['mDosbg]     alleenspraak. 
monoplane    ['mDnsplein]    eendekker. 
monopolize    [mo'nDpsIaiz]    monopoli- 

seren;    (alleen)    in  beslag  nemen. 
monopoly   [ms'nDpsli]   monopolie  o. 
monosyllabic    [mDnasi'lsbik]    eenlet- 

tergrepig;  jig  weinig  spraakzaam. 
monosyllable    [mDna'silsbl]    eenletter- 

grepig  woord  o. 
monotonous    [mo'nDtanas]    eentonig. 
monotony   [ma'nDtsni]   eentonigheid. 
monsoon    [niDn'suin]   moesson. 
monster    E'mDnsto]    monster   o,    ge- 

drocht  o. 
monstrosity    [mDns'trDsiti]    monster- 

achtigheid,  monster  o,  gedrocht  o. 
monstrous    ['monstras]    monsterachtig 

(groot),  afschuwelijk,  monster-. 
month    [mAnG]    maand. 
monthly    ['mAnOli]    maandelijks; 

maandschrift  o,   -blad   o. 
monument  ['mDnjumsnt]  monuments, 

gedenkteken  o,  -steen. 
monumental    [mDnju'mental]    monu- 

mentaal;  kolossaal. 
moo   [mu:]    loeien   [v.   koeien]. 
mood  [mu:d]   stemming,  luim;  wijs 

[v.   werkwoord]. 
moody    ['mu:di]    humeurig;   somber. 
moon    [mu:n]    maan;    vi  dromen;    — 

about,  rondlummelen;   —  away, 

verdromen. 
mooncalf  ['mu:nka:f]  //'^  uilskuiken  o. 
moonlit  ['mu:nlit]  door  de  maan  ver- 

licht,  maan-. 
moonshine    ['mu:njain]    maneschijn; 

jig  lak,  bedotterij. 
moor    [mua]    hei(de),    veen    o\    vt 

(vast)meren,  vastleggen. 
Moor   [mus]   Moor. 
moorings    ['musrirjz]    meertouwen; 

ligplaats. 
Moorish   ['musrij]   Moors. 
mop  [mDp]   stokdweil,  zwabber;   (bor- 

den)kwast;  raagbol  [haar];  vt  dwei- 

len,   zwabberen,    (af)wissen. 


mope   [moup]   kniezen;   —   oneselj  to 

death,   zich   doodkniezcn. 
mopish   ['moupij],   mopy    ['moupi] 

kniezerig. 
moral  ['mDrsl]   zedcnles,  moraal;  • — s, 

zeden;  zedenleer;  liis  — s,  zijn  zede- 

lijk   gedrag    o;    a]   moreel,    zedelijk; 

zedenkundig,    zeden-. 
morale  [mo'ra:!]  moreel  o  [v.  leger], 
moralist   C'mDrslist]    zedenmeester. 
morality    [ma'rseliti]    zedenleer,   zede- 

lijkheid;  moraliteit. 
moralize   ['mDralaiz]   moraliseren,  een 

zedenpreek  houden  voor  (over). 
morass  [ma'ries]  moeras  o. 
morbid    ['m3:bid]     ziekelijk,     ziekte-; 

somber. 
morbidity    [mD:'biditi]    ziekelijkheid; 

ziektecijfer  o\  somberheid. 
mordant    ['mDidsnt]    belts,   bijtmiddel 

o;   a]  bijtend,   scherp,   sarcastisch. 
more  [niD:]  mcer-  not...  any  — ,  niet 

meer,   niet   langer;   niet  wear;    niets 

meer;   one   ■ —    glass,   nog  een  glas; 

■ —   or  less,  mm  of  meer;  the  — ..., 

the  ■ — ...,  Iioe  meer...,  des  te  meer 

...;   no   —    ...than,  evenmin...   als; 

no    —    does   be,   hij    ook   niet. 
moreover  [mDi'rouvs]  bovendien. 
morning   ['mD:nir)]   morgen,  ochtend. 
morning   coat    ['mDinirj'kout]    jacquet 

o  &  r. 
morning   paper    ['moinigpeips]    och- 

tendblad  o. 
Moroccan    [ma'rokan]    Marokkaan;   aj 

Marokkaans. 
Morocco   [ms'rDkou]  Marokko  o. 
morocco  [ms'rokou]  marokijn(Ieer)  o. 
morose    [ma'rous]    gemelijk,    knorrig. 
morsel  ['mD:s3l]   bete,  stukje  o,  brok- 

je  o. 
mortal    ['mD:t3l]    sterveling;   aj 

sterfelijk;  dodelijk,  dood(s)-. 
mortality    [mDi'tceliti]    sterfelijkheid; 

sterfte,    sterftecijfer   o. 
mortar   t'mDits]   vijzel;  mortier;   moi- 

tel. 
mortgage   ['mDigidsJ   hypotheek;  vt 

( ver)  hypothekeren. 


mortgage-bond 


174 


mount 


mortgage-bond   ['mD:gid3bDnd]  pand- 

brief. 
mortgagee    [mDiga'dsi:]    hypotheek- 

houder. 
mortgagor    [moiga'dsD:]    hypotheek- 

gever. 
mortification  [mDitifi'keiJan]  grieven- 

de  vernedering,  beschaming,   teleur- 

stelling;    doding    des    vlezes,    kastij- 

ding;    af-,    versterving. 
mortify  ['m3:tifai]  vernederen,  bescha- 

men;    [bet   vlees]    doden,   kastijden. 
mortuary   ['moitjusri]    lijkenhuis  o;  aj 

sterf-,  graf-,  begrafenis-,  lijk-. 
mosaic   [ms'zeiik]    mozaiek  o. 
Moselle    [mo'zel]    Moezel;    moezel- 

(wijn). 
Moslem   ['mDzbm]   mohammedaan;  a] 

mohammedaans. 
mosque   [mDskJ   moskee. 
mosquito    [m3s'ki:tou]    muskiet. 
moss    [mDs]    mos  o. 
mossy    E'mDsi]    bemost;  mosachtig. 
most  [moust]  meest,  grootst;  zeer,  bij- 

zonder;  at  {the)   — ,  op  zijn  hoogst, 

hoogstens. 
mostly    L'moustli]    meest(a!),   mees- 

tendeels. 
mote    [mout]    stofje   o. 
moth    [mD6]    mot;    nachtvlinder. 
mother    ['mASs]    moeder;    azijnmoer; 

vt  als  kind  aannemen;  zorgen  voor; 

bemoederen. 
motherhood   ['niASahud]   moeder- 

schap  o. 
mother-in-law    ['mASsrinb:]    schoon- 

moeder. 
motherless   ['mASalis]   moederloos. 
motherly    ['mASsli]   moederlijk. 
mother-of-pearl   ['niASarav'pg:!] 

paarlemoer  o. 
motion     ['moujgn]     beweging;    voor- 

stel  o,  motie;  vt  wenken,  een  wenk 

geven  cm  te... 
motionless    ['moujanlis]    beweging- 

loos,   roerloos. 
motion  picture    ['moujsnpiktja]    film. 
motive    ['moutiv]    motief   o,    beweeg- 

reden;   from    — s    of   delicacy,    kies- 


heidshalve;  aj  bewegend,  bewe- 
gings-,  beweeg-;  vt  motiveren,  be- 
wegen. 

motley   ['mDtli]    boot,  gemengd. 

motor  ['mouta]  motor;  beweegkracht; 
auto;  vi  met  of  in  een  auto  rijden, 
autorijden. 

motor-boat    ['moutsbout]    motorboot. 

motor-bus    E'moutabAs]    autobus. 

motor-car  ['moutaka:]  auto(mobiel); 
motorwagen    [v.    tram]. 

motor-coach    ['moutakoutj]    touring- 
car;  rijtuig  o    [v.  elektr.  trein]. 

motor-cycle    ['moutasaikl]    motorfiets. 

motor-cyclist  ['moutssaiklist]  motor- 
rijder. 

motor-hearse  ['moutahsis]  rouwauto. 

motorist    ['moutarist]    automobilist. 

motorization  [moutarai'zeijan]  moto- 
risering. 

motorize    ['moutaraiz]    motoriseren; 
-^d   bicycle,  bromfiets. 

motor-man   ['moutamaen]    wagenbe- 
stuurder   [van  elektr.  tram]. 

motor  scooter  ['moutaskuits]  scooter. 

motor-spirit    ['moutaspirit]    benzine. 

motor-truck  ['moutatrAk],  motor-van 
['moutavsen]  vrachtauto. 

mottled  ['matld]  gevlekt,  geaderd, 
gestreept. 

motto   ['matou]   motto  o. 

mould  [mould]  losse  aarde,  teelaarde; 
schimmel;  roestvlek;  (giet)vorm, 
mal;  pudding;  fig  type  o,  aard;  vi 
beschimmelen;  vt  vormen;  gieten; 
kneden. 

moulder  ['moulda]  vormer;  vi  ver- 
molmen,  vergaan,  vervallen. 

moulding   ['mouldirj]   lijstwerk   o, 
lijst. 

mouldy  ['mouldi]  beschimmeld;  ver- 
molm(en)d;   vergaan (d). 

moult    [moult]    ruien,  verharen. 

mound  [maund]  wal,  dijk,  heuveltje  o. 

mount  [maunt]  berg;  rijdier  o:  paard, 
enz.;    vi   klimmen,    (op)stijgen,   op- 
gaan,    rijzen;    optrekken    [mist];    vt 
opgaan,    beklimmen,    bestijgen;    op- 
stellen,     (in)zetten,     monteren;     — 


mountain 


175 


mulberry 


guard,  de  wacht  betrekken. 

mountain    ['mauntin]    berg. 

mountaineering  [maunti'niarir)]  berg- 
sport. 

mountainous  ['mauntinss]  bergachtig, 
berg-;   hemelhoog,  kolossaal. 

mountebank   ['mauntib£er]k]   kwak- 
zalver. 

mounted   ['mauntid]   bereden. 

mourn  [m3:n]  treuren,  rouwen;  be- 
treuren,    bewenen. 

mourner  ['moina]   treurende,  rouw- 
drager. 

mournful   ['mDinful]   treurig,  droevig. 

mourning   ['m3:nir)]    droefheid;   rouw. 

mouse  [maus]  muis;  [mauz]  vi  mui- 
zen  vangen;   snuffelen. 

mousetrap    ['maustraep]    muizeval. 

moustache    [mas'taij]    snor. 

mouth  [mauG]  mood,  muil,  bek;  men- 
ding; 7nake  one's  —  water,  iem, 
doen   watertanden. 

mouthful    L'mauOful]    mondvol. 

mouth-organ    ['mauBDigsn]    mond- 
harmonika. 

mouthpiece  ['mau0pi:s]  mondstuk  o; 
woordvoerder,   spreekbuis. 

movable  ['muivabl]  beweeglijk,  be- 
weegbaar;  veranderlijk;  '—  proper- 
ty, roerend  goed  o;  — s,  roerende 
goederen,   meubilair   o. 

move  [mu:v]  beweging;  zet,  fig  stap; 
verhuizing;  get  a  —  on,  maak  wat 
voort!;  on  the  — ,  in  beweging;  vi 
zich  bewegen,  zich  in  beweging 
zetten;  zich  roeren,  iets  doen; 
(weg)gaan,  verhuizen;  —  on,  ver- 
der  gaan;  oprukken;  vt  bewegen, 
in  beweging  brengen;  verplaatsen, 
overbrengen,  vervoeren;  (op)wek- 
ken;  (ont)  roeren;  voorstellen,  in- 
dienen   [motie  &]. 

movement  ['muivmsnt]  beweging; 
fig  aandrang,  opwelling;  mechaniek 
[v.   klok] ;   vervoer  o. 

mover  ['mu:v3]  beweger;  fig  voor- 
steller;    drijfveer. 

movie    ['mu:vi]    film;    the    ■ — s,    de 
bioscoop;   aj  film-,   bioscoop-. 


moving  ['mu:vir)]  (zich)  bewegend; 
beweeg-,     drijf-;    roerend,    treffend; 

—  pictures,  bioscoop. 

mow   [mau]    hooiberg,  opper;    [mou] 

vt  maaien. 
mower    ['mous]    maaier. 
mown   [moun]    V.D.   v.   mow. 
M.  P.   =   Alember  of  Parliament. 
Mr.  zie  mister. 
Mrs.  zie  mistress. 
much  [mAtJ]  veel;  zeer,  erg;  /  thought 

as    — ■,    dat    dacht    ik    wel;    nothing 

■ — ',  niet  veel    (zaaks);   zo  erg  niet; 

not  so  ■ —  as,  niet  eens;  ■ — '  the  same, 

—  as  usual,  zowat,  vrijwel  hetzelf- 
de. 

muck  [mAk]  natte  mest,  vuil  o,  vui- 
ligheid;    rommel. 

mucky   L'mAki]   smerig,  vuil. 

mucous    ['mju:k3s]    slijmig;    slijm-. 

mucus   ['mjuikas]   slijm  o  &  m. 

mud  [mAd]  modder,  slijk  o\  leem  o 
&  rn. 

muddle  ['mAdI]  warboel;  vt  vertroe- 
belen,  benevelen,  bedwelmen;  in  de 
war  gooien;  in  de  war  brengen; 
verknoeien;  —  together,  ^~^ 
u  p,  (met  elkaar)  verwarren;  vi 
modderen,    ploeteren;    —    along, 

—  o  n,  voortsukkelen,  voortploete- 
ren;  ~  throng  h,  er  zich  door- 
heen  slaan. 

muddle-head  ['mAdlhed]  warhoofd  o 
&  m-v. 

muddy    ['mAdi]    modderig;   modder-; 
bemodderd,  vuil,  vaal;  verward. 

mudguard  ['mAdga;d]  spatbord  o. 

muff  [mAf]  mof;  sul,  flauwerd;  klun- 
gel;   vt  bederven,  verknoeien. 

muffin    E'mAfin]    theegebak   o. 

muffle  L'mAfl]  moffel  (oven) ;  vt  in- 
wikkelen,  inpakken;  omwikkelen, 
dempen;  omfloersen  [trom];  de 
mond  snoeren   (ook:  • — ■  up). 

muffler    ['mAfb]    bouffante. 

mufti    L'mAfti]    in    — ,    in   burger. 

mug    [mAg]   pot;   drinkkroes;   sul,   uil. 

mulatto  Lmju'lastouJ  mulat. 

mulberry    ['mAlbsri]    moerbei. 


ilct 


176 


mutilation 


mulct   [mAlkt]   geldboete;  vt  beboeten 

(met,  in'). 
mule  [mju:I]  muildier  o\  jig  stijfkop; 

muiltje  o. 
mulish    ['mju:lij]    koppig. 
multifarious    [mAlti'fesrias]    veelsoor- 

tig,   velerlei,   verscheiden. 
multiform   ['mAltif3:m]  veelvormig. 
multilateral  [mAlti'Iaetsrsl]  veelzijdig. 
multimillionaire  [niAltimiljs'nea] 

multimiljonair,  miljardair. 
multiple    ['mAJtipl]    veelvoud    o\   aj 

veelvuldig;     veelsoortig,     vele;     — 

shop,   filiaal(bedrijf)    o. 
multiplicand  [mAltipIi'kjend]  verme- 

nigvuldigtal  o. 
multiplication   [niAltipli'keiJ'an]   ver- 

menig\'uldiging. 
multiplier  ['niAltiplaia]  vermenigvul- 

diger. 
multiply  ['mAJtiplai]   (zich)  vermenig- 

vuldigen. 
multitude    L'mAltitjuid]    menigte, 

(grote)    massa;  hoop. 
mum    [mAm]    mevrouw;   maatje  o\  aj 

stil;    be    {keep)    ■ — ■,    zwijgen,    geen 

woord     zeggen;     — ^'j-     the     word!, 

mondje   dicht! 
mumble    ['mAmbl]    gemompel    o;    vi 

mompelen. 
mummery    ['mAmsril    maskerade, 

mommerij;   jig  komedie. 
mummy   ['mAmi]   mummie;  maatje  o, 

moesje  a. 
mumps    [mAmps]    bof    [ziekte];    lan- 

derigheid,   ,,lDokkepruik". 
munch    [mAnJ]    knabbelen. 
mundane    ['mAndein]    werelds. 
Munich   ['mju:nik]    Munchen(er). 
municipal   [mju'nisipsl]   gemeentelijk, 

stedelijk,  gcmeente-. 
municipality    [mjunisi'p£eliti]    ge- 

meente,  gemeentebestuur  o. 
munificent   [mju'nifissnt]    mild- 

(dadig),   royaal. 
munition    [mju'nijan]    (am)munitie. 
mural    ['mjuarsl]    muur-,    wandschil- 

dering;   a]  muur-,  wand-. 
murder   ['maida]   moord;  vt  vermoor- 


den. 
murderer    ['m3:d3r3]    moordenaar. 
murderess    ['mardaris]    moordenares. 
murderous    ['msidarss]    moorddadig. 
murky    ['m3:ki]    duister,   donker. 
murmur    ['maims]    gemompel    o,    ge- 

mopper    o,    gemor    o;    gemurmel    o, 

geruis   o;    vi   mompelen,    mopperen, 

morren;  murmelen,  ruisen. 
muscle   ['mAsI]    spier;   spierkracht. 
muscular  ['mAskjuIa]  gespierd;  spier-. 
Muse    [mju;z]    muze. 
muse    [mjuiz]    peinzen,    mijmeren. 
museum    [mju'ziam]    museum    o. 
mushroom  ['niAjrum]   paddestoel. 
music    ['mju:zik]    muziek. 
musical  ['mju:zik!]  muzikaal;  muziek-; 

—     (comedy,    play),    operette. 
music-hall    ['mju:zikhD:l]    variete- 

theater  o. 
musician    [mju'zijan]    muzikant,    mu- 

sicus. 
musing    ['mju:zir)]    gepeins    o,   gemij- 

mer  o. 
musk    [roAsk]    muskus. 
musket  E'mAskit]   musket  o,  geweer  o. 
musketry    E'mAskitri]    geweervuur    o\ 

infanterie;  geweren;  schietoefeningen. 
musky   ['mAski]    muskusachtig. 
Muslim   ['mAzlim]    zie  Moslem. 
muslin    ['mAzlin]    mousscline,   netel- 

doek  o  &  ?n. 
mussel    ['mAsI]    mossel. 
must  [mAst]  meet,  moest,  moe(s)ten; 

most    [v.    vruchten]. 
mustard  ['mAstad]  mosterd. 
muster  ['mASta]  monstering;  inspectie; 

pass  — ',  de  toets  doorstaan,  er  mee 

door  kunncn;  vt  monsteren;    (laten) 

verzamelen. 
musty    ['mASti]    beschimmeld;   muf, 

duf;    suf    [v.    ouderdom]. 
mutation   [mju'teijsn]   verandering; 

mutatie. 
mute    [mju:t]    stom,  sprakeloos. 
mutilate    ['mjuitileit]    verminken, 

schenden. 
mutilation  [mjuiti'leijan]  verminking, 

schending. 


mutineer 


177 


nation 


mutineer    [mjuiti'nia]    muiter,   muite- 

ling;   vi  aan  't  muiten  slaan. 
mutinous   ['mju:tin3s]   muitziek,  op- 

roerig,    opstandig. 
mutiny    ['mjurtini]   muiterij,   opstand, 

oproer  o\  vi  in  opstand  komen,  mui- 
ten. 
mutter  ['mAta]  gemompel  o;  vi  mom- 

pelen;  mopperen;  rommelen. 
mutton  E'mAtn]  schapevlees  o. 
mutton-chop    E'mAtn'tjDp]    schaaps- 

kotelet. 
mutual  ['mju:tju3l]  onderling;  weder- 

kerig;  wederzijds. 
muzzle  ['mAzI]  muil,  bek,  snuit;  muil- 

korf,  -band;  mond   [vuurwapen] ;  vt 

muilbanden. 
my   [mai]    mijn;    {oh)    ■ — ■!,  goeie  ge- 

nade! 
myopic    [mai'Dpik]    bijziend. 
myriad     ['mirisd]     myriade    [tiendui- 


zendtal];    duizenden    en    duizenden, 

ontelbare. 
myrmidon   ['msrmidan]   handlanger. 
myrrh    [ma:]    mirre. 
myrtle    ['maitl]    mirt. 
myself    [mai'self]    zelf,   ik    (zelf); 

mij(zelve);    by    ■ — ■,    alleen. 
mysterious   [mis'tiarias]   geheimzin- 

nig;   verborgen. 
mystery   ['mistari]   verborgenheid,  ge- 

heim  o,  raadsel  o,  mysterie  o;  ge- 

heimzinnigheid. 
mystic  ['mistik]   mysticiis;  aj  mystiek, 

verborgen. 
mystification   [mistifi'keijan]   mystifi- 

catie,  fopperij,  bedotterij. 
mystify    ['mistifai]    mystificeren,   be- 

dotten,    foppen. 
myth   [mie]  mythe;  fig  fabel. 
mythic(al)    ['mi6ik(l)]    mythisch. 


N 


n    [en]    (de  letter)    n. 

nag    [naeg]    hit;   vi  zaniken,   vitten. 

nail    [neil]    spijker,   nagel;   vt    (vast)- 

spijkeren. 
nail-file    ['neilfail]    nagelviji. 
naive    [na:'i:v]    na'ief,  ongekunsteld. 
naivete   [na:'i:vtei]  naiveteit,  ongekun- 

steldheid. 
naked  ['neikid]   naakt,  bloot,  kaal. 
name    [neim]    naam,   benaming;    vt 

noemen,  benoemen. 
nameless    ['neimlis]    nameloos;    onbe- 

kend;    onnoemelijk. 
namely  ['neimli]  namelijk,  te  weten. 
name-plate  ['neimpleit]  naambordje  o. 
namesake    ['neimseik]    naamgenoot. 
Namur    ['neima]    Namen    o. 
nannie,    nanny    ['nsni]    kinderjuf- 

frouw;   —   goat,  geit. 
nap   [nasp]    dutje   o\   vi  dutten. 
nape   [neip]   nek. 
napery    ['neiperi]    tafellinnen   o. 
napkin    ['naepkin]    servet   o;    doek; 

luier. 

Eng.  Zakwrdbk,  U 


narcissus    [na'sisas]    narcis. 

narcotic  [na/katik]  narcotisch  (mid- 
del  o). 

narrate   [nas'reit]  verhalen,  vertellen. 

narration  [nae'reijan]  verhaal  o,  re- 
laas   o. 

narrative  ['naerativ]  verhaal  o,  relaas 
o;   vertelling;   aj  verhalend. 

narrator  [nae'reita]  verhaler,  verteller. 

narrow  ['naerou]  eng,  nauw;  smal; 
nauwkeurig  [onderzoek];  bekrom- 
pen;  beperkt,  klein,  gering  [meer- 
derheid];  • — 'S,  (zee)engte(n);  vt 
vernauwen,  beperken;  vi  nauwer 
worden,    inkrimpen. 

narrowly  ['nasrouli]  zie  narrow,  ook: 
ternauwernood,  op  het  kantje  af. 

narrow-minded    L'naErou'maindid] 
kleingeestig,   bekrompen. 

nasal    ['neizal]    neus-. 

nasty  ['narsti]  vuil;  smerig,  vies;  ake- 
lig,   gemeen,   lehjk;   hatelijk. 

natal    ['neitl]   geboorte-. 

nation    ['neijan]    volk  o,  natie. 

IZ 


national 


178 


needs 


national    ['naejsnsl]    nationaal;   lande- 
lijk;    vaderlands;    volks-,    staats-, 
lands-;    — s,    landgenoten,    onderda- 
nen. 

nationality  [nasja'nseliti]  nationali- 
teit. 

nationalize  ['nEjsnalaiz]  nationalise- 
ren;    naturaliseren;    naasten,    ont- 
eigenen. 

native  ['neitiv]  inboorling,  inlander; 
a  —  of  A,  iemand  uit,  geboortig 
van  A;  aj  aangeboren,  natuurlijk, 
oorspronkelijk;  inheems;  inlands; 
gedegen,  zuiver  [mineralen];  ge- 
boorte-. 

natural  ['naetjral]  natuurlijk;  aange- 
boren;  menseiijk;   natuur-. 

naturalize   ['nsetjrslaiz]    naturaliseren. 

naturally  ['nastjrsli]  op  natuurlijke 
wijze;  van  nature,  uiteraard;  natuur- 
lijk (erwijze). 

nature  ['neitja]  natuur,  karakter  o, 
aard,  soort;  by  — ,  van  nature, 
uiteraard;  anything  i  n  the  —  of, 
alles  wat  bet  karakter  heeft  van. 

naught  [nDit]  niets,  nul. 

naughty    ['nDiti]    ondeugend,   stout. 

nausea    ['noisia]    misselijkheid,   wal- 
ging;  zeeziekte. 

nauseating   ['nDrsieitirj]    walglijk. 

nauseous    ['nDisias]    walglijk. 

nautical    ['nD:tikl]    zeevaart-,   zee-. 

naval    ['neival]    zee-;    scheeps-,    ma- 
rine-,  vloot-. 

nave    [neiv]    naaf;   schip   o    [v.   kerk]. 

navel    ['neivl]    navel. 

navigable   ['naevigsbl]   bevaarbaar. 

navigate   ['nasvigeit]   varen;  bevaren, 
varen   op,    (be)sturen. 

navigation   [nsvi'geijsn]    (scheep)- 
vaart,    stuurmanskunst. 

navigator  ['njevigeita]  zeevaarder;  na- 
vigator  [v.  vliegtuig]. 

navvy    ['ntevi]   grondwerker. 

navy  ['neivi]  maiine,  (oorlogs)vloot, 
zeemacht. 

nay    [nei]    wat   meer    is,    ja    (zelfs); 
neen;  nu,  maar. 

neap-tide  ['niip'taid]  doodtij  o. 


near  [nia]  na,  nabij;  dichtbij,  om- 
trent;  naverw'ant,  dierbaar;  vasthou- 
dend,  gierig;  bijna;  /'/  ivas  a  ~- 
thing  {the  '~~-est  of  things),  bet 
hield  erom,  het  was  op  bet  nip- 
pertje;  het  scheelde  maar  weinig;  a 
■ — •  translation,  een  getrouwe  ver- 
taling;  he  came  ■ — ■  falling  Sc,  hij 
was    bijna   gevallen. 

nearly  ['nisli]  van  nabij,  na;  bijna; 
not    ■ —    so   rich,    lang   zo    rijk   niet. 

near-sighted   ['nis'saitid]   bijziend. 

neat    [ni:t]    net(jes),  proper,   zuiver; 
netto;    handig,    knap. 

nebulous    ['nebjubs]    nevel(acht)ig, 
vaag. 

necessary    ['nesissri]    noodwendig, 
noodzakelijk,   nodig. 

necessitate    [ni'sesiteit]    noodzakelijk 
maken,   noodzaken,   dwingen. 

necessitous    [ni'sesitss]    behoeftig; 
kommerlijk. 

necessity   [ni'sesiti]   noodzaak,  nood- 
zakelijkheid,  noodwendigheid;  nood, 
nooddruft,     behoeftigheid;      of    — , 
noodzakelijkerwijs;  noodwendig. 

neck    [nek]    hals,   halsstuk   o;   hals- 
lengte;    (land)engte. 

neckerchief   ['nekatjif]    halsdoek. 

necklace  ['neklis]  halssnoer  a,  collier. 

neck-tie    [nektai]    das. 

need  [ni:d]  nood,  noodzaak;  — s,  be- 
hoefte(n),  benodigdheden;  /'/  ~-  be, 
zo  nodig;  in  geval  van  nood;  at  — , 
in  geval  van  nood;  desnoods;  stand  ] 
;'  n  ■ —  of,  van  node  hebben;  vt  no- 
dig hebben,  (be)hoeven;  be  — ed, 
ook:   nodig  zijn. 

needful  ['ni:dful]  nodig,  noodzakelijk. 

needle    ['ni:dl]    naald. 

needle-case   ['niidlkeis]    naaldenkoker. 

needless   ['ni:dlis]   onnodig,  nodeloos. 

needlewoman  ['niidlwuman]  naaister. 

needlework  ['ni:dlw3:k]  naaldwerk  o\ 
handwerk  o,  handwerken;  naaiwerk  o. 

needs  [ni:dz]  noodzakelijk;  he  ■ —  must 
go,  hij  moe(s)t  wel  gaan;  he  inust 
—  go,  hij  moest  (wilde)  met  alle 
geweld  gaan. 


needy  1 79 


newly 


needy   ['ni:di]   behoeftig;  hulpbehoe- 

vend. 
ne'er-do-well    ['neadurwel]    deugniet. 
negation   [ni'geijan]   ontkenning. 
negative    ['negstiv]    ontkennend;  wei- 

gerend;  negatief. 
neglect  [ni'glekt]  verzuim  o\  verwaar- 

lozing;  to  the   ■ —    of,  met  verwaar- 

lozing  van;   vt  verzuimen,  verwaar- 

lozen,  over  't  hoofd  zien. 
neglectful   [ni'glektful]   achteloos,  na- 

latig;  be  —   oj,  verwaarlozen. 
negligence    ['neglidsans]    nalatigheid, 

achteloosheid,  veronachtzaming. 
negligent  ['neglidjant]   nalatig,  achte- 
loos;  be  —   oj,  veronachtzamen. 
negligible    ['neglidsabl]    te  verwaar- 
lozen,  niet  noemenswaard,   miniem. 
negotiable   [ni'goujiabl]  verhandel- 

baar. 
negotiate   [ni'goujieit]   onderhandelen 

(over);  verhandelen;  tot  stand  bren- 

gen,    sluiten    [huwelijk,    lening   &]; 

springen  over    [hek   &]. 
negotiation  [nigouji'eijsn]   onderhan- 

deling;  verhandeling. 
negotiator   [ni'goujieita]   onderhan- 

delaar;   verhandelaar. 
negress   ['ni:gris]   negerin. 
negro   ['nirgrou]   neger. 
neigh    [nei]    hinniken. 
neighbour    ['neiba]     buur,    buurman, 

buurvrouw;     naaste;     vi    ■~-    upon, 

grenzen  aan. 
neighbourhood    ['neibshud]    buurt, 

(na)buurschap,  nabijheid. 
neighbouring  ['neibsrirj]  naburig. 
neighbourly  ['neibali]  buur-;  als  goe- 

de  buren. 
neither   ['naiSa,  'ni:33]   geen  van  bei- 

de(n);    geen     (van    alien);    ook... 

niet;  —  he  nor  she,  noch  hij,  noch 

zij. 
nephevif   ['nevju]   neef    [oomzegger]. 
nerve    [n3:v]    zenuw,   nerf,  pees; 

( spier)  kracht;    energie;    moed;    bru- 

taliteit;    vt   kracht   geven,    een    hart 

onder   de   riem   steken;    • —    oneself, 

zich  vermannen. 


nervous  ['nsivas]  krachtig,  gespierd; 
zenuw-;    zenuwachtig;    nerveus. 

nervy  ['nsivi]  krachtig,  gespierd;  ner- 
veus;  moedig;   driest. 

nest  [nest]  nest  o;  vi  (zich)  neste- 
len;   nestjes   uithalen. 

nest-egg   ['nesteg]    nestei  o\  spaar- 
duitje  o. 

nestle  ['nesl]  zich  nestelen;  —  down, 
zich  neervlijen. 

net  [net]  net(je)  o;  vt  in  een  net 
vangen,  in  zijn  (haar)  netten  van- 
gen;  knopen;  netto  opbrengen  of 
verdienen,  in  de  wacht  slepen;  a] 
netto,   zuiver. 

nether  ['neSa]  onderste,  onder-,  be- 
neden-. 

Netherlands,   The    [Sa'neSsbndz] 
Nederland    o;    als    a]   Nederlands. 

netting  ['netirj]   netwerk  o\  gaas  o. 

nettle  ['netl]  (brand) netel;  vt  nete- 
len;  jig  ergeren. 

network   ['netw3:k]   netwerk  o,  net  o. 

neurotic    [nju'rotik]    zenuwziek. 

neuter   ['njuita]    onzijdig. 

neutral  ['njuitrsl]  neutraal,  onzijdig. 

neutrality    [nju'trseliti]    neutraliteit, 
onzijdigheid. 

neutralize  ['njuitrslaiz]  neutraliseren, 
te  niet  doen,  opheffen. 

never  ['nevs]  nooit,  nimmer;  (in  het 
minst)  niet;  toch  niet;  — .',  och 
kom!;  Well,  I — !,  heb  ik  van  mijn 
leven!;  -^  fear,  wees  maar  niet 
bang. 

nevermore    ['nevs'mD:]    nooit  meer. 

nevertheless   [nevsSa'les]   niettemin, 
niettegenstaande   dat^ 

new    [nju:]    nieuw,   vers;   groen. 

new-born  ['nju:bD:n]  pasgeboren;  we- 
dergeboren. 

new-comer  ['nju:'kAma]  pas  aangeko- 
mene,  nieuweling. 

new-fangled  ['nju/faerjgld]   nieuwer- 
wets. 

new-fashioned  ['njui'fasjand]  nieuw- 
modisch. 

new-laid    ['nju/leid]    vers    (gelegd). 

newly  ['nju:li]   nieuw;  onlangs,  pas. 


new-made 


180 


nodose 


new-made  ['nju:'meid]   pas  gemaakt, 

nieuw. 
news   [nju:z]   nieuws  o,  bericht  o,  be- 

richten. 
newspaper   ['nju:zpeip3]   krant. 
newsprint  ['nju:zprint]  kranten- 

papier  o. 
newsreel  ['nju:zri:I]   (film)journaal  o\ 

—  theatre,  cineac. 

newt   [nju:t]   watersalamander. 

New  Year  ['njurjia]  nieuwjaar  o\  — ' s 
Eve,   oudejaarsavond,  oudejaar   o. 

next  [nekst]  naast,  (eerst)volgend, 
volgend  op...,  aanstaand;  (daar)na, 
vervolgens;    de    volgende    keer;    the 

—  best,  op  een  na  de  beste;  our  — 
best  customer  after...,  onze  beste 
klant  na...;  he  lives  ■ — ■  door,  hij 
woont  hiernaast;  —  door  to,  naast; 
grenzend  aan;  zo  goed  als;  the  — 
policeman,  de  eerste  de  beste  agent; 
•^  of  kin,  naaste  bloedven\'ant(en); 

—  to  nothing,  zo  goed  als  niets; 
the  largest  city  —  to  London,  na 
Londen. 

next-door    ['nekstdD:]     ■ —    neighbour, 

naaste  buur;  zie  ook:  7ie.\t. 
nib   [nib]    snavel,  punt,  spits. 
nibble    ['nibl]    knabbelen    (aan,   at). 
nice  [nais]  lekker;  prettig,  aardig,  lief; 

mooi,  keurig,  nauwkeurig;   delicaat; 

kieskeurig;  net. 
nicety   ['naisiti]    lekkere,  fijne  smaak; 

kieskeurigheid,  nauwkeurigheid;  fijn- 

heid,    fijne   onderscheiding,    finesse; 

to  a  — ,  uiterst  nauwkeurig,  precies. 
niche  [nitj]   nis;  fig  plaatsje  o. 
Nicholas    ['nikslas]    Nicolaas,    Klaas. 
nick   [nik]    (in) keep,  kerf,  insnijding; 

in   the    {very)    ■ — '    {of   time'),    juist 

op  het  nippertje;   net  op  tijd. 
nickel    ['nikl]    nikkel   o\   aj  nikkelen; 

vt  vernikkelen. 
nickname    ['nikneim]    bijnaam,    spot- 

naam;   vt  een  bijnaam  geven. 
nicotine   L'nikstiin]   nicotine. 
niece   [ni:s]    nicht  [oomzegster]. 
niggard   ['nigad]   vrek,  gierigaard. 
niggardly   ['nigadli]   krenterig,  gierig. 


nigh  [nai]   na,  nabij,  dicht  bij;  nauw; 

■ — '  at  hand,  dicht  bij. 
night     [nait]      nacht,    avond;    at    -~ , 

's   avonds;    des   nachts;   by    — ,   des 

nachts;   o  f   — s,   des   nachts. 
nightcap  ['naitkaep]   slaapmuts. 
night-dress   ['naitdres]    nachtpon. 
nightingale  ['naitirjgeil]  nachtegaal. 
nightly    ['naitli]    nachtelijk;    iedere 

avond,  iedere  nacht;  des  nachts. 
nightmare    ['naitmea]    nachtmerrie. 
nighty    ['naiti]    nachtpon. 
nil    [nil]    niets,   nul,   nihil. 
Nile   [nail]    Nijl. 

nimble    ['nimbi]    vlug,    rap,    vaardig. 
nimbus   ['nimbss]   licht-,  stralenkrans. 
nincompoop   ['nigkampuip]    sul. 
nine   [nain]   negen. 
ninepins   ['nainpinz]   kegelspel  o, 

kegels. 
nineteen   ['nain'ti:n]    negentien. 
nineteenth    ['nain'ti:n9]    negentiende 

(deel  o). 
ninetieth  ['naintiiO]  negentigste  (deel 

ninety  ['nainti]  negentig. 

ninny    ['nini]    uilskuiken   o;    sul. 

ninth   [nainO]    negende   (deel  o). 

nip  [nip]  (k)nijpen,  beknellen,  klem- 
men;  bijten  [v.  kou];  •-^  in  the  bud, 
in  de  kiem  smoren. 

nitrogen    ['naitradsan]    stikstof. 

no    [nou]    geen;    niet;   neen. 

nobiliary   [nou'biliari]   adellijk,  adel-. 

nobility    [nou'biliti]    adel. 

noble  ['noubl]  edelman;  aj  edel; 
adellijk;  nobel;  prachtig;  the  -^  art, 
de  bokskunst. 

nobleman    ['noubleman]    edelman. 

nobody    ['noubadi]    niemand. 

nocturnal    [n3k'ta:nl]    nachtelijk; 
nacht-. 

nod  [nod]  knik,  knikje  o;  wenk;  give 
a  — ,  knikken;  vi  knikken  [met 
hoofd] ;  knikkebollen;  • —  approba- 
tion,   goedkeurend    knikken. 

node  [noud]  knobbel,  knoest,  knoop, 
knooppunt  o. 

nodose    [nou'dous]    knoestic. 


noise 


181 


note 


noise    [nDiz]    leven    o,    lawaai    o,    ka- 

baal  o;  geraas  o,  geluid  o;  vt  ^—'  it 

abroad,  het  ruchtbaar  maken. 
noiseless   ['noizlis]  geluidloos,  geruis- 

loos,  stil. 
noisome    ['nDisam]    schadelijk,    onge- 

zond;  stinkend,  walglijk. 
noisy    ['nDizi]    luidruchtig;   gehorig; 

druk   [kleuren  &]. 
nomad   ['oDmsd]   zwerver. 
nomadic    [nou'maedik]    nomadisch, 

zwervend. 
nomenclature   ['noumankleitja]   no- 

menclatuur;    naamlijst. 
nominal    ['nDminal]    nominaal,   naam- 

(s)-;  in  naam;  naamwoordelijk;  ge- 

ring,  klein. 
nominate  ['oDmineit]   benoemen;  kan- 

didaat  stellen,   voordragen. 
nomination  [nDmi'neiJsn]  benoeming; 

kandidaatstelling,  voordracht. 
nominative   ['n^minstiv]   nominatief, 

eerste  naamval. 
nonage    ['nounids]    minderjarigheid. 
non-commissioned    ['nonka'mij'and] 

■ — ■    officer,  onderofficier. 
nonconformist  E'nDnksn'fDimist]   afge- 

scheidene   (v.   d.   Engelse  Kerk) . 
nondescript   ['nondiskript]   niet  te  be- 

schrijven,     vreemdsoortig,     wonder- 

lijk;    veelsoortig,    rommelig. 
none    [hao]   geen,  niet  een;  niemand, 

niets;    • — '    other  than,   niemand   an- 

ders  dan;  ■-~'  the  less,  niettemin. 
nonentity   [nD'nentiti]    onbeduidend 

mens,  onbeduidendheid. 
nonsense  ['nDnsansj  onzin,  larie,  gek- 

heid. 
nonsensical    [non'sensikl]    onzinnig, 

ongerijmd,  gek,  zot,  absurd. 
non-stop   C'nDn'sDp]    doorgaand   [v. 

trein],  ononderbroken,  doorlopend. 
noodle   ['nu:dl]    uilskuiken   o. 
nook    [nuk]    hoekje  o,    (uit)hoek. 
noon    [nu:n]    middag,   middaghoogte; 

at   ~-,   cm    12   uur   's   middags. 
noose    [nu:s]    knoop,    lus,   strik. 
nor    [nD:]    noch,    (en)    ook   niet;   dan 

ook  niet. 


normal  ['noimsl]  normaal;  gewoon. 

normally    E'nDimali]    normaal,    door- 
gaans,   in   de   regel,   gewoonlijk. 

Norman    ['nDimsn]    Normandier;    aj 
Normandisch. 

Normandy  ['nDimsndi]  Normandie  o\ 
aj  Normandisch. 

Norseman    ['noismsn]   Noor;  Noor- 
man. 

north  [nD:6]  noorden  o;  noordelijk; 
noord(er)-;  ■ — ■  of,  ten  noorden  van. 

northern  ['nDiSan]  noordelijk,  noord-. 

North  Sea   ['n3:6'si:]    Noordzee. 

Norway  ['noiwei]  Noorwegen  o. 

Norwegian    [nD'wiidssn]    Noor;    het 
Noors;  aj  Noors. 

nose  [nouz]  neus;  tuit;  turn  up  one's 
—  at,  de  neus  optrekken  voor;  un- 
der his  ■ — •,  vlak  voor  zijn  neus, 
waar  hij  bij  stond;  vi  neuzen,  snuf- 
felen. 

nosegay   ['nouzgei]    ruiker. 

nostalgia   [oDs'taeldsis]    heimwee  o. 

nostril   ['nDstril]    neusgat  o. 

nosy    ['nouzi]    bemoeiziek. 

not  [nDt]  niet;  /  think  — ,  ik  denk 
van   niet. 

notability    [nouta'biliti]    merkwaar- 
digheid;   notabele. 

notable    ['noutsbl]    merkwaardig;   op- 
merkelijk;  aanzienlijk;  eminent; 
C'nDtabl]   werkzaam,  flink. 

notably  ['noutabli]  merkbaar,  aanmer- 
kelijk;  belangrijk;  inzonderheid,  met 
name. 

notary  ['noutsri]   notaris. 

notch  [notj]  inkeping,  keep,  kerf;  vt 
inkepen,    kerven. 

note  [nout]  merk  a,  teken  o;  ken-, 
merkteken  o;  toon;  noot,  aanteke- 
ning,  nota;  (order) brief je  o\  bete- 
kenis,  aanzien  o\  notitie;  '~-  of  ad- 
miration (^exclamation) ,  uitroepte- 
ken  o\  ■ — ■  of  hand,  orderbriefje  o, 
promesse;  —  of  interrogation, 
vraagteken  o\  make  a  mental  —  of 
it,  het  in  zijn  oor  knopen;  take  — 
of,  nota  nemen  van;  notitie  nemen 
van;  vt  noteren,  opschrijven,  opteke- 


note-book 


182 


numeral 


nen  (ook:  ■ — -  down);  nota  of  notitie 
nemen  van,   opmerken. 

note-book  ['noutbuk]  notitieboekje  o. 

note-case    ['noutkeis]    portefeuille. 

noted    ['noutid]    bekend,   vermaard. 

note-paper  ['noutpeips]   postpapier  o. 

noteworthy  ['noutw'3:3i]  opmerkens- 
waardig. 

nothing  ['nASir)]  niets;  -^  doing,  er 
is  niets  te  doen,  er  gaat  niets  om; 
het  zal  niet  gaan;  co?ne  to  —-',  niet 
doorgaan,    mislukken. 

notice  ['noutis]  opmerkzaamheid;  aan- 
kondiging,  bekendmaking,  bericht 
o,  kennisgeving;  waarschuwing;  gire 
■ — ■,  aankondigen,  kennis  geven,  la- 
ten  weten;  waarschuwen;  give  — 
{to  quit),  de  huur  (de  dienst)  op- 
zeggen;  take  —  of,  kennis  nemen 
van;  notitie  nemen  van;  at  a  mo- 
ment's ' — ■,  op  staande  voet;  vt  acht 
slaan  op,  (veel)  notitie  nemen  van, 
opmerken;  bespreken,  recenseren. 

noticeable   t'noutissbl]   merkbaar, 
waarneembaar;  merkwaardig;  ver- 
meldenswaardig. 

notification  [noutifi'keijan]  aanschrij- 
ving,  kennisgeving. 

notify  ['noutifai]  ter  kennis  brengen, 
bekendmaken,    kennis   geven   van. 

notion  ['noujsn]  begrip  a,  denkbeeld 
o,  idee  o  &  v,   notie. 

notoriety    [nouta'raiati]    (algemene) 
bekendheid;   beruchtheid. 

notorious  [nou'tDirias]  (algemeen)  be- 
kend;  berucht. 

notwithstanding    [nDtwiG'stJendir)] 
niettegenstaande,  ondanks,  trots. 

nougat    ['nu:ga:]    noga. 

nought    [nD:t]    niets,  nul. 

noun    [naun]    (zelfstandig)    naam- 
woord  o. 

nourish   ['nAriJ]   voeden,  koesteren, 
aankrveken,  grootbrengen. 

nourishing   ['nAtiJirj]   voedzaam. 

nourishment  ['nAriJmant]  voedsel  o, 
vocding. 

novel    L'nDval]   roman;  a]  nieuw. 

novelist    E'nDvalist]    romanschrijver. 


novelty    ['njvslti]    nieuwigheid, 
nieuws  o. 

November  [nou'vemba]  november. 

novice   ['nsvis]   novice;  nieuweling. 

now  [nau]   nu,  thans;  by  — ,  nu  wel 
]ust   — ,   zo   even;   op  het  ogenblik 
— ...,  — •...,  nu  eens...,  dan  weer... 
■ — •   and  then,    ■ — •   and  again,   nu  en 
dan,  bij  tussenpozen;  every   ■ — •   and 
then,   every   —    and  again,   telkens. 

nowadays   ['nausdeiz]   tegenwoordig. 

nowhere    ['nouvv^ea]    nergens. 

noxious  ['nDk^ss]  schadelijk,  verder- 
felijk. 

nozzle  ['nozl]  neus,  snuit,  mondstuk 
o,    tuit,    pijp. 

nuclear    ['njuiklia]    kern-. 

nuclei    ['nju:kliai]    meerv.  v.   nucleus. 

nucleus   ['njuikliss]  kern. 

nude    [nju:d]    naakt,  bloot. 

nudge  [nAds]  duwtje  o  (met  de  elle- 
boog);  vt  aanstoten. 

nudity    ['nju;diti]    naakt-,   blootheid. 

nugget    ['oAgit]    klomp    [inz.   good]. 

nuisance  ['nju:s3ns]  plaag,  (over)last; 
burengerucht  o,  lastpost. 

null  [nAl]  krachteloos,  nietig,  ongel- 
dig;  ■ —  and  void,  van  nul  en  gener 
waarde. 

nullification    [nAlifi'keiJsn]    nietig-, 
ongeldigverklaring,  vernietiging. 

nullify   C'nAlifai]    krachteloos  maken, 
vernietigen,  nietig  of  ongeldig  ver- 
klaren,   te   niet   doen. 

nullity  E'nAliti]  ongeldigheid,  nietig- 
heid;    nulliteit. 

numb  [nAm]  gevoelloos,  verstijfd,  ver- 
kleumd,  verdoofd;  vt  verstijven; 
doen    verkleumen;    verdoven. 

number  ['nAmba]  nummer  o;  getal  o, 
aantal  o\  come  i  n  ■ — s,  in  groten 
getale  komen  (opzetten);  to  the 
■ —  o/...,  ten  getale  van...;  vt  num- 
meren,  tellen;  rekenen  (onder, 
among,  in,  with);  bedragen,  ten 
getale  zijn  van. 

numberless  E'nAmbalis]  talloos. 

numeral  ['njuimarsl]  telwoord  o;  Ro- 
man '~j',  Romeinse  cijfers;  aj  getal-. 


numeration 


183 


oblige 


nummer-. 
numeration  [njuima'reijan]   telling. 
numerator   ['njuimsreits]    teller   [v. 

breuk]. 
numerical   [nju'merikl]   numeriek,  ge- 

tal-. 
numerous    ['njuimsrss]    talrijk,   vele. 
nun    [nAn]    non. 

nunnery    ['nAnsri]    nonnenklooster   o. 
nuptial    ['nApJal]    huwelijks-,   brui- 

lofts-,  braids-;   '-~s,  bruiloft. 
nurse    [nais]    baker;    kinderjuffrouw; 

ziekenverpleegster;    verzorger,    kwe- 

ker;    vt   oppassen,     verplegen,     ver- 

zorgen;    koesteren;     zuinig    omgaan 

met. 
nurse-maid  ['nsismeid]  kindermeisje  o. 
nursery  ['nsisri]  kinderkamer;  kinder- 

bewaarplaats;    kweekschool;    kweek- 

plaats;   (boom)kwekerij. 
nursery   rhyme    ['nsisriraim]    baker- 


rijmpje   o. 
nursery  school   ['n3:srisku:l]    bewaar- 

school. 
nursing  home    ['naisighoum]    zieken- 

verpleging(sgesticht  o). 
nursling    ['nsislirj]    zoogkind   o,   troe- 

telkind    o. 
nut  [oAt]  noot;  moer  [v.  schroef];  ker- 

sepit,  bol;  fat;  be  off  one's  — ,  van 

lotje  getikt  zijn. 
nutcracker    ['oAtkraeka]    notekraker 

(ook:    '~j). 
nutmeg   ['oAtmeg]    notemuskaat. 
nutrition    [nju'trijan]    voeding, 

voedsel  o. 
nutritious    [nju'trijas],    nutritive 

['nju:tritiv]   voedend,  voedzaam. 
nutshell    ['nAtJel]    notedop;    /'«   a   -~, 

in  weinig  (een  paar)  woorden,  zeer 

eenvoudig. 
nymph  [nimf]   nimf;  pop   [v.  insekt]. 


o 


o   [ou]    (de  letter)    o. 

oak  [ouk]  elk,  eikehout  o;  eikeloof  o; 

aj  eiken,   eikehouten. 
oaken  ['oukn]   eiken,  eikehouten. 
oar  [d:]    (roei)riem;  roeier. 
oarsman   ['jizmsn]    roeier. 
oasis    [ou'eisis]   case. 
oat    [out]    haver    {gew.    ■ — s);    rolled 

~^j,    havermout;    he    has    sown    his 

wild    — s,    hij    is   uitgeraasd,    uitge- 

boemeld. 
oath    [ou0]    eed;    vloek;    b  y    — -,    on- 

der  ede;   o  7i    {his)    ^^,   onder  ede. 
oatmeal    ['outmi:l]    havermeel    o;    — 

porridge,   havermoutpap. 
obduracy    ['Dbdjurssi]    verstoktheid, 

verharding. 
obdurate  ['Dbdjurit]  verstokt,  verhard. 
obedience  [ou'biidjsns]  gehoorzaam- 

heid;  in  —  to,  gehoorzamend  aan; 

overeenkomstig. 
obedient   [ou'bi:dJ3nt]   gehoorzaam. 
obediently   [ou'bi;dJ3ntli]   gehoor- 
zaam; yours  — ,   uw  dienstwillige. 


obelisk    ['obilisk]   gedenknaald. 
obese  [ou'bi:s]  corpulent,  zwaarlijvig. 
obesity    [ou'bi:siti]    corpulentie, 

zwaarlijvigheid. 
obey  [ou'bei]  gehoorzamen,  gehoor  ge- 

ven  aan   [roepstem];   luisteren   naar 

[het  roer]. 
object     ['Dbd3ikt]     voorwerp    o;    oog- 

merk    o,    doel    o\    onderwerp    o    [v. 

onderzoek] ;  [3b'd3ekt]  vt  inbrengen 

(tegen,    against,    to),    tegenwerpen; 

vi   tegenwerpingen   maken,    bezwaar 

hebben    (tegen,    to). 
objection    [ab'dsekjsn]    tegenwerping; 

bezwaar  o. 
objectionable   [3b'd3ekj3n3bl]    aansto- 

telijk,     afkeurenswaardig;     onaange- 

naam. 
objective    [sb'dsektiv]    objectief. 
obligation   [obli'geijsn]   verbintenis, 

verplichting. 
obligatory  ['Dbligatari]  verplicht,  ver- 

plichtend,  (ver)bindend. 
oblige  [a'blaids]  verbinden,  (aan  zich) 


obliging  184 

verplichten,    dwingen;    be    -~J    to, 

ook:   moeten. 
obliging    [a'blaidsir)]    voorkomend, 

minzaam,    inschikkelijk,    gedienstig. 
oblique    [a'bliik]    scheef,    schuin(s), 

hellend;  zijdelings;   slinks. 
obliterate  [s'blitsreit]  uitwissen,  door- 

halen;  afstempelen  [postzegels];  ver- 

nietigen. 
obliteration  [ablita'reijsn]  uitwissing, 

doorhaling;     afstempeling;    vernieti- 

ging. 
oblivion  [a'blivian]  vergetelheid. 
oblivious   [a'blivias]   vergeetachtig; 

• — ■   of  {to),  vergetend. 
oblong   ['abbr)]    langwerpig. 
obnoxious   [ab'nDkJas]   aanstotelijk; 

gehaat;  onaangenaam. 
obscene    [ab'siin]    gemeen. 
obscenity    [Db'si:-,   ob'seniti]    gemeen- 

heid. 
obscure     [ab'skjus]     duister,    donker, 

obscuur;    onduidelijk;    onbekend;    vt 

verduisteren;     duister(der)     maken; 

verdoezelen;   fig  overschaduwen. 
obscurity    [ab'skjuariti]    duister   o, 

duisternis,  donker  o,  donkerte;  duis- 

terheid,   donkerheid;  obscurities,  fig 

onbekende   grootheden. 
obsequies    ['Dbsikwiz]    lijkdienst;    uit- 

vaart,  begrafenis. 
obsequious    [sb'siikwias]    onderdanig, 

overgedienstig,  kruiperig. 
observance    [sb'zaivans]    waarneming; 

inachtneming,      naleving,      viering; 

voorschrift   o. 
observant    [ab'zsivsnt]    opmerkzaam, 

opiettend;    —    of,   streng...    in   acht 

nemend. 
observation    [sbza'veijan]    waarne- 
ming, observatie;   opmerking. 
observatory    [sb'zsivstri]    sterren- 

wacht. 
observe    [ab'zsiv]     waarnemen,    gade- 

slaan,  observeren;  opmerken;  in  acht 

nemen,    naleven,    nakomen;     vieren 

[feestdagen]. 
observer    [ab'zatvs]    waarnemer,   op- 

merKer. 


occupant 


obsess  [Db'ses]  niet  loslaten,  vervolgen 

[v.  gedachten]. 
obsession   [Db'sejsn]   obsessie. 
obsolete    ['obssli:!]    verouderd. 
obstacle    ['Dbstakl]    hinderpaal,   bin- 

dernis,  beletsel  o. 
obstinacy    ['obstinssi]    hardnekkig- 

heid,   koppigheid. 
obstinate   ['sbstinit]   hardnekkig,  kop- 

pig- 
obstreperous   [ab'streparss]   luidruch- 

tig,   rumoerig,  woelig. 
obstruct    [ab'strAkt]    verstoppen;    be- 

lemmeren,   versperren. 
obstruction    [ab'stiAkJan]    obstructie, 

verstopping,    belemmering,    versper- 

ring. 
obtain  [ab'tein]    (ver)krijgen,  verwer- 

ven,   behalen;   heersen,  gelden. 
obtainable    [ab'teinabl]    verkrijgbaar. 
obtainment  [ab'teinmsnt]  verkrijging, 

verw'erving,   verschaffing. 
obtrude    [ab'trurd]    (zich)    opdringen 

(aan,   upon). 
obtrusion    [9b'tru:33n]    opdringing. 
obtrusive  [ab'truisiv]  op-,  indringend, 

op-,  indringerig. 
obtuse    [ab'tjuis]    stomp,  bot. 
obviate    ['obvieit]    afwenden,   voorko- 

men,   uit  de  weg  ruimen. 
obvious    [bbvias]    voor   de   hand   lig- 

gend,    klaarblijkelijk,    duidelijk. 
occasion   [g'keisan]   gelegenheid;  aan- 

leiding;     gebeurtenis;    one's    lawful 

— s,   bezigheden,    bedrijf  o\   on  the 

■ — '    of,    bij    gelegenheid    van;    have 

—  to,  moeten;  vt  veroorzaken,  aan- 

leiding  geven  tot. 
occasional    [a'keissnsl]    toevallig,    nu 

en  dan  (voorkomend);  gelegenheids-. 
occasionally    [s'keisansli]    at    en   toe, 

nu  en  dan,  van  tijd  tot  tijd. 
Occident  ['oksidant]  westen  o. 
occidental    [aksi'dental]   westerling; 

a]  westelijk,  westers. 
occiput   ['DksipAt]   achterhoofd  o. 
occult    [D'kAlt]    occult,  verborgen,  ge- 

heim. 
occupant  ['okjupsnt]  wie  bezit  neemt, 


occupation 


185 


office 


bezitter;  bewoner;  the  •—s,  ook:  de 
inzittenden;  the  —  of  a  post,  de  be- 
kleder   van   een   ambt. 

occupation  [Dkju'peijsn]  bezit  o,  be- 
zitnemins;;  bezetting;  bezigheid,  be- 
roep  o. 

occupier  ['^kjupaia]  bezetter;  ook  = 
occupant. 

occupy  ['Dkjupai]  bezetten,  beslaan 
[plaats],  innemen;  in  beslag  nemen 
[tijd  &],  bezighouden;  bewonen 
[huis];  bekleden  [post];  -~  oneself 
in,   zich   bezighouden   met. 

occur  [s'ka:]  voorkomen;  opkomen 
(bij,  to),  invallen;  voorvallen,  ge- 
beuren,    zich  voordoen. 

occurrence    [a'kMsns]    gebeurtenis; 
voorval  o\  voorkomen  o. 

ocean   ['oujsn]    oceaan. 

ochre    ['ouks]    oker. 

o'clock  [a'kbk]  what  —  is  it?,  hoe 
laat  is  het?;  ;'/  is  eight  — ,  het  is 
acht  uur. 

octave   ['oktiv]   octaaf  o  Si  v. 

octavo    [Dk'teivou]    octavo    [formaat]. 

