Skip to main content

Full text of "Aanteekeningen over Megachiroptera"

See other formats


152 


ZOOLOGISCHE MEDEDEELINGEN — BEEL II. 


XVII. — AANTEEKENINGEN OVER MEGACHIROPTERA 
DOOR D r . P. A. DIETZ. — (MET 2 TEKSTFIGUREN.) 

Bij het doorzien der rijke verzameling Megachiroptera van het Rijks 
Museum van Natuurlijke Historie te Leiden — waartoe ik door den Heer 
Directeur dezer inrichting welwillend in de gelegenheid werd gesteld — 
trokken enkele bijzonderheden mijn aandacht. Ofschoon het hier slechts 
losse waarnemingen geldt, kan het zijn nut hebben deze te publiceeren; 
ik geef ze echter slechts als aanvulling op enkele punten van het groote 
werk van Knud Andersen: Catalogue of the Chiroptera in the Collection 
of the British Museum, Sec. ed. Vol. I. 

a. Eidolon helvum Kerr en Eidolon dupreanum Schl. et Poll. 

De Afrikaansche (helvum) en de Madagascareensche soort (dupreanum) 
van het geslacht Eidolon onderscheiden zich voornamelijk van elkander, door- 
dat bij de laatste het craniale rostrum naar verhouding een weinig langer en 
slanker is: de afstand van den voorrand der orbita tot het einde der 
nasalia is bij E. dupreanum gelijk aan of iets grooter dan de lengte van 
de rij tanden der bovenkaak, gerekend van hoektand tot laatste kies (m 2 ); 
terwijl bij E . helvum deze afstand iets korter is dan de rij tanden. Boven- 
dien is E. dupreanum een weinig grooter. 

Ik kan hier nog aan toevoegen, afgaande op het ter beschikking zijnde 
materiaal, dat er een duidelijk verschil bestaat tusschen den vorm der 
onderkaak van beide soorten, nl. van het deel van den achterrand, ge- 
legen beneden den condylus. Zooals uit de beschouwing der bijgevoegde 
lijnteekeningen blijkt, gaat bij E. dupreanum (A) deze rand bijna recht 



naar beneden, om vervolgens afgerond over te gaan in den benedenrand. 
Bij E. helvum (B) daarentegen is het overeenkomstige randgedeelte sterk 
ingebogen; de gevormde inham is bijna even groot als de tusschen 
condylus en processus coronoideus gelegen bocht; dientengevolge is de 





’sRIJKS MUSEUM VAN NATUURLIJKE HISTORIE — LEIDEN. 153 


processus angularis een sterk vooruitspringend uitsteeksel, dat achter- 
en benedenrand van den onderkaak scherp scheidt. Bij een ander exem- 
plaar is dit kenmerk nog veel sterker uitgedrukt dan bij het afgebeelde. 

b . Rousettus shortridgei Thos. et Wrought. 

Deze soort was tot nog toe slechts bekend van Kalipoetjang in Zuid- 
Java en is nog maar in enkele exemplaren beschreven. Zij is verwant 
(misschien wel identisch ?) met de Engelsch-Indische R. leschenaulti . Ik 
trof haar in de verzameling aan in twee exemplaren, het eene geetiketteerd 
als Cynonycteris amplexicaudata , het ander nog ongedetermineerd. Het 
eerste exemplaar (a, nog niet in de uitgave van den Catalogus van 1888 
opgenomen) is een zeer oud wijfje, door Dr. J. F. van Bemmelen aan 
het museum geschonken. Als plaats van herkomst is alleen opgegeven 
„Java”. De tanden zijn in sterke mate afgesleten, sommige zclfs totaal 
weggesleten. Gelukkig is echter aan de rechterzijde de laatste kies van 
de onderkaak (m 3 ) nog aanwezig, en kenmerkt het dier door zijne lang- 

gerekte vorm als een R. shortndgeu Het tweede exemplaar (b) is een 

jong, nauwelijks volwassen mannetje, afkomstig van Bandoeng, door Dr. 
J. H. V. Kohlbrugge geschonken. 

Het door Anderson beschreven en gemeten individu is klaarblijkelijk 
een bijzonder groot specimen zijner soort (lengte van den benedenarm 

91 mm.). De beide hier aanwezige exemplaren zijn althans belangrijk 

kleiner, zoodat het verschil in grootte tusschen deze en de andere Javaansche 
soort (R. amplexicaudatus minor) niet zoo in ’t oog loopend is als hij 
aangeeft. Het grootte-verschil met 1L leschenaulti verdwijnt geheel, en 
het zoa inij niet verwonderen, als bij uitgebreider onderzoek bleek dat 
de nieuwe soort met deze identiek was, tenminste wanneer zij later ook 
op het schiereiland Malakka en Sumatra werd ontdekt. 

Ik geef in bijgaande tabel de maten der beide exemplaren: 

c. Dobsonia - mayna Thos. et Dobs., subsp. moluccensis Q. et G. 

Dobsonia moluccensis , van de Ambon-eilanden, Ceram, Boeroe en de 
Aroe-eilanden, wordt door Andersen in zijn hoofdwerk nog als specifiek 
verschillend van Dobsonia magna (Nieuw-Guinea, Mysool, Waigeoe) erkend, 
ofschoon er cigenlijk geen ander verschil bestaat, dan dat de laatste iets 
grooter is. In zijn ^addenda et corrigenda” bij het genoemde werk, spreekt 
hij echter het vermoeden uit, dat het beter is de twee vormen als sub¬ 
species van dezelfde soort te beschouwen, daar inmiddels bij uitbreiding 
van materiaal gebleken is, dat de minima van Dobs . magna de maxima 
van moluccensis dicht naderen of zelfs daaraan gelijk worden. „With 



LEDEMATEN. I SCHEDEL. i TANDEN. 


154 ZOOLOGISCHE MEDEDEELTNGEN — DEEL IL 


O) o oj oo oo o i> o h cq q iq ^ 


LO C© CO 00 CO 00 


,3 ,3 ;j3,_4.3 (- j;-Q__;pO_Jpfi«—S-o.—5 p^ 

p* ^ ^ g £5 A „ ^ Pj g ^ g g" ^ 


G -o 

s 


in ^ o ^ cm o os 

**? CM ^ ^ ^ ^ 


sf m io in 
^ iri i> if) cs ?? © 

CO 1 TH 


in in in inincoininininin 

i—i o io ^ cm o od o iri h in oi ni »n on 

<M tt< -t" ■'r-' t-< CO ti 


S3 
03 
T3 
C 

03 3 
£ -* 


^ G <£> 

3 8 7 


be - 


X> 


® <S -G 

g> I I 


c3 CO 

ft- ft- 


•+J 

o 

,C 

O 

5 

0J 

03 

G 

Gh 

J3 

Ti 

o 

^03 

J3 

X! 

+-> 

o- 

o 

eft 

Cft 

+2 

o 

Cft 

G 

1 

03 

G 

G 

"g 

£ 

G 

C3 

+* 