October  [ok'toubs]   oktober. 

ocular    ['okjub]    oog-;  gezichts-. 

oculist    ['okjulist]    oogarts. 

odd  [sd]  oneven;  overblijvend;  niet  bij 
eikaar  horend;  zonderling;  vreemd; 
raar;  in  some  —  corner,  hier  of 
daar  in  een  hoek;  an  ■ — •  hand,  ex- 
tra-bediende,  noodhulp;  duivelstoe- 
jager;  an  —  hour,  een  tussenuur  o\ 
'—  jobs,  allerhande  karweitjes;  — 
motnents,  verloren  ogenblikken;  an 
''-  volume,  een  enkel  deel  o  [van 
een  meerdelig  werk];  fifty  '~ 
pounds,  vijftig  en  zoveel  pond. 

oddity    ['Dditi]    zonderlingheid, 
vreemdheid;   gek  type  o. 

odds  [odz]  ongelijkheid,  verschil  o\ 
onenigheid;  voorgift;  voordeel  o\ 
overmacht;  waarschijnlijkheid; 
and  ends,  stukken  en  brokken,  brok- 
stukken,  rommel;  at  --~,  oneens, 
overhoop  liggend  (met,  with)\  by 
all  ~,  verreweg  [de  beste  &];  on- 
tegenzeglijk;   take  the   —-',   de  wed- 


denschap  aannemen. 
ode    [oud]    ode. 
odious    ['oudjss]    hatelijk,    afschuwe- 

lijk,  verfoeilijk. 
odoriferous    [ouda'rifsras]   welrie- 

kend,  geurig. 
odour   ['ouds]    reuk,  geur. 
of    iov,   3v]    van;    —    itself,    vanzelf; 

uit  zichzelf. 
off   [3:f]   er  af,  af,  weg;  van...    (af), 

van...    (weg);  verwijderd  van;  op  zij 

van,  in  de  buurt  van;  —  white,  bij 

't  gele  af;  be  '-~',  niet  doorgaan  [v. 

match  &];  „af"  zijn  [engagement]; 

opstappen;    be    badly    ^~-,   er    slecht 

aan    toe   zijn;    have  a  day    — ,   een 

vrije  dag  hebben;  —  and  on,  af  en 

toe;   an   —   street,  een  zijstraat. 
offal  ['ofal]   afval  o  8<.  m  [v.  geslacht 

dier] ;  fig  uitschot  o,  bocht  o  &  m. 
off-day  ['Difdei]  vrije  dag;  niet  druk- 

ke  dag. 
offence    [s'fens]    belediging;   aanstoot, 

ergernis;    aanval;    overtreding,   ver- 

grijp   o,   delict  o;   take   —    at,   zich 

beledigd   gevoelen    over. 
offend    [a'fend]     beledigen,     ergeren, 

aanstoot  geven;    —   against,    zondi- 

gen  tegen,  schenden. 
offender   [a'fenda]    belediger;  overtre- 

der,    delinquent;    zondaar. 
offensive    [a'fensiv]    beledigend,   aan- 

stotelijk,      ergerlijk,      onaangenaam; 

aanvallend,  offensief    (o). 
offer  ['Dfs]    (aan) bod  o,  offerte,   (hu- 

weIijks)aanzoek   o\   vt    (aan)bieden; 

offeren;     ten     beste    geven;    maken 

[opmerkingen    &];    vi   zich    aanbie- 

den;  zich  voordoen. 
offering  ['ofarif)]  offerande,  offergave, 

offer  o. 
off-hand  ['oif'haend]   op  staande  voet; 

voor  de  vuist;   zonder  plichtplegin- 

gen. 
off-hours  ['D:fau3z]  vrije  uren. 
office     ['ofis]     ambt     o,     betrekking, 

dienst;     bediening;     taak;      (kerk)- 

dienst;  ministerie  o,  kantoor  o,  bu- 
reau o. 


officer 


II 


one-sided 


officer    ['Dfisa]     beambte,    ambtenaar; 

functionaris;  agent  [van  politic];  of- 

ficier. 
official    [a'fijsl]    ambtenaar,   beambte, 

functionaris;    a]  ambtelijk,  officieel, 

ambts-. 
officiate   [a'fijieit]   een  ambt  waarne- 

men,  dienst  doen;   de  dienst  doen. 
officious   [a'fijas]   gedienstig;  opdrin- 

gerig;  officieus. 
offing    ['3:fir)]    open    zee. 
offset  ['D:fset]   uitloper;  tegenwicht  o, 

compensatie;      vt     opwegen     tegen, 

goedmaken,   neutraliseren. 
offside    ['Dif'said]    verste     kant      (  = 

rechts  of  links);  buitenspel  o  [voet- 

bal]. 
offspring  ['Difsprir;]   (na)kroost  o\  na- 

geslacht  o;  resultaat   o,  vrucht(en). 
often  ['D:f(t)3n]   dikwijls,  vaak. 
ogle    E'ougl]    lonk,    (verliefde)    blik; 

vt   (aan-,  toe)lonken. 
ogre   ['ougs]   weerwolf,  menseneter; 

boeman. 
oil  [Dil]   olie;  petroleum;  -^s,  oliejas; 

vt   olien,    insmeren;    stookolie   laten 

innemen. 
oilcake  ['Dilkeik]  lijnkoek. 
oilcloth    ['3ilkb6]    wasdoek  o  Si  m. 
oil-colour   ['DilkAb]   olieverf   (ook: 

~s). 

oil-painting    ['oilpeintir)]    olieverf - 

schilderij   o  8^  v. 
oilskin   ['Dilskin]   gewaste  taf;  oliejas. 
oily    ['oili]    olieachtig,   vet;    olie-;    jig 

zaivend. 
ointment   ['Dintmsnt]    zaif,  smeersel  o. 
O.K.    ['ou'kei]    in   orde! 
old  [ould]  oud;  ouderwets;  of  '—',  van 

ouds. 
olden   [ouldn]    oud. 
old-fashioned    ['ould'fEeJsnd]    ouder- 
wets. 
old-time  ['ould'taim]  ouderwets;  oud. 
old-timer  ['ould'taima]  oudgediende; 

oudgast. 
olfactory    [sl'faktari]    reuk-. 
olive   ['dHv]   olijf(tak). 
Olympic   [ou'limpik]   olympisch. 


omelet (te)    ['smlit]   omelet. 

omen   ['oumen]   voorteken  o. 

ominous    ['Dminas]    onheilspellend; 
• —   of...,  ...voorspellend. 

omission  [ou'mijsn]  weglating,  uitla- 
ting;  verzuim  o. 

omit  [ou'mit]  weg-,  uitlaten;  nalaten, 
verzuimen. 

omnibus    ['smnibas]    omnibus. 

omnipotence    [am'nipatans]    almacht. 

omnipotent   [Dm'nipstant]   almachtig. 

omnipresence   [Dmni'prezsns]   alom- 
tegenwoordigheid. 

omnipresent    [amni'prezant]    alom- 
tegenwoordig. 

omniscience  [Dm'nijsns]  alwetendheid. 

omniscient   [am'nijant]   alwetend. 

omnivorous  [Dm'nivarss]  omnivoor, 
allesetend. 

on  [on]  op,  aan,  in,  bij,  om,  met, 
van,  over,  tegen,  volgens;  door, 
voort,  verder  [bij  werkw];  what  is 
— .'',  wat  is  er  aan  de  hand.';  — 
to,  op,  naar. 

once  [wAns]  eens,  eenmaal;  als  (een- 
maal),  zodra;  —  and  again,  af  en 
toe,  een  enkele  maal;  —  upon  a 
time,  (er  was  er)  eens;  at  — ,  da- 
delijk;  tegelijk;  all  at  — ,  plotse- 
ling;  for  — ,  een  enkele  maal;  bij 
(hoge)  uitzondering;  this  — ,  dit- 
maal. 

oncoming    ['DnkAmirj]    nadering;    aj 
naderend,  aanstaand. 

one  [wAn]  een,  een;  een  enkele;  (een 
en)  dezelfde;  een  zekere;  enig(e); 
men;  de  een;  iemand;  —  another, 
elkaar;  that's  a  good  -~.',  die  is 
goed;  /'/  is  all  — ,  het  is  allemaal 
hetzelfde;  be  a  t  —  with  him  on 
{about),  het  met  hem  eens  zijn  over; 
—  by  — ,  een  voor  een;  X  f  o  r  — , 
X  bijvoorbeeld. 

one-eyed    ['wAn'aid]    eenogig. 

onerous  ['sneras]  lastig,  bezwaarlijk, 
zwaar;    bezwaard    [eigendom]. 

oneself  [wAn'self]  zich;  zichzelf;  zelf. 

one-sided    ['wAn'saidid]    eenzijdig, 
partijdig. 


onion 


187 


oppress 


onion    ['Anjan]    ui. 

onlooker    ['snluka]    toeschouwer. 

only  ['ounli]  enig(e);  enig;  alleen, 
enkel;   pas,  net;  eerst;  maar. 

onrush   ['onrAj]   stormloop,  opmars. 

onset   ['Dnset]    aanval;  begin  o. 

onslaught    ['3nsb:t]    aanval,    bestor- 
ming. 

onward  ['onwad]  voorwaarts,  vooruit. 

onwards  ['Dowsdz]  voorwaarts,  voor- 
uit; from...   ■ — ■,  van...   af. 

ooze  [u:z]  modder,  slik  o\  in  sijpe- 
len;  • — •  out,  doorsijpelen,  (uit)lek- 
ken. 

oozy   ['u:zi]   modderig,  slijkerig. 

opacity  [ou'passiti]  ondoorschijnend- 
heid,  donkerheid,  duisterheid;  dom- 
heid,  botheid. 

opaque    [ou'peik]    ondoorschijnend, 
donker,   duister;    dom,   bot. 

open  ['oup(3)n]  open;  jig  openhar- 
tig;  onverholen;  openlijk;  openbaar; 
be  —  to,  open  zijn  (staan)  voor; 
blootgesteld  zijn  aan;  onderhevig 
zijn  aan  [twijfel];  toegankelijk 
(vatbaar)  zijn  voor;  gaarne  willen 
(ontvangen,  enz.);  it  is  —  to  you 
to...,  het  staat  u  vrij  om...;  lay 
oneself  ~'  to,  zich  blootstellen  aan; 
in  the  '—,  in  de  open  lucht;  onder 
de  blote  heme!,  in  open  zee;  fig  in 
het  openbaar;  bring  into  the  — , 
aan  het  licht  brengen;  come  out 
into  the  — ,  naar  buiten  komen;  fig 
naar  buiten  optreden;  vt  openen, 
openmaken;  blootleggen;  inleiden 
[onderwerp] ;  beginnen;  ontginnen 
[terrein];  vi  opengaan,  zich  ope- 
nen; aanbreken,  beginnen;  ~  into, 
on  {on  to),  uitkomen  op;  —  up, 
toegankelijk  maken;  open-,  bloot- 
leggen;   ontginnen;    beginnen. 

open-handed  ['oup(3)n'hasndid]  mild, 
royaal. 

open-hearted  ['oup(3)n'ha:tid]  open- 
hartig;   grootmoedig;    hartelijk. 

opening  ['oup(3)nir)]  opening;  begin 
o,   inleiding;   kans;   gelegenheid. 

openly   ['oup(3)nli]   openlijk. 


open-minded  ['oup(3)n'maindid]  on- 
bevangen,  onbevooroordeeld. 

opera  ['apsrs]   opera. 

opera  glass (es)  ['3p3r3gla:s(iz)]  to- 
neelkijker. 

operate  ['opareit]  werken;  uitwerking 
hebben;  opereren;  van  kracht  zijn; 
bewerken;  teweegbrengen;  drijven; 
exploiteren;  leiden;  bedienen  [ma- 
chine]. 

operation  [Dps'reijsn]  (uit)werking, 
werkzaamheid,  verrichting,  bewer- 
king,  (be)handeling,  bediening  [v. 
machine];  exploitatie;  operatic;  come 
into  — ,  in  werking  treden;  bring 
{put)  into  ' — •,  in  werking  doen 
treden;   in   bedrijf  stellen. 

operative  ['Dpsrstiv]  werkman;  aj 
werkzaam,  werkend;  werk-;  opera- 
tief;  become  '^,  in  werking  treden. 

operator  ['opareits]  operateur;  (be)- 
werker;  exploitant;  speculant;  tele- 
grafist;    telefonist;    bestuurder. 

operetta   [spa'reta]   operette. 

opinion  [s'pinjan]  opinie,  idee  o  &  v; 
mening,  gevoelen  o;  in  my  ^~' ,  vol- 
gens  mijn  mening. 

opinionated  [a'pinjaneitid]  eigenwijs, 
eigenzinnig. 

opium  E'oupjam]  opium. 

opponent    [a'pounant]    tegenstander. 

opportune  ['opstjuin,  Dpa'tjuin]  juist 
op  tijd,  van  pas  (komend),  gele- 
gen,  geschikt,  gunstig. 

opportunity  [Dps'tjuiniti]  (gunstige) 
gelegenheid. 

oppose  [a'pouz]  stellen,  plaatsen  (te- 
genover,  to),  tegenover  elkaar  stel- 
len; zich  kanten  tegen,  zich  verzet- 
ten    tegen,    bestrijden    [voorstel]. 

opposite  E'Dpazit]  tegen  (over)  gesteld, 
-gelegen;  (daar)  tegenover,  aan  de 
overkant;  —  neighbour,  overbuur; 
'—  number,  partner,  collega;  tegen- 
speler;    —    pirty,    tegenpartij. 

opposition  [spa'zijan]  oppositie,  te- 
genstand,  tegenkanting;  tegenover- 
stelling;  tegenstelling. 

oppress    [a'pres]    onderdrukken;    yer- 


oppression 


li 


drukken;   drukken,   bezwaren. 
oppression    [s'prejsn]    onder-,    ver- 

drukking;    druk,    benauwing. 
oppressive    [s'presiv]    (onder) druk- 

kend,  benauwend. 
oppressor    [a'press]    onder-,    verdruk- 

ker. 
opprobrious     [a'proubriss]     smadend, 

beledigend,  smaad-. 
opprobrium  [a'proubrism]  smaad, 

schande. 
opt    [3pt]    opteren,    kiezen. 
optic   E'Dptik]    optisch,  gezichts-;   — s, 

optica;    ogen. 
optical  i'Dptikl]  optisch,  gezichts-;  — 

illusio?!,  gezichtsbedrog  o. 
optician    [sp'tijan]    opticien. 
optimism    ['optimizm]    optimisme  o. 
optimist    ['Dptimist]    optimist;    aj  op- 

timistisch. 
optimistic    [apti'mistik]    optimistisch. 
option   L'DpJsn]   keus,  verkiezing,  op- 
tie. 
optional   ['opjanl]    naar  keuze,   facul- 

tatief. 
opulence     ['Dpjubns]    rijkdom,    over- 

vloed,  weelde(righeid). 
opulent    ['spjubnt]    rijk,   overvloedig, 

weelderig. 
or  [d:]   of;   ^^  else,  of  wel,  anders. 
oracle  ['argkl]   orakel  o. 
oral    ['3:r3l]    mondeling;   mond-. 
orange  ['Drindg]  sinaasappel;  oranje  o. 
orator    ['orata]    redenaar,   spreker. 
oratory    ['oratari]   welsprekendheid; 

(bid)kapel. 
orb   [D:b]   bol;  kring. 
orbit    ['3:bit]    baan;   oogholte,   -kas. 
orchard  ['Ditjad]  boomgaard. 
orchestra    ['sikistra]    orkest  o. 
orchid    ['D:kid]    orchidee. 
ordain   [o/dein]   aan-,  instellen;  beve- 

len,    verordenen;    bestemmen,    bepa- 

len;    (tot  priester)  wijden. 
ordeal  [D;'di:al,  D:'di:l]  godsgericht  o, 

beproeving;   fig  vuurproef. 
order      ['D:da]       (rang)orde,      klasse, 

soort;      stand;     volgorde;     regeling, 

schikking;    order,    bevel    o,    bestel- 


8  originality 

ling;  formulier  o;  (toegangs)biljet 
o;  tenue  o  &  v;  holy  •^j,  de  gees- 
telijke  wijding;  b  y  his  '-~s,  op  zijn 
bevel;  in  ~,  in  orde;  in  —  to, 
om  (te),  teneinde  te;  on  ~-,  in 
bestelling;  out  of  — ,  niet  in  or- 
de; ordeloos;  stuk;  to  — ,  op  com- 
mando (bevel);  volgens  bestelling; 
op  (naar)  maat;  aan  order;  vt  or- 
denen,  (be)schikken,  regelen;  ver- 
ordenen, gelasten,  bevelen,  voor- 
schrijven;   bestellen. 

orderly  ['D:dali]  oppasser;  ordonnans; 
aj  ordelijk,  geregeld. 

ordinal    ['jidinal]    rangtelwoord  o. 

ordinance    ['sidinans]    voorschrift   o, 
verordening,   ordonnantie. 

ordinary   ['a:d(i)nari]   gewoon,  alle- 
daags. 

ordination    [a:di'neijan]    (ver)orde- 
ning,  raadsbesluit  o\  priesterwijding. 

ordnance    ['Didnans]    geschut   o,   artil- 
lerie. 

ordure    ['D:djua]   vuilnis;  vuil   o. 

ore   [d:]    erts   o. 

organ    ['D:gan]    orgel    o;    werktuig   o\ 
orgaan  o. 

organ-grinder    ['3;gangrainda]    orgel- 
draaier. 

organic  [ai'gasnik]  organisch,  organiek. 

organism  ['Diganizm]  organisme  o. 

organist   ['oiganist]   organist. 

organization   [aiganai'zeijan]    organi- 
satie. 

organize   ['oiganaiz]   organiseren;  zich 
organiseren. 

organizer    ['D:ganaiza]    organisator. 

orgy    L'Dtdgi]    zwelg-,   braspartij. 

Orient  ['airiant]  oosten  o. 

oriental    [airi'ental]    oosterling;   aj 
oostelijk;  costers. 

orientate   ['airianteit]    orienteren. 

orifice    ['Drifis]    opening;    mond. 

origin    ['Dtidgin]    oorsprong,  begin  o, 
af-,  herkomst;  oorzaak. 

original    [a'ridginal]    oorspronkelijk, 
origineel;   —  sin,  erfzonde. 

originality    [aridgi'nasliti]    oorspron- 
kclijkheid;   originaliteit. 


originate 


189 


outing 


originate    [a'ridsineit]     voortbrengen; 

voortspruiten    (uit,    in),    afkomstig 

zijn    (van,  from,  with). 
ornament   ['Dinamsnt]    ornament  o, 

versiersel    o,   versiering;    sieraad    o\ 

['D:n3ment]    vt    (ver)sieren,    tooien. 
ornamental    [otns'mentsl]    (ver)sie- 

rend;   sier-. 
ornate    [3:'neit]    (te)    zeer   versierd, 

overladen. 
orphan    ['Drfan]    wees;   aj  ouderloos, 

wees-. 
orphanage   ['sifanidg]   ouderloosheid; 

weeshuis   o. 
orthodox   ['DiGad^ks]   orthodox, 

rechtzinnig;    gebruikehjk;    echt. 
orthodoxy    ['DiQadaksi]    orthodoxie, 

rechtzinnigheid. 
orthography    [Di'S^grafi]     (juiste) 

spelling;   spellingleer. 
oscillate    t'Dsileit]    slingeren,   schom- 

melen. 
oscillation    [osi'leijan]    slingering, 

schommeling. 
osier   ['ou33]   wilg;   rijs   o\   teen;   aj 

tenen. 
osseous    E'osias]    beenachtig,  beender-. 
ossify  ['osifai]  doen  verbenen;  in  been 

veranderen;  verharden. 
ossuary  ['Dsjuari]  knekelhuis  o. 
ostensible    [3s'tensibl]    voorgewend, 

ogenschijnlijk,  zogenaamd. 
ostensibly    [Ds'tensibli]    zoals   voorge- 

geven  wordt  (werd),  ogenschijnlijk, 

zogenaamd. 
ostentation    [ssten'teijsn]     (uiterlijk) 

vertoon  o,  pralerij;  ostentatie. 
ostentatious   [Dsten'teijas]    pralend, 

pralerig,   pronkerig. 
ostler    C'Dsb]    stalknecht. 
ostrich    E'DstritJ]    struisvogel. 
other   ['aSs]    ander;   nog    (meer) ;   an- 

ders,  verschillend;   the   —   day,  on- 

langs;   the   ^^    night,   laatst  op  een 

avond;  '— -  than,  ook:  behalve. 
otherwise    [VSawaiz]    anders,    anders- 

zins;  wise  a?id  ■ — ■,  wijs  en  niet  wijs; 

rich  or  ~',  rijk  of  arm. 
otter  E'ota]    (zee) otter. 


ought   [D:t]   moeten,  behoren;  you  — 

to...,  je  moe(s)t... 
ounce  [auns]  ons  o  (^/is  Eng.  pond). 
our   ['aua]    ons,  onze. 
ours    ['au3z]    de    onze,    het   onze,    de 

onzen;  van  ons. 
ourself    [aus'self],   ourselves    [aus- 

'selvz]  wij   (zelf);  ons,  (ons)  zelf. 
oust   [aust]    uit  het  bezit  stoten;  ver- 

dringen. 
out    [aut]    uit,   naar  buiten;  erop   uit; 

op;  om;  uit  de  mode;   — ■  and  away, 

verreweg   [de  beste  &];   —  of,  uit; 

buiten;  zonder;  van. 
out-and-out    ['autand'aut]    degelijk, 

eerste  rangs-;   echt;  aarts-. 
outbalance    [aut'bsebns]    zwaarder 

wegen  dan. 
outbreak    ['autbreik]    uitbreken    o; 

uitbarsting. 
outbuilding  ['autbildii)]  bijgebouw  o. 
outburst    ['autbsist]    uitbarsting;   fig 

uitval. 
outcast    ['autka;st]    verworpeling;   aj 

verworpen;   diep  gezonken. 
outcome  E'autkAm]  uitslag,  resultaat  o. 
outcry    ['autkrai]   geschreeuw   o\  pro- 
test o. 
outdistance   [aut'distsns]   achter  zich 

laten,  voorkomen. 
outdo    [aut'du:]    overtreffen. 
outdoor    ['autds:]    buiten-;    voor   bui- 

tenshuis. 
outdoors  E'aut'dDiz]  buiten (shuis). 
outer  ['auta]  buiten-,  buitenste,  uiter- 

ste;  his  ■ — ■  man,  zijn  uiterlijk. 
outermost   ['autsmoust]   buitenste,  ui- 

terste. 
outfit   ['autfit]   uitrusting. 
outfitter    ['autfits]    leverancier  van 

uitrustingen. 
outgoing  ['autgouirj]  uitgaande;  aflo- 

pend    [getij];   vertrekkende   [trein]; 

aftredende  [minister];  • — s,  uitgaven, 

(on)kosten. 
outgrow   [aut'grou]    over  't  hoofd 

groeien;   te   groot  worden  voor. 
outing   ['autirj]    uitgang,   uitgaansdag; 

uitstapje  o. 


outlander 


190 


overcharge 


outlander  ['autlasnds]  buitenlander, 

vreemdeling. 
outlandish   [aut'laendij]   buitenlands; 

vreemd;    (ver)afgelegen. 
outlast    [aut'la:st]    langer   duren   dan. 
outlaw    ['autb;]    vogelvrij   verklaarde, 

balling;    bandiet;    vt  buiten   de   wet 

stellen. 
outlay  ['autlei]   uitgave,   (on)kosten. 
outlet    ['autlet]    uitgang;    uitweg;    af- 

voerkanaal   o\   afzetgebied   o. 
outline  ['autlain]  oratrek,  schets;  om- 

lijning;    vt     (in    omtrek)     schetsen, 

aftekenen,    omlijnen. 
outlive    [aut'liv]    overleven. 
outlook   C'autiuk]    uitkijk;  kijk,  ziens- 

wijze,    opvatting;    uitzicht    o,    voor- 

uitzicht  o. 
outlying   ['autlaiirj]    afgelegen. 
outnumber   [aut'nAmba]    in  aantal 

overtreffen. 
out-of-date    ['autsv'deit]    ouderwets, 

verouderd. 
out-of-the-way   [autavSs'wei]    afgele- 
gen;  ongewoon. 
outpost    ['autpoust]   buitenpost;  voor- 

post. 
outpour (ing)    ['autpD:(rif))]    uitstor- 

ting;  ontboezeming. 
output    ['autput]    opbrengst,    produk- 

tie;  effect  o,  vermogen  o. 
outrage  ['autrids]  smaad;  aanranding, 

vergrijp   o,   belediging,   gewelddaad, 

aanslag;    vt    beledigen,    schenden. 
outrageous    [aut'reid33s]    beledigend, 

schandelijk,    gewelddadig;    overdre- 

ven. 
outright   ['aut'rait]   dadelijk,  op  slag; 

in  zijn  geheel;   terdege,   totaal,  vol- 

slagen;    ronduit,    zonder    meer. 
outrival   [aut'raivsl]   het  winnen  van. 
outrun    [aut'rAn]    harder    lopen    dan, 

voorbijlopen;   voorbijstreven. 
outset   ['autset]    begin  o. 
outside    E'aut'said]     (van,    naar)    bui- 
ten;   buitenzijde,    -kant;    uitwendige 

o;  buitenste  o\  uiterste  o;  maximum 

o;    aj    E'autsaid]    van    buiten     (ko- 

mend);   uiterste;   buiten-. 


outsider    [aut'saids]    buitenstaander. 

outskirts    ['autskaits]    zoom,    grens; 
rand;    buitenwijken. 

outspoken    [aut'spoukn]    onbewim- 
peld,   openhartig. 

outstanding    [aut'stsendirj]    uitsprin- 
gend;    uitstaand,   onbetaald;    onafge- 
daan;    onuitgemaakt;    markant,    bij- 
zonder,   uitzonderlijk. 

outstrip    [aut'strip]    voorbijstreven, 
achter  zich  laten. 

outvote    [aut'vout]    overstemmen. 

outward  ['autwsd]  uitwendig,  uiter- 
lijk;  naar  buiten  (gekeerd);  bui- 
ten-;   —    bound,  op   de  uitreis. 

outwear  [aut'wea]  verslijten;  te  bo- 
ven  komen;  langer  duren  dan. 

outweigh  [aut'wei]  zwaarder  wegen 
dan;  jig  meer  gelden  dan. 

outwit  [aut'wit]  verschalken,  te  slim 
af   zijn. 

ouzel   ['u:zl]   merel. 

oval    ['ouvsl]    ovaal    (<?),   eirond. 

ovation   [ou'veijan]   ovatie,  hulde. 

oven    [Avn]    oven. 

over  ['ouva]  over,  boven,  over...  been; 
in  verband  met,  met  betrekking  tot; 
bij  [een  glas  wijn];  door  [de  tele- 
foon];  gedurende;  voorbij,  afgelo- 
pen,  uit;  om;  omver;  meer  dan;  — 
and  above,  (boven  en)  behalve;  — 
and  ■ — •  {again'),  keer  op  keer,  tel- 
kens  weer;  all  — ,  van  boven  tot 
onder,  van  top  tot  teen;  twice  ■ — ■, 
tweemaal;  —  there,  (daar)ginder, 
aan   de   overkant. 

overall    ['ouv3r3:I]     (jongens)kiel, 
stofjas,    huishoudscliort,    ~~5,    werk- 
broek,   overall;  aj  totaal. 

overawe     [ouva'n:]     ontzag    inboeze 
men,    imponeren. 

overbearing  [ouvs'besrir)]   aanmati- 
gend. 

overboard    ['ouvsboid]    overboord. 

overburden    [ouvs'bsidn]    overladen. 

overcast    ['ouvs'kaist]    betrokken   [v. 
lucht]. 

overcharge    [ouv3'tJa;d3]    overladen; 
overvragen. 


overcoat 


191 


owing 


overcoat    ['ouvskout]    overjas. 

overcome  [ouva'kAm]  overwinnen;  te 
boven  komen;  aj  onder  de  indruk; 
overmand,  verslagen. 

overcrowded  [ouvs'kraudid]  overvol, 
overbevolkt. 

overdo  [ouva'du:]  (de  zaak)  over- 
drijven,  te  ver  drijven;  afmatten;  te 
gaar  koken  &. 

overdue  ['ouva'dju:]  over  zijn  tijd; 
achterstallig  [v.  schulden];  reeds 
lang   noodzakelijk. 

overeat    ['ouva'riit]    zich  overeten. 

overflow    [ouva'floul    overvloeien, 
overlopen,      overstromen;      -^      its 
banks,  buiten   de  oevers   treden. 

overgrown    ['ouva'groun]    begroeid, 
bedekt  [met  gras  &]. 

overhang    ['ouvs'haer)]    hangen   over, 
boven    (lets);   uitsteken. 

overhaul  ['ouvahDil]  nazien  o,  onder 
handen  nemen  o,  revisie  [v.  ma- 
chines]; [ouvs'hs:!]  vt  nazien,  on- 
der handen  nemen,  reviseren  [ma- 
chines];   inhalen. 

overhead  ['ouvs'hed]  boven  ons,  bo- 
ven het  (ons,  zijn)  hoofd;  ['ouvs- 
hed]  aj  in:  ■ —  charges  {cost,  ex- 
penses), '~(j)  ['ouv3hed(z)]  alge- 
mene  onkosten;  —  railway,  lucht- 
spoorweg;    —    wires,    bovenleiding. 

overhear  [ouva'his]  bij  toeval  horen, 
opvangen,  afluisteren. 

overland    ['ouvslsend]    over    land 
(gaand). 

overlap  [ouvs'laep]  (elkaar)  gedeelte- 
lijk  bedekken,  gcdeeltehjk  samenval- 
len   (met),  in  elkaar  grijpen. 

overleaf    [ouva'liif]    aan   ommezijde 
(van  het  blad). 

overload   ['ouva'loud]   overladen. 

overlook  [ouvs'luk]  overzien;  over  't 
hoofd  of   door  de  vingers  zien. 

overnight    [ouva'nait]    de   avond 
(nacht)    te  voren;   gedurende   de 
nacht;    ineens,    plotseling. 

overpower  [ouvs'paua]  overmannen, 
overstelpen,   overweldigen. 

overrate   ['ouva'reit]    overschatten. 


overreach   [ouvs'riitj]   verder  reiken 

dan;   bedriegen. 
override    [ouva'raid]    afjakkeren,    af- 

beulen;  met  voeten  treden,  vernieti- 

gen,   te  niet  doen. 
overrule  [ouvs'ru;!]  de  overhand  heb- 

ben    over;    besturen;    te    niet    doen; 

overstemmen;   be  ■ — d,  ook:   moeten 

zwichten. 
oversea(s)     ['ouv3'si:(z)]     over     zee, 

naar    overzeese    gewesten;    aj    over- 
zees. 
overseer   ['ouvosia]    opzichter,  inspec- 

teur;    controleur. 
overshadow    [ouvs'Jaedou]    overscha- 

duwen. 
overshoe  ['ouvaju:]   overschoen. 
oversight    ['ouvasait]    toezicht  o\   on- 

oplettendheid,    vergissing. 
oversleep    ['ouv3'sli:p]    --~    (oneself), 

zich  verslapen. 
overstrain  ['ouva'strein]  overspannen; 

fig   te   breed   uitmeten. 
overstrung  [ouva'strAf]]  geexalteerd, 

overspannen    [v.    zenuwen]. 
overtake    [ouva'teik]    inhalen,    achter- 

halen;  bijwerken;  overvallen. 
overtax   ['ouvs'taeks]    al   te  zwaar  be- 

lasten;    te   veel   vergen   van. 
overthrow  ['ouvsOrou]  omverwerping; 

val    [v.   e.    minister   &];    nederlaag; 

[ouva'Orou]   vt  om(ver)werpen;  ten 

val  brengen;  verslaan,  vernietigen. 
overtime   ['ouvstaim]   overuren;  work 

— ,  overuren  maken,  overwerken. 
overturn   [ouvs'tain]   om(ver)werpen; 

omslaan,    omvallen. 
overweening    [ouva'wiinif)]    aanmati- 

gend,  verwaand;  overdreven. 
overweight   ['ouvsweit]   over(ge)- 

wicht  o. 
overwhelm    [ouva'welm]    overstelpen; 

verpletteren. 
overwrought    ['ouv3'r3:t]    overspan- 
nen; overladen   [met  details]. 
owe   [ou]    schuldig  zijn,  verschuldigd 

zijn,    te    danken,    te   wijten    hebben 

(aan). 
owing   ['ouir|]   te  betaleo   (zijnd);  ~' 


owl 


192 


palace 


to,  ten  gevolge  van,  dank  zij. 

owl   [aul]    uil. 

own  [oun]  eigen;  —  cousin,  voile 
neef  (van,  to);  vt  bezitten;  (in  be- 
zit)  hebben;  toegeven,  erkennen;  — 
to,  bekennen,  dat...;  '~  up,  be- 
kennen,   opbiechten. 

owner    ['ouna]    eigenaar;   reder. 

ownerless   ['ounslis]   onbeheerd. 

ownership    ['ounsjip]    eigendom,    ei- 


gendomsrecht  o,  bezit(recht)  o. 
ox    [sks]    OS;  rund  o. 
oxen    ['oksan]    meerv.   van   ox. 
oxide   ['oksaid]   oxyde  o. 
oxidize    ['sksidaiz]    oxyderen. 
oxygen    ['oksidssn]    zuurstof. 
oyster    ['sists]    oester. 
oz.   =   ounce  (s). 
ozone  ['ouzoun,  ou'zoun]  ozon  o  &  m. 


p    [pi:]    (de   letter)    p. 

pace   [peis]    stap,   pas,  trede,  schrede; 

gang   [v.  paard];   tempo  o;   I'i  stap- 

pen;  vt  afpassen;  stappen  door. 
pace-maker   ['peismeika]   gangmaker. 
pacific  [ps'sifik]  vredelievend;  vreed- 

zaam;  the  Pacific  (Ocean),  de  Stil- 

le  Zuidzee. 
pacify    ['passifai]     tot    vrede    (rust) 

brengen;    stillen;    kalmeren. 
pack    [p£ek]    pak    o,    last;    bepakking; 

troep;  bende;  pakijs  o\  spel  o  [kaar- 

ten];  vt   (in)pakken;  bepakken;  ver- 

pakken;    volstoppen,    -proppen;     — 

(off),    zijn     biezen     pakken;     —^ed 

with,  ook;  vol... 
package  ['paekids]  verpakking;  pak  o; 

— s,   ook:    colli;   vt  verpakken. 
pack-cloth   ['pjekkbO]   paklinnen  o. 
packet   E'paekit]    pakje  o,  pakket  o. 
pact   [pa;kt]   verdrag  o,  verbond  o. 
pad  [pasd]   kussen(tje)   o;  opvulsel  o; 

onderlegger,    (schrijf)blok    o;    vt 

(op)vullen. 
padding    ['pEdirj]    (op)vulsel  o. 
paddle    ['paedl]    pagaai;    blad    o     [v. 

riem];   (scheprad)schoep;  vt  pagaai- 

en;    vi  plassen. 
paddle-steamer  ['paEdlsti:m3]  rader- 

(stoom)boot. 
paddle-wheel   ['pasdlwi:!]   scheprad  o. 
paddock  ['pasdak]  paddock:  omheinde 

afdeling. 
padlock   ['paedbk]    hangslot  o. 


padre  ['pa:drei]  (leger-,  vloot)predi- 
kant,    (leger-,  vloot)aaImoezenier. 

pagan    ['peigsn]    heiden;   aj  heidens. 

paganism   ['peiganizm]    heidendom  o. 

page  [peids]  page;  livreiknechtje  o\ 
bladzijde;  vt  pagineren. 

pageant  ['pasdsant]  praal,  vertoning; 
schouwspel  o\  (historische)  optocht. 

pageantry   ['pasdsantri]   praal  (verto- 
ning). 

paid   [peid]   V.T.  &  V.D.  v.  pay. 

pail    [peil]    emmer. 

pain  [pein]  pijn,  smart,  lijden  o;  straf; 
— s,  ook:  moeite,  inspanning;  vt 
pijnlijk  zijn,  pijn  doen;  leed  doen, 
bedroeven. 

painful    ['peinful]    pijnlijk. 

painstaking   ['peinzteikirj]    ijverig; 
nauwgezet. 

paint  [peint]  verf;  blanketsel  o\  vt 
schilderen;   verven    [gezicht  &]. 

painter    ['peinta]    schilder. 

painting  ['peintirj]  schilderkunst; 
schilderij   o  &.  v. 

paintress  ['peintris]   schilderes. 

pair  [pea]  paar  o;  span  o;  paartje  o; 
that's  another  — -  of  shoes  {stock- 
ings), dat's  heel  wat  anders;  vt 
paren. 

Pakistan    [pEki'sta:n]    Pakistan    o. 

Pakistani  [paeki'sta:ni]  Pakistaner;  aj 
Pakistaans. 

pal    [pffil]    kameraad. 

palace   ['paelis]   paleis  o. 


palatable 


193 


parachutist 


palatable    ['pzebtabi]    smakelijk,    aan- 

genaam. 
palate    ['paelit]   verhemelte  o. 
pale   [pcil]   paal;  omheining,  grenzen; 

gebied   o,    terrein   o\   a]  bleek,    dof, 

flauw;   vt  verbleken. 
Palestine   ['paelistain]    Palestina  o. 
palette    ['paslit]    palet    o. 
paling    ['peiliij]    omheining. 
palisade    [pasli'seid]    paalwerk   o,   pa- 

lissade;   vt  palissaderen. 
pall    [pD:l]    baarkleed    o,   lijkkleed    o\ 

jig    mantel,    sluier;     vt    verzadigen, 

doen  walgen;  vi  ■ —    upon,  gaan  te- 

genstaan,  vervelen. 
pall-bearer  ['p^dbears]   slippedrager. 
pallet    ['pxlit]    palet  o\   strozak,   stro- 
bed o. 
palliate  ['paelieit]  verzaciiten,  lenigen; 

bewimpelen,   verbloemen. 
palliative   ['paelistiv]    lapmiddel   o, 

doekje   o  voor  't  bloeden. 
pallid    L'pslid]    (doods)b]eek. 
pallor    ['psb]    bleekheid. 
palm   [pa:m]   palm. 
palpable    ['paelpsbl]    tastbaar. 
palpitate    ['paelpiteit]    kloppen    [van 

het  hart],  popelen,  trillen,  lillen. 
palsy    ['p3:lzi]     verlamming;    vt    ver- 

lammen. 
palter    ['pDtlta]    draaien,     uitvluchten 

zoeken;    • — ■    with,    het    op    een    ak- 

koordje  gooien  met,  knoeien  met. 
paltry    t'pDdtri]    armzalig,    nietig. 
paludal    [pa'l(i)u:dl]    moeras-;    — 

fever,   malaria. 
pamper   ['pfempa]   overvoe(de)ren; 

vertroetelen,  verwennen. 
pamphlet    ['pjemflit]    vlugschrift  o, 

brochure,  pamflet  o. 
pan    [pasn]    pan. 
pancake    ['psenkeik]    pannekoek. 
pandemonium   [pasndi'mounjsm]   hels 

lawaai  o. 
pane  [pein]    (glas)ruit;   (muur)vak  o; 

paneel   o   [v.   deur]. 
panegyric    [paeni'dsirik]    lofrede. 
panel   ['pasnal]    paneel  o;  vak  o,  tus- 

senschot  o;  lijst,  naamrol;  jury;  com- 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


missie;  vt  (met  panelen)  lambrizeren. 
panel   doctor    ['paensldokta]    fonds- 

dokter. 
pang    [psrj]    pijn,    steek;    kwelling, 

angst. 
panic    ['peenik]    paniek;    aj    panisch. 
panic-stricken  ['psnikstrikn]  door  een 

paniek   aangegrepen. 
pannikin    ['pasnikin]    pannetje  o; 

kroes. 
panorama   [pasn3'ra:m3]    panorama  o. 
pansy   ['psenzi]   driekleurig  viooltje  o. 
pant   [psent]    hijgen;    — ■   for,  snakken 

naar. 
pantaloons    [p£ent3'lu;nz]    pantalon. 
pantechnicon   [pasn'tekniksn]   meubel- 

pakhuis  o;  ■ — '    (van),  verhuiswagen. 
panther   ['psenBa]    panter. 
pantomime  ['pcentamaim]  pantomime. 
pantry   ['pasntri]   provisiekamer,  -kast. 
pants    ['paents]    pantalon;   onderbroek. 
pap    [p£ep]    pap. 
papa    [ps'pa:]    papa. 
papacy   ['peipssi]    pausschap   o,  paus- 

dom  0. 
papal    ['peipal]    pauselijk. 
paper    ['peipa]    papier    o;    krant;    op- 

stel    o;    verhandeling;    examenopga- 

ve;    agenda    [in    Parlement];    lijst; 

behangselpapier    o;    aj  papieren;    vt 

behangen   [kamer]. 
paper-bound  ['peipsbaund]  ingenaaid. 
paper-cutter  ['peipskAta]  vouwbeen  o. 
paper-hanger   ['peipshasgs]   behanger. 
paper-hangings    ['peipshasrjigz]    be- 

hang(selpapier)    o. 
paper-knife  ['peipanaif]  vouwbeen  o. 
paper-weight    ['peipaweit]    presse- 

papier. 
pappy   ['paspi]    pappig,  zacht,  sappig. 
par  [pa:]  gelijkheid;  parikoers;  at  ■ — •, 

a  pari;  be  on  a  — ,  gelijk  staan,  op 

een   lijn   staan. 
parable    ['p^erabl]    parabe],  gelijkenis. 
parachute  ['paerajuit]  valscherm  o;  vi 

(met  een  valscherm)   afspringen;  vt 

(met  een  valscherm)   afwerpen. 
parachutist    ['pasrajuitist]    parachu- 

tist(e). 

13 


parade 


194 


parrot 


parade  [ps'reid]  parade;  fig  vertoon 
o;  exercitieplaats;  appel  o,  aantre- 
den  o\  openbare  wandelplaats,  pro- 
menade, (strand) boulevard;  optocht; 
(mode) show;  vt  pronken  met;  pa- 
rade laten  maken,  laten  aantreden; 
laten  marcheren;  doortrekken;  vi 
paraderen,  in  optocht  voorbijtrek- 
ken;   aantreden. 

paradise   ['paeradais]   paradijs  o. 

paradisiacal  [pasrsdi'zaiakl]  paradijs- 
achtig,  paradijs-. 

paradox    L'paersdDks]    paradox. 

paradoxical   [psera'dDksikl]   para- 
doxaal. 

paraffin  ['pasrafin]  paraffine. 

paragon  ['paeragsn]  model  o,  voor- 
beeld   o,   toonbeeld   o. 

paragraph  ['psersgraif]  alinea,  para- 
graaf;  krantebericht  o. 

parakeet   ['pjerakiit]   parkiet. 

parallel  ['pseralel]  evenwijdige  lijn, 
parallel;  without  {a)  — ,  zonder 
weerga;  aj  evenwijdig  (met,  to, 
with),  parallel;  vt  evenwijdig  lopen 
met;  op  een  lijn  stellen,  vergelij- 
ken;  evenaren. 

paralyse    ['pseralaiz]    verlammen. 

paralysis    [pa'rselisis]    verlamming. 

paralytic  [pjers'litik]  lam. 

paramount    ['psersmaunt]    opperste, 
hoogste;  overheersend. 

parapet   ['pierapit]    borstwering. 

paraphernalia  [psrafa'neiljs]  lijfgoe- 
deren,  gerei  o;  uitrusting;  sieraden, 
tooi. 

paraphrase  ['psrsfreiz]  omschrijving; 
vt  omschrijven. 

parasite  ['pserasait]  parasiet. 

parasitic(al)  [p£r3'sitik(I)]  parasiet- 
achtig;   parasiterend. 

parasol   ['pEerasol]   parasol. 

paratrooper  ['p£er3tru:p3]  parachutist. 

paratroops  ['pasratruips]  parachutis- 
ten. 

paratyphoid   [psra'taifDid]   paratyfus. 

parcel  ['pa:sl]  perceel  o\  pakje  o,  pak 
o,  pakket  a;  partij,  hoop;  vt  — 
(out),   verdelen,   uitdelen. 


parcel  post   ['pa:slpoust]   pakketpost. 
parch   [pa:tj]    (doen)   verdrogen, 

schroeien;    zacht    roosteren. 
parchment   ['pa:tjm3nt]   perkament  o. 
pardon    ['pa:dn]    pardon    o,   vergiffe- 

nis,    genade,    gratie;    aflaat;    general 

■ — ■,    amnestic;    beg    ■ — ?,    wat    blieft 

u?;   vt  vergeven;   begenadigen. 
pardonable   ['paidnabl]   vergeeflijk. 
pare  [pea]  schillen  [appel];  (af)knip- 

pen   [nagel];  wegsnijden;  besnoeien 

(ook:    —    down). 
parentage    ['pEarantids]    afkomst,  ge- 

boorte,  geslacht  o,  familie. 
parental    [pa'rental]    ouderlijk. 
parentheses    [pa'ren0isi:z]    meerv.    v. 

parenthesis;    in    — ,    tussen    haakjes. 
parenthesis   [pa'renBisis]    tussenzin, 

haakje  o. 
parents   ['pearants]   ouders. 
pariah    ['pasria,    'pa:ria]    paria. 
paring    ['pearig]    schil,    knipsel    o, 

afval   o  &  m. 
Paris   ['paeris]   Parijs  o. 
parish   ['paerij]  parochie,   (kerkelijke) 

gemeente. 
parishioner   [pa'rijana]   parochiaan. 
Parisian   [pa'rizjan]   Parijzenaar,  Pa- 
ri jse;   a]  Parijs. 
parity    ['paeriti]   gelijkheid;   pariteit. 
park   [pa:k]   park  o;  parkeerterrein  o; 

{national)    — ,   natuurmonument   o; 

vt  parkeren. 
parlance  ['paJans]   taal. 
parliament   ['pailamant]   parlement  o. 
parliamentary   [pa:la'mentari]   parle- 

mentair,  parlements-. 
parlour   ['pa:la]    zitkamer;    spreekka- 

mer;  salon    [v,  kapper]. 
parochial   [pa'roukjal]  parochiaal;  jig 

kleinsteeds,    bekrompen. 
parody    ['pasradi]    parodie;    vt  paro- 

dieren. 
parole  [pa'roul]   (ere)woord  o;  parool 

o,   wachtwoord    o. 
parquet  ['pa:kit]   parket  o. 
parquetry    ['paikitri]    parketvloer;   in- 

legwerk  o. 
parrot    ['pa:rat]    papegaai;    vt    nabau- 


parry 


195 


pass 


wen;   nadoen. 

parry  ['pseri]  afweren,  pareren;  ont- 
wijken. 

parse    [pa:s]    taalkundig  ontleden. 

parsimonious  [pa:si'mounJ3s]  spaar- 
zaam,  karig,  schriel. 

parsimony   ['paisimsni]    spaarzaam- 
heid,  karigheid,  schrielheid. 

parsley   ['pa:sli]   peterselie. 

parson    ['pa:sn]    predikant,   dominee. 

parsonage    ['pa:snid3]    predikants- 
woning,  pastorie. 

part  [pa:t]  part  o,  (aan)deel  o,  ge- 
deelte  o\  plicht;  taak;  partij;  stem; 
rol;  ■ — s,  bekwaamheden,  talent  o; 
in  these  — s,  in  deze  streek  (buurt); 
play  a  ^~',  een  rol  spelen;  fig  kome- 
die  spelen;  play  one's  ■ — •,  ook:  het 
zijne  (zijn  plicht)  doen,  zijn  deel 
bijdragen;  take  —'  in,  deelnemen 
aan,  meedoen  aan;  /  n  — ,  deels; 
gedeeltelijk;  o  n  my  — ,  mijner- 
zijds;  vt  verdelen;  scheiden;  -~ 
company,  uiteengaan,  scheiden  (van, 
w/V/s);  w  uiteengaan,  scheiden  (als); 
breken;  '~  fro  m,  weggaan  van, 
scheiden  van;  • — '  with,  van  de 
hand    doen,    afstand   doen   van. 

partake  [pa:'teik]  deelnemen,  deel 
hebben  (aan,  in,  of,  /'»);  • — ■  of,  ge- 
bruiken;  iets  hebben  van. 

partial  ['paijal]  gedeeltelijk;  partijdig; 
eenzijdig;  be  —  to,  een  voorliefde 
hebben  voor,  bijzonder  gaarne  mo- 
gen.  _ 

partiality  [pa:Ji'aeliti]  partijdigheid; 
eenzijdigheid,  voorliefde. 

participant    [pa:'tisip3nt]    deelnemer, 
deelhebber;    aj   deelnemend,    deel 
hebbend. 

participate  [pa:'tisipeit]  delen,  deel- 
nemen,   deel   hebben    (in,   aan,   in). 

participation  [paitisi'peijsn]  deelne- 
ming. 

participle  ['pa:tisipl]  deelwoord  o. 

particle  ['pa:tikl]   deeltje  o,  greintje  o. 

parti-coloured    ['paitikAbd]    bont, 
veelkleurig. 

particular   [ps'tikjub]   bijzonderheid, 


bijzondere  omstandigheid,  punt  o\ 
aj  bijzonder;  speciaal;  persoonlijk; 
kies-,  nauwkeurig;  veeleisend;  he  is 
not  ■ — ■  to  a  few  guilders,  hij  ziet 
niet  op  een  gulden  of  wat;  in  — , 
in  het  bijzonder,  speciaal. 

particularity   [patikju'lferiti]   bijzon- 
derheid. 

particularly   [pa'tikjulali]    bijzonder; 
zeer;  in  't  bijzonder,  speciaal. 

parting  ['pa.tir)]  scheiding,  afscheid  o, 
vertrek  o\  aj  afscheids-;  —  breath, 
laatste   ademtocht. 

partisan  [pa:ti'zasn]  aanhanger;  mede- 
stander;  partijganger,  -genoot. 

partition  [pa/tijsn]    (ver)  deling; 
scheiding;    scheidsmuur;     (be)schot 
o,    vak(je)    o,    afdeling;    vt    (ver)- 
delen;  afscheiden. 

partly    ['pa:tli]    gedeeltelijk;    deels. 

partner  ['paitna]  makker;  deelgenoot, 
compagnon,  firmant,  vennoot;  part- 
ner. 

partnership    ['paitnsjip]    deelgenoot- 
schap,  vennootschap. 

partridge    ['pa:trid3]    patrijs. 

party  ['pa:ti]  partij,  gezelschap  o;  af- 
deling, groep,  troep;  deelnemer;  be 
a  —  to,  deel  hebben,  deelnemen, 
meedoen  aan. 

pass  [pa:s]  pas,  bergpas,  doorgang; 
reis-,  verlofpas;  toegangsbewijs  o, 
vrijbiljet  o\  uitval  [bij  schermen]; 
toestand,  staat  van  zaken;  come  to 
— ■,  gebeuren;  how  did  it  come  to 
—  ?,  hoe  heeft  het  zich  toegedra- 
gen?;  vi  voorbijgaan,  passeren;  er 
door  komen  of  kunnen;  aangeno- 
men  worden;  passen  [bij  't  kaart- 
spel];  vt  voorbijgaan,  passeren; 
overgaan,  overtrekken,  -steken;  te 
boven  gaan;  laten  passeren,  aanne- 
men  [voorstel],  er  door  of  toelaten; 
met  goed  gevolg  afleggen;  door- 
brengen  [tijd];  uitspreken  [oor- 
deel];  (door)geven;  —  along, 
doorlopen;  ~-  away,  voorbijgaan; 
verdwijnen;  heengaan,  overlijden; 
verdrijven  [tijd];  '~-'  h  y,  passeren; 


passable 


196 


patriot 


—  for,  doorgaan  voor;  — ■  i  }i  t  o, 
overgaan  in;  worden;  • — '  o  n,  door- 
lopen,  verder  gaan;  —  ;'/  on,  het 
doorgeven;  • —  o  v  e  r,  gaan  over; 
voorbijgaan;  voorbijtrekken  [on- 
weer] ;  —  through,  gaan  door; 
doormaken,  meemaken;  doorlopen 
[school];  '~~  to,  overgaan  tot  (op, 
naar) . 

passable  ['paissbl]  gangbaar;  begaan- 
baar,  berijd-,  bevaarbaar;  draaglijk, 
tamelijk,  voldoend. 

passage  ['passids]  doorgang,  doortocht; 
doorvaart;  passeren  o,  overtocht; 
voorbijgaan  o\  gang;  uitgang;  pas- 
sage; aannemen  o  [v.  wetsvoorstel]. 

passenger    ['p£esind33]   passagier. 

passenger  car   ['paesind33ka:]   perso- 
nenauto. 

passer-by  ['paisa'bai]  voorbijganger. 

passing  ['paisirj]  voorbijgaand;  door- 
trekkend;  terloops  gemaakt;  in  hoge 
mate,  zeer;  /«  --,  terloops. 

passion  ['ptejan]  lijden  o,  drift,  harts- 
tocht;  in  rf  •— -■,  in  drift,  woedend; 
jail  (fly)  into  a  ■ — ,  vi^oedend  (drif- 
tig)    worden. 

passionate  ['pcejsnit]  hartstochtelijk; 
driftig. 

passive    ['passiv]   lijdelijk;  lijdend. 

pass-key    ['pa:ski:]    loper   [sleutel]. 

Passover  ['parsouva]  joods  paasfeest 
o. 

passport   ['pa:spD:t]   paspoort  o,  pas. 

password   ['pa:s\v3:d]    wachtwoord   o. 

past  [pa:st]  verleden,  geleden;  vroe- 
ger,  ex-;  voorbij,  afgelopen,  over, 
na;  ■ — ■  hope,  hopeloos;  — •  saving, 
reddeloos  verJoren;  the  — ,  het  ver- 
leden;  de  verleden   tijd. 

paste  [peist]  deeg  o,  pap,  stijfsel  [om 
te  plakken];  pasta;  smeersel  o\  vt 
(be)plakken,   opplakken. 

pasteboard  ['peistboid]  bordpapier  o\ 
a]    bordpapieren. 

pastime   ['pa:staim]   tijdverdrijf  o. 

pastor   ['paists]   herder,  predikant. 

pastoral  ['paistarsl]  herderlijk  schrij- 
ven  o\  herderszang,  -dicht  o\  aj  her- 


derlijk,   landelijk;    herders-. 

pastry   E'peistri]    gebak  o. 

pastry-cook    ['peistrikuk]    pasteibak- 
ker,  banketbakker. 

pasture  ['paistja]  weide;  ti  &  vt  (la- 
ten)   weiden,    (af)grazen. 

pasty   ['peisti]    deegachtig;  bleek. 

pat  [peet]  tikje  o,  klapje  o;  stukje  o 
[boter];  vt  tikken,  kloppen  {op)\aj 
raak,  toepasselijk;  prompt,  vlot. 

patch  [paetj]  lap,  lapje  o,  stukje  o 
(grond),  plek;  moesje  o;  he  (it) 
is  not  a  —  on,  hij  (het)  haalt  niet 
bij;  vt  oplappen;  — -  up,  oplappen, 
opknappen;  in  elkaar  flansen. 

patchwork    ['psetjwaik]    lapwerk   o. 

patchy    ['psetji]    gelapt;   ongelijk. 

pate    [peit]    kop,    bol,    knikker. 

patent  ['peitsnt]  patent  o,  vergun- 
ning;  octrooi  o;  — ■  oj  nobility, 
adelbrief;  a]  open(baar);  gepaten- 
teerd,  patent-;  duidelijk;  patent,  uit- 
stekend;  ■ — '  leather,  verlakt  leer  o\ 
vt  patenteren. 

paternal  [ps'tsinal]  vaderlijk,  vader-; 
van  vaderszijde. 

paternity  [ps'tsiniti]   vaderschap  o. 

path   [pa:0]   pad  o,  weg. 

pathetic    [ps'Setik]    pathetisch,    aan- 
doenlijk,    gevoelvol;    beklagenswaar- 
dig,   deerniswekkend,   zielig. 

pathos    ['pei63s]    pathos  a. 

pathway  ['pa;6wei]   (voet)pad  o,  weg. 

patience  ['peijans]  geduld  o,  lijd- 
zaamheid;  patience  o  [met  de  kaar- 
ten];  have  no  —  with,  niet  kun- 
nen  uitstaan. 

patient  ['peijant]  patient,  lijder;  aj 
geduldig,   lijdzaam. 

patriarch  ['peitria:k]  patriarch,  aarts- 
vader;   nestor. 

patriarchal  [peitri'a:kl]   patriarchaal, 
aartsvaderlijk. 

patrician    [pa'trijsn]    patricier;   aj 
patricisch. 

patrimony  ['pitrimsni]  vaderlijk  erf- 
deel  o,  erfgoed  o. 

patriot  ['pei-,  'pitriat]  patriot,  vader- 
lander. 


patriotic 


197 


peasant 


patriotic   [paetri'Dtik]   vaderlandslie- 

vend. 
patriotism  ['patristizm]  vaderlands- 

liefde. 
patrol    [pa'troul]    patrouille,    ronde; 

vt  8c  P!    (af)patrouilleren. 
patron    ['peitran]    beschermer,   be- 

schermheer;  patroon,  beschermheili- 

ge;   vaste  klant. 
patronage    ['pstr3nid3]    bescherming; 

beschermheerschap       o\       klandizie; 

steun,  medewerking. 
patroness  ['peitranis]  beschermster,  be- 

schermvrouw;     patrones,     bescherm- 

heilige. 
patronize  ['pstrsnaiz]  beschermen,  be- 

gunstigen,  geregeld  bezoeken;   steu- 

nen. 
patter   ['paets]    gekletter  o,  geratel  o; 

gesnap  o;  getrippel  o;  praatje  o;  vi 

kletteren  [hagel];  ratelen;  trippelen; 

kakelen,  praten. 
pattern  ['pajtan]   model  o,  patroon  o, 

staal   o;   toonbeeld   o. 
patty   ['paeti]   pasteitje  o. 
paunch   [pD:n(t)J']   pens,  bulk. 
pauper   ['pDipa]   arme,  bedeelde. 
pause    [p3:z]    rust;    pauze;    stilstand; 

vi  pauzeren,   even  rusten,   stilstaan; 

nadenken,  zich  bedenken. 
pave    [peiv]    bestraten,    plaveien;    — 

the  way  for,  de  weg  banen  voor. 
pavement    ['peivmsnt]    bestrating, 

plaveisel  o\  trottoir  o. 
pavilion  [pa'viljan]   paviljoen  o,  tent. 
paving  ['peivir]]  bestrating;  plaveisel  o. 
paving-stone   ['peivigstoun]   straat- 

steen. 
paw   [p3:]   poot,  klauvi'. 
pawn    [p3:n]    pand   o;    pion    [schaak- 

spel];   vt  verpanden,  belenen. 
pawnbroker    ['poinbrouka]    lommerd- 

houder. 
pawnshop    ['pDinJap]    lommerd. 
pawn-ticket    E'pDintikit]    lommerd- 

briefje  o. 
pay    [pei]    betaling,  bezoldiging,  loon 

o,    soldij,    gage;    /'«    the    '~    of,    in 

dienst  van;  pt  betalen;   Cde  moeite) 


lonen;  boeten  (voor,  for);  —  at- 
tention, aandacht  schenken  (aan, 
to),  opletten,  acht  slaan  (op,  to); 
'~~'  a  visit,  een  bezoek  afleggen;  — 
one's  way,  zich  (zelf)  bedruipen; 
'-•'in,  storten  [geld] ;  ■ — '  into  an 
account  {a  bank),  storten  op  een 
rekening  (bij  een  bank);  —  out, 
(uit)betalen;    vieren    [touw]. 

payable    ['peiabl]    betaalbaar. 

pay-box  ['peibaks]  loket  o,  bespreek- 
bureau  o, 

P.A.Y.E.  =  pay-as-you-earn  {income- 
tax)  ,    loonbelasting. 

payer  ['peia]   betaler. 

paymaster  ['peima:sta]  betaalmeester; 
stand  ■ — ■,  betalen. 

payment   ['peimant]   betaling;  loon  o. 

pea    [pi:]    erwt. 

peace  [pi:s]  vrede;  rust;  — !,  stil!; 
at  '~,  in  vrede;  in  ■ — ■,  in  vrede; 
met  rust. 

peaceable  ['piisabl]  vreedzaam;  vrede- 
lievend. 

peaceful  ['pi:sful]  vreedzaam;  vredig. 

peacemaker  ['piismeika]   vredestich- 
ter. 

peach    [pi:tj]    perzik;    perzikboom; 
snoesje  o,  juweel  o;  vi  klikken. 

peacock   ['piikak]   pauw. 

pea-hen    ['pii'hen]    pauwin. 

pea-jacket  ['piidssekit]  pijjekker. 

peak  [pi:k]  spits,  punt,  top;  fig  hoog- 
tepunt  o,  maximum  o,  record  o; 
piek;  klep    [v.  pet]. 

peaked  [pi:kt],  peaky  ['pi:ki]  puntig; 
smalletjes  [v.  gezicht];  spits,  scherp; 
peaked  cap,  pet. 

peal  [pi:l]  gelui  o;  geratel  o;  a  •-^  of 
laughter,  een  schaterend  gelach  o; 
vi  schallen,  klinken,  galmen. 

peanut   ['pi:nAt]    apenootje  o,  pinda. 

pear   [p£a]   peer. 

pearl    [pari]    pare!;    vi   parelen;    pa- 
rels  vissen. 

pearly   ['paili]   parelachtig. 

peasant  ['pezant]  boer,  landman;  --^ 
farmer,  eigenerfde  (boer);  a]  boe- 
ren-. 


peasantry 


198 


penknife 


peasantry  ['pezantri]  boerenstand. 

peat    [pi:t]    turf. 

peat-bog  E'piitbDg]  veengrond,  veen  o. 

peaty   ['pi:ti]    turfachtig,   turf-. 

pebble   C'pebl]    kiezelsteen. 

peck   [pek]   pik;  kus;   vt  pikken;  bik- 

ken;    ~-   at,   pikken  in    (naar);   jig 

hakken  op. 
pectoral   ['pektsrsl]   borst-. 
peculiar   [pi'kjuilis]  bijzonder;  eigen- 

aardig;    —   to,   eigen   aan. 
peculiarity    [pikjuili'seriti]    bijzonder- 

heid,  eigenaardigheid. 
pecuniary    [pi'kjuiniari]    geldelijk; 

geld-. 
pedal  ['pedal]  pedaal  o  &l  m;  vi  ped- 

delen,   trappen,    fietsen. 
pedant    ['pedant]    pedant,   schoolvos. 
pedantic    [pi'd£entik]    pedant,    school- 

meesterachtig. 
pedantry   ['pedsntri]    pedanterie, 

schoolmeesterachtigheid. 
peddle    ['pedl]    (rond)venten. 
pedestal    ['pedistl]    voetstuk   o\    — 

cupboard,  nachtkastje  o. 
pedestrian     [pi'destrisn]     voetganger; 

a]  te  voet;  voet-;  jig  alledaags,  plat- 

vloers. 
pedigree   ['pedigri:]   geslachtsboom, 

stamboom;  afkomst;  -^  cattle,  stam- 

boekvee  o\  •-^  dog,  rashond. 
pedlar   ['pedb]   marskramer. 
peel  [pi:l]  schil;  candied  — ,  sukade; 

vt  schillen,  pellen. 
peep    [pi:p]    (glurende)    blik;   the   — 

oj  day,  het  aanbreken  van  de  dag; 

vi  gluren,  kijken  (naar,  a/);  piepen. 
peep-bo    ['piipbou]    kiekeboe. 
peep-hole  ['pi:phoul]  kijkgat  o. 
peep-show    ['pi:pJou]    kijkkast. 
peer    [pis]    pair;    gelijke,   weerga;    vi 

turen,   kijken;   gluren. 
peerage    ['pisrids]   pairschap  o\  adel- 

(stand);  adelboek  o. 
peeress   ['pisris]  vrouw  van  een  pair; 

vrouwelijke  pair. 
peerless    ['pialis]    weergaloos. 
peevish    ['piivij]    korzelig,  gemelijk. 
peg    [peg]    pin;   kapstok;    vt   vastpin- 


nen. 

pegtop    ['pegtDp]    priktol. 

pelican    ['pelikan]    pelikaan. 

pellet  ['pelit]  balletje  o;  propje  o\ 
kogeltje  o. 

pellicle    ['pelikl]    vlies(je)    o. 

pell-mell  ['pel'mel]  door  en  over  el- 
kander;   holderdebolder. 

pelt  [pelt]  gooien,  beschieten,  beko- 
gelen,  bombarderen;  neerkletteren 
[regen];  iat)  jull  — ,  zo  snel  mo- 
gelijk. 

pelvis   ['pelvis]    (nier)bekken  o, 

pen  [pen]  pen;  (schaaps)kooi,  perk  o, 
hok  o\  (baby) box;  vt  (neer)pen- 
nen,   schrijven;   perken;   opsluiten. 

penal  ['piinal]  strafbaar,  straf-;  — 
servitude,  dwangarbeid. 

penalty    ['pen(3)Iti]    straf,   boete. 

penance   ['pensns]   boete (doening). 

pence   [pens]   meerv.  van  penny. 

pencil  ['pensil]  potlood  o\  griffel; 
penseel  o;  vt  (met  potlood)  teke- 
nen,   optekenen,    (op) schrijven. 

pending  ['pendig]    (nog)   hangend, 
onafgedaan;   gedurende;   in  afwach- 
ting  van. 

pendulum    ['pendjubm]    slinger. 

penetrate    ['penitreit]    doordringen 
(van,    with);   doorgronden;   binnen- 
dringen. 

penetrating  ['penitreitirj]   doordrin- 
gend,  scherp. 

penetration    [peni'treijan]    doordrin- 
gen  o\   binnendringen   o\   doorgron- 
den  o\   doorzicht   o. 

penguin    ['perjgwin]    pingui'n. 

penholder   ['penhoulda]    penhouder. 

penicillin    [peni'silin]    penicilline. 

peninsula  [pi'ninsjub]   schiereiland  o. 

penitence  ['penitans]  berouw  o,  boe- 
te,  boetvaardigheid. 

penitent  ['penitsnt]  berouu^'ol,  boet- 
vaardig. 

penitential  [peni'tenjsl]  boetvaardig, 
berouwvol;  boet-. 

penitentiary  [peni'tenjari]  verbeter- 
huis  o. 

penknife    ['pennaif]   pennemes  o. 


pennant 


199 


perhaps 


pennant    ['pensnt]    wimpel. 
penniless   ['penilis]   arm. 
pennon   ['penan]   wimpel;  banier. 
penny   ['peni]    stuiver. 
penny-in-the-slot  machine   ['peniin- 

Sa'sbtmajim]    muntautomaat. 
penny-wise  ['peni'waiz]  —  and  poimd- 

joolish,     verkeerde    zuinigheid     (in 

kleine  dingen  en  verkwisting  aan  de 

andere  kant)    betrachtend. 
pennyworth   ['peniwsrB,  'pensO]   voor 

een  stuiver. 
pension    ['penjsn]    jaargeld   o,   pensi- 

oen   o;    vt   een   jaargeld   geven;    ■ — • 

ojj,   pensioneren. 
pensive    ['pensiv]    peinzend,   zwaar- 

moedig. 
pent   [pent]   V.D.  v.  pen. 
penthouse    ['penthaus]    afdak    o,    lui- 

fel. 
pent-up    ['pent'Ap]    op-,    ingesloten; 

jig   lang    ingehouden,    opgekropt. 
penurious  [pi'njuarias]  karig,  schraal, 

behoeftig;   gierig. 
penury  ['penjuri]  armoede,  behoeftig- 

heid,  gebrek  o   (aan,   of). 
pen-wiper   ['penwaipa]   inktlap. 
peony   ['piani]   pioenroos. 
people    ['pi:pl]    volk   o\   mensen;    lie- 
den,    personen;    men;    my    ■ — ^,    ook: 

mijn  familie;   vt  bevolken. 
pep    [pep]    fut. 

pepper   ['pepa]   peper;  vt  peperen. 
pepperbox    ['pepaboks]    peperbus. 
peppermint    ['pepamint]    pepermunt. 
peppery    ['pepari]    vol    peper;    gepe- 

perd,  scherp;  opvliegend. 
per  [pa:]   per;  as  — ,  volgens. 
perambulator  [p(a)'r£embjuleita]  kin- 

derwagentje  o. 
perceive  [pa'si:v]    (be)merken,  ont- 

waren,  waaroemen. 
perceiving   [pa'siivig]   scherpziend, 

pienter. 
per   cent    [pa'sent]    percent   o. 
percentage    [pa'sentids]    percentage  o; 

percenten,  commissieloon  o. 
perceptible    [pa'septibl]    merkbaar, 

waarneembaar. 


perception  [pa'sepjan]  waarneming, 

gewaarwording. 
perch    [paitj]    baars;    stokje   o,   stang; 

vt    gaan    zitten,     roesten     [vogels] ; 

neerstrijken    (op,    upon);    be    ■ — ed, 

(hoog)    zitten. 
perchance    [pa'tjains]    misschien. 
percolate  ['parkaleit]    (laten)   doorzij- 

gen,  filtreren,  doordringen. 
percolator    ['paikaleita]    filter;    fil- 

treer(koffie)kan. 
percussion    [pa'kAjan]    schok,    slag, 

stoot. 
perdition    [pa/dijan]    verderf   o,   on- 

dergang. 
peregrination    [perigri'neijan]    rond- 

zwerven   o,    zwerftocht. 
peremptory    C'peramtari]    gebiedend; 

afdoend,   beslissend. 
perennial    [pa'renjal]    het  gehele  jaar 

durend;  voortdurend,  (over)blijvend, 

onvergankelijk,   eeuwig. 
perfect  ['pa:fikt]  volmaakt,  volkomen; 

echt;    [pa'fekt]   vt  volmaken,  verbe- 

teren,    perfectioneren. 
perfection    [pa'fekjan]    volmaaktheid, 

volkomenheid;  volmaking;  to  ^^,  in 

de    perfectie. 
perfidious   [pa'fidias]   trouweloos, 

vals. 
perfidy    ['paifidi]    trouvvreloosheid, 

valsheid. 
perforate  ['pa;fareit]  doorboren. 
perform    [pa'fDim]    volvoeren,    nako- 

men,  volbrengen,  vervullen;  verrich- 

ten;   presteren;    uit-,   opvoeren,   ver- 

tonen,  spelen;  doen;  optreden;  -^'ing 

elephant,   gedresseerde  olifant. 
performance   [pa'fDimans]   volvoering, 

verrichting,  vervuUing;  op-,   uitvoe- 

ring,    vertoning,    voorstelling,    pres- 

tatie,   werk   o,   spel  o. 
perfume    ['p3:fju:m]    geur;   parfum  o 

Si  m;  [pa'fju:m]  vt  doorgeuren,  par- 

fumeren. 
perfunctory    [pa'fAtjktari]    (gedaan) 

omdat  het  moet;  in  a  —  way,  ook: 

voor  de  leus. 
perhaps    [pa'haeps]    misschien. 


peri] 


200 


perspire 


peril  ['peril]  gevaar  o\  at  your  {own) 

— ,  op  uw  eigen  risico;  he  was  i  n 

—    oj   his   life,   hij    was    in    levens- 

gevaar. 
perilous    ['perilas]    gevaarlijk. 
period    ['piarisd]    tijdvak    o,    tijdperk 

o\  periode. 
periodical    [pisri'Ddikl]    periodiek, 

tijdschrift  o;  aj  periodiek. 
periphery   [ps'rifsri]   omtrek. 
periscope    ['periskoup]    periscoop. 
perish   ['perij]    omkomen,   te  gronde 

gaan;   vergaan    (van,   with). 
perishable   ['perijsbl]   vergankelijk; 

aan  bederf  onderhevig. 
periwig   ['periwig]   pruik. 
perjure    ['p3:d33]    —    oneself,    vals 

zweren,   een  meineed  doen;    — d, 

meinedig. 
perjurer    ['psidsara]    meinedige. 
perjury    ['pardsari]    meineed;    woord- 

breuk. 
perky   ['p3:ki]   parmant(ig),  brutaal. 
permanent    ['paimanant]   voortdurend, 

bestendig,   blijvend,  vast. 
permeable   ['parmiabl]    doordringbaar. 
permeate   ['paimieit]   doordringen, 

doortrekken;  doorsijpelen. 
permissible  [pa'misibl]  toelaatbaar; 

geoorloofd. 
permission    [ps'mijan]    permissie, 

vergunning,   verlof   o. 
permit    ['paimit]    schriftelijke  vergun- 
ning;   verlof    o;     [pa'mit]     vt    ver- 

oorloven,    toelaten,    vergunnen;     — 

of,   toelaten,   dulden. 
pernicious    [ps/nijas]    verderfelijk, 

schadelijk,  fnuikend. 
perpendicular   [paipan'dikjula]    lood- 

lijn;  aj  loodrecht,  rechtop. 
perpetrate   ['pa:pitreit]    bedrijven,  be- 

gaan,   plegen. 
perpetual  [pa'petjual]  eeuwig-,  altijd- 

durend,  eeuwig;  levenslang. 
perpetuate    [pa'petjueit]    vereeuwigen, 

bestendigen. 
perpetuation    [papetju'eijan]    vereeu- 

wiging,  bestendiging. 
perpetuity    [parpi'tjuiti]    eeuwigheid; 


doorlopende  lijfrente. 
perplex    [pa'pleks]    in    de   war   bren- 

gen,  verwarren,  onthutsen. 
perplexity    [pa'pleksiti]    verwardheid, 

verlegenheid. 
perquisite   ['paikr^azit]   bijverdienste; 

foci. 
persecute   ['pa:sikju:t]   ven,'olgen;  las- 
tig  vallen. 
persecution  [pa:si'kju;J'an]  vervolging. 
perseverance    [pa:si'viarans]    volhar- 

ding. 
persevere   [pa:si'via]   volharden. 
Persia   ['pa:Ja]   Perzie  o. 
Persian    ['pa:Jan]    Pers;   het   Perzisch; 

aj    Perzisch;    '-—    blinds,    zonneblin- 

den. 
persist    [pa'sist]    volharden,    hardnek- 

kig    volhouden,    blijven     (bij,    in), 

doorgaan   (met,  in);  voortduren. 
persistence,   — ^cy   [pa'sistans(i)]    vol- 

harding;  hardnekkigheid. 
persistent   [pa'sistant]   volhardend, 

aanhoudend,   blijvend;   hardnekkig. 
person   ['p3:sn]   persoon. 
personage    ['pa:s3nid3]    persoon,   per- 
sonage o  &  v. 
personal    ['pa:san(a)l]    persoonlijk, 

personeel;  eigen. 
personality   [pa:sa'n£eliti]   persoonlijk- 

heid. 
personification    [pasDoifi'keiJan]    ver- 

persoonlijking. 
personify    [pa'sDnifai]    verpersoonlij- 

ken. 
personnel    [paisa'nel]    personeel    o. 
perspective  [pa'spektiv]   perspectief; 

fig    verschiet    o,    (voor)uitzicht    o. 
perspicacious    [pa:spi'keijas]    scherp- 

ziend,   scherpzinnig,   schrander. 
perspicacity    [paispi'kassiti]    scherp- 

ziendheid,    scherpzinnigheid. 
perspicuity    [pa:spi'kjuiti]    klaarheid, 

duidelijkheid,    helderheid. 
perspicuous    [pa'spikjuas]    duidelijk, 

helder. 
perspiration    [paispi'reijan]    uitwase- 

ming;  transpiratie. 
perspire    [pas'paia]    uitwasemen; 


persuade 


201  philanthropic 


(uit)zweten,   transpireren. 
persuade    [ps'sweid]    overreden,  over- 

halen,  overtuigen. 
persuasion    [pa'sweisan]     overreding, 

overtuiging;  geloof  o,  gezindte,  rich- 
ting. 
persuasive    [ps'sweisiv]    overredend, 

overtuigend. 
pert    [p3:t]    vrijpostig,    neuswijs,   bru- 

taal. 
pertain   [pa/tein]    —   to,  behoren  bij 

(tot);    aangaan. 
pertinacious    [paiti'neijas]    hardnek- 

kig,  vasthoudend. 
pertinacity    [paiti'nsesiti]    hardnekkig- 

heid,  volharding. 
pertinent    ['paitinant]    toepasselijk,  ter 

zake    (dienend),  zakelijk. 
perturb    [pa'taib]    (ver)storen,   in  be- 

roering  brengen,  verontrusten. 
perturbation    [pa.ta/beijanj    storing, 

verontrusting,  beroering. 
peruke   [pa'ruik]   pruik.  [zing, 

perusal  [pa'ruizal]    (nauwkeurige)   le- 
pervade   [ps'veid]    doordringen,  door- 

trekken,  vervullen    (van,  with,   by). 
perverse  [pa'vais]  onhandelbaar,  onre- 

delijk;  averechts,  verdorven. 
perversion   [pa'vaijan]   verdraaiing, 

omkering;   bederf    o. 
perversity    [pa'varsiti]    onhandelbaar- 

heid,  slechtheid,  verdorvenheid. 
pervert    [pa'va:!]    verdraaien    [v. 

woord];  bederven;    verleiden;    mis- 

bruiken. 
pessimism   ['pesimizm]   pessimisme  o. 
pessimist   ['pesimist]   pessimist;  aj 

pessimistisch. 
pessimistic  [pesi'mistik]  pessimistisch. 
pest  [pest]  plaag,  pest;  lastpost,  scha- 

delijk  dier  o,  schadelijk  insekt  o  of 

gewas  o. 
pester   ['pesta]   lastig  vallen,  kwellen, 

plagen. 
pestiferous  [pes'tifaras]  verpestend. 
pestilence    ['pestilans]    pest. 
pestilent    ['pestilant],   pestilential 

[pesti'lenjal]  pestachtig,  verpestend, 

pest-;  pestilent,  verderfelijk. 


pestle    ['pes(t)l]    stamper    [v.  vijzel]. 
pet   [pet]    kwade   luim,  boze  bui;   lie- 

veling,   tarn   dier  o;   aj  geliefd,  ver- 

troeteld;  lievelings-;   —   name,  troe- 

telnaam;    vt    (ver)troetelen,    liefko- 

zen,  aanhalen. 
petal    ['petl]    bloemblad   o. 
petition    [pi'tijan]    smeekschrift  o, 

verzoek(schrift)    o,  petitie,  bede;  vt 

smeken;    verzoeken. 
petitioner    [pi'tijana]    verzoeker, 

adressant. 
petrel  ['petral]   stormvogeltje  o. 
petrify    ['petrifai]    verstenen. 
petrol    ['petral]   benzine. 
petroleum   [pi'trouljam]   petroleum, 
petticoat   ['petikout]    rok,  onderrok. 
petticoat  government    ['petikout- 

'gAvanmant]      vrouwenregering;     be 

under  — ,  onder  de  pantoffel  zitten. 
pettifogger   ['petifaga]   beunhaas; 

rechtsverdraaier,   chicaneur. 
petty   ['peti]    klein,  gering;   klein(zie- 

lig) ;  —  officer,  onderoff icier  [b.  d. 

marine], 
petulant   ['petjulant]   prikkelbaar, 

lastig,  knorrig. 
pew    [pju:]    kerkbank. 
pewit    ['pi;wit]    kievit. 
pewter    ['pju:ta]    peauter   o    [mengsel 

van  tin  en  lood]. 
phantom    ['fasntam]    spook    o,    schim, 

geest;   droombeeld   o. 
Pharisaic    [fsri'seiik]    farizees,    fari- 

zeisch,    schijnheilig. 
Pharisee    ['faerisi:]    farizeeer,    schijn- 

heilige;  the  Pharisees,  de  Farizeeen. 
pharynx   ['fasrirjks]    keelholte. 
phase    [feiz]    fase,   stadium   o. 
pheasant    ['fezant]    fazant. 
phenomena    [fi'namina]    meerv.    v. 

phenomenon. 
phenomenal    [fi'naminal]    zinnelijk 

waarneembaar;  fenomenaal. 
phenomenon    [fi'naminan]    verschijn- 

sei   o\   fenomeen   o. 
phial    ['faial]    flesje   o. 
philanthropic    [filan'Orapik]    menslie- 

vend;  liefdadigheids-. 


philantropist 


202 


piece 


philanthropist    [fi'lsnOrspist]    men- 

senvriend. 
philanthropy    [fi'lsenGrgpi]    mensen- 

min,  -liefde;  menslievendheid. 
philosopher  [fi'bsafa]  wijsgeer. 
philosophic (al)    [fil3'sDfik(l)]   wijs- 

gerig. 
philosophize    [fi'bssfaiz]    filosoferen. 
philosophy    [fi'bsafi]    wijsbegeerte. 
phlegm   [flem]    slijm  o  &  m\  flegma 

o,  koelheid. 
phlegmatic  [fleg'mastik]   flegmatisch; 

koel. 
phone   [foun]    zie  telephone. 
phonetic    [fou'netik]    fonetisch;    — .r, 

fonetiek,  klankleer. 
phonograph   ['founsgraif]   fonograaf. 
phosphate    ['fDsfit]    fosfaat   o. 
phosphorescent    [fssfs'ressnt]    fosfo- 

rescerend,  lichtend,  glimmend. 
phosphorus    ['fDsfsras]    fosfor. 
photograph    ['foutagraif]    fotografie; 

vt   fotograferen. 
photographer   [fou'tDgrafa]    fotograaf. 
photographic  (al)    [fouta'grjefikCl)] 

fotografisch. 
photography    [fou'tDgrafi]    fotografie. 
phrase    [freiz]    frase;     zegs-,     spreek- 

wijze;    vt    onder   woorden    brengen, 

inkleden. 
phthisical    ['tiziki]    teringachtig. 
phthisis    ['Oaisis]    (long)teiing. 
physic    ['fizik]    geneeskunde;    genees- 

middel  o\  ■ — s,  natuurkunde. 
physical    ['fizikl]    natuurkundig;    fy- 

siek,  lichamelijk,  lichaams-. 
physician    [fi'zijan]    dokter,   genees- 

heer. 
physiognomy    [fizi'Dnsmi]    gelaatkun- 

de;   voorkomen   o,  wezen   o. 
pianist    ['pianist]    pianist. 
piano   ['pjsenou]   piano. 
pick    [pik]    punthouweel   o\   tandesto- 

ker;    keus;   the    —    of...,    de    (het) 

beste    van...;    vt    hakken,    (op)pik- 

ken,        (open)steken;       uitpeuteren; 

(af)kluiven;  schoonmaken   [salade]; 

plukken;    (uit)zoeken;    (uit)kiezen; 

—  pockets,  zakkenrollen;  —  up,  op- 


pikken,  oprapen,  opnemen;  opdoen; 
—  up  a  living,  zijn  kostje  bijeen- 
scharrelen. 

pickax(e)     ['pikseks]    houweel    o. 

picket  E'pikit]  piketpaal,  staak;  pi- 
ket  o;  post  [bij  staking];  vt  aan 
een  paal  vastmaken;  posten  [bij  sta- 
king]. 

pickle  ['pikl]  pekel;  zuur  o\  lastig 
kind  o,  lastpost;  vt  pekelen,  in- 
maken,   inleggen. 

pick-me-up    ['pikmiiAp]    hartsterking. 

pickpocket  ['pikpokit]  zakkenroller. 

picnic    E'piknik]    picknick;    vi   pick- 
nicken. 

pictorial  [pik'tDirial]  picturaal,  schil- 
der-;  beeld-;  geillustreerd,  schilder- 
achtig. 

picture  ['piktjs]  schilderij  o  &  v, 
prent;  afbeelding,  tafereel  o\  beelte- 
nis,  portret  o\  evenbeeld  o\  foto; 
film;  the  — s,  de  bioscoop;  it  is 
a  ■ — ',  het  is  beelderig;  vt  (af)schil- 
deren,  afbeelden;  —  {to  oneself), 
zich  voorstellen. 

picture-book   ['piktjsbuk]    prenten- 
boek  o. 

picture-card  ['piktjakard]  pop  [kaart]. 

picture-gallery  ['piktJagEebri]  schil- 
derijzaal,    schilderijenmuseum    o. 

picture-house  ['piktjahaus]  bioscoop. 

picture-postcard  ['piktj3pous(t)ka:d] 
prentbriefkaart. 

picture-puzzle    ['piktJapAzI]    rebus. 

picture-show  ['piktjsjou]  schilderij- 
ententoonstelling;  bioscoopvoorstel- 
ling. 

picturesque    [piktjs'resk]    schilder- 
achtig. 

picture-theatre   ['piktJaBiato]   bio- 
scoop. 

piddle    E'pidl]    prutsen,   beuzelen. 

pie    [pai]    ekster;   pastei. 

piebald  ['paib3:ld]  bont;  geschakeerd. 

piece  [pi:s]  stuk  o\  a  -—,  per  stuk;  a 
■ — ■  oj  advice,  een  raad;  a  —  of 
folly,  een  dwaze  daad;  a  —  of  good 
fortune,  een  buitenkansje  o;  in  — s, 
aan   stukken,    stuk;   vt   lappen,   ver- 


piece-goods 


203 


piping 


stellen,  samenvoegen;  aaneenhechten. 
piece-goods  ['piisgudz]  geweven  goe- 

deren. 
piecemeal    ['pi:smi:l]    bij   stukken   en 

brokken,  bij  gedeelten. 
piece-work    ['piiswsik]    stukwerk   o. 
pied   [paid]   bont,  gevlekt. 
pier    [pia]    (brug)pijler;   havendam, 

pier. 
pierce    [piss]    doorboren,    doorsteken; 

doordringen;    doorgronden. 
piety  ['paiati]  vroomheid,  pieteit. 
pig    [pig]    varken    o;    varkensvlees   o\ 

fig  mispunt  o;  schrokker;  gieteling; 

klomp  ruw  ijzer  of  lood. 
pigeon    ['pid33n]    duif. 
pigeon-hole    ['pidsanhoul]   loket  o, 

vakje  o;  vt  opbergen. 
pigeon-house  ['pidssnhaus]  duiventil. 
piggish  ['pigij]   varkenachtig,  vies; 

gulzig;   inhalig;   koppig. 
pigheaded  ['pig'hedid]  koppig,  dwars; 

eigenwijs. 
pig-iron  ['pigaisn]  ruw  ijzer  o. 
pigment  ['pigmant]  pigment  o,  kleur- 

stof. 
pigsty   ['pigstai]    varkenskot   o. 
pigtail   ['pigteil]    (varkens)staart, 

(meisjes)vlecht,  vlechtje  o. 
pike    [paik]    pick,    spies;     tolboom; 

snoek. 
pile    [pail]    hoop,   stapel;    [elektrisch] 

element  o;  zuil;  brandstapel;   (hei)- 

paal;  vt   (op)stapelen,  ophopen;  be- 

laden;   heien;    —    up,    (zich)    opsta- 

pelen,    (zich)    ophopen. 
pile-driver   ['paildraiva]   heimachine. 
pilfer   ['pilfa]   kapen,  ontfutselen. 
pilgrim    ['pilgrim]   pelgrim. 
pilgrimage  ['pilgrimids]   bedevaart, 

pelgrimstocht. 
pill   [pil]    pil. 
pillage   ['pihds]   plundering,  roof;  vt 

plunderen,   roven. 
pillar  ['pib]  pilaar,  pijler;  zuil,  stijl. 
pillar-box    ['pibbaks]    brievenbus. 
pillion  ['piljan]  duo(zitting). 
pillory    ['pibri]    schandpaal;    vt    aan 

de  kaak  stellen. 


pillow   ['pilou]    (oor)kussen  o. 
pillow-case    ['piloukeis],   pillow-slip 

['pilouslip]   kussensloop. 

pilot  ['paibt]  loods,  gids;  bestuurder, 
piloot;  vt  loodsen,   (be)sturen. 

pimpernel   ['pimpanel]   guichelheil   o. 

pimple  ['pimpl]   puist,  blaasje  o. 

pin  [pin]  speld;  pin;  /  do  not  care 
a  —  for  it,  ik  geef  er  geen  steek 
om;  vt  (vast)spelden;  vastklemmen, 
vastzetten,    vasthouden. 

pinafore   ['pinatb:]    (kinder) schort. 

pincers  ['pinsaz]  nijptang  (ook:  pair 
of  — );  schaar   [v.  kreeft  &]. 

pinch  [pinj]  kneep;  klem;  nijpen  o, 
nijpende  nood;  snuifje  o;  at  a  ~', 
als  't  er  op  aankomt,  in  geval  van 
nood,  desnoods;  vt  knijpen,  knellen; 
op  elkaar  klemmen;  dichtknijpen;  be- 
knibbelen;  gappen;  knippen  [dief]; 
be  ■ — ed  for...,  krap  aan  zijn  met...; 

—  oneself,   zich  bekrimpen. 
pin-cushion    ['pinkujan]    speldenkus- 

sen   o. 
pine    [pain]    pijn(boom);     vi     (ver)- 

Ivwijnen,  smachten;    —    after   (for), 

hunkeren  naar. 
pine-apple    ['painEpl]    ananas, 
pinion    ['pinjan]    vleugel;    rondsel    o, 

tandwiel   o;    vt   kortwieken,    (vast)- 

binden,  knevelen;  boeien. 
pink    [pifjk]    anjelier;    he  was  in   the 

—  {of    condition),    in    uitstekende 
conditie;    a]   roze(kleurig). 

pin-money   ['pinmAni]    speldengeld  o. 
pinnacle    ['pinakl]    tinne;    top;    fig 

toppunt  0. 
pint   [paint]    pint   [Vs  gallon  = 

0.568  1]. 
pioneer   [paia'nia]   pionier. 
pious    ['paias]   godvruchtig,  vroom. 
pipe    [paip]    pijp,   buis;    fluit;   gefluit 

o\   vt  pijpen,   fluiten. 
pipe-line    ['paiplain]    pijpleiding. 
piper    ['paipa]    fluitspeler;   doedelzak- 

blazer;    pay   the    •— -,   fig   het   gelag 

betalen. 
piping    ['paipig]    pijp-,   buiswerk   o, 

pijpen,  buizen;  bies. 


piquant 


204 


plant 


piquant   ['piiksnt]    pikant. 

pique  [pi:k]  pik,  wrok;  vt  krenken; 
prikkeien,  gaande  maken;  • — •  one- 
self on,  zich   laten  voorstaan  op. 

piracy   ['paisrssi]   zeeroverij. 

pirate  ['paiarit]  zeerover;  roofschip 
o;    vi   zeeroverij    plegen;    vt   roven. 

pistil    ['pistil]    stamper    [v.    bloem]. 

pistol    E'pistsl]    pistool   o. 

piston  E'pistsn]  zuiger. 

pit  [pit]  (kolen)put,  mijnschacht, 
groeve;  putje  o,  holte,  kuil;  diepte; 
parterre  o  S<.  in  [in  schouwburg] ; 
vt  kuiltjes  vormen  in;   inkuilen. 

pitch  [pitj]  pik  0  &  m,  pek  o  &  m\ 
hoogte;  graad;  toppunt  o;  helling; 
spoed  [v.  e.  schroef ] ;  stampen  o  [v. 
schip];  worp;  standplaats;  ( sport) - 
terrein  o;  vt  (be)pekken;  opslaan 
[tent  &];  stellen,  zetten;  [hoog] 
spannen  [verwachtingen] ;  gooien, 
keilen;  a  ^-^ed  battle,  een  geregelde 
veldslag;  —  a  tale  {a  yarti),  een 
verhaal  doen;  vi  neerkomen;  tuime- 
len;  stampen   [schip]. 

pitch-dark   ['pitjda:k]   pikdonker. 

pitcher  ['pitjs]   kruik,  kan. 

pitchfork   ['pitjfoik]   hooivork. 

pitch-pine   ['pitjpain]   grenehout  o. 

piteous  ['pitias]  erbarmelijk,  deerlijk, 
jammerlijk,   treurig. 

pitfall    ['pitfDil]    val;    valstrik. 

pith  [pi9]  pit  o  &  V,  kern;  (rugge)- 
merg   o;   kracht. 

pithless  ['piGlis]  zonder  pit,  krachte- 
loos. 

pithy   ['piGi]    pittig,  kernachtig. 

pitiable   ['pitisbl]    beklagenswaardig, 
deerniswaardig,  jammerlijk. 

pitiful  ['pitiful]  medelijdend;  treurig, 
erbarmelijk. 

pitiless    ['pitilis]    meedogenloos,   on- 
barmhartig. 

pity  ['piti]  medelijden  o\  it  is  a 
{great)  — ,  het  is  (erg)  jammer; 
have  {take)  —  on,  medelijden  heb- 
ben  met;  vt  medelijden  hebben  met, 
beklagen. 

pivot    ['pivat]    spil;    tap;    {vt   &)    vi 


(doen)    draaien    (om,  upon). 

placard  ['plaeka;d]  plakkaat  o,  aan- 
plakbiljet  o;  vt  beplakken;  aanplak- 
ken,   afficheren. 

place  [pleis]  plaats,  plek;  huis  o\  bui- 
ten  o\  positie,  betrekking,  post,  ambt 
0;  Rive  ■ — ■  to,  plaats  maken  voor, 
wijken  voor;  take  — ,  plaatshebben, 
plaatsgrijpen;  /'  n  ■ — •,  op  zijn  (hun) 
plaats;  out  of  ~-,  buiten  betrek- 
king; niet  op  zijn  plaats;  vt  plaat- 
sen,  zetten,  stellen. 

placid    ['plassid]    onbewogen,   rustig, 
vreedzaam,  stil. 

plagiarism   ['pleidsiarizm]   plagiaat  o. 

plagiary   ['pleidjisri]   letterdief,  na- 
schrijver;  letterdieverij. 

plague  [pleig]  pest;  plaag;  vt  kwel- 
len;  pesten. 

plaice    [pleis]    schol    [vis]. 

plaid    [plced]    omslagdoek;    reisdeken. 

plain  [plein]  vlakte;  a/  vlak,  effen; 
eenvoudig;  ongelinieerd,  ongekleurd; 
niet  mooi;  gevvoon,  alledaags;  open- 
hartig;    duidelijk. 

plain-clothes  ['pleinklouSz]  in  bur- 
ger (kleren). 

plaintiff    ['pleintif]    klager,   eiser. 

plaintive    ['pleintiv]    klagend,    klaag-. 

plait  [plfet]  vouw,  plooi;  vlecht;  vt 
vouwen,  plooien;  vlechten. 

plan  [plsen]  plan  o,  ontwerp  o,  schets; 
vt  ontw^erpen  (ook:  ■ — ■  out);  in- 
richten;  beramen;  plannen  maken 
voor;  — ned  economy,  planmatige 
huishouding,   geleide  economic. 

plane  [plein]  plataan;  schaaf;  (plat) 
vlak  o;  plan  o,  niveau  o;  vliegtuig 
o\  a]  vlak;  vt  schaven;  vi  vliegen; 
glijden. 

planet  ['plasnit]  planeet. 

planetary  ['plfenitari]  planeet-,  pla- 
netair. 

planish  ['plaenij]  polijsten;  gladmaken. 

plank    [pL-erjk]     (dikke)    plank. 

planning  ['plaenir)]  planologie,  plan- 
nering. 

plant  [plaint]  plant,  gewas  o;  in- 
stallatie;   materieel   o;  outillage;   fa- 


plantation 


205 


plenitude 


briek;   vt  planten,  beplanten,  poten, 
(neer)zetten. 

plantation  [plasn'teij'sn]  (be) planting; 
plantage;  vestiging;  volksplanting; 
plantsoen  o. 

planter    ['plaints]    planter. 

plaster  ['plaista]  pleister  o  [stof- 
naam],  pleister  v  [voorwerpsnaam], 
pleisterkalk;  gips  o;  ■ — •  of  Paris, 
gebrande  gips  o\  aj  gipsen;  vt  (be)- 
pleisteren. 

plasterer    ['plaistara]    stukadoor. 

plastic  ['plasstik]  plastiek  o  [kunst- 
stof ] ;  aj  plastisch,  vormend,  beel- 
dend;  fig  kneedbaar. 

plate  [pleit]  naambord  o,  plaat;  bord 
o\  schaal  [voor  collecte];  vaatwerk 
o\  goud-  of  zilverwerk  o\  tafelzil- 
ver  o\  harnas  o\  vt  platteren:  ver- 
gulden,  verzilveren,  enz.;  pantseren. 

plate  glass   ['pleitgla:s]   spiegelglas  o. 

platform  ['plsetibim]  perron  o\  terras 
o\  balkon  o  [van  tram];  podium  o\ 
politiek   program   o. 

platform  ticket  ['plstfDimtikit]  per- 
ronkaartje  o. 

platinum  ['plsetinsm]   platina  o. 

platitude  ['plstitjuid]  banaliteit,  ge- 
meenplaats. 

platoon    [pb'tuin]    peloton    o. 

platter   ['plseta]   platte  schotel. 

plausible    ['pb:zibl]    aannemelijk, 
schoonschijnend;   aangenaam    [in  de 
omgang],  innemend. 

play  [plei]  spel  o,  speling,  speelruim- 
te;  (toneeljstuk  o\  vt  spelen  (op), 
bespelen;  —  the  game,  eerlijk  spel 
spelen;  • —  the  game  of,  in  de  kaart 
spelen  van;  —  into  one's  hands, 
in  iemands  kaart  spelen;  —  them 
off  against  each  other,  ze  tegen 
elkaar  uitspelen. 

play-bill    ['pleibil]    affiche   o   &   v; 
programma  o. 

player    ['pleia]    speler. 

playfellow   ['pleifelou]   speelmakker. 

playful    ['pleiful]    speels;    schalks. 

playground  ['pleigraund]  speelplaats; 
ontspanningsoord    o. 


playmate    ['pleimeit]    speelmakker. 

playpen  ['pleipen]  babybox. 

plaything  ['pleiSirj]  (stuk)  speelgoed 
o\  fig  speelbal. 

playwright   ['pleirait],  play-writer 
E'pleiraita]    toneelschrijver. 

plea  [pli:]  pleidooi  o,  pleit  o\  veront- 
schuldiging;    voorwendsel   a. 

plead  [pli:d]  pleiten;  bepleiten;  aan- 
voeren  [gronden];  —  (not)  guilty, 
(niet)  bekennen;  —  illness,  ziekte 
voorwenden. 

pleader   ['pliida]    pleiter,  verdediger. 

pleading    ['pliidi.^]    pleiten    o;    plei- 
dooi o. 

pleasant  ['plezsnt]  aangenaam,  prettig. 

pleasantry   ['plezsntri]   scherts,  grap, 
aardigheid. 

please  [pli:z]  behagen;  bevallen;  be- 
lieven;  ■ — •.',  alstublieft!;  om  u  te 
dienen!;  //  you  ■ — ',  alstublieft;  nota 
bene,  waarachtig;  —  God,  zo  God 
wil,  God  geve  dat...;  be  -—d  at, 
zich  verheugen  over;  be  — d  with, 
blij  zijn  met;  /  shall  be  — d  to, 
bet  zal  mij  aangenaam  zijn;  — 
yourself,  doe  zoajs  je  verkiest. 

pleasing  ['pliizirj]  behaaglijk,  aange- 
naam,   innemend. 

pleasure  ['plesa]  vermaak  o,  genoe- 
gen  o,  genot  o,  plezier  o\  (wel)- 
behagen  o;  believen  o,  welgevallen 
o,  goedvinden  o\  at  — ,  naar  ver- 
kiezing,  naar  eigen  goedvinden. 

pleat    [pli:t]    plooi;   vt  plooien. 

plebeian  [pli'biisn]  plebejer;  a]  ple- 
bejisch. 

plebiscite    ['plebisit]    plebisciet   o. 

pledge  [pled3]  pand  o.  onderpand  o\ 
borgtocht;  belofte;  toost;  vt  verpan- 
den;  (ver)binden;  plechtig  beloven; 
drinken  op  dc  gezondheid  van;  — 
oneself,  zijn  woord  geven,  zich  ver- 
binden   (om,  to). 

plenary  ['pliinari]  volkomen,  volledig, 
geheel;   ■ —   powers,  volmacht. 

plenipotentiary  [plenips'tenjsri]  ge- 
volmachtigd(e). 

plenitude   ['plenitjuid]   volheid,  over- 


plentiful 


206 


pocket 


vloed. 

plentiful    ['plentiful]    overvloedig. 

plenty  ['plenti]  overvloed;  overvloe- 
dig;  rijlcelijk. 

pliable  ['plaiabi]  buigzaam;  fig  plooi- 
baar,  meegaand. 

pliancy  ['plaiansi]   buigzaamheid, 
plooibaarrieid,  soepel-,  gedweeheid. 

pliant  ['plaisnt]  buigzaam,  plooibaar, 
soepel,  gedwee. 

pliers    E'plaiaz]    buigtang. 

plight  [plait]  staat,  toestand,  conditie; 
in  a  sore  — ,  in  sorry  ■ — ■,  er  slecht 
(naar)  aan  toe;  vt  verpanden,  be- 
loven. 

plod  [pbd]  ploeteren,  blokken,  sjou- 
wen. 

plot  [pbt]  stuk  (plekje)  o  grond;  sa- 
menzwering,  komplot  o\  intrige;  vt 
in  kaart  brengen,  uitzetten,  ontwer- 
pen;  beramen;  vi  plannen  maken, 
intrigeren;  samenzweren. 

plotter  ['pbts]   ontwerper;  samen- 
zweerder;   intrigant. 

plough  [plau]  ploeg;  vt  (om)ploe- 
gen;  doorploegen  [het  gelaat] ;  door- 
klieven  [de  golven];  —  through  a 
book,   doorworstelen. 

ploughshare   ['plaujes]    ploegschaar. 

plover  ['pUva]  pluvier;  ook:  kievit. 

pluck  [plAk]  rukje  o,  trek;  moed, 
durf;  vt  (af)rukken,  (af)plukken; 
trekken  (aan,  at);  be  —-ed,  zakken 
[bij    examen]. 

plucky    ['pUki]    moedig,    dapper. 

plug  [plAg]  prop,  tap;  stop;  pruim- 
pje  o  (tabak);  vt  dichtstoppen; 
plomberen    (ook:    -^    up). 

plum   [pUm]   pruim;  rozijn. 

plumage    ['pluimids]    pluimage. 

plumb  [pUm]  (schiet)lood  o\  diep- 
lood  o;  a]  loodrecht;  vt  waterpas  ma- 
ken; peilen. 

plumber  ['plAma]  loodgieter. 

plumbing  ['pJAmir)]  loodgieterswerk 
o,  sanitair  o. 

plume  [plu:m]  vederbos;  veer,  pluim; 
vt  van  veren  voorzien;  [de  veren] 
gladstrijken;     —     oneself    on,    zich 


wat  laten  voorstaan   op. 

plummet  ['pLvmit]  schiet-,  dieplood  o. 

plump  [pUmp]  gevuld,  vlezig,  mollig, 
dik;  a  —  lie,  een  vierkante  leugen; 
vi  (neer)ploffen;  vt  neerkwakken; 
'~-',  plof;  pardoes,  botw^eg. 

plum-pudding  ['plAm'pudir)]  rozijnen- 
pudding. 

plunder    ['pUnda]    plundering;   buit, 
winst;  vt  plunderen;    (be)roven. 

plunderer  ['plAndsra]  plunderaar. 

plunge  [plAnds]  in-,  onderdompeling, 
(onder)duiking;  sprong,  val;  make 
{take)  the  — ',  de  (grote)  sprong 
wagen;  vt  dompelen;  storten,  sto- 
len (in,  into);  vi  zich  storten,  dui- 
ken;  stampen  [v.  schip];  — d  in 
thought,  in  gedachten  verdiept. 

pluperfect     ['plu;'p3:fikt]     voltooid 
verleden    (tijd). 

plural    ['pluarsl]    meervoud  o;   aj 
meervoudig. 

plurality  [plu'reliti]  meervoudigheid, 
meervoud  a;  menigte;  meerderheid, 
merendeel  o. 

plus    [pUs]    plus. 

plus    fours    ['plAs'f3:z]    wijde    golf- 
broek. 

plush  [plAJ]   pluche  o  &  m. 

ply  [plai]  plooi,  vouw;  draad  [v.  ga- 
ren];  laag  [v.  plank];  vt  gebruiken; 
hanteren;  uitoefenen  [beroep],  drij- 
ven  [zaak];  volstoppen;  voeren;  vi 
(been  en  weer)  varen  (rijden,  vlie- 
gen,  gaan). 

plywood   ['plaiwud]    triplex  o  &  m. 

P.  M.  ^  post  meridiem,  na  de  mid- 
dag. 

pneumatic  [nju'ma;tik]  pneumatisch; 
lucht-;    —    tyre,   luchtband. 

pneumonia  [nju'mounja]  longontste- 
king. 

poach   [poutj]    stropen. 

poacher   ['pout fa]    stroper. 

pocket  ['p3kit]  zak;  be  5  sh.  in  ~', 
5  sh.  rijk  zijn;  5  sh.  gewonnen  of 
verdiend  hebben;  be  out  of  — , 
er  op  toeleggen;  vt  in  de  zak  ste- 
ken;    stoppen    [een   bal]. 


pocket-book  207 

pocket-book  ['pDkitbuk]  zakboekje  o\ 
portefeuille. 

pock-marked   ['pDkma:kt]  pokdalig. 

pod   [pDd]   dop,  schil;   peul. 

poem   ['pouim]  gedicht  o. 

poet   ['pouit]    dichter. 

poetess    ['pouitis]    dichteres. 

poetic(al)   [pou'etik(l)]  dichterlijk, 
poetisch,   dicht-. 

poetry    ['pouitri]    dichtkunst,    poezie. 

poignancy   ['poinansi]    scherpheid. 

poignant  ['poinsnt]   scherp,  bijtend. 

point  [point]  punt  v  Si  o  [=  (lees)- 
teken];  punt  m  [=■  spits];  punt  o 
[andere  bett.];  stip(pel);  decimaal; 
spits;  stift;  (ets)naald;  kant;  stop- 
contact  o;  fig  pointe  [v.  aardig- 
heid],  zaak;  ^~~'S,  wissel  [v.  spoor- 
weg];  the  — s  of  the  compass,  de 
streken  van  het  kompas;  to  the  — 
ter  zake;  vt  (aan)punten,  scherpen 
spitsen;  richten  (op,  at),  mikken 
wijzen  met  [vinger  &] ;  —  out 
(aan)wijzen,  wijzen  op,  aantonen 
te  kennen  geven. 

point-blank  ['point'blastjk]  vlak  in  zijn 
gezicht,   op  de  man  af. 

pointed  ['psintid]  scherp,  puntig;  op- 
vallend. 

pointer  ['pDinta]  staande  bond;  wij- 
zer;    aanwijsstok;    aanwijzing. 

pointsman    ['pDintsman]   wisselwach- 
ter;  verkeersagent. 

poise  [poiz]  evenwicht  o,  balanceren 
o;  houding  [v.  hoofd  &];  vt  in  even- 
wicht houden  of  brengen;  balance- 
ren;  wegen;   houden. 

poison  E'poizn]  vergif(t)  o,  gif(t)  o; 
vt  vergiftigen,  fig  vergallen. 

poisonous    ['pDiznas]    (ver)giftig. 

poke  [pouk]  scharrelen;  stoten,  ste- 
ken;    tasten;    oppoken;    (op)porren. 

poker  ['pouka]  (kachel)pook;  poker 
o   [spel]. 

pok(e)y   C'pouki]    nauv/;   klein. 

Poland   ['poubnd]    Polen  o. 

polar  ['poub]  pool-;  —  bear,  ijsbeer. 

Pole  [poul]   Pool. 

pole    [poul]    pool;   paal,  pols,   stok; 


polytechnic 


disselboom. 

polecat   ['poulkaet]   bunzing. 

polemic  [pa'lemik]  — (j),  polemiek; 
aj  polemisch. 

police    [p3'Ii:s]    politie. 

policeman   [p(3)'li:sm3n]   politie- 
agent. 

police-station  [pa'liissteijsn]  politie- 
bureau  o. 

policy  ['pDlisi]  staatkunde;  (staats)- 
beleid   o,   politick;   polls. 

poliomyelitis  [pDlioumais'laitis]  kin- 
derverlamming. 

polish  ['pDliJ]  politoer  o  Si  m;  poets- 
middel  o;  glans;  fig  beschaving;  vt 
polijsten,  politoeren,  poetsen,  boe- 
nen. 

Polish   ['poulif]    Pools. 

polite    [pa'lait]    beleefd;  beschaafd. 

politeness  [ps'Iaitnis]  beleefdheid. 

politic  ['politik]  staatkundig,  politick; 
— s,  politick,  staatkunde. 

political  [ps'litikl]  politick,  staatkun- 
dig. 

politician  [pali'tijsn]  politicus,  staat- 
kundige,  staatsman. 

polka  ['poI-,  'poulks]  polka. 

poll  [poul]  kop,  hoofd  o;  stembus; 
(schriftclijkc)  stemming;  (uitge- 
brachtc)  stemmen;  lorretje  o  [pa- 
pcgaai];  ^^  of  public  opinion,  pub- 
lic opinion  '~-,  opinie-ondcrzoek  o\ 
vt  toppcn,  knotten;  (stemmen)  ver- 
werven;    vi  stemmen    (op,   for). 

pollard-willow  ['pobdwilou]  knot- 
wilg. 

pollen   ['pDJin]    stuifmcci   o. 

polling-booth  ['poulif)bu:5]  polling- 
station  ['poulirjsteijsn]  stcmbureau 
o. 

pollute  [p3'l(j)u:t]  bezocdclcn;  ont- 
wijden;  verontrcinigen. 

pollution  [p3'J(j)u:J'3n]  bezoedeling; 
ontwijding;  vcrontreiniging. 

poltroon    [pDl'trum]    lafaard. 

polyp   ['pDlip]   poliep   [diet]. 

polypus    ['polipas]    poliep    [gezwel]. 

polytechnic   [pDli'teknik]   polytech- 
nisch. 


pomade 


pomade  [pa'maid]  pomatum  [pa'mei- 

tsm]    pomade. 
pomegranate    ['pDmgraenit]    granaat- 

appel,  granaatboom. 
pommel   ['pAml]   degenknop;  zadel- 

knop;    vt   beuken,    slaan. 
pomp   [pDmp]    pracht,  praal,   luister. 
pompous    ['pAmpss]    deftig   doend, 

hoogdravend,  pralend;  gezwolleii. 
pond   [pDnd]    poel,  vijver;  wed  o. 
ponder   ['pDnds]   overwegen,  overden- 

ken;  peinzen   (over,   on'). 
ponderous    ['pDndaras]    zwaar,   zwaar- 

wichtig,    zwaar    op    de    hand. 
poniard   ['ponjsd]   dolk. 
pontifical    [pon'tifiki]     opperpriester- 

lijk;    pontificaal;    in    full    ■ — s,     in 

pontificaal;    in   vol    ornaat. 
pontoon    [p3n'tu:n]    ponton. 
pony    ['pouni]    hit. 
poodle   ['pu:dl]   poedel. 
pool    [pu:l]    poel,    plas;    (zwem)bas- 

sin   o\  potspel  o\   inzet,   pot;  syndi- 

caat    o;    vt    samenleggen    [v.    kapi- 

taal];  samendoen. 
poop   [pu:p]   achterschip  o. 
poor  [pua]  arrn,  behoeftig;  armoedig, 

schraal;  gering,  pover,  armzalig;  er- 

barmelijk;    slecht;    my     —      father, 

(mijn)   vader  zaliger. 
poorly    ['puali]    arm(elijk),   armzalig, 

erbarmelijk;    niet    erg    gezond. 
pop    [pop]    pof,    plof,    klap,    knal;    vi 

poffen,    knallen,    ploffen;    vt    doen 

knallen,  afschieten;    • — 'at,  schieten 

op;   —  /■  n,   (ergens)   binnen  komen 

vallen;    —    off,    wegwippen,    hem 

poetsen;     uitknijpen,    kreperen;     — 

u  p,   opduiken. 
pope    [poup]    paus. 
popgun    ['p3pgAn]    kinderpistooltje  o. 
poplar  ['pDpla]  populier. 
poppy   E'popi]   papaver,  klaproos. 
populace   E'pDpjulis]   volk  o,  menigte, 

massa;  gepeupel  o. 
popular    ['pDpjub]    populair,   volks-. 
popularity    [pDpju'Isriti]    populari- 

teit. 
populate    ['pDpjuIeit]    bevolken. 


208  Portuguese 

population    [pDpju'leiJsn]    bevolking. 
populous    C'pDpjubs]    volkrijk,   dicht- 

bevolkt. 
porcelain    ['p3:slin]    porselein   o. 
porch    [pD:tJ]    (voor)portaal   o,   por- 

tiek. 
porcupine  ['pD:kjupain]  stekelvarken  o. 
pore   [p3:]   porie;   vi  '—'  at   {on),  tu- 

ren  naar,  staren  op;   —    over   (on), 

zich   verdiepen   in. 
pork   [p3;k]   varkensvlees  o. 
porous   ['pDiras]    poreus. 
porpoise    ['poipss]   bruinvis. 
porridge    ['poridsl    (meel)pap. 
porringer     ['psrindsa]     soepkommetje 

o;   (diep)   bord  o\  pannetje  o. 
port    [pD:t]    haven(plaats);     geschut- 

poort;    patrijspoort;    bakboord;   hou- 

ding;    port(wijn);    —    of   call,    aan- 

loophaven. 
portable    ['pDitabl]    draagbaar,   ver- 

plaatsbaar,   koffer-. 
portal   C'poital]   poort;  portaal  o. 
portend    [pDi'tend]     (voor)beduiden, 

voorspellen,   betekenen. 
portent   ['p3:tent]  voorteken  o, 
portentous  [pD:'tent3s]  onheiispellend; 

vervaarlijk,  geweldig. 
porter    ['pDits]    portier;    drager,   sjou- 

wer,   besteller,   kruier,  witkiel;  por- 
ter  [bier]. 
porterage    C'pDitarids]    draagloon    o, 

hestelloon  o. 
portfolio    [pD:t'fouliou]    portefeuille. 
port-hole  ['pDithoul]   patrijspoort;  ge- 

schutpoort. 
portico    E'pDitikou]    portiek. 
portion   ['pDiJan]    dee!  o,  portie,  aan- 

deel   o\    huwelijksgoed   o;    vt   verde- 

len,   uitdelen;   bedelen. 
portly  E'pDitli]  deftig;  dik,  welgedaan. 
portmanteau  [pDit'maentou]  valies  o. 
portrait    ['pDitrit]    portret   o;    schilde- 

ring. 
portray    [po/trei]    portretteren,    (af)- 

schilderen. 
Portugal    ['pDitjugsI]    Portugal   o. 
Portuguese    [p3:tju'gi:z]    Portugees, 

Portugezen;  aj  Portugees. 


pose 


209 


poultry-yard 


pose  [pouzj  pose,  houding;  aanstelle- 
rij;  vt  stellen  [een  vraag];  plaat- 
sen;  zetten;  vi  poseren. 

poser    ['pouza]    strikvraag;    moeilijk- 
heid;    poseur. 

position  [pa'zijan]  ligging,  positie, 
houding,  rang,  stand;  betrekking; 
plaats;  standpunt  o;  toestand;  stal- 
ling; /  am  not  iti  a  ■ — '  lo...,  ik 
kan  niet... 

positive  ['pDzitiv]  stellende  trap;  po- 
sitief  o;  aj  stellig,  bepaald,  volstrekt, 
zeker;  positief,  the  —  degree,  de 
stellende  trap. 

possess  [pa'zes]  bezitten,  hebben;  like 
one  ■ — ed,  als  een  bezetene;  — -  one- 
self, zich  beheersen. 

possession  fps'zejsn]  bezitting;  ei- 
gendom  o.  bezit  o\  bezetenheid; 
take  —  of.  in  bezit  nemen,  [een 
huis]    betrekken. 

possessive  [pa'zesiv]  bezit-;  bezittelijk. 

possessor   [pa'zess]   bezitter. 

possibility  [pDsi'biliti]   mogelijkheid. 

possible    ['pDsibl]    mogelijk. 

possibly    E'pDsibli]    mogelijk,   mis- 
schien;  he  cannot  ■ — ■   come,  hij  kan 
onmogeiijk  komen. 

post  [poust]  post;  paal,  stijl,  stut;  vt 
posten;  posteren;  aanplakken;  boe- 
ken;  jig  op  de  hoogte  brengen;  • — 
up,  afficheren;  bijhouden  [boeken]; 
fig  op  de  hoogte  brengen  of  houden. 

postage  ['poustid3]   port  a  &  m. 

postage  stamp  ['poustid3St£emp]  post- 
zegel. 

postal    ['poustsl]   post-. 

postcard  ['pous(t)ka:d]   briefkaart. 

poster  ['pousta]  aanplakbiljet  o,  af- 
fiche  o  8i  V. 

posterior    [pos'tisria]    later. 

posterity    [pDs'teriti]    nakomeling- 
schap,  nageslacht  o. 

post-free    ['poust'fri:]    franco. 

posthumous  ['pDstjumas]  postuum:  na 
de  dood  geboren;   nagelaten. 

postman    ['pous(t)m3n]    (brieven)- 
besteller,    postbode. 

postmaster  ['pous(t)ma:st3]   directeur 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


van   een  postkantoor;  P- —    General, 

Directeur-Generaal    van    de    Poste- 

rijen. 
post  office  ['poustDfis]  postkantoor  o\ 

post-office  order,   postwissel. 
post-paid    ['poustpeid]    gefrankeerd, 

franco. 
postpone   [pous(t)'poun]    uitstellen. 
postponement   [pous(t)'pounm3nt] 

uitstel  o. 
postscript   ['poustskript]   naschrift  o. 
posture    ['pDstJs]    houding,    pose; 

staat;   vi  poseren. 
post-war   ['poust' wd:]   naoorlogs. 
posy    ['pouzi]    ruiker,    bloemtuil;    fig 

bundel. 
pot    [pDt]    pot;   kan;   kroes;   vt  potten; 

inmaken,   zulten. 
potable    ['poutsbl]    drinkbaar. 
potash   ['pjtaej]   potas. 
potassium  [pa'taesism]  kali. 
potato    [ps'teitou]    aardappel. 
pot-bellied    ['pDtbelid]    dikbuikig. 
potency   ['poutansi]   macht,  kracht, 

vermogen  o. 
potent    ['poutantj    machtig,    krachtig. 
potentate    ['poutanteit]    potentaat. 
potential  [pa'tenjal]  potentieel,  moge- 
lijk, eventueel. 
pother    ['pD5a]    rumoer    o,    drukte. 
pot-herb  ['p3tha:b]  groente. 
pot-house  ['pDthaus]  kroeg. 
potion    C'poujan]    drank    [medicijn]. 
pot-luck  E'pDt'lAk]   wat  de  pot  schaft. 
potpourri   E'pou'puri]  potpourri. 
potsherd  ['pDtJa:d]   potscherf. 
potter  ['pDta]   pottenbakker;  vi  strom- 

pelen;   sukkelen;   knutselen. 
pottery    ['pDtari]    pottenbakkerij;    aar- 

dewerk  o. 
pouch    [pautj]    zak,   tas;   buidel;   krop 

[v.  vogel]. 
poulterer   ['poultara]   poelier. 
poultice    ['poultis]    pap,    vi'arme    om- 

slag. 
poultry    ['poultri]    gevogelte   o, 

pluimvee  o,  kippen. 
poultry-yard    ['poultrija:d]    hoender- 

hof. 


14 


pound  210 


pound  [paund]  pond  o  [16  ons. 
453-59  gram  avoirdupois,  373  gram 
troy-weight\\  pond  o  sterling;  vt 
(fijn)stampen;   er  op  los   slaan. 

pour  [p3:]  (uit)gieten,  (uit)storten; 
(in-,  uit)schenken;  stromen;  stort- 
regenen. 

pout  [paut]  gepruil  o\  vt  vooruitste- 
ken   [lippen];   vi  pruilen. 

poverty  ['povsti]  arnioe(de). 

poverty-stricken   ['pDvatistrikn]   arm, 
armoedig. 

powder  ['pauda]  poeder  o  Si  m  [stof- 
naam],  poeier  o  Sa.  m  [stofnaam]; 
poeder  r'  [voorwerpsnaam],  poeier 
V  [voorwerpsnaam];  (bus)kruit  o\ 
stof  o\  vt  tot  poeder  stampen;  poeie- 
ren,  bestrooien. 

powder-puff   ['paudspAf]    poederdons. 

powdery  ['paudari]  poederachtig,  fijn 
als  poeder;   gepoeierd. 

power  ['paua]  kracht,  macht,  gezag 
o,  vermogen  o\  energie;  bevoegd- 
heid,  volmacht;  mogendheid;  — s, 
ook:  geestesgaven,  talent  o;  vt  ener- 
gie leveren,   aandrijven. 

powerful  ['pauaful]  machtig,  krach- 
tig,  vermogend,  sterk,  geweldig. 

power-house  ['pauahaus]  elektrische 
centrale. 

powerless    ['pauslis]    machteloos. 

power-plant    ['pauaplarnt]    kracht- 
installatie, 

practicable  ['praektikabi]  doenlijk,  uit- 
voerbaar;  bruikbaar;  begaanbaar,  be- 
vaarbaar. 

practical  ['prsktikl]  praktisch;  a  — 
joke,  een  handtastelijke,  ruwe  aar- 
digheid. 

practice  ['praektis]  be-,  uitoefening; 
praktijk;  oefening;  gebruik  o\  ge- 
woonte;  '^  makes  perfect,  oefening 
baart  kunst;  keep  {oneself)  in  — , 
zich  blijven  oefenen;  put  in{to)  -- , 
in  praktijk  brengen;  be  out  of  ■ — ■, 
lang  niet  meer  geoefend  hebben. 

practise  ['pra?ktis]  uit-,  beoefenen; 
oefenen,  instuderen  [muziekstuk], 
zich  oefenen   in   of  op;   gebruiken; 


precious 

praktizeren. 
practised    ['prsektist]    bedreven,    erva- 

ren. 
practitioner     [praek'tijana]     praktize- 

rend    geneesheer    {medical    — )    of 

advocaat     {legal     — );     beoefenaar; 

general    — ,    arts. 
Prague    [preig]    Praag   o. 
praise    [preiz]   lof,  lofspraak;  vt  prij- 

zen;   loven. 
praiseworthy    ['preizw3:3i]     loffelijk; 

lof-,  prijzenswaardig. 
pram   [praem]    kinderwagentje  o. 
prance   [pra:ns]    steigeren;   trots   stap- 

pen,  pronken. 
prank  [prserik]  streek;  poets. 
prate   [preit]    snappen,  babbelen. 
prattle   ['prasti]    babbelen. 
pray  [prei]  bidden,  smeken,  verzoeken. 
prayer    ['preia]    bidder,   biddende; 

[prSa]    gebed   o,    (smeek)bede;  ver- 

zoek    o\    the   Lord's    -~',    het    onze- 

vader. 
preach  ['pri:tj]   prediken,  preken;   ~ 

a    sermon,    een    preek    houden;    • — 

d  o  IV  n,  preken  tegen,  ijveren  tegen; 

afbreken;  —  up,  preken  ten  gunste 

van,    ijveren   voor;    aanprijzen;    op- 

hemelen. 
preacher    ['priitjs]    predikant,    predi- 

ker. 
preamble  [pri:'asmbl]   inleiding. 
precarious    [pri'keariss]    onzeker, 

wankel,    hachelijk. 
precaution  [pri'kDiJsn]  voorzorg, 

voorzorgsmaatregel . 
precautionary  [pri'koijanari]  voor- 

zorgs-. 
precede  [pri'siid]  voorafgaan,  gaan 

voor;   vooraf   laten  gaan. 
precedence  [pri'siidans]   voorrang. 
precedent  ['presidant]  precedent  o. 
precept  ['pri:sept]  voorschrift  o,  stel- 

regel,   bevel (schrift)    o. 
preceptor    [pri'septa]     (leer)meester. 
precinct   ['pri:sir]kt]    grens;   gebied   o. 
precious    ['prejas]   kostbaar;  dierbaar; 

edel    [metalen];    kostelijk;    geducht; 

verbazend;    '~    stones,    edelstenen. 


precipice 


211 


preliminary 


precipice    ['presipis]    steilte;   jig   af- 

grond. 
precipitance,    '-^cy   [pri'sipit3ns(i)] 

overhaasting,   overijling. 
precipitate    [pri'sipitit]     neerslag;    aj 

steil;     overhaast,    haastig;    overijld, 

onbezonnen;  [pri'sipiteit]  vt  (neer)- 

storten;     (neer)werpen;    aandrijven; 

(o)verhaasten,  bespoedigen;    (doen) 

neerslaan. 
precipitation   [prisipi'teijan]    neer- 

storting;    overhaasting,    haast,    over- 

ijljng. 
precipitous    [pri'sipitas]    steil;    over- 
ijld,  overhaast. 
precise    [pri'sais]    nauwkeurig,    juist; 

stipt,  nauwgezet;  precies. 
precision   [pri'si33n]   nauwkeurigheid, 

juistheid,  precisie. 
preclude  [pri'klu:d]  uitsluiten;  de  pas 

afsnijden,    voorkomen,    verhinderen, 

beletten. 
precocious  [pri'koujss]  vroeg(rijp), 

vroeg  wijs,  wijsneuzig. 
precocity   [pri'kositi]   vroegrijpheid. 
precursor   [pri'kaiss]   voorloper. 
predatory   ['predatsri]    rovend,  roof- 

zuchtig;    rovers-,   roof-. 
predecessor   ['pri:dises3,  pri;di'ses3] 

( ambts )  voorganger. 
predestine   [pri'destin]   voorbestem- 

men,  voorbeschikken. 
predetermine    ['pri:di't3:min]    vooraf 

bepalen;  vooraf  vaststellen;  voorbe- 
schikken. 
predicament  [pri'diksmant]  staat,  toe- 
stand;   (kritiek)  geval  o. 
predicate  ['predikit]    (toegekend)  pre- 

dikaat  o\  (grammaticaal)  gezegde  o. 
predict    [pri'dikt]    voorspellen. 
prediction    [pri'dikjsn]    voorspelling. 
predilection    [pri:di'lekj'3n]    voorlief- 

de,  voorkeur. 
predisposition   ['priidisps'zijan]    vat- 

baarheid,  ontvankelijkheid. 
predominance   [pri'dDminsns]   over- 

heersing,   overhand,   overwicht   o, 

heerschappij. 
predominant    [pri'dDminsnt]    over- 


heersend;  ^-'ly,  overwegend. 
predominate  [pri'dDmineit]  overheer- 

sen,  op  de  voorgrond  treden. 
pre-eminence  [pri'eminans]  voorrang, 

superioriteit. 
pre-eminent    [pri'eminsnt]    uitmun- 

tend,  uitstekend,  voortreffelijk;  — ly, 

bij   uitstek. 
pre-fab    [pri:'fsb]    montagewooing. 
pre-fabricate  [pri/fsbrikeit]  prefabri- 

ceren:    vooraf    de    onderdelen    ver- 

vaardigen  van;  ~-^  house,  montage- 

woning. 
preface  ['prefis]  voorrede,  voorbericht 

o\  inleiding;  vt  inleiden,  laten  voor- 

afgaan;  voorafgaan  aan. 
prefatory    ['prefatari]    voorafgaand, 

inleidend. 
prefer  [pri'fa:]  verkiezen,  de  voorkeur 

geven   (boven,  to,  before  of  above) 

verheffen,     bevorderen      (tot,     to) 

voordragen,    indienen;    — red,    ook 

preferent. 
preferable    ['prefsrsbl]    te   verkiezen 

(boven,  to). 
preferably   E'prefarabli]    bij  voorkeur, 

liefst;    —  to,  liever  dan. 
preference  ['prefsrans]  voorkeur;  pre- 

ferentie;    —   shares,  preferente  aan- 

delen. 
preferential    [pref^'renjal]    preferen- 

tieel   [v.  rechten],  voorkeurs-. 
preferment  [pri'faimant]  bevordering. 
prefix  ['pri:fiks]  voorvoegsel  o;   [pri- 

'fiks]    vt   voorplaatsen,    laten    voor- 
afgaan. 
pregnant  ['pregnant]  zwanger;  vrucht- 

baar;    rijk    aan    gevolgen;    veelzeg- 

gend;  pregnant. 
prehistoric    ['pri:his't3rik]    voorhisto- 

risch. 
prejudice   ['predsudis]  vooroordeel  o; 

schade,    nadeel    o;    vt  voorinnemen; 

benadelen,   schaden. 
prejudicial    [predsu'dijal]    nadelig, 

schadelijk. 
prelate    ['prelit]    prelaat. 
preliminary    [pri'liminari]    vooraf- 
gaand,  inleidend,  voor-. 


prelude 


212 


preservation 


prelude  ['prelju:d]  voorspel  o;  inlei- 
ding;  vt  inzetten  [met  een  voor- 
spel];  een   inleiding  vormen   tot. 

premature    ['premstjua]    ontijdig; 
voorbarig. 

premediate  [pri'mediteit]  vooraf  be- 
ramen  (overleggen) ;  •^d  murder, 
moord   met  voorbedachten   rade. 

premeditation  [primedi'teijan]  voor- 
bedachtheid,  voorafgaand  overleg  o\ 
with   — ,  met  voorbedachten  rade. 

premier  ['premjs]  minister-president; 
aj  eerste;  voornaamste. 

premises  ['premisiz]  huis  o  (en  erf), 
gebouw  o,  zaak. 

premium  ['priimjam]  prijs;  premie; 
at  a  ' — •,  boven  pari,  hoog,  duur; 
met  winst;  jig  opgeld  doend. 

premonition  [priima'nijsn]  (vooraf- 
gaande)    waarschuwing. 

preoccupation  [priiokju'peijan]   be- 
zorgdheid;   eerste   zorg. 

preoccupied  [pri/skjupaid]  van  eigen 
gedachten   vervuld,    bezorgd. 

prepaid   ['pri:'peid]   vooruitbetaald, 
franco. 

preparation  [prepa'reijan]  voorberei- 
ding,  toebereidsel  o\  (microscopisch) 
preparaat  o,  bereiding. 

preparative  [pri'pasrativ]  voorbereid- 
sel  o;  aj  voorbereidend. 

preparatory  [pri'pseratari]  voorberei- 
dend; voorafgaand. 

prepare  [pri'pea]  voorbereiden;  (toe)- 
bereiden,  klaarmaken;  zich  voorbe- 
reiden, zich  gereedmaken;  we  are 
— d  to,  wij   zijn  bereid... 

prepay  ['pri:'pei]  vooruitbetalen;  fran- 
keren. 

prepayment  ['prii'peimsnt]  vooruitbe- 
taling;   frankering. 

preponderance  [pri'pDndsrsns]  over- 
wicht   0. 

preponderant   [pri'pondarant]    over- 
wegend,  van  overw-egend  belang. 

preposition  [prepa'zijsn]  voorzetsel  o. 

prepossess  [priips'zes]  innemen  (voor, 
in  favour  of;  tegen,  against)\  be- 
invloeden;  a  — ing  appearance,  een 


innemend  voorkomen  o. 

prepossession  [priips'zejan]  vooringe- 
nomenheid;   vooroordeel    o. 

preposterous  [pri'postaras]  averechts, 
ongerijmd,    onzinnig,    mal.  [o. 

prerogative    [pri'rDgativ]    (voor)recht 

presage  ['presids]  voorteken  o\  voor- 
gevoel  o\  [pri'seids]  rt  voorspellen; 
een   voorgevoel   hebben  van. 

prescribe    [pris'kraib]    voorschrijven. 

prescription    [pris'kripjan]    voor- 
schrift  o,  recept  o. 

prescriptive    [pris'kriptiv]    verjaard, 
oud  [v.  recht]. 

presence  ['prezans]  tegenwoordigheid, 
aanwezigheid;  voorkomen  o,  ver- 
schijning;  persoonlijkheid;  —  of 
mind,    tegenwoordigheid   van   geest. 

present  ['prezant]  tegenwoordige  tijd, 
heden  o;  geschenk  o\  make  a  person 
a  —^  of  something,  iemand  iets  ten 
geschenke  geven;  at  ■ — ■,  nu,  op  het 
ogenblik;  for  the  ~,  voor  het 
ogenblik,  momenteel;  aj  tegenwoor- 
dig,  aanwezig;  onderhavig;  the  — 
writer,  schrijver  dezes;  [pri'zent]  vt 
presenteren;  voorstellen  [aan  hof  of 
publiek] ;  aanbieden,  voorleggen,  in- 
dienen,  vertonen;  bieden,  opleveren; 
begiftigen  (met,  with);  —  itself, 
zich  voordoen  [gelegenheid  &];  op- 
komen   [gedachte]. 

presentable  [pri'zentabl]  presentabel, 
toonbaar. 

presentation  [prezan'teijan]  aanbie- 
ding;  indiening  [v.  stukken];  voor- 
stelling  [aan  't  hof];  voordracht;  on 
— ,    bij    aanbieding,    op    vertoon. 

presentation  copy  [prezan'teijankapi] 
presentexemplaar   o. 

present-day  ['prezantdei]  hedendaags, 
tegenwoordig,    actueel,    modern. 

presentiment  [pri'zentimant]  voorge- 
voel o. 

presently  ['prezantli]  aanstonds,  da- 
delijk,  z6    (meteen),  weldra. 

preservation  [preza'veijan]  bewaring; 
behoeding,  behoud  o;  verduurza- 
ming. 


preserve 


213 


pride 


preserve  [pri'z3:v]  gereserveerde  jacht 
of  visserij,  wildpark  o;  fig  gebied  o, 
terrein  o\  — s,  conserven;  vt  behoe- 
den  (voor,  from),  bewaren;  inma- 
ken,   inleggen,  konfijten. 

preside  [pri'zaid]  voorzitten;  preside- 
ren. 

presidency    ['prezidansi]    president- 
schap  o. 

president    ['prezidsnt]    president, 
voorzitter. 

presidential  [prezi'denjsl]  presidents-. 

press  [pres]  pers;  drukpers;  gedrang 
o,  drang;  drukte;  (kleer)kast;  at 
■^,  in  the  — ,  ter  perse;  vt  (uit-, 
ineen-,  op-,  samen)persen;  drukken 
(op);  aandringen;  kracht  (klem) 
bijzetten;  achterheen  zitten,  besto- 
ken;  tot  de  dienst  pressen;  vi  knel- 
len;  (op)dringen  [menigte];  pres- 
seren. 

pressing  ['presirj]  dringend;  nijpend, 
dreigend. 

pressure  ['preja]  drukking;  druk;  put 
(a)  ■ — ■  on,  bring  —  to  bear  on, 
druk  uitoefenen  op. 

prestige  [pres'tirs]  aanzien  o,  invloed, 
gewicht  0,  prestige   o. 

presumable  [pri'zjuimabl]  vermoede- 
lijk. 

presume  [pri'zju:m]  vermoeden;  zich 
inbeelden;  —  to...,  het  wagen,  de 
vrijheid  nemen... 

presuming   [pri'zju:mig]   verwaand. 

presumption  [pri'zAm(p)J'3n]  vermoe- 
den o,  (ver)onderstelling;  aanmati- 
ging,  verwaandheid. 

presumptive  [pri'zAm(p)tiv]  vermoe- 
delijk. 

presumptuous  [pri'zAm(p)tju3s]  aan- 
matigend,    ingebeeld,    verwaand. 

presupposition    [priiSAps'ziJsn] 
(voor)onderstelling. 

pretence   [pri'tens]   voorwendsel  o, 
schijn;  pretentie,  aanspraak. 

pretend  [pri'tend]  voorwenden,  voor- 
geven;  (ten  onrechte)  beweren;  doen 
alsof;  ' —  to,  zich  aanmatigen;  aan- 
spraak maken  op. 


pretender  [pri'tenda]  veinzer;  (huwe- 
lijks)kandidaat;    (kroon)pretendent. 

pretension  [pri'tenjan]  pretentie,  aan- 
spraak; voorwendsel  o\  aanmatiging. 

pretentious  [pri'tenjas]  pretentieus. 

preterit(e)   ['pretarit]  verleden  (tijd). 

pretext    ['pri:tekst]    voorwendsel   o. 

pretty    ['priti]    aardig,    lief,    mooi, 
fraai;    tamelijk,   vrij. 

prevail  [pri'veil]  de  overhand  hebben; 
heersen;  ■ —  on  {upon),  overha- 
len,  overreden;  — ■  wit  h,  ingang 
vinden   bij,   vat   hebben    op. 

prevalent    ['prevalant]    heersend. 

prevaricate  [pri'vcerikeit]  uitvluchten 
zoeken,   draaien. 

prevent  [pri'vent]  voorkomen;  belet- 
ten,  verhoeden,  verhinderen. 

prevention  [pri'venjan]  voorkoming, 
verhoeding;    verhindering. 

previous  ['priivjas]  voorafgaand,  vo- 
rig,   vroeger;    ■ — ■   to...,  voor... 

previously  ['pri:vjasli]  (van)  te  vo- 
ren,  vroeger    (al),  voor   die   tijd. 

pre-war    ['pri/wa:]    vooroorlogs. 

prey  [prei]  prooi,  buit;  beast  of  — , 
roofdier  o\  vt  —  {up)on,  plunde- 
ren;  azen  op;  fig  knagen  aan. 

price  [prais]  prijs;  koers;  waarde;  vt 
prijzen    (voor,  at). 

price-current    ['praiskArant]    prijs- 
courant. 

priceless  ['praislis]  onschatbaar;  kos- 
telijk,  heerlijk. 

price-list  ['praislist]  prijscourant. 

prick  [prik]  prik,  steek,  punt;  prik- 
kel,  stekel;  fig  knaging,  wroeging; 
vt  prikken  (in),  steken;  door-,  open- 
steken;  prikkelen;  de  sporen  geven, 
aansporen;  —  the  ears,  de  oren 
spitsen. 

prickle  ['prikl]  prikkel,  stekel,  doren- 
tje  o;  vt  prikk(el)en,  steken. 

prickly    ['prikli]    stekelig;    stoppelig; 
netelig. 

pride  [praid]  hoogmoed;  fierheid, 
trots;  luister;  vi  —  oneself  on,  trots 
zijn  op;  zich  beroemen  op,  prat  gaan 
op. 


priest 


214 


proceed 


priest   [pri:st]   priester;  geestelijke. 
priesthood  ['pri:sthud]  priesterschap  o. 
priestly    ['pri:stli]    priesterlijk. 
prig   [prig]   pedant,  kwast. 
priggish    ['prigij]    ingebeeld,   pedant. 
prim  [prim]   gemaakt,  stijf,  preuts. 
primarily    ['praimsrili]    in    de    eerste 

plaats,  voornamelijk. 
primary     ['praimari]     oorspronkelijk; 

eerste,  voornaamste,  hoofd-;  grond-; 

—  school,  lagere  school. 

prime  [praim]  eerste,  voornaamste; 
oorspronkelijk;    prima,   best;    in   the 

—  oj  life,  in  de  bloei  der  jaren. 
primer   ['praima]   boek  o  voor  begin- 
ners, eerste  beginselenboekje  o. 

primeval   [prai'mi:vl]   eerste,  oer-. 

primitive   ['primitiv]   oorspronkelijk, 
oudste,  oer-;  primitief. 

primordial  [prai'mD:di3l]  eerste,  oud- 
ste,  oorspronkelijk,   oer-. 

primrose  ['primrouz],  primula  ['prim- 
jub]   sleutelbloem. 

prince  [prins]  vorst,  prins;  ■ — ■  royal, 
kroonprios. 

princely  ['prinsli]  prinselijk,  vorste- 
lijk. 

princess    [prin'ses,  'prinses]    prinses, 
vorstin. 

principal  ['prinsipsl]  hoofd  o,  chef, 
patroon;  directeur  [v.  school]  ;hoofd- 
persoon,  lastgever,  principaal;  hoofd- 
som;   aj  voornaamste,   hoofd-. 

principality  [prinsi'paeliti]  vorstelijke 
waardigheid;  vorstendom  o. 

principally  ['prinsipali]  hoofdzakelijk, 
voornamelijk. 

principle  ['prinsipl]  beginsel  o\  oor- 
sprong;  bestanddeel  o;  principe  o\ 
on  ■ — •,  uit  principe;  principieel. 

print  [print]  merk  o,  teken  o,  spoor 
o\  stempel  o  Si  m,  afdruk;  plaat, 
prent;  a  book  out  of  — ,  uitver- 
kocht;  vt  drukken,  bedrukken;  in- 
prenten;    --^ed  matter,   drukwerk   o. 

printer    ['prints]    drukker. 

printing-office  ['printirjofis]  drukke- 
nJ-_ 

printing-press    ['printirjpres]    druk- 


pers. 
prior    ['praia]    prior;   aj  vroeger,   ou- 

der,    voorafgaand;     ■ — ■    to...,    voor, 

voordat... 
priority    [prai'Driti]    prioriteit,   voor- 

rang. 
prism   [prizm]    prisma   o. 
prismatic   [priz'msetik]   prismatisch. 
prison    ['prizn]    gevangenis. 
prisoner    ['prizna]    gevangene;    arres- 

tant,    (de)    verdachte;    —    of    war, 

krijgsgevangene. 
privacy    ['privasi]     afzondering,    een- 

zaamheid;    stilte,   geheimhouding. 
private    ['praivit]     (gewoon)    soldaat; 

aj    privaat,    prive,     eigen;     geheim, 

heimelijk;    vertrouv/elijk;    onder- 

hands;    particulier,    persoonlijk;    ge- 
woon  [soldaat]. 
privateer    [praiva'tia]    kaper,    kaper- 

schip  o\  vl  ter  kaap  varen. 
privation  [prai'veijan]   ontbering,  ge- 

brek  o,  gemis  o. 
privilege     ['privilids]     privilegie     o; 

voorrecht  o\  vt  bevoorrechten;  vrij 

stellen    (van,   from). 
privy    ['privi]    geheim,  verborgen. 
prize  [praiz]   prijs;  beloning;  buit;  aj 

bekroond;  vt  op  prijs  stellen,  schat- 

ten;   prijs  maken    [schip];    —   open 

{up),  openbreken. 
prize-fight  ['praizfait]  bokspartij. 
prize-fighter  ['praizfaita]   bokser. 
pro    [prou]    pro,    voor;    the    — s   and 

cons,  het  voor  en  tegen. 
probability    [proba'biliti]    waarschijn- 

lijkheid. 
probable    ['prababl]    waarschijnlijk, 

vermoedelijk;    aannemelijk. 
probation    [pra'beijan]    proef,    onder- 

zoek  o;  proeftijd. 
probe  [proub]  peilen,  onderzoeken. 
probity   ['prabiti]   eerlijkheid. 
problem   ['prablim]  vraagstuk  o. 
proboscis    [pra'basis]    snuit. 
procedure   [pra'siidja]   werkwijze, 

handelwijze,    procedure. 
proceed    [pra'si:d]    voortgaan,    verder 

gaan;    vervolgen;    gaan,    zich    bege- 


proceeding  2 1 5 


profuse 


ven;  voortkomen;  te  werk  gaan; 
de  weg  van  rechten  inslaan  (tegen, 
against). 

proceeding  [pra'siidir)]  handelwijze; 
handeling,  maatregel;  institute  legal 
'~j,  take  '-~'S,  een  actie  (vervol- 
ging)    instellen. 

proceeds    ['prousi:dz]    opbrengst, 
provenu   o. 

process  ['prouses]  voortgang;  verloop 
0,  loop;  handeling;  werkwijze,  pro- 
cede  o;  proces  o;  vt  bewerken;  ver- 
duurzamen. 

procession  [prs'sejan]  stoet,  omgang, 
optocht;  processie. 

proclaim  [pra'kleim]  afkondigen;  ver- 
kondigen;  uitroepen  tot  [koning&]; 
proclameren. 

proclamation  [pnkla'meijan]  procla- 
matie;    afkondiging;    verkondiging. 

procrastination   [proukrassti'neifsn] 
uitstel  o. 

procreation    [proukri'eijsn]    voort- 
brenging,    voortplanting. 

procuration  [prDkju'reiJan]  verschaf- 
fing,  bezorging,  verkrijging;  vol- 
macht,  procuratie. 

procure  [pra'kjua]  (zich)  verschaffen, 
bezorgen,    (ver)krijgen. 

prod  [prod]  prikkel;  priem;  por;  vt 
prikken,  porren. 

prodigal  ['prodigal]  verkwister;  a] 
verkwistend;  the  ■ — ■  son,  de  verlo- 
ren  zoon. 

prodigality    [prDdi'gsliti]    verkwis- 
ting;  icwastigheid. 

prodigious  [pr3'did33s]  wonderbaar- 
lijk;   verbazend,   ontzaglijk. 

prodigy   ['prodidsi]  wonder  o. 

produce  ['prodjuis]  voortbrengsel  o, 
voortbrengselen,  produkt  o,  (land- 
bouw)produkten;  opbrengst;  colonial 
—',  koloniale  waren;  [pra'djurs]  vt 
voortbrengen,  produceren,  opbren- 
gen,  opleveren;  teweegbrengen;  in 
het  licht  geven;  voor  't  voetlicht 
brengen,  opvoeren,  vertonen;  te 
voorschijn  halen;  aanvoeren,  over- 
leggen. 


producer   [pra'djuiss]   producent. 
product    ['pndskt]    voortbrengsel    o, 

produkt   o;   fig  vrucht. 
production    [pra'dAkJan]    produktie, 

voortbrenging;    voortbrengsel    o; 

overlegging    [stukken];    vertoning, 

opvoering. 
productive   [pra'dAktiv]   produktief, 

vruchtbaar;    produktie-. 
profanation  [prsfa'neijan]  ontwijding. 
profane  [pra'fein]  profaan,  on(in)ge- 

wijd;  goddeloos;  werelds;  vt  profa- 

neren,   ontwijden. 
profess    [pra'fes]    belijden;   betuigen, 

verklaren;    uit-,   beoefenen. 
professed  [pra'fest]  verklaard;  van  be- 

roep,     beroeps-;     voorgevi^end,     be- 

weerd,   zogenaamd. 
professedly   [pra'fesidli]    openlijk; 

ogenschijnlijk. 
profession  [pra'fejan]    (openlijke)  be- 

lijdenis,  betuiging;  verklaring;  kloos- 

tergelofte;   beroep   o,   stand;   by    — , 

van  beroep,  beroeps-. 
professional  [pra'fejanal]  vakman,  be- 

roepsspeler;    aj  vak-,   beroeps-, 

ambts-;  van  beroep. 
professor    [pra'fesa]    hoogleraar;   pro- 
fessor. 
proffer   ['prDfa]   toesteken,  aanbieden. 
proficiency    [pra'fijansi]    vaardigheid, 

bedrevenheid,   kundigheid. 
proficient  [pra'fijant]  vaardig,  bedre- 

ven,  knap  (in  zijn  vak). 
profile  ['proufil]  profiel  o. 
profit  ['profit]  voordeel  o,  winst,  nut 

o\  baat;  ,*;  a  — ,  met  winst;  vt  voor- 
deel afwerpen  voor,   baten;   helpen; 

vi  profiteren   (van,  by). 
profitable    ['profitabl]    winstgevend, 

voordelig,   nuttig. 
profiteer   [profi'tia]    profiteur;   vi  on- 

geoorloofde  winst  maken. 
profligate    ['profligit]    losbol;   aj   los- 

bandig. 
profound    [pra'faund]    diep;    diepzin- 

nig;     grondig,     groot;     — ly,     ook: 

hoogst,  zeer. 
profuse    [pra'fju:s]    kwistig,  verkwjs- 


profusion  216 


propagate 


tend;   overvloedig,    rijk. 
profusion    [pr3'fju:33n]    overvloed. 
progeny    ['piDdgini]    nageslacht   o, 

kroost  o. 
prognostic  [prjg'oDstik]  voorspellend; 

■ — '  sign   (symptom) ,  voorteken  o. 
prognosticate    [prDg'oDstikeit]    voor- 

spellen. 
prognostication   [prognDsti'keiJan] 

voorspelling. 
program(me)    ['prougrjem]    program- 
ma  o,  program  o. 
progress     ['prougres]     vordering(en); 

voortgang,  vooruitgang;  loop(baan); 

gang    [v.   zaken];    tocht;    [pra'gres] 

vi  vooruitgaan,  vorderen,  opschieten. 
progressive    [pra'gresiv]    voortgaand, 

(geleidelijk)      opklimmend,      toene- 

mend;    vooruitstrevend. 
prohibit   [prs'hibit]   verbieden. 
prohibition    [proui'bijsn]    verbod   o. 
prohibitive    [pro'hibitiv]    verbiedend; 

—  duties,  beschermende  (invoer-) 
rechten;  • — ■  price,  afschrikwekkend 
hoge  prijs. 

project  ['prsdsekt]  ontwerp  o,  plan  o: 

[pr3'd3ekt]    vt  ontwerpen;   projecte- 

ren,    ( vooruit)werpen;    vi    vooruit-, 

uitsteken,  uitspringen. 
projectile    ['pr3d3ektail]    projectiel    o. 
projector    [prs'djekta]    zoeklicht    o, 

projectietoestel   o. 
proletarian   [prouli'tearian]   proleta- 

rier;  aj  proletarisch. 
proletariat  [prouli'teariat]  proletariaat 

o. 
prolific   [pra'lifik]   vruchtbaar. 
prolix   ['prouliks]   wijdlopig,  breed- 

sprakig,    langdradig. 
prolixity   [prou'Iiksiti]   wijdlopigheid, 

breedsprakigheid,  langdradigheid. 
prologue   ['proubg]    proloog. 
prolong   [pra'brj]   verlengen,  rekken; 

—  ed,   ook:    langdurig. 
prolongation   [proubrj'geij'an]   verlen- 

ging- 
promenade    [promi'naid]     promenade, 
wandeling,  wandelplaats;   vi  wande- 
len;  vt  rondleiden. 


prominent    ['prominant]    (voor)uitste- 

kend,    hoog(staand);    voornaam, 

vooraanstaand,  uitstekend. 
promise   ['prDmis]   belofte;  of  (great) 

— ,    veelbelovend;    vt    beloven;     ■ — ■ 

well,  veel   beloven. 
promising    ['promisir]]    veelbelovend. 
promissory    ['pr^missri]    belovend; 

—  note,  promesse. 
promontory    ['prDmantri]    voorge- 

bergte  o. 
promote    [prs'mout]    bevorderen;    op- 

richten    [maatschappij] . 
promotion    [pra'moujan]    bevorde- 

ring. 
prompt    [prompt]    vaardig,    vlug, 

prompt;     contant;     vt     voorzeggen, 

souffleren;    ingeven.    inblazen;    aan- 

sporen,    (aan)drijven. 
prompter   ['prompts]   souffleur;  voor- 

zegger. 
promptitude   ['promptitjuid]   snelheid, 

vaardigheid,  speed;  stiptheid. 
promulgate  ['promalgeit]  afkondigen, 

uitvaardigen;   verkondigen. 
promulgation    [promsTgeiJan]    afkon- 

diging,  uitvaardiging;  verkondiging. 
prone    [proun]    gebogen,   vooroverlig- 

gend;    '-'    to,    geneigd    tot;    aanleg 

hebbend   voor. 
prong    [prDi]]     (hooi)vork;    tand    van 

een  vork. 
pronoun    ['prounaun]   voornaam- 

woord   o. 
pronounce    [prs'nauns]    uitspreken; 

uitspraak   doen,    verklaren    (dat). 
pronouncement    [pra'naunsmsnt]    uit- 
spraak,  verklaring. 
pronunciation    [pranAnsi'eiJgn]    uit- 
spraak. 
proof  [pru:f]  bewijs  o,  blijk  o\  proef, 

drukproef;     sterktegraad     [alcohol]; 

/'«    —    of,   ten   bewijze  van;   aj   be- 

proefd,    bestand. 
prop    [prop]    stut,    steun;   steunpilaar, 

schoor;   vt   stutten,  steunen. 
propaganda   [propa'geenda]   propa- 
ganda. 
propagate  ['prDpsgeit]    (zich)   voort- 


propagation 


217 


protestant 


planten,   verbreiden,   verspreiden. 
propagation  [prDps'geiJsn]  voortplan- 

ting,    verbreiding,    verspreiding. 
propel  Lpra'pel]   (voort)drijven,  voort- 

stuwen,  voortbewegen. 
propeller    [pra'peb]    voortdrijver; 

schroef. 
propensity    [prs'pensiti]    neiging. 
proper  ['props]  eigen;  eigenlijk,  echt, 

rechtmatig;  geschikt,   behoorlijk, 

juist,    gepast;    fatsoenlijk;    aangewe- 

zen. 
property  E'propati]  eigenschap;  eigen- 

dom    0,   bezit    o,    bezittingen,    land- 

goed    o\    properties,    rekwisieten;    a 

man    of    — ,    een   grondbezitter. 
prophecy    ['prsfisi]    voorspelling. 
prophesy    ['prsfisai]    voorspellen. 
prophet   ['profit]    profeet. 
prophetic    [pra'fetik]    profetisch. 
propitious    [pra'pijas]    genadig;   gun- 

stig. 
proportion    [prs'poijsn]    evenredig- 

heid,   verhouding;   deel   o. 
proportional  [prs'poijanal]  evenredig, 

geevenredigd    (aan,  to). 
proposal    [prs'pouzl]     voorstel    o\ 

aanzoek  o. 
propose  [pra'pouz]  voorstellen;  opge- 

ven    [raadsel];   een   dronk   instellen 

op;  zich  voorstellen,  van  plan  zijn; 

'^  to  a  girl,  een  meisje  ten  huwe- 

lijk  vragen. 
proposition    [propa'zijan]    voorstel   o\ 

stelling,  probleem  o;  zaak,  zaakje  o. 
proprietor    [pra'praista]    eigenaar, 

(grond)bezitter. 
proprietress    [prs'praiatris]    eigenares. 
propriety    [pra'praiati]    gepastheid; 

iuistheid;   behoorlijkheid,   fatsoen  o. 
propulsion  [pra'pAlJan]  voortdrijving, 

voortstuwing,   stuwkracht. 
propulsive  [pra'pAlsiv]  voortdrijvend, 

stuw-. 
prorogation    [proura'geijan]    verda- 

ging,  sluiting. 
prorogue    [pra'roug]    verdagen,   slui- 

ten. 
prosaic(al)    [prou'zeiik(l)]  prozaisch. 


proscription    [pras'kripjan]   vogelvrij- 

verklaring,    uit-,   verbanning. 
prose    [prouz]    proza   o. 
prosecute   ['prasikjuit]  vervolgen. 
prosecution  [prosi'kjuijan]    (gerechte- 

lijke)    vervolging;  voortzetting;   uit- 

oefening   [v.  beroep];  the   ~,  ook: 

de  eiser;  counsel  jar  the  ■ — ',   (amb- 

tenaar  van)    het  Openbaar  Ministe- 

rie. 
prosecutor    ['prosikjuita]   vervolger, 

eiser;  the  public  — ,  de  Off  icier  van 

Justitie. 
proselyte   ['prosilait]    proseliet. 
prospect    ['prDspekt]    uitzicht    o,    ver- 

schiet  o;  vooruitzicht  o. 
prospective   [pras'pektiv]   te  verwach- 

ten,  aanstaand,  toekomstig. 
prospectus   [prss'pektas]   prospectus  a 

Si  m. 
prosper    ['prospa]    voorspoed   hebben; 

gedijen,  bloeien. 
prosperity  [pras'periti]  voorspoed, 

welvaart,   bloei. 
prosperous    ['prasparas]    voorspoedig, 

welvarend,  bloeiend;  gelukkig;  gun- 

stig. 
prostrate    E'prastrit]     uitgestrekt,    ne- 

dergeworpen,    (terneer)liggend,  ver- 

ootmoedigd,  uitgeput;   [pras'treit]  vt 

ter   aarde   werpen,   nederwerpen,   in 

het   stof   doen   buigen;    vernietigen; 

uitputten. 
prostration   [pras'treijan]    knieval, 

voetval;    nederwerping,    diepe    ver- 

nedering;   verslagenheid;   uitputting. 
protect    [pra'tekt]    beschermen,   be- 

schutten,  vrijwaren. 
protection    [pra'tekjan]    bescherming. 
protective    [pra'tektiv]    beschermend. 
protector  [pra'tekta]   beschermer. 
protectorate    [pra'tektarit]    protecto- 

raat  o. 
protest    [  proutest]    protest    o;     [pra- 

'test]    vt    (plechtig)    verklaren,    be- 

tuigen;  vi  protesteren. 
Protestant    ['pratistant]    protestant (s). 
protestant    ['pratistant]    proteste- 

rend(e). 


protestation 


218 


publicize 


protestation     [prDtis'teiJan]     (plechti- 

ge)    verklaring,    betuiging,    verzeke- 

ring;   protest  o. 
protocol   ['proutak^l]   protocol  o. 
protract  [pra'traskt]  verlengen,  rek- 

ken;    ^~^ed,   ook:   langdurig. 
protraction    [prs'trcekjsn]   verlenging; 

getalm   o. 
protrude    [pra'trurd]    (voor)uitsteken. 
protuberance    [prs'tjujbarans]   uitwas, 

knobbel. 
protuberant  [pra'tjuibsrsnt]  uitste- 

kend,    uitpuilend,    gezwollen. 
proud  [praud]   fier,  trots;  prachtig. 
prove  [pru;v]   bewijzen;  de  proef  ne- 

men   op;    blijken    (te   zijn). 
provender   E'prDvinda]   voer  o. 
proverb   E'prDvab]   spreekwoord  o. 
proverbial    [prs'vaibial]    spreekwoor- 

delijk. 
provide    [prs'vaid]    zorgen   voor,    be- 

zorgen,  verschaffen;  voorzien    (van, 

with,   of) ;    voorschrijven,     bepalen; 

—  against,   (zijn  voorzorgs)maatre- 

gelen   nemen  tegen,  zorgen  voor. 
provided    [pra'vaidid]    '~    {that), 

mits. 
providence  C'prDvidans]  voorzorg;  zui- 

nigheid;  Vrovidence,  de  Voorzienig- 

heid. 
provident    ['prDvidant]    voor(uit)- 

ziend,   voorzienig;    zuinig. 
provider    [prs'vaida]    verzorger;    ver- 

schaffer;   leverancier. 
providing    [prs'vaidir)]    —    {that), 

mits. 
province    ['pnvins]     (win)gewest    o; 

provincie;   gebied   o. 
provincial    [prs'vinjsl]    provinciaal. 
provision    [pr3'vi33n]    voorziening; 

voorzorg  ( smaatregel ) ;      (wets)bepa- 

ling;    proviand,    voorraad;    provisie; 

vt   provianderen. 
provisional    [pra'vissnal]    voorlopig. 
proviso    [prs'vaizou]    beding  o;  voor- 

waarde,   clausule. 
provocation   [prDvs'keiJsn]    tarting; 

provocatie;    aanleiding. 
provocative    [prs'vokstiv]    prikkelend; 


provocerend;    be    —    oj,    uitlokken, 

(op)wekken. 
provoke  [pra'vouk]    (op)wekken,  uit- 
lokken;    prikkelen,     tergen,    tarten; 

provoceren. 
provoking    [prs'voukir)]    tergend,   tar- 
tend,   prikkelend,   ergerlijk;   lam, 

akelig,  vervelend. 
prow   [prau]    (voor)  Steven. 
prowl    [praul]    rondsluipen. 
prox.   [pnks]   aanstaand(e),  a.s. 
proximate  ['proksimit]   naast(bij- 

zijnd). 
proximity   [pnk'simiti]    nabijheid. 
proxy   ['praksi]   volmacht;  gevolmach- 

tigde,  procuratiehouder. 
prude   [pru:d]    preuts   iemand. 
prudence   ['pruidsns]   voorzichtigheid, 

omzichtigheid,   beleid   o. 
prudent    ['pru:d3nt]    voorzichtig,   om- 

zichtig;   beleidvol,   verstandig. 
prudential  [pru'denjal]  wijs,  voor- 
zichtig. 
prudery  ['pruidsri]  preutsheid. 
prudish    ['pruidij]    preuts. 
prune    [pru:n]    pruimedant;   vt  snoei- 

en. 
Prussia  ['prAja]   Pruisen  o. 
Prussian  ['prAjan]  Pruis;  a]  Pruisisch. 
pry    [prai]    giuren,   turen,   snuffelen. 
psalm   [sa:m]   psalm. 
pseudonym   ['sjuidanim]    pseudo- 

niem  o. 
pseudonymous    [sju'donimss]    pseudo- 

niem. 
psychic   ['saikik]   psychisch,  ziel-. 
P.  T.  O.    =    please   turn    over,    zie 

ommezijde,   z.o.z. 
pub    [pAb]    herberg,   kroeg. 
public    E'pAblik]    publiek   o;   a]   alge- 

meen,  openbaar,  publiek;   '—  house, 

herberg,  kroeg. 
publican    E'pAblikan]    herbergier. 
publication    [pAbli'keiJan]    openbaar- 

making,  afkondiging,  bekendmaking; 

publikatie,  uitgave. 
publicity   [pAb'lisiti]    openbaarheid, 

publiciteit,  reclame. 
publicize  ['pAblisaiz]  openbaarheid  ge- 


public  school  219 


punt 


ven  aan,  reclame  maken  voor. 

public  school  ['pAhliksku:]]  (particu- 
liere)  opleidingsschool  voor  de  aca- 
demic [in  Engeland];  openbare 
school    [in  Amerika  en  elders]. 

publish    ['pAbliJ]    openbaar   maken, 
bekendmaken;    uitgeven    [boek]. 

publisher    ['pAbliJa]    uitgever. 

puck   [pAk]   kabouter;  rakkertje  o. 

pucker    ['pAks]    kreuken,   rimpelen, 
plooien,  (zich)  fronsen  (ook  • — ■  tip). 

pudding    ['pudig]    pudding;    beuling. 

puddle    ['pAdl]    (modder)pias. 

puerile    ['pjusraii]    kinderachtig. 

puerility   [pjua'riliti]    kinderachtig- 
heid. 

puff  [pAf]  windstootje  o,  2uchtje  o, 
wolkje  o\  trekje  o  [aan  pijp]; 
poeierdons;  pof  [aan  japon];  soes; 
reclame;  vi  opzwellen;  blazen,  hij- 
gen,  puffen;  vt  op-,  uitblazen;  re- 
clame  maken   voor. 

puffy    ['pAfi]    puffend;   opgeblazen; 
gezwollen,  bombastisch. 

pug    [pAg]    mopshond. 

pugilist   ['pju:d3ilist]   bokser. 

pugilistic    [pju:d3i'listik]    vuistvech- 
ters-;   boks-. 

pugnacious    [pAg'neiJas]    strijdlustig. 

pugnacity    [pAg'naesiti]    strijdlust. 

pug-nose   ['pAgnouz]   mopsneus. 

pull  [pul]  ruk;  trekken  o\  trek;  roei- 
tocht;  teug;  //  is  a  hard  —^ ,  het  is 
zwaar  roeien;  het  is  een  hele  toer; 
vt  rukken,  trekken  (aan);  roeien; 
• — ■  d  o  w  n,  neertrekken,  omverha- 
len,  neerhalen;  —  off,  aftrekken, 
uittrekken,  afzetten;  —  it  off,  het 
winnen;  het  klaarspelen; 
through,  er  bovenop  komen  (of 
helpen) ;  —  together,  een  lijn 
trekken,  samenwerken;  weer  op- 
knappen  [een  zieke];  ■ —  oneself  to- 
gether, zich  vermannen;  —  up,  stil- 
houden,  blijven  staan;  optrekken; 
uittrekken;  bijtrekken  [een  stoel]; 
—  a  person  up,  iem.  tot  staan 
brengen,    tegenhouden, 

pulley    ['puli]    katrol. 


pulmonary    ['pAlmsnari]    long-. 
pulp     [pAlp]    weke    massa;    merg    o\ 

viees  o  [v.  vruchten],  moes  o,  pulp. 
pulpit   ['pulpit]   kansel,  spreekgestoel- 

te  0. 
pulsate  [pAl'seit]  kloppen  [v.  hart], 
pulsation  [pAl'seiJan]  slaan  o,  (hart)- 

slag. 
pulse    [pAls]    pols,   polsslag;   peul- 

vruchten;   vt  kloppen,   slaan. 
pulverize    ['pAlvaraiz]    fijnstampen, 

fijnwrijven;    doen   verstuiven;   fig 

vermorzelen. 
pumice  ['pAmis]  puimsteen  o  Si  m. 
pummel    ['pAml]    beuken,   slaan. 
pump    [pAmp]    pomp;    lak-,   dans-, 

gj'mnastiekschoen;    vt    (uit)pompen; 

fig  uithoren. 
pumpkin    ['pAm(p)kin]    pompoen. 
pun    [pAo]    woordspeling;    vi   vi'oord- 

spelingen  maken    (op,   o«). 
punch    [pAnJ]    pons,    doorslag;    stoot, 

stomp,      por;      durf,      fut;      punch 

[drank];     hansworst;     Punch     and 

Judy,  Jan  Klaassen  en  Katrijn;  pop- 

penkast;     vt     pbnsen,     (door)  slaan, 

knippen  [met  een  gaatje] ;  stompen. 
punctilious     [pArjk'tiliss]    overdreven 

nauwgezet,   stipt. 
punctual  ['pAijktjual]   stipt   (op  tijd); 

precies,   nauwgezet,   punctueel. 
punctuality    [pAijktju'asIiti]    stiptheid, 

nauwgezetheid,  punctualiteit. 
punctuate  ['pAfjktjueit]  interpungeren. 
punctuation    [pAgktju'eiJsn]    punctua- 

tie;   —   mark,  leesteken  o. 
puncture     ['pAijktJa]    prik,    gaatje    o, 

lek  o  [in  fietsband];  vt  (door)prik- 

ken;  a  '—'d  tire,  een  lekke  band. 
pungency   ['pAndsansi]    scherpheid. 
pungent  ['pAndsant]   scherp,  bijtend. 
punish    ['pAniJ]     (af)straffen,    kastij- 

den;   flink  aanspreken    [de  fles  &]. 
punishable   ['pAniJsbi]    strafbaar. 
punishment   ['pAniJmant]    straf,  af- 

straffing. 
punitive   ['pjumitiv]   straffend,  straf-. 
punt    [pAnt]    platboomde   rivierschuit; 

vt  voortbomen. 


puny 


220 


put 


puny    ['pju:ni]    klein,   zwak. 

pup    [pAp]    zie  puppy. 

pupa    ['pjuipa]    pop    [v.    insekt]. 

pupil    ['pju:pil]    oogappel;    leerling; 
pupil;    — -teacher,    kwekeling. 

puppet   E'pApit]   marionet. 

puppet-show    ['pApitJou]    poppenkast. 

puppy  ['pApi]  jonge  bond;  fig  aap, 
kwast,   kw'ibus. 

purblind  ['p3:blaind]  bijziend;  kort- 
zichtig. 

purchase  ['paitjss]  aankoop,  (in)- 
koop;  verwerving;  aangrijpingspunt 
o;    hefkracht;    spil;    vt    (aan)kopen. 

pure    [pjus]    zuiver,    rein;    louter. 

pure-bred    ['pjuabred]    rasecht,    ras-. 

purgation  [pa/geijan]  zuivering. 

purgatory    ['psigatari]    vagevuur  o. 

purge    [p3:d3]    zuivering;    purgeer- 
middel    o;    vt   zuiveren,    reinigen. 

purification    [pjusrifi'keijan]   zuive- 
ring,  reiniging,   loutering. 

purify  ['pjuarifai]  zuiveren,  reinigen, 
louteren. 

Puritan   ['pjusritsn]    puritein(s). 

purity    ['pjusriti]    zuiverheid,  rein- 
heid. 

purl    [p3:I]    kabbelen. 

purloin   [p3:'bin]    kapen,   stelen. 

purple  ['p3;pl]  purper  (oj;  purpe- 
ren. 

purport  ['p3:p3t]  inhoud;  zin,  bete- 
kenis,  strekking;  bedoeling;  [ps:- 
'pD:t]  vt  voorgeven,  beweren;  te 
kennen  geven,  inhouden,  behelzen; 
van  plan  zijn. 

purpose  ['p3:p3s]  doeleinde  o,  doel  o, 
Gogmerk  o\  bedoeling;  vastberaden- 
heid;  for  all  practical  — s,  feite- 
lijk;  0  n  — ,  met  opzet;  t  o  the  — , 
ter  zake  (dienend);  to  good  '—,  met 
succes;  to  no  — ,  zonder  resultaat, 
tevergeefs;  ft  zich  voornemen,  van 
plan    zijn. 

purposeful  ['p3:p3sful]   doelbewust. 

purposely    ['p3:p3sli]    met    opzet. 

purr  [ps:]  snorren,  spinnen  [v.  kat- 
ten]. 

purse  [p3:s]  beurs,  portemonnaie;  bui- 


del;  premie;  vt  samentrekken,  fron- 

sen    (ook   ■—    up). 
purser    ['p3:s3]    administrateur    [aan 

boord]. 
purslane   ['p3:slin]    postelein. 
pursuance  [p3'sju;3ns]  nastreven  o  [v. 

plan];    voortzetting;    uitvoering;    in 

—  of,  ingevolge. 

pursuant  [pa'sjuisnt]  —  to,  overeen- 
komstig,    ingevolge. 

pursue  [pa'sju:]  achtervolgen,  vervol- 
gen,  voortzetten;  najagen;  volgen 
[weg,   zekere  politiek]. 

pursuit  [p3'sju;t]  achtervolging,  ver- 
volging,  najaging;  streven  o  (naar, 
of);  ■ — s,  bezigheden;  in  ■ —  of,  ver- 
volgend,    uit   op. 

purulent    ['pjuarubnt]   etter(acht)ig. 

purvey    [ps/vei]    verschaffen,   leveren. 

purveyance  [p3:'vei3ns]  verschaffing; 
leverantie. 

purveyor  [psi'veis]  verschaffer,  leve- 
rancier. 

push  [puj]  stoot,  duw;  drang;  stuw- 
kracht;  energie;  at  a  — ,  ineens; 
when  it  came  to  the  — ,  toen  het  er 
op  aankwam;  vt  stoten,  duwen, 
dringen;  drijven  (tot,  to);  schui- 
ven;  pousseren  [een  artikel] ;  ■ — ■ 
one' s  way,  zich  een  weg  banen;  ■ — • 
o  n,  voortduwen;  pousseren,  voort- 
helpen;  aanzetten  (tot,  to);  voort- 
rijden,  doormarcheren,  verder  roei- 
en;  --^  t  h  r  o  u  g  h,  doorzetten, 
doordrijven,  klaarspelen. 

pushing  ['pujir]]  ondernemend,  voort- 
varend,  energiek. 

pusillanimous  [pju:si'lasnim3s]  klein- 
moedig. 

puss  [pus]  kat,  poes;  —  in  hoots, 
de   gelaarsde   kat. 

pussy   ['pusi]   poesje  o;   katje  o. 

pustule  ['pAstjuil]  puistje  o,  blaartje 
o. 

put  [put]  zetten,  stellen,  plaatsen, 
leggen;  steken;  doen;  fig  uitdruk- 
ken,  zeggen;  [een  zaak]  voorstellen; 

—  down,    ook:    opschrijven,    op- 
tekenen;    ~-   /'/  down   to   his   nerv- 


putrefaction 


221 


quarrel 


ousness,  toeschrijven  aan;  —  ;'  «  an 
appearance,  zich  (even)  vertonen; 
—  in  a  word,  een  woordje  mee- 
spreken,  ook  een  duit  in  't  zakje 
doen;  —  in  a  word  for  one,  een 
goed  woordje  voor  iemand  doen; 
'~-'  /'/  i  71 1  o  Dutch,  zeg  (vertaal) 
het  in  het  Hollands;  '~  ojj,  uit- 
stellen;  van  wal  steken;  ■ — '  one  ojj 
with  talk  ijair  words),  met  mooie 
praatjes  afschepen;  —  o  n  jlesh, 
dikker  worden;  —  on  to...,  (telefo- 
nisch)  verbinden  met...;  be  ■ —  out, 
van  zijn  stuk  gebracht  of  boos  zijn; 
blijven  steken;  will  you  ■ — •  tne 
through  to...?,  wilt  u  mij  (te- 
lefonisch)  aansluiten  met...  ?;  he  was 
hard  {sorely,  sadly)  —  to  it,  hij 
had  het  hard  te  verantwoorden;  — 
up,  onder  dak  brengen,  logeren; 
vooruit  afspreken;  —  up  with,  be- 
rusten  in,  verdragen;  V.T.  &  V.D. 
van  put. 
putrefaction  [pjuitri'faekjan]  (ver)- 
rotting,  rotheid. 


putrefy  ['pju;trifai]  (doen)  verrotten, 
rotten. 

putrid    ['pju:trid]    rottend;    (ver)rot, 
bedorven. 

putridity  [pju:'triditi]  verrotting,  rot- 
heid. 

puttee    E'pAti]    beenwindsel   o. 

putty    L'pAti]    stopverf. 

put-up  E'put'Ap]  a  —  job,  een  door- 
gestoken  kaart. 

puzzle  E'pAzl]  verlegenheid;  raadsel 
o;  puzzel;  vt  verlegen  maken,  ver- 
warren,  verbijsteren;  ■ — •  {oneselj, 
one's  brains),  piekeren,  zich  het 
hoofd  breken;  be  ■ — d  about  (at, 
over),  niet  weten  hoe  men  het  heeft, 
er  niets  op  weten,  voor  een  raadsel 
staan. 

pygmean    [pig'miisn]    dwergachtig. 

pygmy  ['pigmi]  pygmee,  dwerg. 

pyjamas    [ps'dsaimaz]    pyjama. 

pyramid   ['pirsmid]   piramide. 

Pyrenean   [pira'niisn]    Pyrenees. 

Pyrenees    [pira'niiz]    Pyreneeen. 


Q 


q   [kju:]    (de  letter)    q. 

quack    [kwjek]    kwakzalver;    vi   kwa- 

ken. 
quackery   ['kwasksri]    kwakzalverij. 
quadrangle    [kw^'draeggl]    vierkant   o, 

vierhoek;    binnenplaats. 
quadratic   [kws'drjetik]    vierkant, 

vierkants-. 
quadrille    [k(w)3'dril]    quadrille. 
quadruped    ['kwadruped]    viervoetig 

dier   o. 
quadruple    ['kwodrupl]    viervoudig. 
quagmire   ['kwasgmaia]   moeras  o. 
quail    [kweil]    kwartel;    vi   de   moed 

verliezen,  bang  worden,  versagen. 
quaint   [kweint]   vreemd,  eigenaardig, 

zonderling,   bijzonder,   ouderwets. 
quake    [kweik]    beven,    sidderen,    tril- 

len,  schudden. 


Quaker    ['krweika]    kwaker. 
qualification    [kwDlifi'keiJan]     be- 

voegdheid;  geschiktheid,  eigenschap; 

kwalificatie,  nadere  aanduiding;  be- 

perking,  wijziging. 
qualified   ['kwDlifaid]   gerechtigd,  ge- 

diplomeerd,  bevoegd,  geschikt. 
qualify   ['kwolifai]   bevoegd,  bekwaam 

maken;  kwalificeren,  betitelen;  bepa- 

len;  wijzigen;  matigen;  zich  bekwa- 

men,   examen   doen. 
quality    ['kwoliti]    kwaliteit,    (goede) 

hoedanigheid;  eigenschap. 
quandary    ['kwondsri]    verlegenheid. 
quantity    ['kwontiti]    kwantiteit,    hoe- 

veelheid;  menigte. 
quarantine   ['kwDrantiin]   quarantaine. 
quarrel    ['kwDral]    ruzie,   twist;    vi 

krakelen,  twisten. 


quarrelsome 


222 


quite 


quarrelsome  ['kwsralsam]  twistziek. 

quarry  ['kuori]  wild  o,  prooi;  steen- 
groeve. 

quarter  ['kwDits]  vierde  (deal)  o, 
kwart  o\  kwartier  o\  buurt,  (stadsj- 
wijk;  kwartaal  o\  28  Eng.  ponden 
[2.908  hi];  no  — /,  geen  genade!; 
my  — s,  mijn  kwartier  o,  mijn  ver- 
blijf  o,  mijn  kamer;  at  close  — s, 
(van)  dichtbij;  come  to  close  — s, 
handgemeen  worden;  jrom  a  good 
— ,  uit  goede  bron;  jrovi  all  '—'S, 
van  alle  kanten;  in  certain  ■ — s,  in 
zekere  kringen;  vt  in  vieren  (ver)- 
delen;   vierendelen;   inlrwartieren. 

quarter-day    ['kwD'.tsdei]    betaaldag. 

quarter-deck  ['kwDitsdek]  achterdek  o. 

quarterly  ['kwDitsli]  driemaandelijks 
tijdschrift  o\  a]  driemaandelijks, 
kwartaal-. 

quash  [kwDj]  onderdrukken  [opstand]; 
vernietigen  [vonnis]. 

quaver    ['kweivs]    trillen. 

quay    [ki:]    kaai,  kade. 

queasy  ['kwi:zi]  misselijk;  kieskeurig; 
walglijk. 

queen  [kwi;n]  koningin;  vrouw  [in 
't  kaartspel]. 

queer  ['kwia]  wonderlijk,  zonderling, 
vreemd,   gek,    raar;    onlekker. 

quell  [kwel]  onderdrukken,  bedwin- 
gen,  dempen. 

quench   [kwenj]    blussen,  uitdoven, 
dempen,   lessen;   afkoelen. 

query  ['kwisri]  vraag;  vraagteken  o; 
vt  vragen;  in  twijfel  trekken. 

quest  [kwest]  onderzoek  o,  onderzoe- 
king;  nasporing;  in  —  of,  zoeken- 
de  naar. 

question  ['kwestjsn]  vraag,  kwestie; 
interpellatie;  pijnbank;  no  ■ — ■  about 
it,  er  is  geen  twijfel  aan;  beyond 
— ,  zonder  twijfel,  buiten  kijf; 
thafs  out  of  the  '--,  daar  is  geen 
sprake  van;  without  — ,  zon- 
der de  minste  bedenking;  ongetwij- 
feld,  onbetwistbaar;  vt  vragen,  on- 
dervragen;    betwijfelen. 

questionable    ['kwestjsnsbl]    twijfel- 


achtig;  verdacht;  bedenkelijk. 

questioner  ['kwestjana]  vrager;  inter- 
pellant;    ondervrager,    examinator. 

question-mark    ['kwestjanmaik] 
vraagteken   o. 

queue  [kju:]  queue,  file,  rij;  vi  in 
de  rij  staan;  —  up,  in  de  rij  gaan 
staan. 

quibble  ['kwibl]  spitsvondigheid,  chi- 
cane;  vi  chicaneren. 

quick  [kwik]  levendig,  vlug,  scherp, 
snel;  levend;  —  march!,  voorwaarts 
mars!;  —  march  {step,  time),  ge- 
wone  pas;  be  ■ — I,  vlug  wat!,  haast 
je!;  to  the  — ,  tot  op  het  leven; 
tot  in  de  ziel. 

quicken  ['kwikn]  verlevendigen;  aan- 
moedigen,   verhaasten. 

quicklime   ['kwiklaim]    ongebluste 
kalk. 

quicksand(s)    ['kvt'iksaend(z)]    drijf- 
zand   0. 

quicksilver  ['kwiksilva]  kwik(zilver) 
o. 

quick-tempered   ['kwik'tempsd]    op- 
vliegend. 

quick-witted  ['kwik'witid]  vlug  (van 
begrip),  gevat. 

quid  [kwid]  pruim  (tabak);  pond  o 
sterling. 

quiet  E'kwaist]  rust,  stilte,  vrede, 
kalmte;  aj  rustig,  stil,  vreedzaam, 
mak;  stemmig  [japon];  on  the  — , 
stilletjes;  vt  kalmeren,  stillen;  be- 
daren. 

quietness    ['kwaistnis] ,  quietude 
['kwai3tju:d]    rust,    stilte. 

quill  [kwil]  schacht;   (ganze)pen. 

quilt  [kwilt]  gewatteerde  of  gestikte 
deken;  vt  stikken,  watteren. 

quince    [krw'ins]    Ivwee(peer). 

quinine    [kwi'ni:n]    kinine. 

quip    [kwip]    schimpscheut;    geestig- 
heid;   spitsvondigheid. 

quire  ['kwais]  boek  o  [24  vel  pa- 
pier]. 

quit  [kwit]  vrij;  —  of  it,  er  van  af; 
vi  weggaan. 

quite  [kwait]  geheel  en  al,  heel;  hele- 


quits 


223 


rail 


maal,  volkomen;   zeer;   bepaald;   ~' 

(so),    precies,    juist. 
quits    [kwits]   quitte. 
quiver  ['kwiva]   pijlkoker;   trilling;  vi 

trillen,    beven,    sidderen. 
quiz     [kwiz]     snaak;    aardigheid;    en- 

quete,   vraag;    vt  voor   de  gek  hou- 

den;   begluren;   ondervragen. 
quizzical    ['kwizikl]    spottend;   guitig. 
quondam    ['kwDndsem]    voormalig. 


quota  ['kwouta]    (aan)deel  o;  contin- 
gent o. 

quotation    [kwou'teijan]    aanhaling, 
citaat   o;   prijs,   koers,   notering;    — 
marks,  aanhalingstekens. 

quote   [kwout]    aanhalen,  citeren;  op- 
geven,   noteren    [prijzen], 

quoth  [kwouO]   zei  (ik,  hij  of  zij). 

quotient   ['kwoujant]   quotient  o. 


R 


r   [a:]    (de  letter)    r. 

rabbet    ['rsebit]    sponning. 

rabbi    E'rsbai],  rabbin    ['r£ebin]    rab- 

bijn. 
rabbit    ['rsebit]    konijn  o. 
rabble    ['rsbl]   grauw  o,  gepeupel   o. 
rabid    ['rjebid]    del;   razend,  woest. 
rabies    ['reibii:z]    hondsdolheid. 
race    [reis]    wedloop,    wedren,    wed- 

strijd;    loop;    loopbaan;    ras    o,    ge- 

slacht  o;   vi  rennen. 
race-course    ['reisk3:s]    renbaan. 
race-horse    ['reishD:s]    renpaard  o. 
rachitis   [rae'kaitis]   Engelse  ziekte. 
racial    ['reijal]    rassen-,   ras-. 
rack    [r£ek]    pijnbank;    rek    o,    rak    o, 

rooster;      heugel,      tandreep;      ruif; 

zwerk   o    [v.   wolken];   vt  spannen; 

fig  folteren;   uitmergelen;    —    one's 

brains  about,  zich  het  hoofd  breken 

over. 
racket   ['raskit]   raket  o  &  v\  leven  o, 

kabaal  o,  herrie;  stand  the  ■ — ',  het 

kunnen  uithouden;    (het  gelag)    be- 

talen. 
rack-railway  ['riEkreilwei]   tandrad- 

spoor  0. 
racy   ['reisi]    (ras)echt;  krachtig,  geu- 

rig  [v.  wijn];  sappig,  pittig,  fris. 
radar    ['reida:]    radar. 
radiance   ['reidigns]    (uit)straling, 

glans. 
radiant    ['reidisnt]    stralend    (van, 

with). 


radiate   ['reidieit]    (af-,  uit)stralen. 

radiation  [reidi'eijan]  (af-,  uit-,  be)- 
straling. 

radical  ['rjedikl]  grondwoord  o;  wor- 
tel  [uit  getal];  aj  radicaal,  gron- 
dig;  ingeworteld;  grond-;  wortel-. 

radio   ['reidiou]   radio. 

radish  ['raedij]  radijs;  black  — ,  ram- 
menas. 

radium    ['reidiam]    radium    o. 

radius  ['reidiss]  straal;  ■~  oj  action, 
actieradius,    vliegbereik    o. 

raft    [ra:ft]     (hout)vlot   o. 

rafter    ['raifta]    (dak) spar. 

rag  [rseg]  vod  o  &  v,  lomp;  lap,  lapje 
o;  lor  o  &  v;  dock,  zeil  o\  (stu- 
denten)jool;  in  — s,  in  lompen  ge- 
huld;  aan  flarden;  vt  pesten;  er 
tussen   nemen;   vi  keet   maken. 

ragamuffin    ['rsegsmAfin]    schooier. 

rage    [reids]    woede,    razernij;    rage, 
manie;  vi  woeden,  razen. 

ragged  ['rsgid]   voddig,  gescheurd, 
haveloos;  ruw,  ongelijk,  getand. 

rag-picker    ['rasgpiks]   voddenraper. 

raid  [reid]  (vijandelijke)  inval,  aan- 
val;  (roof)tocht,  klopjacht;  vt  een 
inval  (aanval)  doen,  een  razzia  hou- 
den;  plunderen. 

rail  [reil]  leaning,  rasterwerk  o,  hek 
o\  slagboom;  rail,  (spoor)  staaf; 
■ — -(j),  reling;  by  — ,  met  het  (per) 
spoor;  vt  omrasteren;  vi  schelden, 
schimpen,    smalen. 


railing 


224 


rape 


railing  ['reilirj]  reling,  leuning;  ras 
tering,  staketsel  o,  hek  o   (ook  ^ — s) . 

railroad    ['reilroudj    spoorweg. 

railway    ['reilwei]    spoorw'eg. 

railway-porter  ['reilweipDita]  stations- 
kruier. 

raiment    ['reimant]    kleding,   kleed   o. 

rain  [rein]  regen;  —  or  shine,  mooi 
weer  of  niet;  vi  regenen;  vt  doen 
(laten)   regenen. 

rainbow    ['reinbou]    regenboog. 

rainy   ['reini]    regenachtig,  regen-. 

raise  [reiz]  doen  rijzen,  doen  opstaan; 
ophalen;  opslaan  [de  ogen];  optil- 
len;  (op)bouwen,  verbouwen,  fok- 
ken,  kweken;  verhogen  [ook  v. 
loon],  oprichten,  opwekken;  verhef- 
fen  [stem];  opwerpen,  ter  sprake 
brengen,  maken  [bezwaren];  wer- 
ven;  opbreken  [beleg];  opheffen 
[verbod];  —  one's  hat  to,  zijn 
hoed  afnemen  voor;  —  a  loan,  een 
lening  uitschrijven;  —  money,  geld 
bijeenbrengen,  loskrijgen. 

raisin    ['reizn]    rozijn. 

rake  [reik]  losbol;  hark,  krabber;  vt 
harken,  rakelen,  (bijeen)schrapen; 
af-,    doorzoeken. 

rally  C'rasli]  hereniging,  verzameling; 
bijeenkomst;  (signaal  o  tot)  ,,verza- 
melen"  o;  herstel  o\  vt  &  vt  zich 
(weer)  verzamelen,  (zich)  vereni- 
gen;  zich  herstellen. 

ram  [riem]  ram;  vt  heien,  aan-,  in-, 
vaststampen;    rammen. 

ramble  C'rasmbl]  zwerftocht,  uitstap- 
je  o;  vi  rondzwerven,  (rond)dolen; 
afdwalen  [v.  onderwerp];  raaskal- 
len,  ijlen. 

rambler    ['rsembb]    zwerver;    {crim- 
son)   ■ — s,  klimrozen. 

ramification    [rsemifi'keijsn]    vertak- 
king. 

ramify    ['rsemifai]    (zich)    vertakken. 

rammer    ['rsms]    heiblok    o;    straat- 
stamper. 

rampant   ['rasmpsnt]    (dansend  en) 
springend,    uitgelaten,    dartel,   weel- 
derig   [groei];  toenemend,  heersend 


[ziekten]. 

rampart    ['rsempait]    wal,    bolwerk   o. 

ramshackle    ['raemjjekl]    bouwvallig, 
vervallen;   rammelend. 

ran   [rten]   V.T.  van  run. 

rancid    ['rsnsid]    ransig,  garstig. 

rancour  ['raerjka]  rancune,  wrok;  bear 
— ,  wrok  koesteren. 

random  ['rasndam]  at  — ,  in  't  wilde 
weg;   lukraak. 

rang   [raer]]    V.T.  van  ring. 

range  [reinds]  rij,  reeks,  (berg)keten, 
richting;  draag^'ijdte;  schietbaan; 
(keuken)fornuis  o\  bereik  o,  om- 
vang  [v.  d.  stem];  jig  gebied  o. 
terrein  o\  verscheidenheid;  a  t  short 
■ — •,  op  korte  afstand;  within  — , 
onder  schot;  vt  rangschikken,  orde- 
nen,  opstellen,  scharen;  gaan  langs; 
doorlopen;  vi  zich  uitstrekken.  rei- 
ken,  dragen  [geschut] ;  varen,  lopen 
[in  zekere  richting];  zwerven;  ■ — 
between...  and  {from...  to),  varie- 
ren  tussen;  —  with  (among),  op 
een    lijn    staan    met. 

rank  [raerjk]  rang,  graad,  rij,  gelid  o\ 
stand;  the  ■ —  and  file,  de  minde- 
ren;  fig  de  grote  hoop;  vt  (in  het 
gelid)  plaatsen;  indelen;  — 
a  m  o  n  g,  behoren  tot;  • — •  wit  h, 
dezelfde  rang  hebben  als;  op  een 
lijn  stellen  (staan)  met;  aj  weel- 
derig  [groei];  sterk  (smakend  of 
riekend);  —  nonsense,  klinkklare 
onzin. 

rankle  ['rzerjkl]  etteren;  fig  kankeren, 
knagen. 

ransack   ['rsensaek]    af-,  doorzoeken, 
doorsnuffelen;    plunderen    [stad]. 

ransom  ['rasnsam]  losgeld  o;  afkoop- 
som;  bevrijding;  vt  vrijkopen,  af-, 
loskopen;  brandschatten. 

rant   [raent]  oreren,  uitvaren. 

rap  [ri:p]  slag;  tik,  getik  o\  it  slaan, 
kloppen,   tikken    (op). 

rapacious    [ra'peijss]    roofzuchtig, 
roofgierig;    roof-. 

rapacity    [rs'pKsiti]    roofzucht. 

rape   [reip]   gewelddadige  ontvoering, 


rapid 


225 


razor-strop 


roof;    raap-,    koolzaad    o;    vt     (ge- 
welddadig)    ontvoeren,   roven. 

rapid  E'raepid]  stroomversnelling;  aj 
snel,  vlug. 

rapidity   [rs'piditi]  snelheid. 

rapine    ['rsepin]    roof. 

rapscallion    [raeps'kieljan]    schurk. 

rapt    [raspt]    opgetogen,    verrukt. 

rapture  ['rsptja]  verrukking. 

rare  [res]  dun,  ijl;  zeldzaam;  buiten- 
gewoon    (mooi). 

rarefaction    [resri'faekjan]    verdun- 
ning. 

rarefy  ['resrifai]  verdunnen,  verfijnen. 

rarely  ['reali]  zelden. 

rarity    ['resriti]    zeldzaamheid;    dun- 
heid,   ijlheid. 

rascal    ['ra:sk3l]    schelm,   schurk. 

rascally  ['raisksli]  schurkachtig,  ge- 
meen. 

rash  [raej]  (huid)uitslag;  a]  overijld, 
overhaastig;  lichtvaardig,  roekeloos, 
onbezonnen. 

rasher  ['raejs]   reepje  o,  sneetje  o 
[spek]. 

rasp  [ra:sp]  rasp;  gekras  o\  vt  ras- 
pen,    (af)schrapen,  krassen. 

raspberry    ['ra:zb3ri]    framboos. 

rat  [rset]  rat;  onderkruiper;  — si,  on- 
zin!;  smell  a  — ,  lont  ruiken. 

ratchet   ['rjetjit]    pal. 

rate  [reit]  tarief  o;  verhouding;  snel- 
heid, vaart,  tempo  o;  prijs,  koers, 
maatstaf;  klasse;  rang;  (gemeente)- 
belasting;  —  oj  exchange,  (wissel)- 
koers;  -—  oj  interest,  rentevoet;  — 
oj  pay  (wages),  loonstandaard;  a  I 
any  — ,  in  ieder  geval;  at  the  ^— 
oj,  met  een  snelheid  van;  ten  ge- 
tale  van;  tegen;  at  the  -~  oj  400 
a  week,  400  per  week;  come  (u  p)- 
o  n  the  '~j,  armlastig  worden;  vt 
aanslaan,  (be)rekenen,  taxeren,  be- 
palen;  schatten;  vi  geschat  (gere- 
kend)  worden,  de  rang  hebben  (van, 
as)\   —  at,  uitvaren  tegen. 

rate-payer   ['reitpeis]   belastingbetaler. 

rather  ['raiSs]  eer(der),  liever,  veel- 
eer;  heel  wat;  nogal,  vrij,  tamelijk; 

Eng.  Zakwrdbk.  11 


Rather!,  En  of! 
ratification   [rtetifi'keijsn]    bekrachti- 

ging. 
ratify   ['rsetifai]   bekrachtigen. 
ratio    E'reijiou]    verhouding,  reden. 
ration  ['rsejon]   rantsoen  o,  portie;  on 

(ojj)   the  ■ — ■,  op  (van,  niet  op)   de 

bon;    vt    rantsoeneren;    zijn    (hun) 

rantsoen    geven;    distribueren    [van 

overheidswege] . 
rational  ['raejsnl]  redelijk,  verstandig. 
rationing  ['r^Jsnii)]   rantsoenering; 

distributie. 
rattan    [ras'tsen]    rotan  o  &i  m    [stof- 

naam];    rotan  m    [voorwerpsnaam], 

rotting, 
rattle    ['riEtl]    ratel,   rammelaar;   gera- 

tel    o,   gerammel    o;    reutelen    o;    vi 

ratelen,  rammelen;  reutelen;  vt  doen 

rammelen  &;  rammelen  met  &;   ze- 

nuwachtig  maken. 
rattlesnake    ['rstlsneik]    ratelslang. 
rattletrap  ['rsetltreep]  rammelkast. 
rat-trap    ['rsettrsep]    ratteval. 
raucous   ['rDikss]    schor,  rauw. 
ravage  ['rsevids]  verw^oesting,  plunde- 
ring; vt  verwoesten,  teisteren,  plun- 

deren. 
rave  [reiv]  ijlen,  raaskallen;  razen  (en 

tieren). 
ravel  ['rsevl]  rafel;  vt  uit-,  ontrafelen. 
raven   ['reivn]    raaf;  aj  ravezwart. 
ravenous    ['rsvioas]    verslindend, 

vraatzuchtig,  uitgehongerd. 
ravine  [ra'virn]  ravijn  o,  gleuf,  kloof. 
ravish   ['rasvij]    (ont) roven,  wegvoe- 

ren,  meeslepen;  jig  verrukken. 
raw    [td:]    rauw,     guur;     ruw,     grof; 

groen,  onervaren;  puur  [drank];  '~ 

materials,  grondstoffen. 
ray    [rei]    rog    [vis];    straal;    vt    be-, 

uitstralen  (ook  '~  jortb) , 
rayon    ['reiDn]    rayon   o  Si.  m    [kunst- 

zijde]. 
raze  [reiz]  doorhalen,  uitwissen;  slech- 

ten,  met  de  grond  gelijkmaken. 
razor    ['reizs]    scheermes    o\    electric 

— ,   elektrisch   scheerapparaat   o. 
razor-strop    ['reizastr^p]    aanzetriem. 

1& 


re 


226 


recapitulate 


re    [ri:]    inzake... 

reach  [ri;tj]   bereik  o,  omvang,  uitge- 

strektheid;    vt   bereiken;    komen    tot 

[akkoord];  aanreiken,  overhandigen; 

toesteken,     uitstrekken    [hand];    vi 

reiken,   zich   uitstrekken. 
react  [ri'aekt]  reageren,  terugwerken. 
reaction    [ri'akjan]    reactie. 
reactionary   [ri'aekjanari]    reactionair. 
read    [ri:d]    vt  lezen    (in),   af-,   ople- 

zen;   —   out,   uitlezen;  voorlezen;  vi 

lezen;    studeren;    zich    laten    lezen; 

klinken,  luiden;  [red]  V.T.  &  V.D. 

van  read;  ook:  belezen. 
readable   ['ri:d3bl]   leesbaar. 
reader    ['ritda]    lezer;    lezeres;   lector; 

leesboek   o. 
readily   ['redili]    dadelijk,  gaarne,  ge- 

makkelijk;    sell    -~,    gerede    aftrek 

vinden. 
reading-book  ['ri:dir|buk]   leesboek  o. 
ready  ['redi]  bereid,  gereed,  klaar;  be- 

reidwillig;   vlug;    —    cash    {money), 

contant  geld   o;    —    wit,  gevatheid, 

slagvaardigheid;    the    ■ — ,   contanten, 

duiten. 
ready-made    [redi'meid],    ready-to- 
wear   ['redits'wea]   confectie-. 
real    ['rial]    wezenlijk,    werkelijk,    ei- 

genlijk,  echt;  vast   [eigendom];  the 

■ — •   article    {thing),   je  ware. 
reality    [ri'a^liti]    wezenlijkheid,    wer- 

kelijkheid. 
realization  [rislai'zeijan]  verwezenlij- 

king;   realisatie;   besef  o. 
realize     ['rislaiz]     verwezenlijken;    te 

gelde  maken;  opbrengen[v.  prijzen], 

maken    [winst] ;   beseffen. 
really   ['risli]   werkelijk,  waarlijk,  in- 

derdaad,  in  werkelijkheid,  eigenlijk; 

toch. 
realm   [relm]   koninkrijk  o,  rijk  o. 
ream    [ri:m]    riem    [papier]. 
reap    [ri:p]   maaien,    (in)oogsten. 
reaper  ['ri:p3]  maaier,  oogster;  maai- 

machine. 
reaping-hook    ['ri:pii]huk]    sikkel. 
rear   [ria]   achterhoede;   achterkant;  at 

the  —  of,  achter;  vt  oprichten,  op- 


heffen;      opbrengen;       (,op)kweken, 
fokken,  verbouwen;  vi  steigeren. 

rear-admiral  ['ria'rsdmiral]  schout- 
bij-nacht. 

rear-guard    ['riagard]    achterhoede. 

reason  ['riizn]  rede,  redelijkheid,  ver- 
stand  o;  recht  o,  billijkheid;  reden, 
oorzaak,  grond;  by  —  of,  op  grond 
van,  ten  gevolge  van,  vanwege,  we- 
gens;  //  stands  to  — ,  het  spreekt 
vanzelf;  vt  (be)redeneren,  redene- 
ren  over;  bespreken;  —  one  into 
...ing,  overreden  of  overhalen  om... 

reasonable  ['riiznabl]  redelijk,  ver- 
standig,  billijk;  matig  [prijs]. 

reassurance    [riis'Jusrsns]    nieuwe 
verzekering;  geruststelling. 

reassure  [riia'Jus]  opnieuw  verzeke- 
ren;    geruststellen. 

rebate    [ri'beit]    korting. 

rebel  ['rebl]  oproerling,  muiter;  rebel; 
aj  oproerig,  muitend,  opstandig; 
[ri'bel]  vi  muiten,  in  opstand  ko- 
men. 

rebellion  [ri'beljsn]  oproer  o,  op- 
stand. 

rebellious  [ri'beljas]  oproerig,  opstan- 
dig, rebellig,  weerspannig,  hardnek- 
kig  [zweer]. 

rebound  [ri'baund]  terugspringen,  af- 
stuiten. 

rebuff  [ri'bAf]  weigering,  afwijzing; 
vt  afwijzen. 

rebroadcast  ['ri:'bD:dka:st]  heruit- 
zending  [radio];  vt  heruitzenden; 
ook  V.T.  &  V.D.  v.  rebroadcast. 

rebuke  [ri'bju:k]  berisping;  vt  be- 
rispen. 

recalcitrance    [ri'kslsitrans]    weer- 
spannigheid. 

recalcitrant  [ri'kselsitrant]  weerspan- 
nig. 

recalcitrate  [ri'kaelsitreit]  tegenstrib- 
belen,  weerspannig  zijn,  zich  ver- 
zetten. 

recall  [ri'k3:l]  terugroepen;  herroepen, 
intrekken,  opzeggen  [kapitaal] ;  her- 
inneren  aan;   zich  herinneren. 

recapitulate  [riika'pitjuleit]  in  't  kort 


recapture 


227 


record 


herhalen,   samenvatten. 
recapture    ['ri/ksptja]    heroveren. 
recast  ['ri:'ka:st]  opnieuw  gieten,  om- 

gieten;  fig  opnieuw  bewerken,   om- 

werken   [boek  &]. 
recede   [ri'si:d]   teruggaan,  -wijken. 
receipt    [ri'si:t]    ontvangst;   kwitantie; 

regu     o;     recept     o;    be    in    —    oj, 

ontvangen   hebben;   ontvangen,   krij- 

gen,    trekken;    on    ^^    oj,    na    (bij) 

ontvangst  van;   vt  kwiteren. 
receive  [ri'si:v]  ontvangen;  opvangen; 

krijgen;  ondervinden;  opnemen;  He- 
len. 
receiver    [ri'si:v3]     ontvanger;    heler; 

curator    [v.    failliete  boedel];   klok; 

hoorn    [v.    telefoon]. 
receiving-set  [ri'si:vir)set]  ontvangtoe- 

stel  o  [radio]. 
recent    ['ri:snt]    onlangs  plaats   gehad 

hebbend,    recent;    vers,    nieuw,    fris, 

laatst. 
recently  ['riisntli]  onlangs;  in  de  laat- 

ste    tijd;    as    ~    as    1930,    in    1950 

nog. 
receptacle   [ri'septaki]    schuilplaats; 

vergaarbak;   depot   o  &   m. 
reception  [ri'sepjsn]   ontvangst,  ont- 

haal   o;   receptie. 
receptive    [ri'septiv]    ontvankelijk. 
recess    [ri'ses]    terugwijking;     inham, 

(schuil)hoek,   nis,    alkoof;    opschor- 

ting   [v.  zaken] ;  reces  o. 
recipe    ['resipi]    recept  o. 
reciprocal  [ri'siprskl]  wederzijds,  we- 

derkerig. 
reciprocate    [ri'siprakeit]    vergelden, 

beantwoorden    (met,    with),     (uit)- 

wisselen;    iets    terug    doen. 
recital   [ri'saitl]   opsomming   (der  fei- 

ten),  verhaal  o;  voordracht;  uitvoe- 

ring. 
recite  [ri'sait]  opsommen;  voordragen, 

opzeggen. 
reckless  ['reklis]  zorgeloos,  roekeloos, 

onbesuisd,    vermetel. 
reckon    ['rekn]    rekenen,   tellen;   bere- 

kenen;  achten,  houden  voor... 
reckoning  ['reknig]  rekening;  afreke- 


ning;   berekening. 
reclaim    [ri'kleim]    terugeisen;    terug- 

roepen;   bekeren;    terugwinnen; 

droogleggen,  ontginnen. 
reclamation    [rekb'meijsn]    terugvor- 

dering,  vordering,  eis;  reclame,  pro- 
test   o;    (zedelijke)    verbetering; 

drooglegging. 
recline  [ri'klain]  leunen,  laten  rusten; 

achterover   leunen,   rusten. 
recluse     [ri'klu:s]     kluizenaar;    aj    af- 

gezonderd,  eenzaam. 
recognition  [reksg'nijan]  herkenning; 

erkenning;  erkentenis. 
recognize   ['rekagnaiz]   herkennen;  er- 

kennen;    inzien. 
recoil   [ri'ksil]    terugspringen,  terug- 

deinzen;  teruglopen  [kanon]. 
recollect    [reks'lekt]    zich  herinneren. 
recollection  [reka'lekjan]  herinnering; 

to   the   best   oj   my   '-^,    voor   zover 

ik  mij   herinner. 
recommence  ['ri:k3'mens]  weer  begin- 

nen,  hervatten. 
recommend   [reka'mend]   aanbevelen, 

aanraden. 
recommendation    [reksmen'deijan] 

aanbeveling. 
recompense   ['rekampens]   beloning, 

vergelding,    vergoeding,    schadeloos- 

stelling;    vt     (be)lonen;     vergelden, 

vergoeden,  schadeloos  stellen. 
reconcile  ['rekansail]  verzoenen;  over- 

eenbrengen,    verenigen    (met,    with, 

to). 
reconcilement  ['reksnsailmant],  recon- 
ciliation    [reksnsili'eijsn]     verzoe- 

ning. 
reconnaissance    [ri'kDnissns]    verken- 

ning. 
reconnoitre   [reks'nDits]   verkennen. 
reconquer  ['ri/kogka]  heroveren,  her- 

winnen;    weer   overwinnen. 
reconstruct  ['riiksn'strAkt]  weer  (op)- 

bouwen;  reconstrueren. 
reconstruction    E'rirkan'strAkJan]    we- 

deropbouw;   reconstructie. 
record  ['rekDid]  aan-,  optekening;  ge- 

denkschrift  o,  (historisch)  document 


record  changer  228 


reduce 


o\  gedenkteken  o,  getuigenis  o  & 
v\  staat  van  dienst;  verleden  o,  straf- 
register  o\  record  o\  (grammofoon)- 
plaat;  — s ,  archief  o,  archieven;  bear 
—  oj,  getuigenis  afleggen  van;  be 
on  — ,  opgetekend  zijn,  te  boek 
staan;  [ri'ksid]  vt  aan-,  optekenen, 
aangeven,  registreren;  boekstaven, 
vermelden,  verhalen;  vastleggen;  op- 
nemen  [op  plaat];  uitbrengen  [zijn 
stem];  '—ed  music,  grammofoon- 
muziek. 

record  changer  ['rek3:dtjeind33]  pla- 
tenwisselaar. 

recorder  [ri'kstds]  griffier;  archivaris; 
registreertoestel   o\   blokfluit. 

record  library  ['rekDidlaibrari]  disco- 
theek. 

record  office   ['rekoidofis]    (rijks)- 
archief  o. 

record  player   ['rekoidpleis]   platen- 
speler. 

recoup   [ri'ku:p]    schadeloos  stellen, 
vergoeden,  goedmaken. 

recourse   [ri'kois]    toevlucht;  regres  o. 

recover  [ri'kAva]  terug-,  herkrijgen, 
terugvvdnnen;  terugvinden;  goedma- 
ken [fout];  (zich)  herstellen  [v. 
ziekte];  wear  bijkomen  [uit  bezwij- 
ming]. 

recovery  [ri'kAvari]  terugkrijgen  o  &; 
herstel  o  [v.  gezondheid];  beyond 
(past)  ~-,  onherstelbaar,  ongenees- 
lijk.  _ 

recreation    [rekri'eijan]    ont-,    uit- 
spanning. 

recruit  [ri'kru:t]  rekruut;  vt  verster- 
ken;    (aan)werven,   rekruteren. 

recruitment    [ri'kruitmsnt]    rekrute- 
ring;   versterking. 

rectangle  ['rektjerjgl]  rechthoek. 

rectangular    [rek't^erigjub]    rechthoe- 
kig. 

rectification  [rektifi'keijsn]  rectifica- 
tie,  verbetering;  hierstel  o. 

rectify  ['rektifai]  rectificeren,  verbe- 
teren,   herstellen;    zuiveren. 

rectitude   ['rektitju:d]   oprechtheid; 
rechtschapenheid;   correctheid. 


rector  ['rekta]   predikant;  pastoor   [v. 

parochie];  rector. 
rectory   ['rektari]    predikantsplaats; 

pastorie;   rectorswoning. 
recumbent  [ri'kAmbsnt]   (achterover) 

liggend;   rustend. 
recuperate    [ri'kju:p3reit]    herstellen. 
recur  [ri'ks:]  terugkeren,  terugkomen; 

zich  herhalen;  — ring  decimal,  repe- 

terende   breuk. 
recurrence   [ri'kArsns]   terugkeer,  her- 

haling. 
recurrent    [ri'kArsnt]    (periodiek)    te- 

rugkerend,  periodiek. 
red   [red]    rood. 
redden  ['redn]  rood  maken;  rood  wor- 

den,  een  kleur  krijgen,  blozen. 
reddish   ['redij]    roodachtig,  rossig. 
redeem  [ri'di:m]   loskopen;  in-,  aflos- 

sen;   verlossen;    (weer)    goedmaken, 

vervullen    [belofte]. 
redeemer    [ri'diims]      bevrijder;     the 

Redeerner,  de  Verlosser,  de  Heiland. 
redeeming  [ri'di:mir)]  verlossend;  the 

one  —  feature,  het  enige  lichtpunt. 
redemption  [ri'dem(p)j3n]  loskoping; 

verlossing;    af-,    inlossing. 
red-handed  ['red'hasndid]  in:  be  caught 

{taken)    — ,   op  heter   daad  betrapt 

worden. 
red-letter  ['redlets]  ~'  day,  bijzondere 

of  gelukkige  dag. 
redolent    ['redsbnt]    geurig;   fig   her- 

inneringen  wekkend    (aan,   of). 
redouble    [ri'dAbI]     (zich)    verdubbe- 

len,    toenemen,    aanwassen. 
redoubt    [ri'daut]    redoute. 
redoubtable  [ri'dautsbl]  geducht. 
redress   [ri'dres]  herstel  o\  vt  herstel- 
len,   verhelpen,    goedmaken. 
redskin   ['redskin]  roodhuid. 
red-tape    ['red'teip]    rood   lint   o\   fig 

bureaucratic;  aj  bureaucratisch. 
reduce  [ri'dju:s]    ( terug) brengen,  her- 

leiden;     verminderen;     fijnwrijven; 

klein    krijgen;    '~'    by    famine,    uit- 

hongeren;    ■ — ■    to    ashes,    in    de    as 

leggen;    in    — d   circumstances,   ach- 

teruitgegaan,    aan   lagerwal. 


reduction 


229 


refund 


reduction  [ri'dAkJsn]  terugbrenging; 
herleiding;  verlaging,  verkorting,  in- 
krimping,  vermindering,  afslag,  re- 
ductie. 

redundant   [ri'd.\nd3nt]   overtollig, 
overvloedig. 

reed  [ri:d]  riet(je)  o. 

reef    [ri:f]    rif    o. 

reek  [ri:k]  damp,  rook;  stank;  w  dam- 
pen, roken;   ~'   oj,  rieken  naar. 

reel  [ri:l]  haspel,  klos;  rol,  film- 
(strook);  Schotse  dans;  waggelende 
gang;  {straight)  ojf  the  — ,  zonder 
haperen;  vt  haspelen,  opwinden;  vi 
waggelen  [als  een  drookaard];  wan- 
kelen;  7ny  brain  — s,  het  duizelt  mij. 

re-elect    ['ri;i'lekt]   herkiezen. 

reeve  [ri:v]  baljuw;  wijfje  o  van  de 
kemphaan. 

refectory  [ri'fektsri]  rafter. 

refer  [ri'fo:]  ~  to,  verwijzen  naar; 
toeschrijven  aan;  in  handen  stellen 
van,  onderwerpen  aan;  zich  wenden 
tot;  raadplegen,  naslaan  [een  boek]; 
zich  beroepen  op;  betrekking  heb- 
ben  op;  zinspelen  op;  vermelden, 
noemen,  spreken  over,  't  hebben 
over. 

referee  [refa'ri:]  scheidsrechter;  refe- 
rentie    [bij    sollicitatie]. 

reference  ['refarans]  verwijzing;  zin- 
speling;  referentie;  referte;  't  raad- 
plegen, naslaan  [v.  boek] ;  opdracht; 
betrekking  (op,  to);  itz  {with)  — 
to,  met  betrekking  tot;  book  {work) 
of  — J  . — ■  book  {work),  naslagboek 
o,  -werk  o. 

referendum    [refs'rendam]    referen- 
dum  0. 

refine   [ri'fain]    raffineren,   zuiveren, 
louteren;   verfijnen;    beschaven. 

refinement   [ri'fainmant]    raffinage, 
zuivering,  loutering;  verfijning;  be- 
schaving. 

refiner    ['ri'faina]    raffinadeur. 

refinery   [ri'fainsri]    raffinaderij. 

reflect  [ri'flekt]  terugwerpen,  weer- 
kaatsen,  weerspiegelen;  bedenken; 
nadenken;    — ■    on,   overwegen;   aan- 


merking(en)    maken  op;  een  blaam 

werpen   op;    —    credit   on,    tot    eer 

strekken. 
reflection  [ri'flekjsn]  weerkaatsing,  af- 

spiegeling;    spiegelbeeld   o\   overwe- 

ging,   gedachte;  hatelijkheid;   afkeu- 

ring;    on    {better,    further)     — ,    bij 

nader  inzien. 
reflective  [ri'flektiv]  weerkaatsend; 

(na)denkend. 
reflex  ['ri;fleks]  weerkaatsing;  reflex- 

beweging,  reflex. 
reflexion,   zie  reflection. 
reflexive   [ri'fleksiv]   wederkerend. 
reflux  ['rirfUks]  eb;  a  —'  of  opinion, 

een  ommekeer   in   de  openbare  me- 

ning. 
reform    [ri'f3:m]    hervorming;    (zede- 

lijke)  verbetering;  afschaffing  [mis- 

bruiken];   vt   hervormen;    (zedelijk) 

verbeteren,  afschaffen  [misbruiken]; 

vi  zich  beteren. 
reformation   [refs'meijsn]   hervor- 
ming,  verbetering. 
reformatory   [ri'tbimstsri]   verbete- 

ringsgesticht  o;  aj  hervormend,  ver- 

beterings-. 
reformer  [ri'fDima]   hervormer. 
refract   [ri'fr^kt]   breken   [stralen]. 
refractory  [ri'fra;kt3ri]  weerspannig, 

hardnekkig;  vuurvast. 
refrain    [ri'frein]    refrein    o\    vi   zich 

bedwingen,   zich   weerhouden;    ■ — ■ 

from,  zich  onthouden  van. 
refresh    [ri'frej]    verversen,   op-,    ver- 

frissen,  verkwikken. 
refreshment    [ri'frejmsnt]    verversing, 

op-,  verfrissing,  verkwikking. 
refreshment  room   [ri'frejmantrum] 

buffet   o,   restauratie. 
refrigerate  [ri'frid33reit]   koel  maken, 

verkoelen,    koud   maken. 
refrigerator  [ri'fridssreita]  koelvat  o\ 

koelkan;    ijskast;    vrieskamer. 
refuge    ['refju:d3]    toevlucht,   schuil- 

plaats;  asiel  o;  vluchtheuvel. 
refugee  [refju/dsi:]  vluchteling,  uit- 

gewekene. 
refund    [ri:'fAnd]    terugbetalen. 


refusal 


230 


reiteration 


refusal   [ri'fju:z3l]   weigering;  optie; 
preferentie   [op  huis  &]. 

refuse  ['refju:s]  uitschot  o,  afval  o  & 
m,  vuilnis;  [ri'fju:z]  vt  weigeren, 
afwijzen,   afslaan. 

refuse  collector  ['refjuiskalekta]  vuil- 
nisauto. 

refutable  ['refjutsbl]  weerlegbaar. 

refutation  [refju'teijsn]  weerlegging. 

refute  [ri'fju:t]  weerleggen. 

regal   ['riigal]   koninklijk. 

regale  [ri'geil]  gastmaal  o,  onthaal  o, 
traktatie;  vt  onthalen,  trakteren, 
vergasten    (op,  with). 

regard  [ri'ga:d]  aanzien  o;  achting. 
eerbied;  kind  — s  to  you  all,  met 
vriendelijke  groeten;  have  {pay)  ■ — ■ 
to,  acht  slaan  op,  rekening  houden 
met;  in  —  oj  (to),  with  —  to,  ten 
aanzien  van;  without  —  to,  geen 
rekening  houdend  met;  vt  aanzien, 
beschouwen,  houden  voor,  achten; 
hoogachten;  acht  slaan  op;  betref- 
fen;  as  — s  me,  wat  mij  betreft. 

regarding  [ri'ga:dig]  betreffende. 

regardless    [ri'ga:db's]    onoplettend, 
achteloos;    —    oj,    niet    lettend    op, 
onverschillig  voor. 

regatta    [ri'gsets]    roei-,   zeilwedstrijd. 

regency    ['ri:d33nsi]    regentschap    o. 

regenerate   [ri'd3en3rit]    herboren; 
[ri'dsensreit]    vt   weder    opwekken, 
herscheppen,   doen   herleven. 

regent    ['ri:d33nt]    regent,  regentes. 

regimen  ['redsimen]  stelsel  o\  leef- 
regel,  dieet  o. 

regiment    ['redsimant]    regiment   o. 

regimental   [redsi'mental]    regiments-. 

region  ['riidgsn]  (land)streek,  gewest 
o\  jig  gebied  o. 

regional  C'riidjsnl]  regionaal,  streek-, 
gewestelijk. 

register  ['redsista]  register  o;  lijst;  vt 

inschrijven,    aantekenen;    vastleggen, 

boeken;        registreren;        aanwijzen 

[thermometer]. 

registrar  ['redsistra:]  griff ier;  ambte- 

naar  van  de  burgerlijke  stand. 
registration  [redsis'treijan]  registratie, 


inschrijving;  aantekening  [v.  brief]. 
registration  plate  [redsis'treijanpleit] 

kentekenplaat. 
registry    ['redsistri]    inschrijving;    re- 
gister  0,   lijst;   kantoor  o  van  regi- 
stratie; bureau  o  van  de  burgerlijke 

stand. 
regnant  ['regnant]  regerend,  heersend. 
regret    [ri'gret]    spijt,     leedwezen     o 

(ook:   — s)\  vt  betreuren,  spijt  heb- 

ben  van. 
regretful  [ri'gretful]  vol  spijt,  treurig 
regrettable    [ri'gretabl]    betreurens- 

waardig. 
regular    ['regjula]     regelmatig,    gere- 

geld;    vast;    beroeps-;    a    —    devil, 

hero  &,  een  echte  duivel,  held;  '—s, 

geregelde  troepen. 
regularity    [regju'lseriti]    regelmatig- 

heid,  regelmaat,  geregeldheid. 
regulate   ['regjuleit]   reglementeren; 

ordenen,  regelen,   schikken. 
regulation    [regju'leijan]    regeling, 

schikking;    reglement    o;    a]    regle- 

mentair;    model-;    dienst-;    —    j^re, 

gewoon  tarief  o. 
rehabilitate  [ri:(h)a'biliteit]   rehabili- 

teren,   herstellen. 
rehearsal    [ri'ha;sal]    herhaling;    repe- 

titie;  relaas  o. 
rehearse  [ri'hais]  herhalen;  opzeggen; 

verhalen;   opsommen;   repeteren. 
reign   [rein]   regering,  bewind  o\  rijk 

o\  vi  regeren,  heersen. 
reimburse    [ri:im'ba:s]   vergoeden,   te- 

rugbetalen,  rembourseren. 
rein    [rein]    teugel,    leidsel    o\    vt   in- 

houden,   intomen,    beteugelen    (ook: 

reincarnate [ri:in'ka:neit]  re'incarneren. 
reindeer   ['reindia]   rendier  o,  rendie- 

ren. 
reinforce    [riiin'fars]    versterken;    — d 

concrete,  gewapend  beton  o. 
reinforcement  [riiin'faismant]  verster- 

king. 
reinsure    ['ritin'J'ua]    herverzekeren. 
reiterate   [ri:'itareit]    herhalen. 
reiteration    [ri:ita'reij"an]    herhaling. 


reject 


231 


remember 


reject  [ri'dsekt]   verwerpen;  afkeuren, 

afwijzen. 
rejection  [ri'dsekjan]  verwerping;  af- 

keuring,   afwijzing. 
rejoice    [ri'dsois]     (zich)     verheugen, 

verblijden;  be  ■ — d,  verheugd  zijn. 
rejoicing    [ri'djDisirj]    vreugde,    geju- 

bel   o,  gejuich   o,   feest  o,   feesten. 
rejoinder    [ri'd33ind3]    antwoord   o\ 

dupliek. 
rejuvenate    [ri'd3u:vineit]    verjongen. 
relapse     [ri'laeps]     (weder)instorting; 

vi    terugvallen,     (weder)     instorten 

[bij  ziekte]. 
relate    [ri'leit]    verhalen;    ~-    to,    in 

verband   staan    (brengen)    met. 
related   [ri'ieitid]    verwant   (aan,  met, 

to). 
relation    [ri'leijsn]    betrekking;     rela- 

tie;      verwantschap;      bloedverwant; 

verhaal   o,   relaas   o\  in   —   to,   met 

betrekking  tot. 
relationship   [ri'leijanjip]   verwant- 
schap, verhouding. 
relative   ['rebtiv]    (bloed)verwant;   aj 

betrekkehjk;   ■ — ■  to,  betrekking  heb- 

bend  op;  met  betrekking  tot. 
relax  [ri'lseks]  verslappen;  verzachten; 

(zich)    ontspannen. 
relaxation  [riljek'seijan]  verslapping, 

verzachting;   ontspanning. 
relay  [ri'lei]  verse  paarden,  jachthon- 

den,   enz.,   ploeg;   pleisterplaats;   re- 

lais  o;  vt  relayeren. 
relay  race   [ri'leireis]    estafetteloop. 
release    [ri'li:s]    ontslag  o\   vrijlating; 

bevrijding;    ontheffing;    overdracht; 

vt     loslaten;     vrijlaten;     bevrijden; 

vrijgeven;      losmaken;      overdragen 

[recht,  schuld];  ontslaan,  ontheffen. 
relegate    ['religeit]    verbannen,   over- 

plaatsen;    verwijzen;    verschuiven. 
relent   [ri'lent]  zich  laten  vermurwen. 
relentless    [ri'lentlis]    meedogenloos. 
relevant    ['relivsnt]    toepasselijk;    — 

to,  betrekking  hebbend  op. 
reliability    [rilais'bihti]    betrouwbaar- 

heid. 
reliable   [ri'laiabl]    betrouwbaar. 


reliance    [ri'laians]    vertrouwen  o. 

relic   E'relik]   relikwie;  overblijfsel  o. 

relief  [ri'H:f]  verlichting;  ondersteu- 
ning,  steun;  hulp(  verlening) ;  aflos- 
sing;  versterking,  ontzet  o;  reHef  o. 

relieve  [ri'liiv]  verlichten;  ontlasten, 
(onder)steunen,  helpen;  aflossen, 
ontzetten;  sterker  doen  uitkomen. 

religion    [ri'lidsan]    godsdienst. 

religious  [ri'hdsas]  godsdienstig, 
godsdienst-;  geestelijk,  kerkehjk; 
vroom. 

relinquish   [ri'lirjkwij]   laten  varen, 
opgeven;   afstand   doen  van. 

relinquishment  [ri'lirjkwijmsnt]  laten 
varen  o,  afstand. 

relish  ['relij]  smaak;  (bij)smaakje  o\ 
scheutje  o\  kruidensaus;  vt  zich  la- 
ten smaken;  smakelijk  maken;  ge- 
noegen  scheppen  in;  ^^  oj,  smaken 
naar. 

reluctance  [ri'lAktans]  weerzin,  tegen- 
zin. 

reluctant    [ri'lAktsnt]   weerstrevend, 
onwiHig;    be    {feel)    -~    to...,    niet 
gaarne...,  slechts  node... 

reluctantly  [ri'Uktantli]  met  tegen- 
zin,  schoorvoetend,  node. 

rely  [ri'lai]  -~  on  {upon),  zich  ver- 
laten,   vertrouwen,  steunen  op. 

remain  [ri'mein]  overblijfsel  o\  rui'ne; 
^-'S,  (stoffehjk)  overschot  o;  vi 
blijven;  verblijven;  overblijven,  (er 
op)    overschieten. 

remainder    [ri'meinda]    overschot   o, 
restant  o\  rest. 

remark  [ri'ma:k]  op-,  aanmerking;  vt 
opmerken,    bemerken;    aanmerken. 

remarkable  [ri'maikabl]  opmerkehjk, 
merkwaardig. 

remarry   ['ri/mseri]   hertrouwen. 

remedy  ['remidi]  (genees)middel  o, 
remedie,  hulpmiddel  o\  rechtsmid- 
del  o,  verhaal  o\  beyond  {past)  -~-', 
ongeneeslijk,  onherstelbaar;  vt  ver- 
helpen;    herstellen;   genezen. 

remember  [ri'membs]  zich  herinneren, 
denken  aan,  gedenken;  bedenken;  — 
me  to  him,  doe  hem  mijn  groeten. 


remembrance 


232 


reparable 


remembrance  [ri'membrsns]  herinne- 
ring;  aandenken  o\  — s,  ook:  groe- 
ten. 
remind  [ri'maind]  doen  denken,  her- 
inneren  (aan,  o/);  that  — j'  me, 
apropos. 
reminder    [ri'mainda]    herinnering; 

waarschuwing. 
reminiscence   [remi'nisans]   herinne- 
ring. 
remiss  [ri'mis]  nalatig,  lui;  slap. 
remission  [ri'mijan]  verflauwing,  ver- 
mindering;  kwijtschelding,  vergiffe- 
nis. 
remit   [ri'mit]    verzachten,    temperen, 
(doen)    afnemen;    vergeven;    kwijt- 
schelden;  overmaken,  remitteren;  uit- 
stellen. 
remittance    [ri'mitans]    overmaking, 

overgemaakt  bedrag  o,  remise. 
remitter    [ri'mita]    remittent. 
remnant    ['remnant]   overblijfsel  o, 

overschot  o\  restant  o. 
remonstrance    [ri'mDnstrsns]    verma- 

ning,  vertoog  o;  protest  o. 

remonstrate     [ri'mDnstreit]     tegenwer- 

pen,    aanvoeren;   protesteren,    tegen- 

werpingen  maken. 

remorse  [ri'mDis]  wroeging,  berouw  o. 

remorseless  [ri'mD:slis]  onbarmhartig, 

meedogenloos. 
remote    [ri'mout]    afgelegen,   ver. 
removable   [ri'muivsbl]   afneembaar, 

verplaatsbaar;  afzetbaar. 
removal  [ri'muival]  verwijdering,  ver- 
plaatsing;  verhuizing;  wegruiming; 
opheffing;  afzetting. 
remove  [ri'mu:v]  bevordering;  graad 
[v.  bloedverwantschap] ;  he  did  tiot 
get  {he  missed)  his  — ,  hij  ging 
niet  over;  vt  verplaatsen;  [in  een 
hogere  klasse]  doen  overgaan;  ver- 
wijderen,  ontslaan,  afzetten  [hoed 
of  ambtenaar],  uit  de  weg  ruimen; 
verdrijven;  wegnemen;  uitwissen; 
overbrengen;  verhuizen;  be  — d, 
overgaan  [naar  een  hogere  klasse]. 
remunerate  [ri'mjuinareit]  (be)lonen, 
vergoeden. 


remuneration   [rimjuina'reij'an]   belo- 

ning,  vergoeding. 
remunerative  [ri'mjuinsrativ]   (be)- 

lonend. 
renaissance    [ri'neisans]    herleving; 

renaissance. 
rend    [rend]    (vaneen)scheuren,   ver- 

scheuren. 
render  ['renda]  (over)geven;  terugge- 
ven,  vergelden;  weergeven,  vertol- 
ken,  spelen;  vertalen;  maken;  — 
help,  hulp  verlenen;  '--'  service,  een 
dienst  (diensten)  bewijzen;  '— 
thanks,  (zijn)  dank  betuigen. 
rendezvous  ['rondivu:]  rendez-vous  o, 

(plaats  van)   samenkomst. 
renegade  ['renigeid],  renegado  [reni- 

'geidou]   afvallige. 
renew    [ri'nju:]    vernieuwen;    verlen- 

gen;  hervatten. 
renewal   [ri'njursl]   vernieuwing. 
rennet    ['renit]    kaasstremsel    o;   renet 

[appel]. 
renounce  [ri'nauns]  afstand  doen  van; 
opgeven,  laten  varen;  verloochenen, 
verzaken. 
renovate  ['rensveit]  vernieuwen. 
renovation  [rens'veijsn]  vernieuwing. 
renown    [ri'naun]    vermaardheid;    be- 

roemdheid. 
renowned    [ri'naund]    vermaard,   be- 

roemd. 
rent    [rent]    scheur;    scheuring;    huur, 
pacht;  vt  huren,  pachten;  verhuren; 
V.T.  &  V.D.  van  rend. 
rental    ['rentl]    huur,    pacht. 
renunciation    [rinAnsi'eiJsn]    verza- 

king;   (zelf )verloochening;  afstand. 
reorganization   ['ri:3;g3nai'zeij3n]    re- 

organisatie. 
repair  [ri'pes]  herstelling,  herstel  o, 
reparatie;  onderhoud  o;  i  n  bad 
{good)  '~,  slecht  (goed)  onder- 
houden;  out  oj  — ,  slecht  onder- 
houden,  in  verval;  under  — ,  in 
de  reparatie,  in  de  maak;  vt  her- 
stellen;  repareren,  verstellen;  —  to, 
zich  begeven  naar. 
reparable   ['repsrabl]   herstelbaar. 


reparation 


233 


repugnance 


reparation  [reps'reijan]  herstelling, 

reparatie,  herstel   o. 
repartee  [repa/ti:]  gevat  ants\'oord  o\ 

quick    at    ~',    slagvaardig. 
repast   [ri'pa:st]   maal  o\  maaltijd. 
repay   [ri:'pei]    terugbetalen,  aflossen; 

betaald  zetten,  vergelden;  (be)lonen. 
repeal  [ri'pi:l]  herroeping,  intrekking; 

vt  herroepen,  intrekken. 
repeat  [ri'pi:t]  herhalen,  overdoen,  na- 

zeggen  &;  repeteren;  opzeggen;  over- 

vertellen. 
repeatedly  [ri'pi:tidli]   herhaaldelijk. 
repel   [ri'pel]   terugdrijven,  afslaan, 

afstoten. 
repellent   [ri'pebnt]   afstotend. 
repent    [ri'pent]    berouw   hebben 

(over),   berouwen. 
repentance   [ri'pentsns]   berouw  o. 
repentant   [ri'pentant]   berouwvol. 
repercussion   [riipa'kAjsn]    terugkaat- 

sing;  terugslag,  reactie. 
repertory   ['repatsri]    repertoire  o. 
repetition   [repi'tijan]   herhaling,  re- 

petitie,  opzeggen  o   [v.  les]. 
replace    [ri'pleis]    terugplaatsen;    ver- 

vangen;   teruggeven,  vergoeden. 
replacement  [ri'pleismant]  vervan- 

ging; 

replenish  [ri'pJeniJ]    (wear)  vullen. 

replete  ['ri'pli:t]  vol,  verzadigd. 

reply  [ri'plai]  antwoord  o\  make  no 
— ,  geen  antwoord  geven;  vi  ant- 
woorden;  ■ — ■  to,  antwoorden  op. 

report  [ri'pDit]  rapport  o,  verslag  o, 
bericht  o;  gerucht  o  [ook  =:  repu- 
tatie];  knal,  schot  o\  vt  rapporte- 
ren,  (zich)  melden,  berichten,  ver- 
slag doen    (van),  vertellen. 

reporter   [ri'pDita]   verslaggever. 

repose  [ri'pouz]  rust;  vt  laten  rus- 
ten,  (doen)  steunen  of  leunen;  -~ 
on,  berusten  op. 

repository  [ri'pDzitari]   bewaarplaats, 
opslagplaats,  depot  o  &  ?«. 

reprehend   [repri'hend]   berispen. 

reprehensible  [repri'hensibl]  berispe- 
lijk. 

reprehension    [repri'henjan]    bens- 


ping. 


represent  [repri'zent]  vertegenwoordi- 

gen;  voorstellen. 
representation  [reprizen'teijsn]  verte- 

genwoordiging;     voorstelling;     ver- 

toog  o,  protest  o\  jig  stap. 
representative    [repri'zentstiv]    verte- 

genwoordiger;  aj  representatief,  ver- 

tegenwoordigend,  typisch. 
repress  [ri'pres]  onderdrukken;  beteu- 

gelen. 
reprieve   [ri'pri:v]   uitstel  o,  opschor- 

ting;   gratie;   vt  uitstel,   opschorting 

of  gratie  verlenen. 
reprimand    ['reprima:nd]    (officiele) 

berisping;   vt  berispen. 
reprint    ['ri:'print]    herdruk;    [ri:- 

'print]    vt   herdrukken. 
reprisal   [ri'praizsl]   weerwraak,  re- 

presaille. 
reproach  [ri'proutj]  verwijt  o;  schan- 

de;   above    {beyond)    "--,  onberispe- 

lijk;    vt   verwijten. 
reproachable  [ri'proutjabl]   berispe- 

lijk. 
reproachful   [ri'proutjful]  verwijtend. 
reprobate   ['reprsbit]   verworpeling; 

snoodaard;  aj  verworpen,  goddeloos; 

snood. 
reproduce  [ri:pr3'dju:s]  reproduceren, 

weergeven. 
reproduction    [riipra'dAkJan]    repro- 

duktie,  weergave. 
reproof    [ri'prutf]    terechtwijzing,   be- 
risping. 
reprove    [ri'pru:v]    terechtwijzen,    be- 
rispen. 
reptile    ['reptail]    kruipend    dier    o, 

reptiel  o. 
reptilian    [rep'tilisn]    kruipend    (diet 

o). 
republic   [ri'pAblik]    republiek. 
republican    [ri'pAblikan]    republikein; 

aj   republikeins. 
repudiate    [ri'pju:dieit]    verwerpen, 

verstoten;    verloochenen. 
repudiation    [ripjuidi'eijan]    verwer- 

ping,  verstoting;  verloochening. 
repugnance    [ri'pAgnsns]    afkeer,    te- 


repuqnant 


234 


resound 


genzin,  weerzin. 
repugnant    [ri'pAgnsnt]    weerzinwek- 

kend,    terugstotend;    tegenstrijdig 

(met,  to). 
repulse  [ri'pAls]  terugslaan,  terugdrij- 

ven;  afslaan;   afwijzen. 
repulsion    [ri'pAlJsn]    afstoting;    af- 

keer,   tegenzin. 
repulsive  [ri'pAlsiv]  af-,  terugstotend; 

weerzinwekkend. 
reputable  ['repjutabl]  achtenswaardig. 
reputation    [repju'teijan]    reputatie, 

(goede)    naam,   roep. 
repute    [ri'pjuit]     reputatie,     (goede) 

naam;     by     '~,    bij    gerucht;    get 

into  — ,  naam  maken;   vt  houden 

voor;    he    is    ill     {well)     — d,    hij 

heeft  een  slechte  (goede)  naam;  his 

'-—d   father,    zijn   vermeende    vader. 
request    [ri'kwest]    verzoek    o;    (na)- 

vraag;   in   great   — ,   veel   gevraagd; 

vt  verzoeken    (om). 
require    [ri'kwaia]    (ver)eisen,   vorde- 

ren;   nodig  hebben;   behoeven. 
requirement    [ri'kwaismant]    eis,   ver- 

eiste  o  8i  v;   — s,  ook:  behoeften. 
requisite    ['rek^\'izit]    vereiste  o  8i  v\ 

— s,    ook:    benodigdheden;    aj    ver- 

eist;    nodig. 
requisition    [rekwi'zijsn]    vordering; 

vt  vorderen. 
requital   [ri'kwaital]  vergelding,  belo- 

ning;    weerwraak. 
requite  [ri'kwait]  vergelden,  belonen. 
rescind    [ri'sind]    vernietigen;    intrek- 

ken,   afschaffen. 
rescue    ['reskju:]    redding,   hulp,   ont- 

zet    o\    bevrijding;    vt    redden,    ont- 

zetten,   bevrijden. 
research  [ri'sa.tj"]  onderzoek  o,  onder- 

zoeking,  nasporing. 
resemblance  [ri'zembbns]  gelijkenis, 

overeenkomst   (met,  to). 
resemble  [ri'zembl]   gelijken   (op). 
resent   [ri'zent]    kwalijk  nemen,  zich 

beledigd   voelen   door. 
resentful    [ri'zentful]    lichtgeraakt; 

boos;    haatdragend. 
resentment    [ri'zentmant]    boosheid, 


haat,  wrok. 
reserve    [ri'z3;v]    reserve,   voorbehoud 

o\    terughoudendheid;    reservaat    o; 

vt    bewaren    (voor    later),    reserve- 

ren,    zich    voorbehouden;    bespreken 

[plaatsen]. 
reside    [ri'zaidj    wonen,   verblijf   hou- 
den, zetelen,  berusten  (bij,  in). 
residence  ['rezidans]  woonplaats,  ver- 

blijfplaats,    verblijf      o\      inwoning; 

(heren)huis    o\    take    up    one's    '—, 

zich  metterwoon  vestigen. 
resident  ['rezidant]  inwoner;  resident; 

aj  woonachtig;   inwonend. 
resign    [ri'zain]      afstaan,     overlaten; 

neerleggen   [ambt];  aftreden,  ontslag 

nemen;     —    oneself,    berusten;      — 

oneself  to...,  zich  onderwerpen  aan 

...,  berusten  in... 
resignation    [rezig'neijsn]    berusting, 

gelatenheid;    aftreden   o,    ontslag   o, 

afstand   [v.   troon]. 
resigned    [ri'zaind]    gelaten. 
resilience   [ri'ziljans]  veerkracht. 
resilient    [ri'ziljant]    veerkrachtig. 
resin    ['rezin]    bars   o   &   m. 
resinous    ['rezinas]    harsachtig,    bars-. 
resist    [ri'zist]    weerstaan,   vv^eerstand 

bieden  aan;  zich  verzetten  tegen. 
resistance    [ri'zistsns]    weerstand,    te- 

genstand,  verzet  o. 
resolute    ['rez3l(j)u:t]    resoluut,  vast- 

beraden. 
resolution   [rez3'l(j)u:J'3n]    opiossing, 

ontbinding;    resolutie;   besluit   o,  be- 

slissing;  vastberadenheid. 
resolve    [ri'zDlv]    besluit   o\   vt  oplos- 

sen,  ontbinden;  besluiten;   doen  be- 

skiiten. 
resolvedly    [ri'zDlvidli]    vastberaden. 
resonance  ['rezanar.s]   weerklank. 
itsonar'    ['rezanantj    weerklinkend. 
resort     Lri'z3:t]     toevloed;      (ontspan- 

nings-,  vakantie)oord  o,  plaats;  toe- 

vlucht,  hulpmiddel  o\  ressort  <?;  in- 

stantie;   vi   in:    —    to,   zich  begeven 

naar;    (geregeld)    bezoeken;  zijn  toe- 

vlucht  nemen  tot. 
resound  [ri'zaund]  weftgalmen,  weer- 


resource 


235 


retardation 


klinken;    — ing,   fig   ook:    klinkend, 
daverend. 

resource  [ri'sDis]  hulpbron,  -middel  o, 
redmiddel  o,  toevlucht,  uitweg;  — s, 
(geld)middelen. 

resourceful   [ri's3:sful]   vindingrijk. 

respect  [ris'pekt]  aanzien  o,  achting, 
eerbied;  opzicht  o;  i  n  —  oj,  ten 
aanzien  van;  vanwege;  w  i  t  h  ■ — - 
to,  ten  opzichte  van;  have  ■ —  to, 
betrekking  hebben  op;  give  him  my 
■ — s,  doe  hem  de  groeten;  send  one  s 
■ — s,  iemand  de  complimenten  doen, 
laten  groeten;  vt  respecteren, 
(hoog)achten,  eerbiedigen;  betref- 
fen;  as  • — s,  wat  betreft. 

respectability    [rispekts'biliti]    ach- 
tenswaardigheid,  fatsoenlijkheid,  fat- 
soen  0. 

respectable  [ris'pektabl]  achtenswaar- 
dig,  (vrij)  aanzienlijk,  fatsoenlijk, 
net;  solide   [firma]. 

respectful    [ris'pektful]    eerbiedig. 

respectfully  [ris'pektfali]  eerbiedig; 
yours   ■ — ',  hoogachtend,  uw  dw.   dr. 

respiration  [respi'reijan]   ademhaling. 

respiratory    [ris'paisratsri]    adem- 
halings-. 

respire  [ris'pais]   ademhalen,  ademen. 

respite  ['respit]  uitstel  o,  schorsing, 
respijt   0. 

resplendent    [ris'plendant]    glansrijk, 
luisterrijk,  schitterend  (van,  with). 

respond  [ris'pDnd]  —  to,  gehoor  ge- 
ven   aan,   reageren   op. 

response  [ris'pDns]  antwoord  o\  jig 
weerklank;  in  ■ — •  to,  als  antwoord 
op;  gehoor  gevend  aan;  ingevolge. 

responsibility    [rispDnsi'biliti]    ver- 
antwoordelijkheid,  aansprakelijkheid. 

responsible  [ris'pDnsibi]  verantwoor- 
delijk,   aansprakelijk. 

rest  [rest]  rust,  pauze;  rustpunt  o, 
steun,  steuntje  o\  rest;  vi  rusten, 
uitrusten;  blijven;  • — ■  on  {upon), 
rusten  op;  steunen,  berusten  op;  it 
— s  with  you  to...,  het  staat  aan  u 
om...;  vt  laten  (doen)  rusten;  steu- 
nen;   — ■  oneself,  uitrusten. 


restaurant    ['restsrDi]]    restaurant  o. 
restful    ['restful]    rustig,    stil;    kalme- 

rend,   rustgevend. 
restitution    [resti'tjuijan]    teruggave, 

vergoeding,  herstel  o. 
restive   ['restiv]   koppig,  weerspannig; 

ongeduldig,  prikkelbaar. 
restless   ['restlis]   rusteloos,  onrustig. 
restoration    [rests'reijan]    restauratie, 

herstel  o;  herstelling;  teruggave. 
restore    [ris'tD:]    restaureren,    herstel- 

len;  teruggeven;  terugzetten  [op  zijn 

plaats]. 
restrain    [ris'trein]    bedwingen,   terug- 

houden,    beteugelen,    inhouden. 
restraint    [ris'treint]    dwang,     (zelf)- 

bedwang  o\  beteugeling,  beperking; 

gereserveerdheid;  under  — ,  in  hech- 

tenis. 
restrict    [ris'trikt]    beperken,   bepalen. 
restriction  [ris'trikjan]  beperking,  be- 

paling;   voorbehoud  o. 
result    [ri'zAlt]   gevolg  o\   afloop,  uit- 

slag,  slotsom,   resultaat  o\  as  a  — , 

dientengevolge;  as  a  —   of,  ten  ge- 

volge     van;      vi    volgen;    ontstaan; 

voortvloeien    (uit,    from);    uitlopen 

(op,   in). 
resume    [ri'zju:m]    hernemen;    hervat- 

ten;   herkrijgen;   resumeren. 
resumption    [ri'zAmJan]    hervatting. 
resurrection  [reza'rekjan]  opstanding; 

herleving. 
resuscitate    [ri'sAsiteit]    uit   den   dode 

(doen)    opstaan,     (doen)    herleven; 

weer  oprakelen. 
retail   ['riiteil]   kleinhandel;  sell   {by) 

— ,  in  het  klein  verkopen;    [ri'teil] 

vt  in  't  klein  verkopen,  slijten;  om- 

standig  verhalen;   rondvertellen. 
retail   dealer    ['riiteildiib],   retailer 

[ri'teila]    kleinhandelaar. 
retain    [ri'tein]     (be)houden,    onthou- 

den;    (in    dienst)    nemen;    vasthou- 

den,    tegenhouden. 
retaliation   [ritasli'eijsn]   wedervergel- 

ding,  weerwraak,  represaille. 
retard    [ri'ta:d]    vertragen,    uitstellen. 
retardation    [ritai'deijsn]    vertraging; 


reticent 


236 


reverse 


uitstel  o. 

reticent  ['retissnt]  niets  loslatend,  niet 
erg  spraakzaam;  achterhoudend,  ge- 
sloten. 

retinue    ['retinju:]    gevolg   o. 

retire  [ri'tais]  terugnemen;  pensio- 
neren;  (zich)  terugtrekken;  zijn  ont- 
slag  nemen,  aftreden;  uit  de  zaken 
gaan;   naar  bed  gaan. 

retired  [ri'taisd]  teruggetrokken;  af- 
gezonderd;  gepensioneerd;  place  on 
the  —   list,  pensioneren. 

retirement  [ri'taiamsnt]  teruggetrok- 
kenheid,  afzondering,  eenzaamheid; 
ontslag  o,  pensionering. 

retort  [ri'tD:t]  retort;  vinnig  antwoord 
o\   vt  vinnig  antwoorden. 

retract  [ri'traekt]  intrekken,  terugtrek- 
ken, herroepen. 

retractation   [ritrask'teijan]   intrek- 
king,   herroeping. 

retreat  [ri'tri:t]  terugtocht;  terugtre- 
ding;  afzondering;  wijkplaats,  rust- 
oord  o\  vi  (zich)   terugtrekken. 

retrench  [ri'trenj]  afsnijden,  besnoei- 
en,  beperken;  verschansen. 

retribution   [retri'bjuijan]   vergelding. 

retrieval  [ri'triivsl]  terugvinden  o  &; 
redding,  herstel  o. 

retrieve  [ri'tri:v]  terugvinden,  redden 
(uit,  jrotn)\  terugbekomen;  herstel- 
len;  apporteren   [v.  bond]. 

retroactive  [riitrou'sektiv]  terugwer- 
kend,   van   terugwerkende  kracht. 

retrograde   ['retrougreid]   achteruit- 
gaand,  teruggaand,   achterwaarts;   vi 
achteruitgaan,   teruggaan. 

retrogression   [ritrou'grejan]   terug- 
gang,  achteruitgang. 

retrospective  [ri;trou'spektiv]  terug- 
ziend;  terugwerkend;  ■ — '  view,  te- 
rugblik. 

return  [ri't3:n]  terugkeer,  terugkomst, 
terugreis;  terugweg;  teruggave;  te- 
genprestatie;  terugzending,  vergel- 
ding; opbrengst;  winst;  opgave;  ver- 
slag  o\  — s,  statistiek,  cijfers;  many 
happy  — J-  (of  the  day),  nog  vele 
jaren   na   dezen;    by   ■ —    {of  post), 


per  ommegaande;  a;  terug-;  re- 
tour-;  vi  terugkeren;  antwoorden; 
vt  teruggeven,  terugzenden;  terug- 
betalen,  vergelden;  beantwoorden; 
opgeven;  uitbrengen;  geven  [ant- 
woord]; afvaardigen  [naar  het  par- 
lement  &] ;  ' — '  thanks,  zijn  dank 
betuigen. 

return  ticket    [ri't3:ntikit]    retour- 
kaartje   o. 

return  visit   [ri'tsinvizit]   tegenbezoek 

0. 

reveal   [ri'vi:!]   onthullen,  openbaren. 

reveille    [ri'veli]   reveille. 

revel  ['reval]  braspartij,  feestelijkheid; 
vi  brassen;  —  in,  zich  verkneuke- 
len  in,  genieten   van. 

revelation   [revi'leijan]  openbaring. 

reveller  ['revsb]  brasser,  pretmaker. 

revelry  ['revslri]  feestvreugde;  bras- 
serij. 

revenge  [ri'vends]  wraak,  wraakne- 
ming,  wraakzucht;  revanche;  vt  wre- 
ken. 

revengeful    [ri'vend3ful]   wraakgierig. 

revenue    ['revinju:]    inkomsten. 

reverberate   [ri'vaiboreit]   weerkaat- 
sen;   weergalmen. 

reverberation    [rivaiba'reijsn]    weer- 
kaatsing. 

revere  [ri'vis]   eren,  vereren. 

reverence  ['revarans]  eerbied;  ontzag 
o;  verering;  pieteit;  his  ■ — ■,  zijn 
eerwaarde;  saving  your  ■ — ,  met  uw 
verlof;  met  permissie;  vt  eerbiedi- 
gen. 

reverend  ['revsrand]  eerwaard;  eer- 
waardig;  the  —  John  Smith,  Do- 
minee  Smith. 

reverent  ['revarsnt],  reverential  [re- 
va'renjsl]    eerbiedig. 

reversal  [ri'vaisal]  omkering,  omme- 
keer,   kentering. 

reverse  [ri'vais]  omgekeerde  o,  te- 
gendeel  o;  keerzijde;  tegenspoed,  te- 
genslag;  nederlaag;  in  — ,  in  omge- 
keerde richting  of  orde;  aj  omge- 
keerd,  tegengesteld,  tegen-;  vt  om- 
keren. 


revert 


237 


rifle 


revert   [ri'vait]    terugvallen,   -keren, 

-komen   (op,  to). 
review   [ri'vju:]   herziening;  overzicht 

o\  parade;  inspectie;  recensie;  revue, 

tijdschrift  o\  vt  overzien;   de  revue 

laten  passeren;    in   ogenschouw   ne- 

men;  beoordelen  [een  boek]. 
revile    [ri'vail]   smaden,  beschimpen. 
revilement    [ri'vailmant]    smaad;   be- 

schimping. 
revise   [ri'vaiz]   nazien;  herzien. 
revision  [ri'vi33n]  herziening,  revisie. 
revival    [ri'vaivsl]    herleving;    reprise 

[v.   toneelstuk]. 
revive  [ri'vaiv]   (doen)  herleven;  weer 

opwekken,    aanwakkeren;    weer    op- 

voeren  of  vertonen,   in   ere  herstel- 

len;   oprakelen. 
revocation   [reva'keijan]    herroeping. 
revoke  [ri'vouk]  herroepen;  intrekken; 

niet   bekennen    [bij    't   kaarten]. 
revolt    [ri'voult]    oproer    o,    opstand; 

vi  in  opstand  komen;  walgen;  vt  in 

opstand   brengen;    doen   walgen. 
revolting   [ri'voultir)]   oproerig;  weer- 

zinwekkend,    stuitend,    walgiijk. 
revolution    [rev3'I(j)u:J'3n]    omloop; 

omwenteling,  revolutie;  toer  [v.  mo- 
tor]. 
revolutionary    [rev3'l(j)u:j3n3ri]    re- 

volutionair. 
revolve    [ri'volv]    omwentelen,    (om)- 

draaien;  overdenken;  zich  wentelen, 

draaien. 
revolver   [ri'valva]    revolver. 
revue    [ri'vju:]    (toneel) revue. 
revulsion    [ri'vAlJsn]    ommekeer. 
reward     [ri'wDid]     beloning,      vergel- 

ding;  loon  o;  vt  belonen,  vergelden. 
rhetoric  ['retarik]  retorica,  redekunst; 

holle  retoriek. 
rheumatic  [ru'msetik]   reumatisch. 
rheumatism   ['ruimstizm]   reumatiek. 
Rhine   [rain]    Rijn. 
rhinoceros   [rai'n^ssrss]    rinoceros. 
rhododendron   [rouds'dendrsn]    rodo- 

dendron. 
rhomb    [rDm(b)]    ruit. 
rhubarb    ['ru:ba;b]    rabarber. 


rhyme  [raim]  rijm  o;  rijmpje  o,  ver- 
zen;  without  —  or  reason,  zonder 
slot  of  zin;  zonder  reden;  vt  (laten) 
rijmen. 

rhythm  [riGm]   ritme  o. 

rhythmic(al)    ['ri6mik(I)]    ritmisch. 

rib   [rib]   rib;  ribbe;  vt  ribben. 

ribbon  ['ribsn]  lint  o,  band  o  [stof- 
naam],  band  w  [voorwerpsnaam] ; 
hi   '-~'S,  all  to   — s,  in  flarden. 

rice   [rais]   rijst. 

rich  [ritj]  rijk  (aan.  in);  machtig 
[voedsel];  vol  [stem];  kostelijk 
[idee]. 

riches    ['ritjiz]    rijkdom. 

richly    ['ritjli]    rijk(elijk),    ten   voile. 

rick    [rik]    hoop,  mijt;   hooiberg. 

rickets    ['rikits]    Engelse  ziekte. 

rickety  ['rikiti]  rachitisch;  waggelend, 
wankel,  wrak,  zwak. 

rid  [rid]  bevrijden,  verlossen;  —  one- 
self of,  ook:  zich  ontdoen  van, 
kwijtraken,   zich   afmaken   van. 

rid(ded)  ['rid(id)]  V.T.  &  V.D.  v. 
rid;  be  '—  of,  bevrijd  (af)  zijn  van; 
get    ~'    of,   zie   rid   oneself   of. 

riddance    ['ridans]    bevrijding,  verlos- 

ridden  ['ridn]  V.D.  v.  ride. 

riddle   ['ridi]   raadsel  o;  zeef;  vt  ont- 

raadselen;  ziften;   doorzeven. 
ride  [raid]   rit;  go  for  a  — ,  een  ritje 

gaan  maken;  vi  rijden;  vt  berijden, 

rijden  op. 
rider   ['raido]   ruiter. 
ridge    [rids]     (berg) rug,    nok;    rand. 
ridicule    ['ridikju:!]    spot,   bespotting; 

vt  belachelijk   (bespottelijk)   maken, 

bespotten. 
ridiculous    [ri'dikjubs]    belachelijk, 

bespottelijk. 
riding-crop   ['raidigkrDp]   rijzweep. 
Riding-hood    ['raidirjhud]    Little  Red 

~',  Roodkapje  o. 
rife   [raif]   be  — ,  heersen;  veel  voor- 

komen;    in    omloop    zijn    [verhaal]; 

' —    with,  wemelend  van. 
riff-raff   ['rifrsef]   geboefte  o. 
rifle   ['raifl]   buks,  geweer  o;  vt   [een 


rifleman 


238 


ritual 


geweerloop]      groeven;     plunderen, 
leeghalen,   wegroven. 

rifleman   ['raiflman]   scherpschutter; 
jager   [militair]. 

rift    [rift]    spleet,  scheur,  barst. 

rig  [rig]  (op)tuigen;  inrichten,  uit- 
rusten  [als...]. 

rigging    ['rigirj]    uitrusting,   tuigage, 
tuig  o   (ook  =  plunje),  want  o. 

right  [rait]  rechterhand,  -kant,  -zijde; 
rechtervleugel;  recht  o\  put  {set) 
to  — s,  in  orde  brengen  (maken); 
by  — (j),  rechtens;  eigenlijk;  you 
are  (in  the)  — ,  u  hebt  gelijk;  o  n 
your  — ,  aan  uw  rechterhand,  rechts 
van  u;  /  a  the  —  of,  rechts  van;  a/ 
rechter;  rechts;  recht,  rechtvaardig, 
bilhjk;  juist,  goed,  in  orde;  echt, 
vi^aar;  all  ■ — ■/,  in  orde!,  vooruit 
maar!;  get  ■ — ■,  in  orde  komen 
(brengen);  —  about...  (turn!), 
rechtsomkeert! ;  vt  overeind  zetten; 
in  orde  maken;  recht  doen. 

righteous  ['raitjss]  rechtvaardig,  ge- 
recht(ig),   rechtschapen. 

rightful  ['raitful]  rechtvaardig;  recht- 
matig. 

right-handed  ['rait'h^ndid]   rechts. 

rightly   ['raitH]    rechtvaardig;  juist, 
goed;    terecht. 

right-thinking  ['rait'Girjkir)]  welden- 
kend. 

rigid  ['ridsid]   stijf;  streng,  star. 

rigorous    ['rigsrss]    streng,   hard. 

rigour  ['riga]   strengheid,  hardheid. 

rill  (at)    ['ril(it)]    beek,   beekje  o. 

rim  [rim]  veig  [v.  wiel];  rand  [v. 
kom  &] ;  montuur  o  Sc  v  [w.  bril] ; 
vt  omranden. 

rime   [raim]    rijm,  rijp. 

rimy    ['raimi]    met  rijp  bedekt. 

rind  [raind]  schors,  bast,  schil,  korst 
[v.  kaas],  zwoerd  o. 

ring  [rirj]  ring,  kring;  circus  o  &  7n, 
arena,  renbaan;  kliek;  combinatie, 
consortium  o\  klank,  geluid  o\  gelui 
o\  there  is  a  ■ — ■,  er  wordt  gebeld; 
give  the  bell  a  '~,  (aan)bellen; 
three    ■ — s    for...,    driemaal    bellen; 


vt  ringen;  —  about  (in,  round), 
insluiten,  omsingelen;  vi  luiden, 
klinken,  weergalmen;  bellen;  —  the 
bell,  (aan)bel]en;  —  at  the  door, 
aanbellen;  ■ — ■  out,  weerklinken; 
uitluiden;  —  one  u  p,  iemand  op- 
bellen;   —  with,  weerklinken  van. 

ringleader   ['rirjliida]   belhamel. 

ringlet  ['right]  ringetje  o\  krulletje  o. 

rink  [rirjk]  ijsbaan;  kunstijsbaan;  rol- 
schaatsenbaan. 

rinse   [rins]    (om)spoelen. 

riot  ['raiat]  uitspatting;  relletje  o,  op- 
stootje  o;  vi  zwieren,  zwelgen;  op- 
roerig  worden. 

rioter    ['raiata]    oproerling;    herrie- 
maker. 

riotous  ['raiatas]  ongebonden,  bande- 
loos;    (op)roerig. 

rip  [rip]  openrijten,  (los)tornen;  los- 
gaan,  scheuren;  als  de  bliksem  rij- 
den. 

ripe  [raip]  rijp;  belegen  [v.  wijn  &]. 

ripen  ['raipan]  rijp  worden;  (doen) 
rijpen. 

ripping    ['ripig]    fijn,    enig,   prima. 

ripple    ['ripl]    rimpelen;   murmelen. 

rise  [raiz]  rijzing,  opkomst,  oor- 
sprong;  helling;  opgang  [v.  d.  zon]; 
promotie;  stijging;  verhoging;  give 
—  to,  aanleiding  geven  tot;  be  on 
the  — ,  (voortdurend)  stijgen 
[prijzen  &];  in  opkomst  zijn;  vi 
(op)rijzen,  opstaan;  opgaan,  opvlie- 
gen  [vogels];  stijgen;  promotie  ma- 
ken; zich  verheffen;  opsteken 
[wind];  ontspringen  [rivier];  voort- 
spruiten  (uit,  jroni);  uiteengaan;  — 
to   be  a...,   opklimmen  tot... 

risen    ['rizn]    V.D.   van   rise. 

risk  [risk]  gevaar  o,  risico  o  &  v\ 
take  — s,  lets  riskeren;  at  your  own 
■ — ■  and  peril,  op  eigen  risico;  vt 
riskeren,    wagen. 

risky    ['riski]    gevaarlijk,    gewaagd, 
riskant. 

rite  [rait]  ritus,  kerkgebruik  o,  plech- 
tigheid. 

ritual    ['ritjual]    ritueel. 


rival 


239 


root 


rival   ['raival]    mededinger,  medemin- 

naar;  aj  mededingend,  wedijverend; 

vt  wedijveren  met,  op  zijde  streven. 
rivalry   ['raivalri]   mededinging,  wed- 

ijver,    concurrentie. 
river    ['rival    rivier. 
rivet    ['rivit]    klinknagel;    vt   klinken; 

fig   vastklinken;    boeien     [de     aan- 

dacht];  richten   [de  blik]. 
rivulet   ['rivjulit]    riviertje  o,  beek. 
roach   [rout]']   voorn. 
road  [roud]   weg,  rijweg,  straat;  rede 

(ook  — s);  by  ■ — ■,  per  as,  per  auto; 

te  voet;   te  paard. 
road  accident   ['roudseksidsnt]   ver- 

keersongeval   o. 
road  bridge   ['roudbrids]   verkeers- 

brug. 
road-hog   ['roudhDg]   woest  rijder. 
roadstead    ['roudsted]    rede,   ree. 
roadway  ['roudwei]  rijweg;  brugdek  o. 
roam  [roum]    (af-,  om-,  door)zwer\'en. 
roar  [ro:]  gebrul  o,  geloei  o,  gehuil  o, 

gebulder  o,  geschater  o\  vi  brullen, 

loeien,  huilen,  bulderen,  rommelen. 
roast    [roust]    gebraad     o;     gebraden 

vices    o\    aj   gebraden;     vt    braden, 

roost (er) en,  branden  [koffie]. 
rob    [rob]     (be)stelen,    (be)roven; 

(uit)plunderen. 
robber   ['roba]    rover,   dief. 
robbery   ['rsbsri]   roof,   diefstal. 
robe    [roub]     toga;     (boven)kleed    o; 

(dames)robe;    (doop)jurk;    — s,  ga- 

lakostuum  o,  ambtsgewaad  o. 
robin    ['robin]    roodborstje   o. 
robot  ['roubot]  mechanische  mens,  au- 

tomaat;   —   plane,  radiografisch  be- 

stuurbaar  vliegtuig   o. 
robust   [rou'bASt]   sterk,  flink,  fors. 
rock  [rDk]  rots,  gesteente  o;  vt  schom- 

melen,   schudden,  wiegen. 
rocket    ['rokit]    raket,  vuurpijl;   vi  de 

hoogte   in   schieten,    opvliegen,   met 

sprongen  omhoog  gaan. 
rocking-chair    ['rokirjtjea]    schommel- 

stoel. 
rocking-horse   ['rokighDis]   hobbel- 

paard  o. 


rocky    ['rski]    rotsachtig,    rots-;    the 

Rockies,    het    Rotsgebergte. 
rod    [rod]    roede,   staf,  staaf;  stang. 
rode   [roud]   V.T.  van  ride. 
rodent    ['roudsnt]    knaagdier  o. 
roe    [rou]    ree;  viskuit. 
rogue    [roug]    schurk,   schelm;    snaak. 
roguery    ['rougari]    schelmerij. 
roguish   ['rougij]    schurkachtig; 

schelms,   snaaks. 
roister   ['roista]    bulderen;   snoeven. 
role  [roul]   rol   [toneel]. 
roll  [roul]  rol,  wals;  cilinder;   (rond) 

broodje     o;     rollen    o\    slingeren    o 

[schip];    deining    [zee];    (trom)ge- 

roffel  o;  lijst,  register  o\  — s,  archief 

o\    call    the    — ,    appel    houden;    vt 

roIIen     (met),    wentelen;    oprollen; 

walsen;   roffelen   op;    ~'    and  pitch, 

slingeren  en  stampen. 
roll-call    ['roulk-Dil]    appel   o. 
roller  ['roula]   rol,  inktrol;  wals;  lan- 

ge  golf;    slingerend   schip   o. 
roller-blind    ['roulablaind]    rolgordijn 

o. 
rollicking    ['rolikii]]    uitgelaten;   leuk. 
rolling-mill   ['roulir|mil]   pletterij. 
rolling-pin   ['rouligpin]    deegroller, 

rolstok. 
Roman    ['roumsn]    Romein;    a]   Ro- 

meins;    rooms. 
Roman  Catholic    ['roumon'kjeSslik] 

rooms-katholiek. 
romance    [ra'msens]    romance;   verzin- 

sel  o. 
romantic   [ra'masntik]   romantisch. 
romp  [romp]  stoeier,  wildebras;  stoei- 

partij;  vi  stoeien,  dartelen. 
roof   [ru:f]    dak  o;   gewelf  o\   the   — 

(oj  the  mouth),  het  verhemelte;  vt 

van   een   dak  voorzien,    overwelven. 
rook     [ruk]     roek;    kasteel    o    [in    't 

schaakspel]. 
room  [ru:m,  rum]   plaats,  ruimte;  ka- 

mer,   zaal;  jig  reden,   aanleiding. 
roomy  ['ru:mi]  ruim  (gebouwd). 
roost  [ru:st]  rek  o,  roest;  (roest)stok; 

vi  gaan  zitten;  neerstrijken. 
root    [ru:t]    wortel;   strike    {take)    ■~, 


rope 


240 


rub 


wortel  schieten;   /'/'  wortel  schieten; 

geworteld     zijn      (in,     in);    ^^    up 

{out),  ontwortelen,  uitroeien;   ■ — ed 

to   the  spot,   als   aan   de  grond  ge- 

nageld. 
rope  [roup]  reep,  touw  o,  koord  o  8c 

v\  rist  [uien];  vt  (vast)binden;  om- 

strikken;  vangen. 
rope-ladder    ['rouplasds]    touwladder. 
rope-maker    ['roupmeika]    touwslager. 
rope-walk  ['roupwsik]   lijnbaan. 
rope-walker   ['roupwDiks]   koorddan- 

ser(es). 
rosary  ['rouzari]  rozenkrans;  rosarium 

o. 
rose  [rouz]   roos;  rozet;  rozekleur;  aj 

roze;   V.T.  v.   rise. 
roseate   ['rouziit]   rozig,  rooskleurig. 
rosemary    ['rouzmsri]    rosmarijn. 
rosy    ['rouzi]    rooskleurig;    blozend; 

roze(n)-. 
rot    [rot]    verrotting,    rotheid;    rot    o; 

vuur  o  [in  't  hout];  onzin;  talk  '--', 

kletsen;   vi   (ver)  rotten. 
rotary    ['routari]    rondgaand,    draai- 

end,   draai-,   rotatie-. 
rotate   [rou'teit]    (doen)   draaien. 
rotation    [rou'teijsn]    (om)wenteling; 

afwisseling;     by     {in)     — ,    volgens 

rooster,   om   de  beurt. 
rotatory  ['routatsri]    (rond)draaiend. 
rotten  ['rotn]    (ver) rot,  bedorven;  be- 

roerd,  akelig,  snert-;  —  I'ipe,  beurs. 
rotund  [rou'tAnd]  rond;  hoogdravend; 

vol    [stem]. 
rough    [rAf]    ruw,   grof,   bars,   streng; 

onafgewerkt;    oneffen;    a    —     copy 

{draught),  een  k!ad  o;  vt  in:  • —  it, 

zich    er    door   been   slaan. 
roughen   ['rAfn]  ruw  maken  (worden). 
roughly   ['rAfli]    ruw;  globaal,  zowat, 

ongeveer. 
Roumania  [ru'meinja]  Roemenie  o. 
Roumanian  [ru'meinjsn]  Roemeen;  aj 

Roemeens. 
round  [raund]  rondte,  rondreis;  sport 

[v.    ladder];    salvo    o;    aj    rood;    in 

de   rondte;   rondom;   om    (...heen); 

in    de   omtrek;    all    ■~,    overal;    fig 


in  alle  opzichten;  (genoeg)  voor 
alien;  all  the  year  — ,  het  hele  jaar 
door;  —  about,  om...  heen;  langs 
een  omweg;  —  trip,  reis  heen  en 
terug;  rondreis;  vt  (af)ronden,  om- 
ringen;  omzeilen;  ~-  up,  bijeendrij- 
ven;  omsingelen;  oppakken. 

roundabout  ['raundabaut]  draaimolen; 
ai  omlopend;  omschrijvend;  wijd- 
lopig;   a  —    way,   een  omweg. 

roundly    ['raundli]    rond;   ronduit. 

round-up   ['raund'Ap]   omsingeling; 
klopjacht,  razzia. 

rouse  [rauz]  (op)wekken,  doen  ont- 
waken;  op-,  aanporren;  prikkelen; 
opjagen;  ontwaken. 

rousing  ['rauzirj]  (op)wekkend;  be- 
zielend;   geestdriftig;   kolossaal. 

rout  [raut]  troep;  lawaai  o;  alge- 
mene  vlucht;  put  to  ■ — ■,  op  de 
vlucht  jagen;  vt  op  de  vlucht  ja- 
gen;   omwoelen;   vi  wroeten. 

route  [ru:t]  route,  weg. 

routine   [ru:'ti:n]    routine;   sleur. 

rove   [rouv]    (om)zwer\-en. 

rover  ['rouva]  zwerver;  zeeschuimer; 
voortrekker    [bij   padvinders]. 

row  [rou]  rij,  reeks;  roeitochtje  o\ 
go  for  a  — ,  gaan  roeien;  vi  roeien. 

row  [rau]  kabaal  o,  herrie,  standje  o. 

rowdy    ['raudi]    ruwe   kerel,    herrie- 
schopper;  aj  rumoerig. 

rower    ['roua]    roeier. 

royal   ['roial]   koninklijk. 

royalty  ['nialti]  koningschap  o;  dc 
koninklijke  familie,  vorstelijke  per- 
sonen;   tantieme  a. 

rub  [rAb]  wrijving;  botsing;  moeilijk- 
heid;  wederwaardigheid;  steek  on- 
der  water,  veeg  (uit  de  pan);  vt 
wrijven;  inwrijven  [smeersel];  boe- 
nen,  poetsen;  —  shoulders  {elbows) 
with,  in  (intiemere)  aanraking  ko- 
men  met;  —  down,  afwrijven, 
boenen;  ~  ;'/  i  n{to  them),  — 
things  in,  iemand  eens  iets  goeds 
zeggen;  er  telkens  weer  op  terug- 
komen;  //  will  '^  o  f  f,  het  zai  wel 
slijten. 


rubber 


241 


runner 


rubber  ['rAba]  rubber,  gummi  o  &.  m\ 

robber  [whist]. 
rubbish    ['rAbiJ]    puin   o;    uitschot   o, 

afval  o  8i  ?n;  bocht  o  8i  m,  prullen; 

rommel;  — .',  klets! 
rubble    E'rAbl]    puin   o\   steenslag   o. 
rubric   ['ru:brik]    rubriek. 
ruby  ['ru:bi]  robijn  o  [stofnaam],  ro- 

bijn    m    [voorwerpsnaam];    rode 

puist. 
ruction    ['rAkJan]    herrie;    standje   o; 

strubbeling. 
rudd    [lAd]    ruisvoorn. 
rudder  ['lAds]   roerblad  o\  roer  o. 
ruddy    ['rAdi]    (fris)    rood,   blozend; 

rossig,   ros. 
rude    [ru:d]    ruw,  grof,  streng;   onbe- 

schaafd;  lomp;  —  things,  onbeleefd- 

heden,  grofheden. 
rudiment   ['ruidimant]   grondbeginsel 

o;  eerste  begin (sel)    o. 
rue  [ru:]  betreuren,  berouwen. 
rueful  ['ru:ful]  treurig,  droevig. 
ruff  [rAf]  geplooide  kraag;  kemphaan. 
ruffian   ['rAfjan]   schurk,  booswicht; 

aj  woest,  schurkachtig. 
ruffle  [rAfl]  fronsel,  rimpeling,  plooi; 

vt  frommelen,  fronsen,  rimpelen,  in 

(door)    de    war    maken;    verstoren; 

vt  roffelen. 
rug  [rAg]  reisdeken;  (haard)kleedje  <?. 
rugged   ['rAgid]    ruig,  ruw;  hobbelig; 

grof;  hard. 
ruin    ['ru:in]    ondergang,    verderf    o, 

ru'ine;   puinhoop,   puin   o\    bring  to 

— ,   bring   —   on,   rui'neren;   vt  ver- 

woesten,     vernielen;      rui'neren,     te 

gronde  richten. 
ruinous  ['ruiinas]  bouwvallig;  verder- 

felijk. 
rule    [ru:l]    regel;    liniaal,    duimstok; 

bewind  o,  heerschappij;  as  a  — ^,  in 
.  de  regel;   vt  linieren;   besturen;   be- 

heersen;   beslissen;    —    out,   uitslui- 

ten,   uitschakelen;   vi  regeren,   heer- 

sen. 
ruler  ['ru;b]  bestuurder,  regeerder, 

heerser;  liniaal. 
rum   [rAm]   rum;  aj  zonderling,  raar. 

Eng.  Zakwrdbk,  1% 


rumble  ['rAmbl]  gerommel  o;  vi  rom- 
melen;   —  forth   {out),  opdreunen. 

ruminant   ['ruiminant]   herkauwend 
(dier  o). 

ruminate  ['ru:mineit]  herkauwen;  — 
over   {upon),   overpeinzen. 

rumination    [ru:mi'neij'3n]    herkau- 
wing;   fig   overdenking,   gepeins  o. 

rummage  E'rAmids]  rommel;  gesnuf- 
fel  o,  doorzoeking;  vt  doorsnuffe- 
len,  doorzoeken;  vi  rommelen,  snuf- 
felen;   —   out   {up),  opschommelen. 

rumour  ['ruima]  gerucht  o,  faam; 
■ — ■  has  it  that...,  er  loopt  een  ge- 
rucht dat...;  vt  (bij  gerucht)  ver- 
spreiden;  uitstrooien;  it  is  — ed  that, 
het  gerucht  gaat  dat... 

rumple  ['rAmpl]  kreuk,  vouw;  vt  ver- 
kreuk(el)en,  vouwen,  verf  romme- 
len,  in   de  war  maken. 

rumpsteak   E'rAmpsteik]   biefstuk. 

run  [rAn]  loop,  aanloop;  bestorming 
[v.  bank];  toeloop;  wedloop,  ren; 
reis,  rit,  tochtje  o;  traject  o;  reeks;  type 
o;  a  —  of  ill-luck,  wanbof;  a  — 
of  luck,  bof;  at  a  — ,  op  een  loopje; 
/'  n  the  long  —-,  op  de  (lange)  duur; 
vi  (hard)lopen,  gaan,  rijden;  in 
omloop  zijn,  geldig  zijn;  deserteren; 
rennen;  vloeien,  stromen;  luiden  [v. 
tekst];  —  cold  {mad),  koud  (gek) 
worden;  —  low  {short),  opraken; 
vt  laten  lopen  [treinen  &];  drijven, 
besturen,  leiden,  exploiteren  [zaak 
&] ;  smokkelen  [geweren  &] ;  —  the 
show,  de  lakens  uitdelen;  — 
down,  omverlopen,  -rijden;  op- 
sporen;  uitputten;  fig  afbreken,  af- 
geven  op;  • — '  for  it,  het  op  een 
lopen  zetten;  —  out,  ten  einde 
lopen,  af lopen  [termijn];  opraken 
[voorraad] ;  —  with,  druipen  van 
[bloed   &];    V.D.    van    run. 

runaway  E'rAnawei]  vluchteling;  de- 
serteur;  aj  weggelopen,  op  hoi 
(zijnd). 

rung  [rAf]]  sport  [v.  ladder];  V.D. 
v.  ring. 

runner    ['rAna]    loper:    boodschapper; 

16 


runway 


242 


sag 


uitloper;  klimboon. 

runway  ['rAnwei]  startbaan,  landings- 
baan    [v.  vliegtuig]. 

rupture  ['lAptJa]  breuk;  scheuring;  vi 
8i  vt  (ver)breken,   (doen)   springen. 

rural   ['ruarsi]   landelijk. 

ruse   [ru:z]   krijgslist,  list. 

rush  [taJ]  bies;  vaart,  haast;  bestor- 
ming;  paniek;  stroom,  hoop  [men- 
sen];  geruis  o\  aj  in:  the  —  hours, 
de  spitsuren;  vi  (voort) Snellen,  ijlen, 
rennen;  zich  storten;  stromen;  rui- 
sen;  vt  losstormen  op,  bestormen; 
overrompelen;  haast  maken  met. 

rusk   [rAsk]   beschuit. 


Russia  ['rAja]   Rusland  o. 

Russian    ['rAjsn]    Rus;  aj  Russisch. 

rust   [lASt]    roest;   vi   (ver)roesten. 

rustic  ['rAstik]  landman,  boer;  aj  lan- 
delijk,  boers;   boeren-,   land-. 

rustle    E'rAsl]    geritsel  o,  geruis  o;  vi 
ritselen,   ruisen. 

rusty    ['lASti]    roestig;    stijf,    stram; 
tnr72   ■ — ■,   nijdig  worden. 

rut   [rAt]   wagenspoor  o,  spoor  o\  fig 
sleur,    routine. 

ruthless    ['ru:01is]    meedogenloos,   on- 
barmhartig. 

rye   [rai]    rogge. 


s    [es]    (de  letter)    s. 

sabbath    ['saebaG]    sabbat. 

sable  ['seibl]  sabeldier  o\  sabelbont  o\ 

aj  zwart,   donker. 
sabotage    ['saebstais]    sabotage;   vt  sa- 

boteren. 
sabre   ['seiba]    (cavalerie)sabel;  vt 

neersabelen. 
saccharine  ['stekarain,  -i;n]   sacharine; 

aj   suikerhoudend;   fig   suikerzoet. 
sack    [sask]    (grote)    zak;   plundering; 

give  one  the  ■ — ■,  de  bons  geven;  vt 

in  zakken  doen;  de  bons  geven;  ont- 

slaan;    plunderen. 
sackcloth    ['s£ekkb9]    zakkenlinnen   o\ 

in  — ^  and  ashes,  in  zak  en  as. 
sacrament    ['saekramsnt]    sacrament  o; 

Avondmaal  o   [b.  d.  Protestanten]. 
sacred  ['seikrid]  heilig,  geheiligd,  ge- 

wijd,  geestelijk,  kerk-. 
sacrifice    ['saekrifais]    offerande,  offer 

(?;  opoffering;  sell  at  a  — ,  met  ver- 

lies  verkopen;   at  the   —   of...,  met 

opoffering  van...;  vt  (op)offeren. 
sacrilege   ['saskrilid3]   heiligschennis. 
sacrilegious   [saekri'li:d33s]    (heilig) - 

schennend. 
sacristy   ['saekristi]   sacristie. 
sad  [sjed]   droevig,  bedroefd;  treurig; 


donker. 
sadden    ['sasdn]    bedroeven,   somber 

maken    (worden). 
saddle  ['ssedl]  zadel  m  of  o\  schraag; 

rug-,    lendestuk    o;    vt    zadelen;    -- 

ivith,    opschepen   met. 
saddler    ['sasdb]    zadelmaker. 
sadly  ['sasdli]  droevig,  bedroefd,  treu- 
rig; bar,  zeer,   erg,  danig. 
sadness   ['saednis]   droefheid,  treurig- 

heid. 
safe   [self]   brandkast;  provisiekast;  aj 

veilig,    ongedeerd,    gezond    en    wel 

(ook:   ■ — ■  and  sound);  betrouwbaar; 

solide;  zeker. 
safe-conduct    ['seif'kandakt]    vrijgelei- 

de  o. 
safe-deposit  [seifdi'pszit]   kluis. 
safeguard   ['seifga:d]   vrijgeleide  o\ 

waarborg;   bescherming;   vt  verzeke- 

ren,  vrijwaren,  waarborgen,  bescher- 

men. 
safely  ['seifli]  veilig,  ongedeerd,  goed 

(en   wel);   gerust. 
safety   ['seifti]   veiligheid. 
saffron   ['saefran]    saffraan. 
sag    [sasg]    door-,  verzakking;   daling; 

vi  (door-,  in-,  ver) zakken,  doorbui- 

gen;   slap  hangen;   dalen. 


saga 


243 


sand 


saga   ['sa:g3]   saga. 

sagacious   [sa'geijas]    scherpzinnig, 

schrander. 
sagacity    [sa'gaesiti]    scherpzinnig- 

heid,  schranderheid. 
sage  [seidg]   wijze,  wijsgeer;  salie;  ai 

wijs. 
sago   E'seigou]   sago. 
said  [sed]  V.T.  &  V.D.  van  say;  (bo- 

ven)genoemd,  voormeld. 
sail    [seil]    zeil    o\    zeiltocht;     (zeil)- 

schip    o\    wiek;    set    ■ — ■,    onder    zeil 

gaan;  {in)  full  ■ — ■,  met  voile  zeilen; 

vi  zeilen;   uitzeilen;  afvaren;  varen; 

stevenen;  zweven;  vt  bevaren,  door- 

klieven    [het    luchtruim]. 
sailcloth   E'seilkbO]    zeildoek  o  &   m. 
sailer   ['seib]    zeilschip   o;  a  fast   — , 

een  snel  lopend    (stoom)schip   o. 
sailing    ['seilir)]    het    zeilen;    afvaart; 

— ship,  zeilschip  o. 
sailor   ['seib]   matroos,  zeeman. 
saint    [seint]    heilige;    aj   sint,   heilig; 

vt   heilig  verklaren. 
sainted   ['seintid]   heilig;   zaliger. 
saintlike  ['seintlaik],  saintly  ['seintli] 

als  een  heilige,  heilig,  vroom. 
sake    [seik]    for  the   '—    of,   ter  wille 

van;  for  God's  ■ — ■,  om  godswil;  for 

your  — ,  voor  u. 
salable  ['seibbl]  verkoopbaar;  gewild. 
salad    ['sasbd]    salade,   sla. 
salamander  ['sasbmsnds]  salamander. 
salary  ['ssbri]  salaris  o,  bezoldiging, 

loon  o;  vt  bezoldigen. 
sale    [seil]    verkoop,    veiling;    — (j), 

uitverkoop;    on    (for)    — ,   te   koop. 
salesman   ['seilzman]  verkoper. 
salient    ['seilisnt]   vooruitspringende 

punt;    af    (voor)uitspringend,    uit- 

stekend;    opvallend. 
saliva    [ss'laiva]    speeksel    o. 
sallow    ['sselou]    waterwilg;   aj  bleek, 

vaal. 
sally   ['s£eli]    uitval;    (geestige)    inval, 

kwinkslag;    vi   een    uitval    doen,    te 

voorschijn    springen. 
salmon   ['sseman]   zalm. 
saloon   [s3'lu:n]   zaal,  salon. 


salt    [sD:lt]    zout    o;    fig    geestigheid; 

zeerob;    ■ — s,    Engels    zout    o;    reuk- 

zout  o;  aj  zout,  gezouten;  gepeperd 

[rekening];   vt  zouten;  fig  peperen 

[rekening]. 
salt-cellar  ['sD:ltseb]   zoutvaatje  o. 
salt-maker   ['sDiltmeiks]   zoutzieder. 
saltpetre    [sD:lt'pi:t3]    salpeter. 
salty    ['sDtlti]    zout(acht)ig,  zilt(ig). 
salutary   ['saeljutsri]   heilzaam,  welda- 

dig,  zegenrijk;  gezond. 
salutation  [saelju'teijan]  groet,  begroe- 

ting. 
salute    [s3'l(j)u:t]    groet,   begroeting; 

saluut(schot)    <?;    give    the    — ■,     de 

groet  brengen;  take  the  — ,  de  pa- 
rade   afnemen;    vt    (be)groeten;    sa- 

lueren. 
salvage    ['sslvids]    berging;    bergloon 

o\   geborgene   o\    vt   bergen. 
salvation  [sasl'veijsn]  zaligmaking,  za- 

ligheid,    redding;    Salvation    Army, 

Leger  o  des  Heils. 
Salvationist    [ssel'veijanist]    heilsol- 

daat,  heilsoldate. 
salve  [sa:v]  zalf,  balsem;  vt  insmeren; 

sussen,     verzachten,     helen;     bergen 

[strandgoed]. 
salver   ['sselva]    presenteerblad  o. 
same  [seim]   zelfde,  genoemde;  eento- 

nig;  all  the  '~,  (geheel)  eender;  hoe 

dan  ook,  toch. 
sample    ['sa:mpl]    staal   o,  monster  o\ 

fig  staaltje  o\  vt  bemonsteren;  keu- 

ren,   proeven;    ondervinden. 
sanatorium  [sasna'toiriam]   sanatorium 

o. 
sanctify   ['s£er)ktifai]   heiligen. 
sanctimonious    [saerjkti'mounias] 

schijnheilig. 
sanction   ['ssrjkjsn]   sanctie,  goedkeu- 

ring,    bekrachtiging;    vt    wettigen, 

bekrachtigen;  goedkeuren. 
sanctity   ['s£er]ktiti]    heiligheid. 
sanctuary    ['sserjktjusri]    heiligdom    o, 

Allerheiligste  o\  asiel  o,  toevluchts- 

oord  o\  [vogel]   reservaat  o. 
sand  [s£end]  zand  o;  zandbank;  zand- 

grond;  ~-s,  zandkorrels,  zand  o;  the 


sandal 


244 


save 


■~j-,   het  strand;   de  woestijn. 
sandal  ['saendsl]   sandaal. 
sandalwood  ['sEndalwud]   sandelhout 

o. 
sandbag  ['ssndbasg]   zandzak. 
sand-bank   ['s£endb£er)k]  zandplaat. 
sand-glass   ['s£endgla:s]   zandloper. 
sand-paper   ['saendpeipa]   schuurpa- 

pier  o. 
sand-pit   ['sandpit]   zandgroeve. 
sandstone    ['ssendstoun]    zandsteen   o 

&  m. 
sandwich    ['ssendwitj"]    sandwich    [be- 

legd     boterhammetje] ;     vt     leggen, 

plaatscn  of  schuiven  tussen. 
sandy  ['sjendi]  zandig;  rossig. 
sane    [sein]    gezond    [van    verstand]; 

verstandig,  (goed)  bij  zijn  verstand. 
sang   [saerj]   V.T.  van  sing. 
sanguinary    ['sEeggwinsri]    bloeddor- 

stig;   bloedig. 
sanguine   ['szeggwin]   volbloedig; 

bloedrood,  bleed-;  jig  hoopvol,  op- 

timistisch. 
sanitary    ['seenitsri]    sanitair,    gezond- 

heids-,  hygienisch. 
sanity    ['sseniti]    gezondheid,    gezond 

verstand   o\   toerekenbaarheid. 
sank   [s£er)k]   V.T.  van  sink. 
Santa  Claus    ['ssenta'kbiz]    het   kerst- 

mannetje. 
sap    [saep]    (plante)sap    o,     vocht     o\ 

mijngang;   vt  fig   ondermijnen,   slo- 

pen. 
sapid    ['saspid]    smakelijk. 
sapient  ['seipisnt]  wijs;  eigenwijs. 
sapling  ['sasplir)]   jong  boompje  o. 
sapper  ['saspa]   sappeur. 
sapphire    ['saefaia]    saffier     o     [stof- 

naam],  saffier  m  [voorwerpsnaam]. 
sappy   E'saepi]   sappig,  saprijk. 
sarcasm  ['saikaezm]   sarcasme  o. 
sarcastic   [sa/ksestik]    sarcastisch. 
sardine    [sa:'di:n]    sardine. 
sardonic  [sa/danik]  sardonisch,  bitter. 
sash    [ssej]    sjerp,    ceintuur;    raam    o, 

schuifraam   o. 
sash-window    ['siejwindou]    schuif- 
raam o. 


sat  [saet]  V.T.  &  V.D.  v.  sit. 
Satan    ['seitan]    satan. 
Satanic   [sa'tasnik]    satanisch. 
satchel    ['ssetjal]    (boeken)tas. 
satellite  ['sjetilait]  satelliet;  —  toivn, 

randgemeente. 
satiate   ['seijiit]   verzadigd,  beu   (van, 

with);    ['seijieit]    vt  verzadigen. 
satiety    [sa'taiati]    verzadigdheid;    to 

— ,   tot  beu  wordens   toe. 
satin   ['sastin]    satijn  o\  aj  satijnen. 
satire  ['ssetaia]  satire. 
satiric(al)    [sa'tirikfl)]  satiriek,  heke- 

lend. 
satirize   ['saetiraiz]   hekelen. 
satisfaction  [saetis'faekjan]  voldoening; 

in  —  of,  ter  voldoening  (kwijting) 

van;  /  o  the  —    oj,  naar    (ten)    ge- 

noegen  van. 
satisfactory   [sajtis'fcektari]   bevredi- 

gend,  voldoend. 
satisfy   ['sstisfai]   voldoen    (aan),  be- 

vredigen;  verzadigen,  stillen;  be  sat- 
isfied that...,  overtuigd  zijn  dat...; 

satisfied  with,  tevreden  over   (met). 
saturate  ['scetjareit]  verzadigen;  —d 

u'ith,   ook;    doortrokken  van. 
saturation    [sstja'reijan]    verzadiging. 
Saturday  ['saetadi]   zaterdag. 
satyr    ['sasta]    sater,  bosgod. 
sauce   [sa;s]    saus;   brutaliteit;   vt  sau- 

sen,  kruiden;  brutaliseren. 
sauce-boat    ['sa:sbout]    sauskom. 
saucepan   ['saispan]    steelpan. 
saucer   ['sa:sa]   schoteltje  o,  bordje  o; 

flying  — ,  vliegende  schotel. 
saucy    ['sD:si]    brutaal. 
sauerkraut    ['sauakraut]    zuurkool. 
saunter  ['sainta]  toertje  o,  drenteling; 

drentelpas;    vi   slenteren. 
sausage    ['sasidsl    saucijs,   worst. 
sausage-roll    ['sasidsroul]    saucijze- 

broodje  o. 
savage    ['saevids]    wilde(man);   aj 

wild,    woest,    wreed,    onmenselijk, 

beestachtig,  gruwelijk. 
savagery    ['scevidsri]    wild-,  woest-. 

wreedheid. 
save    [seiv]   behalve,   uitgezonderd;   vt 


saving 


245 


scatter 


redden,  zaiig  maken;  behouden,  be- 
waren,  behoeden  (voor,  from); 
(be)sparen. 

saving  L'seivir|]  behoudens,  behalve; 
aj  reddend,  zaligmakend;  spaarzaam, 
zuinig    (met,    of). 

savings    ['seivigz]    spaarpenningen, 
spaargeld  o,  spaargelden. 

savings-bank  ['seivirjzbaerjk]  spaarbank. 

Saviour   ['seivja]   Zaligmaker. 

savour  ['seiva]  smaak,  smakelijkheid; 
geur;  vi  smaken,  rieken  (naar,  of); 
vt   smaak   vinden   in. 

savoury   ['seivari]   smakelijk,  geurig. 

savoy   [sa'vDi]    savooi(e)kool. 

saw    [sd:]    gezegde   o,    spreuk;    zaag; 
vt  zagen;   V.T.   v.  see. 

sawdust  ['s3:dASt]  zaagsel  o. 

sawn  [sD:n]   V.D.  van  saw. 

Saxon  C'saeksn]  Angelsaks;  Saks;  a] 
Angelsaksisch;    Saksisch. 

Saxony    ['saeksani]    Saksen    o. 

saxophone   ['sjeksafoun]   saxofoon. 

say  [sei]  zeggen,  opzeggen;  never  — 
die,  geef  het  nooit  op;  —  the  word, 
zeg  het  maar;  7  — /,   ■ — I,  zeg  eens! 

saying  ['seiir)]  zeggen  o,  gezegde  o, 
zegswijze;  as  the  ■ — ■  is,  zoals  men 
(het  spreekwoord)   zegt. 

scab  [skoeb]  roof;  schurft;  onderkrui- 
per    [bij   staking]. 

scabbard    ['skabad]    schede. 

scabby    ['sksebi]    schurftig;   armzalig. 

scabies   ['skeibii:z]   schurft. 

scaffold  E'skaefald]   steiger;  schavot  o. 

scaffolding  ['skaefaldirj]  stellage,  stei- 
ger. 

scald  [skadd]  brandwonde;  vt  broei- 
en,   schroeien. 

scale  [skeil]  weegschaal;  schaal;  toon- 
ladder;  maatstaf;  schilfer,  schub; 
aanslag;  ketelsteen  o  Sc  m;  the  '~J 
{a  pair  of  ~'J'),  de  (een)  weeg- 
schaal; turn  the  ■—',  de  doorslag 
geven;  vt  wegen;  (met  ladders)  be- 
klimmen;  overklimmen;  (af)schilfe- 
ren,   schillen,   afschubben. 

scaled    ['skeild]    geschubd,   schubbig. 

scaly    ['skeili]    schubbig;    schilferig. 


scamp   [skaemp]    schelm,  deugniet. 
scamper    ['skaempa]    galopje    o,    hol- 

letje  o;  wandelritje  o;  vi  hollen,  er 

vandoor  gaan. 
scan    [sksen]    scherp  opnemen,   onder- 

zoeken;   aftasten    [bij    televisie]. 
scandal   ['skaendl]   aanstoot;  schandaal 

o,  schande;  laster. 
scandalize    ['skasndalaiz]    ergernis   ge- 
ven; belasteren;  be  — d,  zich  erge- 

ren. 
scandal-monger    ['ska:ndalmAf)ga] 

kwaadspreker. 
scandalous    ['skaendalas]    ergerlijk, 

schandeHjk;   lasterlijk. 
Scandinavia    [skcendi'neivja]    Scandi- 

navie  o. 
Scandinavian    [skffindi'neivjan]    Scan- 

dinavier;   aj  Scandinavisch. 
scant    [skaent]    gering,    schraal,    karig 

(met,    of);    vt    krap    houden,    krap 

toemeten,  bekrimpen. 
scanty    ['skaenti]    krap,   schriel,   karig, 

dun,  gering,   schaars,  weinig. 
scapegoat    ['skeipgout]    zondebok. 
scapegrace  ['skeipgreis]  deugniet. 
scar    [ska:]     schram;     litteken     o;     vt 

schrammen;  vi  een  litteken  vormen, 

dichtgaan    [v.   wond]. 
scarce   [skeas]   schaars,  zeldzaam. 
scarcely   ['skeasli]   nauwelijks,  ternau- 

wernood;    (toch)    wel  niet;    '~   any- 

thing,    bijna    niets;    '^...    when..., 

nauwelijks...   of... 
scarcity    ['skeasiti]    schaarste,    zeld- 

zaamheid,  gebrek  o   (aan,  of). 
scare    [skea]    plotseHnge    schrik,    pa- 

niek;    vt    doen    schrikken;    afschrik- 

ken;    —   away,  wegjagen. 
scarecrow   ['skeakroa]   vogelverschrik- 

ker. 
scarf  [ska:f]   sjerp;  das,  sjaal. 
scarlatina    [ska:Ia'ti:na]    roodvonk. 
scarlet    ['skadit]    scharlakenrood;    ■^ 

fever,   roodvonk. 
scathe    [skeiS]    beschadigen,  deren, 

terneerslaan,  verpletteren. 
scatheless   ['skeiSIis]   ongedeerd. 
scatter  ['skaeta]   (ver-,  uit)strooien,  be- 


scavenger 


246 


Scot 


strooien,   (zich)  verspreiden,  uiteen- 

jagen,   verdrijven. 
scavenger   ['skaevindsa]   straatveger. 
scene    [si:n]    toneel   o,   tafereel    o; 

scherm  o,  decor  o\  scene. 
scenery    ['sirnari]    toneeldecoraties; 

(natuur)tonelen,    landschap    o,    na- 

tuurschoon  o,  natuur. 
scent    [sent]    reuk,  geur;  parfum   o  & 

m\  reukzin;   lucht;   spoor  o\  vt  rui- 

ken,  de  lucht  krijgen  van;  doorgeu- 

ren;   parfumeren. 
sceptic  E'skeptik]  scepticus,  twijfelaar; 

a]  sceptisch,   twijfelend. 
sceptre  ['septa]   scepter. 
schedule   ['jedju:!]    cedel,  lijst,   tabel; 

dienstregeling;    rooster,    program   o\ 

ahead  of  — ,  voor  zijn  tijd,  te  vroeg; 

behind  ^-^ ,  over  tijd,  te  laat;  on  --, 

op    tijd;    vl    op    de    lijst    &    zetten, 

opnemen,  aan-,  opgeven,  vaststellen. 
Scheldt    [skelt]    Schelde. 
scheme  [ski:m]   schema  o,  ontwerp  o, 

schets,  plan  o,  bestel  o;  vt  ontwer- 

pen,  beramen;  vi  plannen  maken;  in- 

trigeren;  vt  beramen. 
schemer    ['skiima]    plannenmaker;   in- 
trigant. 
schism    ['sizm]    schisma  o,  scheurmg. 
scholar   ['sksb]    geleerde;   kenner; 

leerling;   beursstudent. 
scholarly   ['sksbli]   geleerd,  weten- 

schappelijk,   gedegen    [kennis]. 
scholarship   ['skobjip]   geleerdheid; 

wetenschap,  kennis;  studiebeurs. 
scholastic   [ska'lastik]   scholastiek, 

schools;    school-. 
school   [sku;l]   school;   --^  of  thought, 

richting;  vt  onderwijzen,  oefenen. 
school-fellow   ['sku:lfelou]   school- 

makker. 
schoolmaster    ['sku:lma:st3]    (hoofd)- 

onderwijzer,  schoolmeester. 
schoolmistress  ['sku:lmistris]  (hoofd)- 

onderwijzeres. 
schoolroom    ['sku:lrum]    schoollokaal. 
schooner    ['skurns]    schoener. 
sciatic    [sai'aetik]    heup-. 
sciatica   [sai'astika]   heupjicht. 


science    ['saians]    wetenschap,    kennis, 

kunde;  natuurwetenschap(pen),  wis- 

en   natuurkunde. 
scientific   [saian'tifik]   wetenschappe- 

lijk. 
scientist   ['saisntist]   natuurkundige; 

geleerde. 
scintilla    [sin'tib]    vonkje   o. 
scintillate    ['sintileit]    vonkelen,   flon- 

keren,   schitteren,   tintelen. 
scion    ['saian]    ent,    spruit,    loot. 
scission    ['sijan]    deling,   splitsing. 
scissors   ['sizaz]   schaar;  a  pair  of  — , 

een  schaar. 
scoff    [skaf]    bespotting,   schimp- 

(scheut);  vi  spotten,  schimpen. 
scold  [skould]   (be)kijven,  een  standje 

maken. 
scolding    ['skouldir)]    standje   a,  uit- 

brander. 
scoop  [sku;p]  schop,  schep(per),  hoos- 

vat  o,  spatel;  vangst;  winst;  buiten- 

kansje  o\  at  one   ■ — ■,  met  een  slag; 

vt    (uit)scheppen,    uithozen;    uithol- 

len;    bijeenschrapen. 
scooter    ['sku:to]    autoped,    step; 

scooter. 
scope     [skoup]     oogmerk    o,    doel    o; 

strekking;     (speel)ruimte,    vrijheid; 

gezichtskring,  gebied  <?;  omvang. 
scorch    [skD:tJ]    (ver)schroeien. 
score   [skD:]   kerf,  keep;  rekening,  ge- 

lag   o\    aantal    a     behaalde    punten, 

stand;      twintig(tal     o)\     four     — , 

tachtig;  -—s  of  times,  talloze  malen; 

on  that  ■ — ■,  wat  dat  betreft;  on  the 

—    of,   vanwege,  wegens;   op  grond 

van;  op  net  punt  van;   vt  inkerven, 

(in)kepen;  optekenen;  boeken   [suc- 

ces];    behalen    [punten];    vi    punten 

behalen;  succes  hebben. 
scoria    ['skatria]    metaalschuim    o. 
scorn   [skD:n]   verachting,  versmading, 

boon;  /'///  to  — ,  beschamen;  vt  ver- 

achten,  versmaden. 
scornful  ['ska:nful]  schamper,  honend. 
scorpion  ['skoipjan]  schorpioen. 
scorzonera    [skaiza'niara]    schorseneer. 
Scot   [skDt]   Schot. 


Scotch 


247  sculpture 


Scotch    [slotj]    Schots;   the   ■—,   de 
Schotten. 

Scotchman    ['skDtJmsn]    Schot. 

Scotland   ['sk^tbnd]  Schotland  o. 

scoundrel  ['skaundrsl]  schurk,  deug- 
niet. 

scour    E'skaus]    schuren,    wrijven; 
schoonmaken;  [de  zee]  schoonvegen; 
af-,   doorzoeken;   aflopen;    doorkrui- 
sen. 

scourge  [skaidsl  zweep,  gesel;  plaag; 
vt  geselen;  teisteren. 

scout  [skaut]  spion;  verkenner;  pad- 
vinder;  wegenwacht;  verkennings- 
vliegtuig  o\  vt  verkennen;  verachte- 
lijk  afwijzen. 

scouting  ['skautii]]  verkenning;  pad- 
vinderij. 

scout-master    ['skautma:st3]    leider 
van  een  verkenningspatrouille;  hop- 
man    [van   padvinders]. 

scowl  [skaul]  dreigende  blik;  vi  het 
voorhoofd  fronsen;  --  at  (on,  up- 
on), nors,  somber,  dreigend  aanzien 
of  neerzien  op. 

scramble  ['skriembl]  geklauter  o\  ge- 
grabbel  o;  gedrang  o;  gevecht  o; 
throw  it  for  a  ■ — ^,  te  grabbel  gooi- 
en;  vi  klauteren;  grabbelen  (naar, 
for);  elkaar  verdringen,  vechten 
(om,  for);  —  to  one's  feet  (legs), 
weer  opkrabbelen;  ■ — d  eggs,  roer- 
eieren. 

scrap  [skrasp]  stukje  o,  zier;  (uit)- 
knipsel  o;  plakplaatje  o;  oud  ijzer  o, 
schroot  o,  afval  o  &  m;  ruzie,  klop- 
partij,  gevecht  o;  a  '--'  of  paper,  een 
vodje  o  papier;  vt  afdanken;  slo- 
pen;    vi  een  robbertje  vechten. 

scrape  [skreip]  gekras  o\  kras;  verle- 
genheid,  knel;  vt  schrapen;  krassen 
[op  viool]. 

scratch  [skrastj]  schram,  schrap,  kras; 
streep;  kloppartij;  aj  bijeengeraapt; 
vt  krabben,  schrammen;  (be) krassen; 
schrappen;  (be)kriebelen;  afstrij- 
ken  [lucifer]. 

scrawl  [skr):l]  gekrabbel  o,  krabbel; 
Vt  Si  vt  krabbeleq. 


scream  [skri;m]  gil;  //  was  a  ■ — •,  het 

was  om  te  gieren;  vi  giUen,  gieren 

(van   't  lachen,   with  laughter). 
screech   [skriitj]   schreeuwen,  gillen, 

krijsen. 
screen  [skri:n]  scherm  o;  beschutting, 

maskering;    doek    o    [v.    bioscoop] ; 

grove  zeef;  vt  beschermen,  beschut- 

ten  (tegen,  from);  maskeren;  ziften. 
screen  star   ['skri:nsta:]    filmster. 
screw   [skru:]    schroef;  peperhuisje  o; 

vt     (aan)schroeven,     vastschroeven; 

verdraaien,  vertrekken. 
screwdriver   ['skruidraiva]    schroeve- 

draaier. 
screwjack   ['skru:d3aek]   dommekracht, 

vijzel. 
scribble    ['skribl]    gekrabbel    o,   krab- 

belschrift  o;   vt   krabbelen,   pennen; 

bekriebelen. 
scribe   [skraib]    schrijver;   schriftge- 

leerde. 
scrip    [skrip]    briefje  o,  bewijs  o  van 

storting;  recepis  o  8c  v. 
script    [skript]    schrift  o;  geschrift  o; 

handschrift     o,     manuscript    o    [to- 

neel],    draaiboek    o    [film];    druk- 

schrift   o;   schrijfletter(s). 
scriptural    ['skriptjaral]    bijbels,    bij- 

bel-. 
Scripture   ['skriptjs]   de  Schrift. 
scroll    [skroul]    rol,   lijst;   krul(versie- 

ring). 
scrub   [skrAb]    schrobben,    (af)boenen. 
scruff    [skrAf]    nek;    taJke   one   by   the 

—    of  the  neck,   iemand   achter   bij 

zijn   nek(vel)    pakken. 
scruple    ['skru:pl]    zwarigheid,    (ge- 

wetens)bezwaar  o;  scrupel  o. 
scrupulous    ['skruipjulas]    nauwgezet, 

angstvallig. 
scrutinize  ['skru:tinaiz]  nauwkeurig 

onderzoeken. 
scuffle   ['skAfI]   kloppartij,  handge- 

meen  o;  vi  plukharen,  vechten. 
scull    [skAl]    wrikriem. 
scullery    ['skAbri]    bij-,   achterkeuken. 
sculptor  ['skAlpta]   beeldhouwer. 
sculpture   ['skAlptJs]    beeldhouwen  o, 


scum 


248 


secrecy 


beeldhouwkunst;     beeld(houw)werk 

o\  vt  beeldhouwen. 
scum  [skAm]  metaalschuim  o,  schuim 

o\  jig  uitschot  o. 
scurry    ['skAri]    hard    (weg)lopen. 
scurvy  ['skaivi]  scheurbuik;  aj  schun- 

nig,  gemeen,   min. 
scuttle    ['skAtl]    kolenbak;   luik   o    [v. 

schip]. 
scythe  [sai3]   zeis. 
sea  [si:]   zee;  at  ■ — ,  ter  zee,  op  zee; 

he  at  — ,  het  mis  hebben;  in  de  war 

zijn;   by   — ,   over  zee. 
sea-going   ['sitgouirj]   zeevarend;  zee-. 
seal     [si:l]     zeehond,    rob;     zegel    o\ 

jig  stempel  o  &  ;«;   (af)sluiting;  vt 

zegelen,  lakken,  verzegelen;  sluiten; 

bezegelen. 
sea-level   ['si:levl]   zeespiegel. 
sealing-wax    ['siiligwaeks]     (zegel) lak 

o  &i  m. 
sealskin    ['si:Iskin]    robbevel   o. 
seam    [si:m]    naad;    litteken   o\    mijn- 

ader;  vt  aaneennaaien. 
seaman   ['siimsn]   zeeman,  matroos. 
seamstress   ['semstris]   naaister. 
seamy  ['si:mi]  vol  naden;  the  — ■  side, 

de  lelijke  kant,  de  keerzijde  van  de 

medaille. 
sea-plane   ['si:plein]  watervliegtuig  o. 
sea-plane  carrier   ['siipleinkaeria] 

vliegtuigmoederschip   o. 
seaport    ['si:p3:t]    zeehaven. 
sear  [sis]  doen  verdorren;  uitbranden, 

(ver)schroeien. 
search    [s3:tj]    doorzoeking;    visitatie; 

onderzoek  o;  in  ■ — ■  oj,  op  zoek  naar, 

om   ...    te  vinden;    vt  onderzoeken; 

(door)zoeken;  '~  jor,  zoeken  naar; 

—    into,    onderzoeken;    • —     out, 

uitvorsen. 
searching   ['ssitjir)]   onderzoekend, 

doordringend;    diepgaand,    grondig. 
searchlight    ['s3:tjlait]    zoeklicht  o. 
seascape    ['siiskeip]    zeegezicht  a. 
seasick   ['si;sik]    zeeziek. 
seasickness   ['si:siknis]    zeeziekte. 
seaside    ['si:'said]    zeekant;   go  to  the 

^^,  naar  een  badplaats  aan  zee  gaan. 


season  ['si:zn]  seizoen  o\  tijd;  tijd- 
perk  o,  jaargetijde  o;  in  — ,  tijdig, 
(juist)  van  pas;  out  of  — ,  te  on- 
pas,  ontijdig;  vt  toebereiden,  krui- 
den;  rijp  laten  worden. 

seasonable  ['siiznsbl]  geschikt,  gele- 
gen;  van  pas  (komend);  •~-'  weather, 
weer   o   voor   de   tijd  van   het   jaar. 

seasoning    ['siiznirj]    toebereiding; 
kruiderij. 

season  ticket   ['si:zn'tikit]   abonne- 
mentskaart. 

seat  [si:t]  zitting;  (zit)plaats;  bank, 
stoel,  zetel;  zit;  kruis  o  [v.  broek]; 
zitvlak  o;  ■ — s,  please! ,  instappen!; 
the  —  oj  war,  het  toneel  van  de 
oorlog;  vt  (neer)zetten,  laten  zitten; 
plaatsen;  be  — ed,  zitten;  be  — edl, 
gaat  u  zitten!;  —  oneselj,  gaan  zit- 
ten. 

seaweed  ['si:wi:d]  zeegras  o,  -wier  o. 

seaworthy    ['si:w3:Si]    zeewaardig. 

secede   [si'si:d]   zich  afscheiden. 

secession    [si'sejsn]    afscheiding. 

seclude  [si'klu:d]  uitsluiten;  afzonde- 
ren. 

seclusion  [si'klu:33n]  uitsluiting;  af- 
zondering. 

second  ['seksnd]  seconde;  secondant, 
getuige;  helper;  a]  tweede,  ander; 
—  cousin,  achterneef,  achternicht; 
every  ■ — ■  day,  om  de  andere  dag; 
be  ■ —  to  none,  voor  niemand  on- 
derdocn;  —  best,  op  een  na  de  bes- 
te;  niet  volmaakt,  minder  volmaakt; 
vt   bijstaan,    helpen,    ondersteunen. 

secondary  ['sekandsri]  ondergeschikt, 
bijkomend;  bij-;  —  school,  middel- 
bare  school. 

second-hand    ['sekandhsend]    t\veede- 
hands. 

secondly   ['sekandli]    ten  tweede. 

second-rate    ['seksndreit]    tweede- 
rangs-. 

seconds  hand  ['sekandzhaend]   secon- 
dewijzer. 

secrecy  ['si:krisi]  geheimhouding,  hei- 
melijkheid,  stilzwijgen  o;  afzonde- 
ring;   in    — ■,   in   't  geheim. 


secret 


249 


self-conceit 


secret  ['si:krit]  geheim  o\  in  ■ — ■,  in 
't  geheim,  stilletjes;  aj  geheim;  hei- 
melijk,  verborgen. 

secretariat  [sekri'teariat]  secretariaat 
o\  secretarie. 

secretary  ['sekiitsri]  secretaris;  minis- 
ter. 

secrete  [si'kri:t]  verbergen,  (ver)he- 
len;  afscheiden. 

secretion  [si'krirjan]  verberging,  he- 
ling;   afscheiding. 

secretive  [si'kri:tiv]  geheimhoudend; 
geheimzinnig    (doend). 

secretly   ['sirkritli]    heimelijk;  in  't 
geheim,  stilletjes,   in  stilte. 

sect    [sekt]    sekte,   gezindte. 

section   ['sekjan]    snijding,  sectie; 
groep,  geleding;  gedeelte  o,  deel  o\ 
(door)snede. 

secular  ['sekjub]  eeuwenoud,  eeuw-; 
wereldlijk;    leke(n)-. 

secure  [si'kjus]  zeker;  veilig;  goed 
vast(gemaakt);  vt  in  veiligheid 
brengen,  (goed)  vastmaken;  (op-, 
weg)sluiten;  beveiligen,  verzekeren; 
(zich)  verschaffen,  (ver)krijgen,  de 
hand  leggen  op. 

security  [si'kju3riti]  veiligheid;  (on- 
der)pand  o,  (waar)borg;  securities, 
ook:  effecten,  fondsen;  social  '~, 
sociale  verzekering. 

Security  Council  [si'kjuaritikaunsl] 
Veiligheidsraad. 

sedate    [si'deit]    bezadigd,    rustig. 

sedative  ['sedstiv]  kalraerend,  pijn- 
stillend   (middel  o). 

sedentary  ['sedntari]  zittend,  op  een 
plaats  blijvend. 

sediment  ['sedimant]  bezinksel  o. 

sedition  [si'dijan]  opruiing;  oproer  o. 
seditious  [si'dijas]  oproerig;  opruiend. 

seduce  [si'dju:s]  verleiden. 

seduction   [si'dAkJsn]   verleiding. 

seductive    [si'dAktiv]    verleidelijk. 

sedulous  ['sedjubs]  naarstig,  ijverig, 
onverdroten. 

see  [si:]  (aarts)bisschopszetel;  dio- 
cees  o;  Holy  See,  Heilige  Stoel;  vt 
zien;  inzien,  begrijpen;  be-,  opzoe- 


ken;  ontvangen;  er  voor  zorgen 
(dat);  /'//  —  about  it,  ik  zal  er 
voor  zorgen;  ik  zal  er  eens  over 
denken;  —  one  i  n,  binnenlaten;  I 
must  ■ — ■  into  it,  dat  moet  ik  eens 
onderzoeken;  ---  one  off,  iemand 
uitgeleide  doen,  wegbrengen;  —  one 
o  II  t,  iemand  uitlaten;  ^~-  t  o  the 
door,   uitlaten. 

seed  [si:d]  zaad  o\  zaadje  o\  fig  kiem; 
go  {run)  to  ~',  in  het  zaad  schie- 
ten;  fig  verlopen. 

seedy  ['si:di]  vol  zaad;  in  het  zaad 
geschoten;  sjofel,  kaal;  onlekker. 

seeing    ['si:ir)]    ziende;   aangezien. 

seek  [si:k]  (op)zoeken;  vragen  [raad]; 
streven  naar;  trachten  (te  verkrij- 
gen);  ■ — ■  after,  zoeken;  ■ —  for, 
zoeken  naar;  —  out,  opzoeken, 
opsporen. 

seem  [si:m]  schijnen  (te  zijn),  lijken. 

seeming(ly)  ['si:mir)(li)]  ogenschijn- 
lijk,  schijnbaar. 

seemly   ['si;mli]   betamelijk,  gepast. 

seen    [si:n]    V.D.   van  see. 

seesaw  ['si:sD:]  wip(plank);  vi  wip- 
pen;  op-  en  neergaan;  aj  op-  en 
neergaand  of  wippend. 

seethe    [si:3]    zieden,  koken. 

segregate  ['segrigeit]  (zich)  afzonde- 
ren,  afscheiden. 

segregation   [segri'geijan]   afzonde- 
ring,  afscheiding. 

seize  [si:z]  vatten,  (aan)grijpen;  in 
beslag  nemen,  bemachtigen;  aantas- 
ten,  bevangen. 

seizure  ['sirss]  bezitneming;  beslag- 
legging;    aanval,   beroerte. 

seldom    ['seldam]    zelden. 

select  [si'lekt]  uitgekozen,  uitgezocht, 
uitgelezen;  keurig,  fijn,  chic;  vt 
(uit)kiezen,  uitzoeken. 

selection    [si'lekjan]    keur,   keus. 

self  [self]  (zijn)  eigen  persoon;  ik- 
(heid);  eigenliefde;  my  poor  ^^, 
mijn  persoontje;  he  is  quite  hts  old 
— ,   hij   is   helemaal   de  oude. 

self-conceit    ['selfkansiit]    verwaand 
heid. 


self-conceited 


250 


sentiment 


self-conceited    ['selfkansiitid]    ver- 

waand. 
self-confidence   ['selflonfidans]    zelf- 

vertrouwen  o. 
self-conscious   ['selfkonjas]  verlegen, 

bleu;   zelfbewust. 
self-denial  ['selfdinaial]   zelfverloo- 

chening. 
self-determination    ['selfditsimi- 

'neijan]   zelfbeschikking. 
self-indulgent  ['selfindAldjant]  ge- 
net-, gemakzuchtig. 
self-interest    ['selfint(3)rest]    eigenbe- 

lang  o. 
self-interested  ['selfint(3)restid]  baat- 

zuchtig. 
selfish   ['selfij]    zelfzuchtig,  baatzuch- 

tig,  egoistisch. 
selfishness   ['selfijnis]   zelfzucht, 

baatzucht,  egoisme  o. 
selfless    ['selflis]    onbaatzuchtig. 
self-love    E'selflAv]    eigenliefde. 
self-made    ['selfmeid]    door   eigen 

krachten  er  bovenop  gewerkt. 
self-possession    ['selfpszejsn]    zelfbe- 

heersing. 
self-righteous    ['selfraitjss]    eigenge- 

rechtig. 
self-sacrifice    ['selfs^krifais]    zelfop- 

offering. 
self-seeking   ['selfsi:kir|]    zelfzucht;  a] 

zelfzuchtig. 
self-service  ['selfsaivis]   zelfbediening. 
sell  [sel]  bedotterij;  vt  verkopen;  beet- 

nemen;    ~    ^  >>   auction,   veilen;    — 

off,   uitverkopen;    —    out,    (uit)- 

verkopen;    liquideren;    - — '    well,    ■ — 

like    hot    cakes,     (veel)    aftrek    vin- 

den. 
seller   ['seb]   verkoper;   best   — ,  arti- 

kel    (boek)   o  dat  't  meest  verkocht 

wordt,   succes  o. 
selvage,   selvedge   ['selvids]    zelfkant. 
semblance    ['sembbns]    schijn. 
semi    ['semi]    (in   samenst.)    half-. 
semicolon   ['semi'koubn]   puntkomma 

V  of  o,  kommapunt  v  &  o, 
seminary   ['seminari]   seminarie  o, 

kweekschool. 


semi-official  ['semis'fijsl]  officieus. 

Semite   ['semait]   Semiet. 

Semitic    [si'mitik]    Semitisch. 

semolina    [sema'liina]    griesmeel   o. 

senate   ['senit]    senaat. 

senator    ['sensta]    senator. 

send  [send]  zenden,  verzenden;  —  a 
person  mad,  iemand  del  maken;  — 
him  rolling,  hem  doen  rollen;  — 
/  o  r,  laten  halen,  ontbieden,  zenden 
cm;  • — ■  /  n  one's  name,  zich  laten 
aandienen;  ■ — ■  off,  wegzenden;  ver- 
zenden;   uitgeleide   doen    [persoon]. 

senile   ['si;nail]   seniel,  ouderdoms-. 

senior   ['si:nj3]   ouder,  oudste   (in 
rang),   senior;  eerste   [bediende], 
hoog,  hoofd-. 

sensation  [sen'seijsn]  gewaarwording, 
gevoel  o,  aandoening;  opzien  o,  op- 
schudding.  sensatie. 

sensational  [sen'seijsnal]  gewaarwor- 
dings-;   opzienbarend,   sensationeel. 

sense  [sens]  gevoel  o,  zin;  verstand 
o\  besef  o\  begrip  o\  gevoelen  o\ 
common  ■ — ■,  gezond  verstand  o\ 
what  is  the  —  of...?,  wat  voor  zin 
heeft  het  om...?;  he  lost  his  — s, 
hij  verloor  zijn  bezinning;  in  every 
— ■,  ook:  in  ieder  opzicht;  vt  ge- 
waarworden,  merken;  begrijpen. 

senseless  ['senslis]  gevoel-,  bewuste- 
loos;    onverstandig;    zinloos. 

sensibility    [sensi'biliti]    gevoelig- 
heid. 

sensible    ['sensibl]    waarneembaar, 
merkbaar;    verstandig;    bij     (voile) 
kennis;   be  '—    of,  zich  bewust  zijn 
van;   gevoelig  zijn  voor. 

sensitive  ['sensitiv]  (fijn)gevoelig, 
teergevoelig,  gevoels-;  —  plant, 
kruidje-roer-mij-niet  o. 

sensorial    [sen'sDirisl]    zintuiglijk. 

sensual   ['senjusl]   zinnelijk. 

sent  [sent]  V.T.  &  V.D.  van  send. 

sentence  ['sentans]  vonnis  o,  oordeel 
o,  uitspraak;  (zin)spreuk;  (vol)zin; 
vt  vonnissen,  veroordelen. 

sententious   [sen'tenjas]   kernachtig. 

sentiment    ['sentimsnt]   gevoel  o. 


sentimental 


251 


set 


sentimental  [senti'mentsl]  sentfmen- 
teel. 

sentimentality  [sentimen'ta?liti]  senti- 
mental iteit. 

sentry    ['sentri]    schildwacht. 

sentry-box  ['sentriboks]  schilderhuis- 
je   o. 

sentry-go  ['sentrigou]  do  ■ — ■,  schilde- 
ren. 

separate  ['sepsrit]  (af)gescheiden,  af- 
zonderlijk,  apart;  three  -~  tnnes, 
drie  verschillende  keren;  ['sepsreit] 
(af)scheiden,    afzonderen,   verdelen. 

separation    [sepa'reijan]    (af)schei- 
ding,    afzondering. 

sepia   ['siipjs]    sepia;   inktvis. 

September  [sep'temba]  September. 

septic  ['septik]  bederf  veroorzakend. 

sepulchral  [si'pAlkrsl]  graf-;  begrafe- 
nis-. 

sepulchre    ['sepalka]   graf  o. 

sequel  [''siikwsl]  vervolg  o;  gevolg  o. 

sequence  ['siikwsns]  volgorde,  op- 
(een)volging,  (volg) reeks,  suite  [v. 
kaarten];  beeldenreeks,  toneel  o  [v. 
film];  gevolg   o. 

sequestration  [siikwes'treifan]  afzon- 
dering; beslaglegging,  selrwestratie. 

Serbia  ['satbjs]   Servie  o. 

Serbian  ['saibjsn]  Servier;  aj  Ser- 
visch. 

serenade  [seri'neid]   serenade. 

serene  [si'ri:n]  helder,  klaar;  onbcwo- 
gen,  vredig,  kalm;  doorluchtig. 

serf  [s3:f]   lijfeigene,  horige,  slaaf. 

serge   [ssidj]    serge. 

sergeant   ['sa:d33nt]    sergeant. 

serial  ['siarial]  feuilleton  o  8c  m;  aj 
serie-,  in  afleveringen  verschijnend; 
—  number,  volgnummer  o;  ■ — •  tale, 
feuilleton   o  &   m. 

series    ['si3r(i)i:z]    serie,   reeks. 

serious  ['sisriss]  ernstig;  bedenkelijk; 
solide;  vroom;  /  am  ■ — ',  ik  meen 
het   (ernstig). 

seriously  ['sisriasli]  ernstig,  in  (voi- 
le)   ernst. 

seriousness   ['si  iriasnis]   ernst. 

sermon    ['s3:m3i)]    vermaning;    preek; 


the  Sermon  on  the  Aioiint,  de  Berg- 
rede. 

serpent   ['saipsnt]    slang. 

serpentine    ['sarpsntain]    slangachtig, 
slange(n)-;  jig  kronkelend. 

serried    ['serid]    (aaneen)gesloten. 

servant  ['s3:v3nt]  knecht,  dienstbode, 
meid,  bediende;  dienaar,  dienares; 
oppasser;  beambte,  ambtenaar;  do- 
mestic  ■ — ■,    dienstbode. 

serve  [s3:v]  dienen,  bedienen;  van 
dienst  zijn,  dienst(en)  doen,  baten; 
opdoen  [eten],  schenken  [drank]  ;be- 
handelen;  serveren  [bij  tennis] ;  '~ 
him  right'.,  net  goed!,  zijn  verdiende 
loon!;  —  one's  purpose,  geschikt 
zijn  voor  iemands  doel;  —  the  pur- 
pose of...,  dienst  doen  als...;  — 
one's  time,  zijn  tijd  uitdienen;  zijn 
straf(tijd)    uitzitten. 

service  ['saivis]  dienst,  nut  a;  servies 
o;  bediening;  verzorging  [v.  au- 
to]; beginslag  [tennis];  (kerk)for- 
mulier  o\  the  — s,  de  krijgsmacht, 
de  strijdkrachten  (te  land,  ter  zee 
en  in  de  lucht);  divine  — ,  (kerk)- 
dienst;  als  aj  militair;  vt  bedienen, 
verzorgen   [auto]. 

serviceable  ['ssivisabl]  dienstig,  bruik- 
baar,   nuttig,  geschikt. 

Serviceman    ['ssivismsen]    gemobili- 
seerde. 

serviette    [s3:vi'et]    servet   o. 

servile    ['ssivail]    slaafs,    kruiperig. 

servility   [ssi'viliti]    slaafsheid. 

servitude  ['s3:vitju:d]  dienstbaarheid, 
slavernij;   servituut  o. 

session    ['sejan]    zitting. 

set  [set]  stel  o,  spel  o,  servies  o, 
( radio  )toestel  o,  garnituur  o,  span 
0,  ploeg,  partij,  serie;  kring,  troep, 
kliek;  stek,  loot;  vt  zetten,  plaatsen, 
stellen;  schikken;  omboorden;  plan- 
ten;  gelijkzetten  [klok];  op  elkaar 
klemmen  [tanden,  lippen];  vaststel- 
len,  bepalen;  -^^  going,  aan  de  gang 
brengen  of  mak.-n;  in  omloop  bren- 
gen  [praarjes] ;  vi  stollen,  vast  wor- 
den;    ondergaan    [zon];    jig    tanen; 


set-back 


252 


shake 


-"-^  about  it,  eraan  beginnen;  het 
aanpakken;  '—  d  o  ivn,  neerzetten; 
neer-,  opschrijven;  —  i  f  e  e,  in  vrij- 
heid  stellen;  ■ — ■  /'  n,  intreden;  — 
o  j  j,  uit-,  afzetten;  vertrekken;  aan 
de  gang  maken;  doen  afgaan,  tot 
ontploffing  brengen;  doen  uitkomen; 
goedmaken,  compenseren;  —  on, 
aanzetten,  op-,  aanhitsen;  aanvallen, 
aanvangen;  be  —  on,  verzot  zijn 
op;  —  eyes  on,  te  zien  krijgen,  zien; 
—  out,  op  reis  gaan,  vertrekken; 
-^-^  out  to...,  zich  ten  doel  stellen, 
trachten;  —  to...,  beginnen  te...; 
V.T.  &  V.D.  van  set\  a]  gezet; 
strak,  stijf;  vast;  bepaald. 

set-back  ['setbzek]  terugzetting,  terug- 
gang;  tegenslag. 

set-down   [set'daun]   standje  o. 

settee   [se'ti:]    (zit)bank,  sofa. 

setting  ['setirj]  montuur  o  &  v\  mon- 
tering;  omlijsting,  omgeving. 

settle  ['setl]  (zich)  vestigen,  vaststel- 
len;  vastzetten  (op,  on);  in  orde 
brengen,  afdoen,  vereffenen,  regelen, 
beklinken  [zaak];  zich  (neer)zet- 
ten;  afrekenen  (ook  • — ■  up)\  ■ — 
down,  zich  vestigen;  zich  installe- 
ren;  bedaren;  een  geregeld  leven 
gaan  leiden. 

settlement  ['setlmsnt]  vestiging;  rege- 
ling,  vergehjk  o,  vereffening,  af- 
rekening,  liquidatie;  schenking,  jaar- 
geld  o\  bezinking;  volksplanting,  ne- 
derzetting. 

settler    ['setb]    kolonist;    beslissend 
woord  o,  dooddoener. 

seven  ['sevn]   zeven. 

seventeen   ['sevn'ti:n]    zeventien. 

seventeenth  ['sevn'ti:n9]  zeventiende 
(deel  o). 

seventh  ['sevnG]  zevende  (deel  o). 

seventieth    ['sevntiiB]    zeventigste 
(deel  o). 

seventy  ['sevnti]   zeventig. 

sever  ['seva]  scheiden;  afsnijden;  af-, 
verbreken;  breken. 

several  ['sevral]  verscheiden;  onder- 
scheiden;  eigen. 


severally   ['sevrali]    elk  voor  zich. 

severance   ['sevsrsns]    scheiding,  af-, 
verbreking. 

severe  [si'vis]  streng,  hard;  zwaar; 
hevig. 

severity  [si'veriti]    (ge)strengheid. 

sew  [sou]  naaien,  aannaaien;  innaaien. 

sewage    ['sjuiidsl    rioolwater  o. 

sewer   ['sjua]    riool  o  &  v. 

sewerage  ['sjuarids]  riolering;  riool- 
water o. 

sewing-machine  ['souirjmajiin]  naai- 
machine. 

sewn  [soun]  V.D.  van  seic. 

sex  [seks]  geslacht  o,  sekse,  kunne; 
seksualiteit;  a]  seksueel. 

sexton    ['sekstan]    koster;   doodgraver. 

shabby  ['Jaebi]  kaal,  haveloos,  armza 
lig;   schandelijk,  gemeen. 

shackle  ['J^ekl]  boei,  kluister;  beugel, 
koppeling;  vt  boeien,  kluisteren; 
koppelen. 

shad    [Jaed]    elft. 

shade  [Jeid]  schaduw;  lommer  o; 
schim;  kap,  stolp,  scherm  o\  (kleur)- 
schakering,  nuance;  zweem;  tikje  o, 
ietsje  o  [beter  &];  vt  schadmven; 
beschaduwen,  overschaduwen;  van 
een  (licht) scherm  voorzien;  jig  be- 
schutten,  beschermen. 

shadow  ['JasdouJ  schaduw;  schaduw- 
beeld  o\  afschaduwing;  geest,  schim; 
schijn,  spoor  o;  vt  beschaduwen; 
(als  een  schaduw)  volgen;  afscha- 
duwen   (ook  '~  forth'). 

shadowy  ['Jasdoui]  beschaduwd,  scha- 
duwrijk;  schimachtig;  hersenschim- 
mig;  vaag. 

shady  ['Jeidi]  schaduwrijk,  bescha- 
duwd; schaduw-;  jig  niet  zuiver, 
verdacht;    twijfelachtig. 

shaft  [Ja:ft]  schacht;  pijl;  spies;  steel; 
lamoenboom;    (drijf)as. 

shag  [Jseg]  ruig  haar  o\  shag. 

shaggy   ['Jasgi]   ruig,  borstelig. 

shake  [Jeik]  schudden  o\  schok,  be- 
ving;  handdruk;  trilling  [v.  stem]; 
in  two  — s,  in  een  wip;  vt  schud- 
den, schokken;  jig  doen  wankelen; 


shaken 


253 


shed 


uitschudden;  •—  hands,  elkaar  de 
hand  geven;  vi  schudden,  beven; 
trillen    [stem];  fig  wankelen. 

shaken    ['Jeikn]    V.D.    v.   shake. 

shako    ['Jsekou]   sjako. 

shaky  ['Jeiki]  beverig,  onvast,  wan- 
kel;  fig  zwak(staand),  onzeker. 

shall   [Jasl,  Jal]   zal,  zullen;  moet, 
moeten. 

shallow  ['Jaelou]  ondiepte,  ondiepe 
plaats,  zandbank;  aj  ondiep,  laag; 
fig  oppervlakkig. 

shalt  [Jaelt,  J  (a)  it]  zult. 

sham  [J£em]  voorwendsel  o,  schijn- 
(vertoning);  komediant;  r/  vein- 
zen,  voorwenden;  vi  zich  aanstel- 
len;  —  asleep  {dead  &),  zich  sla- 
pend  (dood  &)  houden;  aj  voor- 
gewend,  onecht,  vals,  schijn-;  • — 
door,  blinde  deur. 

shamble   ['Jasmbl]   sloffen,  schuifelen. 

shambles  ['Jtemblz]  vleeshal;  slacht- 
bank;  fig  bloedbad  o\  ravage. 

shame  [jeim]  schaamte;  schande;  put 
to  — ,  beschamen,  beschaamd  ma- 
ken;  for  -^/j  foei,  schaam  u!;  vt 
beschamen,  beschaamd  maken. 

shamefaced  ['Jeimfeist]   beschaamd, 
beschroomd,  verlegen. 

shameful    ['Jeimful]    schandeHjk. 

shameless    ['Jeimlis]    schaamteloos. 

shammy  ['Jasmi]  zeem(leer)  o\  zeem 
m   Si   o    [stuk   zeemleer]. 

shampoo    [Jsm'pu:]    hoofdwassing; 
haarwasmiddel  o\   vt  het  hoofdhaar 
wassen. 

shamrock    ['Jsmrak]    klaverblad   o. 

shanty  ['Jaenti]  hut;  keet;  matrozen- 
liedje  o. 

shape  [Jeip]  vorm,  gedaante;  leest; 
model  o\  take  — ,  vaste  vorm  aanne- 
men;  put  into  — ,  fatsoeneren;  vt 
vormen,  maken,  modelleren;  regelen, 
inrichten  (naar,  to);  vi  zich  vormen 
&. 

shapely  ['Jeipli]  goedgevorrad,  beval- 
lig,   mooi. 

share  [Jea]  dee!  o,  aandeel  o\  ploeg- 
schaar;    vt   delen;    verdelen;    samen 


hebben    [een  kamer  &];   vi   deelne- 
men. 

shareholder  ['Jeahoulda]  aandeelhou- 
der. 

shark  [Ja:k]  haai;  fig  gauwdief. 

sharp  [J'a:p]  scherp,  spits,  puntig;  fig 
bits;  scherpzinnig,  slim;  inhalig; 
vlug,  snel;  oneerlijk;  '~'j-  the 
word'.,  vlug  wat!;  at  ten  — ,  cm  10 
uur  precies;  look  ~,  scherp  uit- 
kijken;  voortmaken;  /  am  ^-^  set,  ik 
ramrael  van  de  honger;  be  —  set 
on,  fig  gebrand  zijn  op,  hunke- 
ren  naar. 

sharpen  ['Ja:pn]  scherpen,  (aan)pun- 
ten;   fig  verscherpen. 

sharper  ['Jarpa]  bedrieger,  valse  spe- 
ler. 

sharpshooter  ['J'a:pJ'u:t3]   scherp- 
schutter. 

sharp-sighted  ['Ja:p'saitid]   scherp- 
ziend;  scherpzinnig. 

sharp-witted  ['Jaip'witid]  scherpzin- 
nig. 

shatter  ['J^sta]  verbrijzelen;  fig  ver- 
nietigen;  schokken  [zenuwen]. 

shave  [Jeiv]  scheren  o;  sneetje  o;  af- 
zetterij;  /'/  tfas  a  close  {narrow, 
near)  — ,  het  was  op  het  kantje  af; 
have  a  ■ — ■,  zich  (laten)  scheren;  vt 
scheren;  schaven;  fig  het  vel  over  de 
oren  halen;  get  ^^d,  zich  laten  sche- 
ren. 

shaven    ['Jeivn]   geschoren. 

shaver  ['Jeiva]  scheerder;  scheerappa- 
raat  o;  snuiter. 

shaving  ['Jeivir)]  het  scheren;  — s, 
krullen   [bij  het  schaven]. 

shaving-brush   ['JeivigbrAj]    scheer- 
kwast. 

shawl    [Jd:!]    sjaal. 

she  [Ji:]   zij,  ze. 

sheaf    [Ji:f]    schoof,    bundel. 

shear    [Jia]    scheren    [dieren  &]. 

shears    [Jiaz]    grote  schaar. 

sheath   [JiiO]   schede. 

sheathe   [Ji:3]   in  de  schede  steken, 
(in)steken;  bekleden. 

shed  [Jed]   loods;  afdak  o;  vt  vergie 


sheep  254 


shirk 


ten,  storten  [bloed];  verliezen  [het 
haar  &];  werpen  [v.  licht  &];  V.T. 
&  V.D.  van  shed. 

sheep    [Jiip]    schaap   o,    schapen. 

sheep-dog   ['Jiipdag]    herdershond. 

sheepish  ['Ji:piJ]   schaapachtig,  be- 
deesd. 

sheepskin    ['Jiipskin]    schapevel   o, 
schaapsvacht,  schapeleer  o. 

sheer  [Jia]  2uiver,  rein,  puur;  louter, 
enkel;  steil,  loodrecht;  totaal,  par- 
does;  vi  gieren  [v.  schip];  (op  zij) 
uitwijken. 

sheet  [ji:t]  laken  o\  blad  o  [papier]; 
vel  o\  plaat  [metaal];  schoot  [v. 
zeil];  a  —  of  fire,  een  vuurzee;  a 
—  of  ice,  een  ijsvlakte;  in  — s,  in 
vellen  [v.  boek];  in  stromen  [v.  re- 
gen];  vt  met  lakens  beleggen;  be- 
dekken,  bekleden. 

sheet-anchor  ['Jiitserika]  plechtanker  o. 

sheet-iron   ['Jiitaian]   plaatijzer  o. 

sheet-lightning  ['Jiitlaitnirj]   weer- 
licht  o  &  m. 

shelf  [Jelf]  plank;  boekenplank. 

shell  [Jel]  schil,  schaal,  peul,  bolster; 
schelp,  dop;  schild  o\  granaat;  vt 
schillen,  doppen,  ontbolsteren;  be- 
schieten. 

shell-fish   ['JelfiJ]   schaaldieren. 

shell-proof   ['Jelpru:f]    bomvrij. 

shelter  ['Jelta]  beschutting;  schuil- 
plaats,  bescherming;  onderdak  o\ 
(tram)huisje  o;  asiel  o\  lighal; 
schuilgelegenheid,  -kelder;  vt  be- 
schutten,  beschermen;  huisvesting 
verlenen;  -—  {oneself),  schuilen; 
zich  verschuilen. 

shelve  [Jelv]  van  planken  voorzien; 
op  een  plank  zetten;  fig  onder  het 
loodje  leggen,  laten  rusten;  afdan- 
ken. 

shepherd  ['Jepad]  (schaap) herder;  vt 
hoeden;    (ge)leiden,  loodsen. 

shepherdess    ['Jepadis]    herderin. 

sherbet    ['Jsibst]    sorbet. 

sheriff  ['Jerif]  schout. 

sherry    ['Jeri]    sherry. 

shield  [Ji:ld]   schild  o;  vt  beschermen 


(tegen,   from);   dekken. 

shift  [Jift]  verandering;  verhuizing; 
(hulp)middel  o,  uitvlucht,  list; 
ploeg  (werklieden) ;  make  —  to..., 
het  zo  schikken  (aanleggen)  dat...; 
77iake  —  with  anything,  zich  met 
alles  weten  te  behelpen;  vt  veran- 
deren,  verwisselen;  verruilen;  (ver)- 
schuiven;  vi  zich  verplaatsen,  (van 
plaats)  wisselen;  zich  behelpen; 
draaien;  —  (about)  tn  one's  chair, 
zitten   draaien    in   zijn   stoel. 

shilling    ['jilirj]    shilling. 

shimmer    L'fima]     ghnstering;    vi 
glinsteren. 

shin  [Jin]   scheen. 

shine  [Jain]  zonneschijn;  glans;  vi 
schijnen,  glimmen,  blinken,  schitte- 
ren,  uitblinken;  it  doen  glimmen; 
poetsen    [schoenen]. 

shingle  ['Jiggl]  dekspaan;  rol-,  kie- 
zelsteen;  vt  met  dekspanen  dekken; 
kortknippen. 

shingles    ['Jiggiz]    gordelroos. 

shiny    ['Jaini]    glimmend,    blinkend. 

ship  [Jip]  schip  o;  take  — ,  scheep- 
gaan,  zich  inschepen;  vt  inschepen, 
innemen;  overkrijgen  [stortzeeen]; 
verschepen,   verzenden. 

ship-breaker  ['jipbreiks]  sloper. 

ship-broker  ['Jipbrouka]  scheepsma- 
kelaar;   cargadoor. 

ship-building   ['Jipbildirj]    scheeps- 
bouw;    - — ■  yard,  scheepstimmerwerf. 

shipment  ['fipmsnt]  verscheping,  ver- 
zending;  zending,  lading. 

ship-owner   ['Jipouns]    reder. 

shipper   ['Jips]  verscheper,  exporteur. 

shipping   ['Jipif)]   inscheping;  versche- 
ping;   scheepsruimte,    schepen; 
scheepvaart. 

shippiog-agent  ['Jipirjeidsant]  expe- 
diteur. 

ship-shape   ['Jipjeip]    in  orde. 

shipwreck    ['Jiprek]    schipbreuk;    vt 
doen    schipbreuk    lijden;    be    •—-ed, 
schipbreuk  lijden. 

shire    ['Jais]   graafschap  o. 

shirk    [J3:k]     verzuimen,     ontduiken, 


shirker 


255 


shorthand 


ontwijken,  zich  onttrekken  aan  [zijn 

plicht];    lijntrekken. 
shirker   ['Jsiks]    lijntrekker. 
shirt   [J3:t]    (over)hemd  o;  lose  one's 

— ,  nijdig  worden. 
shirt-sleeve    ['Jaitsliiv]    hemdsmouw. 
shiver  E'Jiva]  splinter,  schilfer;   (kou- 

de)   rilling,  siddering;  give  one  the 

{cold)  -~-s,  doen  rillen;  vt  versplin- 

teren,    verbrijzelen;    vi    rillen,     sid- 

deren,  huiveren. 
shivery  ['Jivari]  rillerig,  beverig,  hui- 

verig;    broos,    splinterig. 
shoal    [Joul]    school;    menigte,    hoop; 

ondiepte,    zandbank;    aj    ondiep;    vi 

samenscholen. 
shock    [Jsk]    schok,    botsing;    schrik, 

(onaangename)  verrassing,  fig  slag; 

stuik;   bos   haar;    vt   schokken;    aan- 

stoot  geven,  ergeren. 
shocking    ['jDkig]    aanstotelijk,    stui- 

tend,  ergerlijk. 
shockingly    ['pkirjli]    schandalig. 
shod   [jDd]   V.T.  &  V.D.  van  shoe. 
shoe   [|u:]   schoen;  hoefijzer  o;  that's 

where  the   ■ — ■   pinches,  daar  wringt 

hem     de     schoen;    vt   schoeien;    be- 

slaan. 
shoeblack    ['Ju:bl£ek]    schoenpoetser. 
shoe-blacking    ['Juiblcekirj]    schoen- 

smeer  o  Sc  m. 
shoe-lace   ['JuJeis]    schoenveter. 
shoemaker    ['J'u;meik3]    schoenmaker. 
shoe-string   ['Ju:strir)]    schoenriem, 

veter. 
shone   [jDn]    V.T.   &  V.D.  v.   shine. 
shook    [Juk]    V.T.   van  shake. 
shoot  [Juit]  schoot,  scheut;  schietwed- 

strijd;      jacht(partij);      waterstraal; 

stroomversnelling;    helling;    vuilnis- 

belt;   losplaats;   vt  af-,  door-,  near-, 

uit-,     verschieten;      (dood)schieten; 

storten  [puin];  vi  jagen;  steken  [v. 

pijn]. 
shooting-gallery  ['Ju:tir)gasbri]  schiet- 

tent;   schietbaan,    schietlokaal    o. 
shooting-range   ['juitirjreindg]    schiet- 
baan. 
shop  [Jop]  winkel;  v/erkplaats;  atelier 


o\  talk  — ,  over  het  vak  praten;  vi 
winkelen,  boodschappen  doen. 

shop-assistant    [jDpa'sistant]    winkel- 
bediende,    -juffrouw. 

shop-hand  ['jophsend]  winkelbedien- 
de. 

shopkeeper    ['J^pkiipa]    winkelier. 

shoplifter    ['J^plifts]   winkeldief. 

shopper    [']'3p3]    winkelbezoeker. 

shopping  ['Jopir]]  het  winkelen,  win- 
kelbezoek  o;  do  one's  ■ — •,  (gaan) 
winkelen,    boodschappen    doen. 

shopping  bag  ['J^pigbsg]  boodschap- 
pentas. 

shopping  quarter  ['J^pirikwDits]  win- 
kelwijk. 

shop-walker    ['jDpwsiks]    winkelchef. 

shop-w^orn   ['J3pw3:n]   verlegen. 

shore  [Js:]  kust,  oever,  wal;  schoor, 
stut;    vt  stutten. 

shorn  [Jdid]  V.D.  van  shear;  —  oj, 
fig  beroofd  van,   ontdaan  van. 

short  [jDit]  kort;  te  kort;  klein  [ge- 
stalte];  bros  [gebak];  krap,  karig; 
te  weinig;  be  (come,  fall)  ■ — '  of,  te 
kort  komen  of  hebben;  gebrek  heb- 
ben  aan;  minder  zijn  dan;  niet  be- 
antwoorden  aan;  blijven  beneden; 
• — ■  of  money,  niet  goed  bij  kas; 
cut  ^,  af-,  onderbreken;  fall  — , 
te  kort  schieten;  run  —  of  pro- 
visions, door  zijn  provisie  heenra- 
ken;  stop  ■ — ■,  plotseling  blijven  stil- 
staan,  ophouden;  blijven  steken;  — s, 
korte  broek;  for  ~-,  kortheidshalve; 
in  — ,  in  het  kort,  in  een  woord. 

shortage  ['jD:tidg]  tekort  o,  schaarste, 
nood. 

short-circuit  (ing)    [J3:t's3:kit(ii))] 
kortsluiting. 

shortcoming    [jD:t'kAmir]]    tekort- 
koming. 

shorten  ['Jjitn]  (ver)korten,  vermin- 
deren,  beperken;  kort(er)  worden, 
afnemen. 

shorthand  ['Joithaend]  stenografie, 
kortschrift  o\  aj  stenografisch;  ■ — ■ 
typist,  stenotypist(e);  ~-  writer, 
stenograaf. 


short-lived 


256 


shrubbery 


short-lived  ['Joit'livd]  niet  lang  le- 
vend;  kortstondig. 

shortly  ['J3:tli]  kort  (daarop);  bin- 
nenkort,  weldra,   spoedig;   kortaf. 

shortness    ['Joitnis]    kortheid. 

short-sighted   ['J3:t'saitid]   bijziend; 
kortzichtig. 

short-tempered   ['J'3:t'temp3d]   kort 
aangebonden,   heetgebakerd. 

shot  [J3t]  schot  o;  stoot;  schroot  o, 
hagel,  kogel(s);  (scherp)schutter; 
opname,  kiekje  o;  putting  the  — , 
kogelstoten  o;  V.T.  &  V.D.  \.  shoot. 

shot-proof   ['Jjtpruif]    kogelvrij. 

should  [Jud,  Jad]  V.T.  van  shall,  zou, 
moest,  behoorde;  mocht. 

shoulder  ['Joulds]  schouder,  schou- 
derstuk  <?;  give  {show,  turn')  the 
cold  "^  to,  de  rug  toedraaien,  met 
de  nek  aanzien;  vt  op  de  schou- 
der(s)  nemen,  schouderen;  op  zich 
nemen;    (ver)dringen. 

shoulder-blade  ['Jouldableid]  schou- 
derblad  o. 

shoulder-knot  ['Jouldsnot]  epaulet, 
nestel. 

shout  [Jaut]  geroep  o,  gejuich  o; 
schreeuw,  kreet;  vt  roepen,  juichen; 
schreeuwen;  ■ — ■  at  one,  schreeuwen 
tegen  iemand;  iemand  naroepen;  vt 
uitroepen. 

shove  [Jav]  stoot,  duw,  duwtje  o;  vt 
duwen,  schuiven. 

shovel    ['JavI]    schop;   vt  scheppen. 

shovelboard   ['jAvIbDid]    sjoelbak. 

show  [Jou]  vertoning;  tentoonstelling; 
(praal)vertoon  o;  geurmakerij ; 
(schone)  schijn;  optocht,  (toneel)- 
voorstelling;  komedie;  onderneming, 
geschiedenis,  zaak;  give  away  the 
■ — ■,  de  boel  verklappen;  make  a  ■ — ' 
oj  ...ing,  laten  merken  dat...;  doen 
alsof...;  they  are  on  — ,  ze  zijn  ge- 
exposeerd,  uitgestald,  te  zien;  vt 
doen  of  laten  zien,  (be)tonen,  ten 
toon  stellen,  vertonen,  (aan)wijzen; 
aantonen,  bewijzen;  —  one  i  n, 
binnenlaten;  ■ — •  ojj,  beter  (doen) 
uitkomen;    —    ojj    one's    learning, 


met  zijn  geleerdheid  te  koop  lopen 

(geuren);  —  one  out,  iemand  uit- 

laten;    -^    one    u  p,    iemand    boven 

laten   komen;    iemand   aan   de   kaak 

stellen,  ontmaskeren;  vi  zich   (ver)- 

tonen,   zich  voordoen,   uitkomen;   // 

— ^j-    white,    het   lijkt   wit. 
show-bill    ['Joubil]    reclamebiljet  o. 
show-case  ['Joukeis]  uitstalkast,  vitri- 

ne. 
shower    ['Jaus]    (stort)bui,    regenbui; 

jig  stroom,  viced;  vt  begieten,  neer 

doen    komen. 
shower-bath  ['JausbaiQ]  stortbad  o. 
showery    ['Jausri]    regenachtig,   buiig. 
showman    t'Joumsn]    spullebaas    [op 

de  kermis];  directeur  v.  circus,  va- 

riete  enz. 
shown   [Joun]   V.D.  van  show. 
show-room   ['Jourum]   toonzaal. 
show-window    ['jouwindou]    uitstal- 

venster  o. 
showy    ['Joui]    pronkerig,    opzichtig. 
shrank    [Jrsrjk]    V.T.   van  shrink. 
shrapnel  [' Jtcepnal  ]  granaatkartets  ( en ) . 
shred  [Jred]   lapje  a,  stukje  o,  ziertje 

o. 
shrew    [fru:]    feeks,  helleveeg. 
shrewd    [Jru:d]    schrander,   scherp- 

(zinnig),  fijn. 
shriek    [Jri:k]    gil;   vi  gillen. 
shrift   [Jrift]    give  short  — •   to,  korte 

metten  maken  met. 
shrill    [Jril]    schel,    schril. 
shrimp    [Jrimp]   garnaal. 
shrine    [Jrain]    relikwieenkastje  o;  al- 

taar  o,  heiligdom  o. 
shrink     [Jrigk]     krimpen,    ineenkrim- 

pen;  slinken;   -~   back,   terugdein- 

zen;    •-—   j  r  o  m,   huiverig   zijn   om, 

terugdeinzen  voor. 
shrivel    ['Jrivl]    rimpelen;   verschrom- 

pelen. 
shroud  [jraud]    (doods)kleed  o\  vt 

(om)hullen. 
Shrovetide    ['Jrouvtaid]    vastenavond. 
shrub    [JrAb]    struik,  heester. 
shrubbery    ['JrAbori]    heesterplantsoen 

o\  bosje  o. 


shrug 


257 


sight 


shrug  [JrAg]  schouderophalen  o\  give 
a  '--^,  de  schouders  ophalen;  vt  (de 
schouders)   ophalen. 

shrunk  [JrM]k]  V.T.  &  V.D.  v.  shrink. 

shrunken  ['JrArjkn]  (ineen)gekrompen. 

shudder  ['jAds]  huivering,  rilling;  vt 
huiveren,  rillen. 

shuffle  C'jAfl]  geschuifel  o,  schuifel- 
pas;  gedraai  o\  uitvlucht;  vt  (door- 
een)schudden,  (dooreen)mengen;  vi 
schuifelen;  sloffen;  wassen  [de  kaar- 
ten] ;  jig  uitvluchten  20eken,  draai- 
en. 

shun  [Jad]  schuwen,  (ver)mijden. 

shunt  [jAnt]  rangeren  [trein];  shun- 
ten    [el.    stroom]. 

shut  [jAt]  toedoen,  sluiten,  dichtma- 
ken,  dichtgaan;  '-^  your  head,  hou 
je  mond  dicht!;  • — '  down,  dicht- 
doen,  sluiten,  stopzetten;  '— -  up, 
sluiten;  opsluiten  [in  gevangenis]; 
wegsluiten;  zijn  mond  houden;  ■ — ■ 
upl,  hou  je  mond!;  V.T.  &  V.D.  v. 
shut. 

shutter  ['jAta]  sluiter;  luik  o,  blind  o. 

shuttle  ['jAtl]  schietspoel;  —  service, 
pendeldienst. 

shuttlecock    ['jAtlksk]    pluimbal. 

shy  [Jai]  gooi,  worp;  werptent;  jig 
veeg  uit  de  pan,  steek  onder  water; 
vt  smijten,  gooien;  vi  schichtig  wor- 
den,  schuw  worden;  aj  schuw,  ver- 
legen;  schichtig;  be  {jeel)  —  oj, 
huiverig,  bang  zijn  om  te...;  niet 
gul  zijn  met. 

Siamese  [saig'miiz]  Siamees,  Siame- 
zen;   aj  Siamees. 

Siberia    [sai'bisris]    Siberie   o. 

Siberian   [sai'bisrian]   Siberisch. 

Sicilian    [si'siljan]    Siciliaans. 

Sicily    ['sisili]    Sicilie  o. 

sick  [sik]  misselijk,  ziek;  zeeziek,  beu 
(van,  oj)\  be  ■ — ■  at  heart,  wee  zijn 
om  't  hart;  be  ■ — '  jor,  smachten 
naar;  be  —  oj,  misselijk  (beu)  zijn 
van. 

sick-club  ['sikkUb]  ziekenfonds  a. 

sicken    ['sikn]    ziek,  misselijk,  beu 
worden    (maken). 

Eng-.  Zakwrdbk.  11 


sickening    ['siknifj]    misselijk    (ma- 
kend),  weerzinwekkend. 

sickle    ['sikl]    sikkel. 

sick-leave    ['sikli:v]    ziekteverlof   o. 

sickly  ['sikli]  ziekelijk;  ongezond; 
wee;  a  —  smile,  een  flauw  glim- 
lachje   o. 

sickness    ['siknis]    ziekte,  misselijk- 
heid. 

side  [said]  zij(de),  kant;  wrong  — 
out,  het  binnenste  buiten;  shake 
one's  — s,  schudden  van  het  la- 
chen;  take  — s,  partij  kiezen;  vi 
partij  kiezen;  '—  against  {with), 
partij    kiezen    tegen    (voor). 

sideboard  ['saidbsid]  buffet  o,  dres- 
soir  o  &   m. 

side-car   ['saidka:]    zijspanwagen. 

side-dish    ['saiddij]    toespijs,   tussen- 
gerecht   o. 

side-issue    ['saidisju:]    bijzaak. 

sidelong  ['saidbg]   zijdelings. 

side-scene    ['saidsi:n]    coulisse. 

side-show  ['saidjou]  extra-kraampje  o, 
-tent;  jig  onderneming  van  minder 
belang;  bijkomstigheid. 

side-step    ['saidstep]    op   zij   gaan 
(voor),  ontwijken. 

side-track  ['saidtrsek]  wisselspoor  o\ 
vt  op  een  wisselspoor  brengen;  jig 
voorlopig  ter  zijde  leggen;  afleiden. 

side-walk   ['saidw3:k]   trottoir  o. 

sideways  ['saidweiz],  sidewise  ['said- 
waiz]   van  ter  zijde,  zijdelings. 

siege    [si;d3]    belegering,   beleg  o. 

sieve   [siv]   zeef;   vt  zeven,   ziften. 

sift    [sift]    ziften,   uitziften. 

sigh  [sai]  zucht;  vi  zuchten. 

sight  [salt]  (ge)zicht  o,  aanblik;  ver- 
toning;  schouwspel  o;  bezienswaar- 
digheid;  vizier  o,  korrel  [op  een 
geweer];  long  — ,  verziendheid; 
near  — ,  bijziendheid;  short  — ,  bij- 
ziendheid;  kortzichtigheid;  catch  — 
oj,  in  het  oog  krijgen;  lose  —  oj, 
uit  het  oog  verliezen;  take  -^j  mik- 
ken;  at  (jirst)  — ,  op  het  eerste 
gezicht;  at  short  -—,  op  kort  zicht; 
at   three   days'    — ,    drie    dagen    na 

17 


sightly 


258 


sincere 


zicht;    /'  n    his    ■ — ^,    voor   zijn    ogen; 

in  zijn  opinie;   out  of  — ,  out  of 

mind,  uit  het  oog,  uit  het  hart;   vt 

in  het  oog  krijgen,   waarnemen. 
sightly    ['saitli]    fraai,   schoon. 
sight-seeing    ['saitsi:ir)]    bezichtiging 

(v.  merkwaardigheden) ;  aj  kijkend; 

de  bezienswaardighe.ien  aflopend. 
sight-seer  ['saitsia]  kijker,  kijklustige; 

plezierreiziger,  toerist. 
sign  [sain]  teken  o,  wenk;  (uithang)- 

bord    o;    vt    tekenen,    ondertekenen; 

een  teken  geven;    — ■   off,  afmonste- 

ren;    —    on,   aanmonsteren. 
signal    ['signal]    signaal    o,    teken    o, 

sein  o;  vt  seinen;  melden;  een  wenk 

geven   om  te...;  aj  schitterend,   uit- 

stekend,   voortreffelijk,   groot. 
signal-box   ['signalb^ks]    seinhuisje  o. 
signalize    ['signalaiz]    onderscheiden; 

kenmerken;    te    kennen     geven;     de 

aandacht    vestigen    op. 
signalman    ['signalman]    seinwachter; 

seiner. 
signatory    ['signatari]    ondertekenaar; 

aj  ondertekend  hebbend. 
signature  ['signatja]  ondertekening, 

handtekening. 
sign-board  ['sainb3:d]  (uithang)bordo. 
signet    ['signit]    zegel   o\   zegelring. 
significance   [sig'nifikans]   betekenis, 

gewicht  o. 
significant     [sig'nifikant]     veelbeteke- 

nend;   veelzeggend;   be   —    of,    aan- 

duiden,  betekenen;  kenmerkend  zijn 

voor. 
signification    [signifi'keij'an]    beteke- 
nis;   aanduiding. 
signify    ['signitai]    betekenen,  bedui- 

den;  aanduiden;  van  betekenis  zijn. 
signpost  ['sainpoust]  handwijzer,  weg- 

wijzer;   stok   van   een   uithanybord. 
silence  ['sailans]    (stil)2\vijgen  o;  stil- 

te;    pass    over    in    ■ — ■,    stiizwijgend 

voorbijgaan;    vt    doen    zwijgen,    tot 

zwijgen   brengen. 
silencer   ['sailansa]   geluiddemper. 
silent    ['sailantj     (stil)zwijgend,    stil; 

stom  [v.  letters];  geruisloos;  be  — , 


zwijgen. 
silhouette   [silu'et]  silhouet,  schaduw- 

beeld  o. 
silk    [silk]    zijde;    aj    zijden. 
silken    ['silkn],    silky    ['silki]    zijJen; 

zijdeachtig    zacht;    fig    poeslief. 
sill    [sil]    drempel;   vensterbank. 
silly  ['sili]  onnozel,  dom,  dwaas,  kin- 

derachtig,    flauw,    gek,    sullig. 
silt   [silt]   slib  o\  vi  dichtslibben,  ver- 

zanden    (ook:    ■ —    up). 
silver    ['silva]    zilver    o\    aj    zilveren; 

vt  verzilveren. 
silverware    ['silvawea]    zilverwerk    o, 

tafelzilver   o. 
silvery     ['silvari]     zilveren,    zilverwit, 

(zilver) blank,  zilver-. 
similar  ['simila]  dergelijk,  gelijksoor- 

tig;  gelijk,  overeenkomstig. 
similarity    [simi'lsriti]    gelijksoortig- 

heid;  overeenkomstf  igheid) . 
similarly    ['similali]   op  dezelfde  wij- 

ze,  insgelijks,  evenzo. 
simile  ['simili]  gelijkenis,  vergelijking. 
similitude    [si'militju:d]    gelijkenis, 

gelijkheid,  overeenkomst. 
simmer   ['sima]    (op  't  vuur  staan) 

pruttelen. 
simple   ['simpl]   enkelvoudig;  eenvou- 

dig,   gev/oon;    simpel,    onnozel. 
simpleton    ['simpltan]    hals,    onnozele 

bloed. 
simplicity    [sim'plisiti]    eenvoud(ig- 

heid);    onnozelheid. 
simplification    [simplifi'keijan]    ver- 

eenvoudiging. 
simplify  ['simplifai]  vereenvoudigen. 
simply    ['simpli]    eenvoudig,   gewoon- 

weg;    alleen    (maar),   enkel. 
simulate   ['simjuleit]   veinzen,  voor- 

wenden,    (bedrieglijk)    nabootsen. 
simultaneity   [simalta'ni:iti]   gelijktij- 

digheid. 
simultaneous    [simal'teinjas]    gelijk- 

sin    [sin]   zonde;  vi  zondigen. 

since   [sins]    sedert,  sinds(dien);   aan- 

gezien;    ever    ■ — ■,    sedert. 
sincere    [sin'sia]    oprecht,  ongeveinsd. 


sincerely  259 


sketchy 


sincerely    [sin'siali]    oprecht;    yours 

— ,   uw  dienstwillige  dienaar  enz. 
sincerity   [sin'seriti]   oprechtheid. 
sinew  ['sinju:]  zenuw  [:=  pees],  spier. 
sinewy   ['sinjui]   zenig;  gespierd, 

sterk,  fors. 
sinful  ['sinful]   zondig,  verdorven. 
sing   [sir]]   zingen,  bezingen. 
singe    [sinds]    (ver)zengen,    (ver)- 

schroeien. 
singer  ['sins]   zanger. 
singing-bird    ['s!i)ir)b3:d]    zangvogel. 
single   ['sirjgl]   enkel;  afzonderlijk;  al- 

leen;  eenvoudig;  enig;  eenpersoons; 

ongetrouwd;    enkele    reis;    enkelspel 

o\   vt   ■ — ■    out,    uitkiezen. 
single-handed    ['sirjgl'hasndid]    alleen, 

zonder  hulp. 
singly  ['siggli]  afzonderlijk,  een  voor 

een;   alleen. 
singsong   ['sirjsDij]    deun,   dreun;   aj 

deunend,  eentonig. 
singular    ['sirjgjuls]    enkelvoud    o\    aj 

enkelvoudig;    bijzonder,    zonderling, 

eigenaardig. 
sinister    ['sinista]    onheilspellend;   on- 

gunstig    [uiterlijk]. 
sink    [sirjk]    zinkput;   gootsteen;    riool 

o    8i    v;    vi    zinken,    zakken,    dalen; 

fig  verflauwen,  afnemen,  verzinken, 

bezwijken;     his     heart    sank    within 

him,    de    moed    begaf    hem;    vt    tot 

zinken     brengen;     neerlaten;     laten 

hangen   [het  hoofd];   graven,  boren 

[put];    graveren    [stempel];    delgen 
_  [schuld]. 
sinking-fund    ['sif)kir)f\nd]    amortisa- 

tiefonds  o. 
sinner   ['sina]    zondaar. 
sinuosity  [sinju'Dsiti]   bochtigheid; 

kronkeling,  bocht. 
sinuous  ['sinjuss]  bochtig,  kronkelig. 
sip    [sip]    teugje   o;   vt   lepp(er)en, 

slurpen;    (in)zuigen. 
siphon   ['saifan]   fievel;  sifon. 
sir    [sa:]    beer,  mijnheer;   Sir  als  titel 

V.  baronet  of  knight. 
sire    ['saia]     (voor)vader;    Sire    [als 

aanspreking] . 


siren    ['saiaran]    sirene. 

sirloin   ['sa:bin]    frunder)lendestuk  o. 

siskin   ['siskin]   sijsje  o. 

sister   ['sista]    zuster. 

sisterhood    ['sistehud]    zusterschap  a. 

sister-in-law    ['sistarinb:]    schoonzus- 

ter. 
sisterly   ['sistali]   zusterlijk,  zuster-. 
sit  [sit]  vi  zitten;  zitting  houden  (heb- 

ben);    poseren    [voor    portret];    — 

down,  gaan  zitten;   ■ — '  ii  p,  recht- 

op   of   overeind    (gaan)    zitten,   op- 

zitten;  he  sat  up  at  that,  daar  keek 

hij   van   op. 
site  [sait]   ligging;  plekje  o\   (bouw)- 

terrein  o. 
sitting-room  ['sitirjrum]  huiskamer; 

zitplaats(en). 
situated  ['sitjueitid]  gelegen,  ge- 

plaatst. 
situation  [sitju'eijan]  ligging;  positie; 

situatie,  toestand;  plaats,  betrekking; 

we  are  not  in  a   —   to...,   wij   zijn 

niet  in  staat,  wij  kunnen  niet. 
six   [siks]   zes;    —   of  one  and  half  a 

dozen   of   the   other,   lood   om    oud 

ijzer;  at  — es  and  sevens,  overhoop, 

in   de  war. 
sixteen    ['siks'ti:n]    zestien. 
sixteenth    ['siks'ti:n0]    zestiende 

(deel   o). 
sixth   [siksG]   zesde   (deel  o). 
sixtieth   ['sikstiiB]    zestigste   (deel  o). 
sixty   ['siksti]   zestig. 
sizable    ['saizabl]    tamelijk   dik,   groot 

&;    flink,    behoorlijk. 
size    [saiz]    grootte,     omvang,     maat, 

nummer    o\    afmeting,    formaat    o\ 

kaliber  o;  gestalte. 
skate  [skeit]  schaats;  vi  schaatsen. 
skating-rink   ['skeitirjrirjk]   zie  rink. 
skein   [skein]   streng;  kluwen  o. 
skeleton    ['skelitan]    geraamte  o,   ske- 

let  o;  fig  schets,  schema  o\  kader  o\ 

kern. 
skeleton  case  ['skelitankeis]  krat  o. 
sketch    [sketj]    schets;    vt   schetsen. 
sketchy    ['sketji]    schetsmatig,    vluch- 

tig;  vaag,  oppervlakkig. 


ski 


260 


sledge 


ski    [Ji:,   ski:]    ski;    vi   skien. 

skid  [skid]   remketting,  remschoen;  vi 

slippen;    glijden;    remmen. 
skilful   ['skilful]   bekwaam,  handig. 
skill    [skil]    bekv/aamheid. 
skilled    [skild]    bekwaam,    bedreven; 

vakkundig;  geschoold    [arbeider]. 
skim    [skim]    afschuimen,    afromen; 

scheren  (langs,  over)\  vluchtig  door- 

lopen;    -~   milk,   taptemelk. 
skimmer    ['skims]    schuimspaan. 
skimp   [skimp]   krap  bedelen,  beknib- 

belen;  erg  zuinig  zijn,  bezuinigen. 
skimpy  ['skimpi]  schraal,  karig,  krap. 
skin     [skin]     huid,    vel    o\    schil;    by 

the    —    of   one's   teeth,    net   op   het 

kantje  af;  vt  met  een  velletje  bedek- 

ken;   villen,  pellen. 
skinflint    ['skinflint]    schrielhannes. 
skinny    ['skini]    broodmager;   huid-. 
skip    [skip]    sprongetje    o;    vi    (touw- 

tje)springen,    huppelen;    • —    {over), 

overslaan   [bij  't  lezen]. 
skipper   ['skipa]   schipper   [gezagvoer- 

der]. 
skipping-rope    ['skipigroup]    spring- 
to  uw    0. 
skirmish    ['skaimij]    schermutseling; 

vi  schermutselen. 
skirt  [sk3:t]  slip,  pand  o\  rand,  zoom; 

grens;    (vrouwen)rok;   vt  omzomen, 

begrenzen;  langs  de  rand,  zoom  of 

kust  gaan,  varen,   &. 
skit    [skit]    schimpscheut;  parodie. 
skittish    ['skitij]    schichtig;   grillig, 

dartel. 
skittle  ['skitl]  kegel;  — s,  kegelspel  o. 
skittle-alley    ['skitlaeli]    kegelbaan. 
skull   [skAl]    schedel;   doodskop. 
sky    [skai]    lucht,    iuchtstreek,    hemel, 

uitspansel   o. 
skylark    ['skailaik]    leeuwerik. 
skylight    ['skailait]    dakraam    o,    val- 

licht  0,  bovenlicht  o. 
sky-line    ['skailain]    horizon;   silhouet. 
sky-scraper    ['skaiskreipa]    wolken- 

krabber. 
slab    [slash]    (marmer)plaat,   platte 

steen;  plak  [koek  &],  moot  [vis]. 


slack    [slask]    slap,  los;   laks;   loom. 
slacken    ['slsekn]     (laten)    verslappen, 

(ver)minderen;    vieren;    zijn    vaart 

verminderen. 
slack-lime    ['slasklaim]    gebluste  kalk. 
slag  [slseg]  slak(ken);  basic  — ,  slak- 

kenmeel  o. 
slain    [slein]    V.D.   van  slay;    be    ■ — ■, 

sneuvelen;    the     ■ — ',    de    gevallenen 

(gesneuvelden). 
slake  [sleik]  lessen;  blussen  [kalk]. 
slam   [slaem]   hard  dichtslaan. 
slander    ['slamds]    laster;    vt    (be)las- 

teren. 
slanderer   ['slaindars]    lasteraar. 
slanderous    ['slaindaras]   lasterlijk. 
slang    [slsrj]    het    niet    algemeen-be- 

schaafd  Engels;  dieventaal. 
slant  [sla:nt]  helling;  vi  hellen,  schuin 

(in)vallen;    vt   doen   hellen,    schuin 

houden   of   zetten. 
slanting  ['slamtirj]   hellend,  schuin. 
slap    [slaep]    pats,    pardoes,    vierkant; 

klap,  mep;  vt  slaan,  een  klap  geven, 

meppen. 
slash  [slaej]  houw,  jaap,  veeg;  vi  (om 

zich  been)    slaan,   hakken. 
slate    [sleit]    lei   o    [stofnaam],   lei   v 

[voorwerpsnaam];  a]  leien,  leikleu- 

rig;  vt  met  leien  dekken;  jig  duchtig 

op   zijn  kop  geven. 
slate-pencil    ['sleitpensil]   griffel. 
slater    ['sleits]    leidekker. 
slattern    ['slsetan]    slons;   a]   slonzig. 
slaughter  ['sb:t3]   slachting;  bloed- 

bad  o\  vt  slachten,  vermoorden. 
Slav  [sla:v]   Slaaf;  aj  Slavisch. 
slave   [sleiv]    slaaf,   slavin;   vi  slaven, 

sloven. 
slaver    ['sleivs]    slavenhandelaar;    sla- 

venhaler  [schip];  ['slseva]  kwijl,  ge- 

kv.'ijl  o\  VI  kwijlen. 
slavery    ['sleivsri]    slavernij. 
slavey    ['slasvi]    bellenmeisje   o. 
slavish   ['sleivij]   slaafs. 
slay  [slei]  doden,   (,neer)vellen,  afma- 

ken,  slachten. 
sled   [sled]   slede,  sleetje  o. 
sledge    [sled^]    sle(d)e;    voorhamer. 


sleek 


261 


sloth 


sleek  [sli:k]  glad;  gladharig;  glanzig; 
fig  zalvend. 

sleep  [sli:p]  slaap;  have  a  — ,  sla- 
pen;  t'i  slapen;   staan   [v.   tol]. 

sleeper    ['sliips]     slaper;    slaapkop; 
dwarsligger;   slaapwagen. 

sleeping-bag    ['sli:pir)baeg]    slaapzak. 

sleeping-car    ['sli:pii]ka:]    slaapwagen. 

sleeping-compartment    ['slirpigkam- 
paitmant]   slaapcoupe. 

sleeping  partner  ['sliipirj'paitns]  stil- 
le  vennoot. 

sleepless    ['sli:plis]    slapeloos. 

sleep-walker  ['slirpwDika]  slaapwan- 
delaar. 

sleepy    ['sli:pi]    slaperig;   slaapwek- 
kend;   slaap-;   melig    [v.   perenj. 

sleet   [sli:t]    natte  sneeuw  of  hagel. 

sleeve  [sli:v]  mouw;  laugh  in  one's 
— ,  in  zijn  vuistje  lachen;  have  up 
{in)  one's  — ,  achter  de  hand,  in 
petto   hebben. 

sleeveless  ['sli:vlis]  zonder  mouwen. 

sleeve-links  ['sli:vlir|ks]  kettingman- 
chetknopen. 

sleigh    [slei]    (arre)slede,  slee. 

sleight  [slait]  handigheid,  behendig- 
heid;  list,  kunstgreep. 

slender  ['slenda]  slank,  rank;  dun, 
mager,  gering;  zwak. 

slept    [slept]   V.T.  &  V.D.  v.  sleep. 

sleuth  [slu:0]  speurhond;  fig  detec- 
tive;  -^   hound,  bloedhond. 

slew  [slu:]   V.T.  van  slay. 

slice  [slais]  sneetje  o,  schijfje  o,  plak; 
(vis)schep;  a  —  of  bread  and  but- 
ter, een  (enkele)  boterham;  vt  in 
sneetjes,  dunne  schijven  of  plakken 
snijden. 

slick  [slik]  glad,  rad,  vlug,  vlot;  pre- 
cies;   vlak. 

slid   [slid]   V.T.  &  V.D.  van  sltde. 

slide  [slaid]  glijbaan;  hellend  vlak  o\ 
lantaarnplaatje  o;  schuif;  aardver- 
schuiving;  {vt  &)  vi  (laten)  glij- 
den,  glippen;   schuiven;  uitglijden. 

slide-fastener  t'slaidfaisns]  trekslui- 
_ting. 

slide-rule    ['slaidru:!]    rekenlat,    -lini- 


aal. 

slight  [slait]  geringschatting;  put 
{pass)  a  ■ — ■  on,  geringschatten,  ver- 
onachtzamen;  a]  licht;  tenger;  zvi^ak, 
gering;  vt  geringschatten;  versma- 
den,   verontachtzamen. 

slightly  ['slaitli]  licht;  enigszins,  iet- 
wat,   een   beetje. 

slim   [slim]   slank,  smal,  dun,  schraal. 

slime  [slaim]  slib  o\  slijm  o  Si  m  [v. 
aal]. 

slimy   ['slaimi]   slibberig,  glibberig. 

sling  [slirj]  slinger;  verband  o,  draag- 
band;  riem  [v.  geweer];  vt  slinge- 
ren;  gooien;  ophangen. 

slink    [slirjk]    (weg)sluipen. 

slip  [slip]  uitglijding;  fig  vergissing; 
aardschuiving;  (kussen) sloop,  over- 
trek  o  8i  m;  stek;  band;  strook  pa- 
pier; scheepshelling;  give  a  person 
the  ' — ,  iemand  in  de  steek  laten; 
iemand  weten  te  ontkomen;  tiiake  a 
■ — ■,  zich  vergissen;  vi  slippen,  (uit)- 
glijden,  (ont) glippen;  (weg)sluipen; 
schuiven;  /'/  had  — ped  my  memory, 
't  was  mij  ontschoten. 

slipper    ['slips]    pantoffel,   muil,   slof. 

slippery    ['slipsri]    glibberig,   glad. 

slipway    ['slipwei]    sleephelling. 

slit  [slit]  lange  snee,  spleet,  gleuf;  vt 
(door) snijden,  splijten;  V.T.  &  V.D. 
van  slit. 

slithery  ['sliSsri]  glibberig. 

slobber   ['sbba]   kwijlen. 

slog  [sbg]  kloppartij;  vi  crop  los- 
sl  aan   ( timmeren  ) . 

slogan    ['slougan]    strijdkreet,    leus; 
slagzin. 

sloop    [slu:p]    sloep. 

slop-basin  ['sbpbeisn]   spoelkom. 

slope  [sloup]  schuinte,  glooiing,  hel- 
ling; vi  glooien,  hellen,  schuin  af- 
lopen;   vt  schuin  houden. 

slop-pail   ['sbppeil]    toiletemmer. 

sloppy    ['sbpi]    morsig;    slordig;   fig 
sentimenteel. 

slops  [sbps]  vuil  water  o\  spoelsel  o. 

slot    [sbt]    gleuf,    sleuf;    sponning. 

sloth   [slouG]    luiheid,  traagheid. 


slothful 


262  smudge 


slothful   ['slou6ful]    lui,  traap. 

slough    [slau]    (modder)poel. 

sloven    ['sUvn]    sloddervos. 

slovenly    ['slAvnli]    slordig,    slonzig. 

slow  [slou]  langzaam,  traag,  loom; 
saai,  vervelend;  ten  minutes  ■ — ■,  tien 
minuten  achter;  vi  (de)  vaart  ver- 
minderen   (ook  —   down,  up). 

slow-coach   C'sloukoutJ]    treuzelaar. 

sludge  [slAds]  modder,  slik  o. 

slug  [sUg]  slak  (zonder  huisje);  //.? 
luiaard,  leegloper. 

sluggard   ['sUgsd]    luiaard,  luilak. 

sluggish    E'slAgiJ]    lui,    traag. 

sluice    [slu:s]    sluis. 

sluice-gate   ['slu:sgeit]    sluisdeur. 

slum    [sUm]    slop   o,   achterbuurt. 

slumber  ['slAmbs]  sluimering;  vi  slui- 
meren. 

slump  [sUmp]  plotselinge  afname,  da- 
ling,  malaise;  vi  plotseling  afnemen, 
dalen. 

slung  [sUrj]  V.T   &  V.D.  v.  slirif:,. 

slunk  [slAgk]   V.T.  &  V.D.  v.  slink. 

slur  [sb:]  klad,  smet,  vlek;  vt  losjes 
heenlopen  over;  laten  ineenvloeien; 
wegmoffelen;   verdoezelen. 

slush   [sIaJ]   zie  sludge. 

slut  [sUt]   slons. 

sly  [slai]  sluw,  listig,  slim;  on  the  '~, 
otiekem. 

slyboots   ['slaibu:ts]   slimmerd. 

smack  [smask]  smak,  pats,  klap;  knal 
[v.  zweep];  smaakje  o\  geurtje  o\ 
tikje  o\  tintje  o;  vt  smakken  met, 
doen  knallen;  meppen,  siaan  op;  vi 
•~'  oj,  smaken  naar;  jig  rieken  naar. 

small  [sm3;l]  klein,  gering,  weinig; 
kleingeestig;  dun  [bier];  fijn;  — 
talk,  beuzelpraatjes;  —  wares,  kra- 
merijen,   garen   en   band. 

smallpox   ['smDilpjks]   pokken. 

smalt   [smDilt]   smalt. 

smart  [sma:t]  scherp,  pijnlijk,  vinnig; 
flink,  vlug,  knap,  gevat;  keurig, 
chic;  vi  zeer  of  pijn  doen,  schrijnen, 
lijden;   boeten. 

smarten   ['sma;tn]    mooi  maken,  op- 
knappen  (ook:   -~  up). 


smash  [smsej]  smak,  slag,  botsing; 
bankroet  o;  go  {to)  ■ — ■,  kapot  gaan; 
over  de  kop  gaan;  vt  stukslaan,  in- 
slaan,  ingooien;  stuksmijten;  ver- 
morzelen,  vernietigen;  — ed,  ook: 
failliet;  vi  breken;  over  de  kop  gaan. 

smear  [smia]  vlek,  smet,  (vette)  veeg; 
vt    (be)smeren,   bezoedelen. 

smell  [smel]  reuk,  geur,  lucht,  luchtje 
o\  vi  (&  vt)  ruiken  (aan);  • —  out, 
opsporen,  achter  iets  komen. 

smelt  [smelt]  spiering;  V.T.  &  V.D. 
v.  smell;  vt  [erts]    smelten. 

smile  [small]  glimlach;  vi  glimlach- 
en,  lachen  (tegen,  om,  at);  —  {up)- 
on,  toelachen. 

smirch  [sm3:tj]  (vuile)  plek;  veeg, 
klad;  jig  smet;  vt  bevuilen,  beklad- 
den,   besmeuren. 

smirk    [sm3:k]    gemaakt  lachen. 

smite   [smait]   treffen,  slaan,  verslaan. 

smith   [smiG]    smid. 

smithy    ['smiSi]    smederij,   smidse. 

smitten  ['smitn]  V.D.  van  smite. 

smock   [smsk]    kiel. 

smoke  [smouk]  rook,  damp;  have  a 
"-^l,  steek  eens  op!;  vi  roken,  dam- 
pen; walmen  [lamp];  vt  roken;  be- 
token. 

smoker    ['smouka]    roker;    rookcoupe. 

smoking-carriage    ['smoukirjkaerids] 
rookcoupe. 

smoky   ['smouki]    rokerig,  walmend; 
berookt;   rook-. 

smooth  [smu:3]  glad,  vlak,  effen, 
vloeiend;  vlot;  jig  vriendelijk,  vlei- 
end;  vt  glad,  vlak  of  effen  maken, 
gladstrijken,  gladschaven;  effenen; 
doen  bedaren;  uit  de  weg  ruimxn 
[moeilijkheden];  bewimpelen  [een 
misslag]. 

smote  [smout]  V.T.  van  smite. 

smother  ['sniASa]  smook,  walm,  stof 
o;  vt  smoren,  verstikken;  in  de  doof- 
pot  stoppen   (ook:    ^   up). 

smoulder   ['smoulda]   smeulen. 

smudge  [smAds]  veeg;  vlek,  smet;  vl 
bevlekken,  bevuilen,  besmeuren;  w' 
smetten. 


smudgy 


263 


sobriety 


smudgy    ['smAd3i]    vuil,    smerig. 

smug  [smAg]  (burgerlijk)  net,  braaf, 
zelfvoldaan. 

smuggle   ['smAgl]   smokkelen. 

smuggler    ['smAgb]    smokkelaar. 

smut  [smAt]  roet  o,  roetvlek;  vuiltje 
o,  vuiligheid. 

smutty    E'siiiAti]    vuil. 

snack  [snaek]   hapje  o  [eten]. 

snack  bar  ['sna^kba:]  snelbuffet  o. 

snail    [sneil]    (huisjes)slak. 

snail-shell   ['sneiljel]   slakkehuisje  o. 

snake   [sneik]    slang. 

snap  [snasp]  snap,  hapje  o,  beet;  klap, 
knip;  knak,  breuk,  barst;  kiekje  o\ 
jig  gang,  fut;  vi  happen  (naar,  at); 
(af)knappen  (ook  —  off);  klap- 
pen;  knippen;  vt  doen  (af)knappen, 
knallen;  (toe)snauwen;  kieken;  — 
up,  opvangen;  wegkapen;  oppikken. 

snappy  ['snaepi]  knappend;  chic;  snib- 
big,   bits. 

snapshot    ['snaspjDt]    kiek. 

snare    [snea]    strik;    vt    (ver)strikken. 

snarl  [sna;l]  grauw,  snauw;  vi  grau- 
wen,  snauwen,  grommen. 

snatch  [snastj]  ruk,  grecp;  brok  m  & 
V  oi  o  [muziek];  by  — es,  bij  tus- 
senpozen;  vt  (weg)snappen,  (weg)- 
rukken,   afrukken,    (aan)grijpen. 

sneak  [sniik]  gluiper;  (ver)klikker; 
vi  gluipen,  kruipen;  klikken;  gap- 
pen. 

sneaky    ['sni:ki]    gluiperig. 

sneer  [snis]  spottende  grijns(lach) ; 
vi  grijnslachen;    spotten    (met,    at). 

sneeze  [sni:z]   niezen. 

sniff  [snif]  vi  snuiven;  snuffelen;  -~ 
at,  ruiken  aan,  besnuffelen;  fig  de 
neus  optrekken  voor;  vt  opsnuiven 
(ook:    —   up);  ruiken. 

snigger   ['snigs]   giechelen,  grinniken. 

snipe  [snaip]  snip,  snippen;  vi  snip- 
pen  schieten;  verdelit  opgesteld 
schieten. 

sniper    ['snaips]    sluipschutter. 

snivel    ['snivl]    snotteren,   jengelen. 

snob    [snob]    poen,  parvenu. 

snobbish    ['snobij],    snobby    ['snobi] 


snobachtig,  poenig. 
snore    [snD;]    snurken,   ronken. 
snort    [snD:t]    snuiven,   proesten,   ron- 
ken [v.  machine]. 
snout    [snaut]    snoet,   snuit;   tuit. 
snow    [snou]    sneeuw;    vi  sneeuwen. 
snow-drift    ['snoudrift]    sneeuwjacht; 

sneeuwbank. 
snowdrop  ['snoudrDp]  sneeuwklokje  o. 
snow-flake    ['snoufleik]    sneeuwvlok. 
snowy  C'snoui]  sneeuwachtig,  sneeuw- 

wit;    besneeuwd;    sneeuw-. 
snub   [snAb]   snauw,  hatelijke  terecht- 

wijzing;     vt    afsnauwen    [iemand] ; 

minachtend  afwijzen. 
snub-nosed  ['snAbnouzd]  stompneuzig. 
snuff    [snAf]    snuif. 
snuff-box    L'snAfboks]    snuifdoos. 
snug   [snAg]   gezellig,  lekker;  knus. 
snuggle   ['snAgI]    knus(sig)    liggen, 

zich  vlijen. 
so    [sou]    zo;    (o)    zo  graag,  zodanig; 

zulks,  dat;  dus,  derhalve;  —  there!, 

nu  weet  je  't!;  he  was  glad  and  ~' 

was  I,  en  ik  ook;  1  believe   {think) 

■ — ■,   ik  geloof   (denk)    van  wel;    — 

that,   zodat;   opdat. 
soak  [souk]  weken,  op-,  inzuigen,  op- 

slurpen;   doordringen,  drenken;  — ed 

in,   fig   doorkneed    in;    '^ed    {with 

rain),  doornat. 
soaking  ['soukig]   doorweekt,  kletsnat 

(makend);   -^^   wet,  doornat. 
so-and-so    ['souansou]    dinges,    hoe 

heet-ie   ook  weer. 
soap   [soup]    zeep;   vt   (in)zepen. 
soap-dish    ['soupdij]    zeepbakje  o. 
soap-suds   ['soupsAdz]   zeepsop  o. 
soap-works  ['soupw3:ks]  zeepfabriek. 
soapy    ['soupi]    zeepachtig,   zeep-. 
soar   [sd:]   hoog  vliegen;  zweven;  om- 

hoog  vliegen;  zich  verheffen. 
sob    [s3b]    snik;   vi    (uit)snikken. 
sober   ['souba]    sober,  matig;  nuchter, 

verstandig;    bezadigd;    stemmig;    be- 

scheiden;    vt    (doen)    bedaren,    ont- 

nuchteren. 
sobriety    [sou'braisti]    matigheid,    so- 

berheid,  bezadigdheid;  stemmigheid. 


so-ca 


lied 


264  somebody 


so-called   [sou'kD:ld]    zogenaamd. 
sociable    ['soujsbl]    gezellig. 
social  ['soujal]  maatschappelijk;  gezel- 
lig; a  — ,  een   (gezellig)  avondje  o. 
socialism    ['soujglizm]    socialisme  o. 
socialist    ['soujalist]    socialist;   a] 

socialistisch. 
society     [ss'saiati]     maatschappij;    sa- 

menleving;   vereniging,   genootschap 

0;  de   (grote)   wereld;  gezelschap  o. 
sock   [s3k]    sok;  mep. 
socket    ['s3kit]    pijp    [v.   kandelaar] ; 

kas;  holte   [v.   tand] ;  stopcontact  o, 

contactdoos;    (lamp)houder. 
sod   [s3d]    zode. 

soda   E'souda]    soda;  spuitwater  o. 
sodden    ['sDdn]    doorweekt,    doortrok- 

ken. 
sofa   C'soufa]    sofa,  canape. 
soft   [s3ft]   zacht,  week,  slap;  jig  ver- 

wijfd,    zoetsappig;    sullig,    onnozel; 

be    '~    on,    verliefd    zijn    op;    a    ■ — 

job,    een    makkelijk    baantje    o;    — 

drinks,  niet-alcoholische  dranken;  -^ 

goods,  manufacturen. 
soften  ['sDfn]   vi  zacht,  week  worden; 

milder    gestemd,    vertederd    worden 

(ook:    • — •   down);    vt   zacht   maken, 

verzachten,   lenigen;   jig  verw'ekelij- 

ken;  vermurwen. 
soggy   ['sDgi]   drassig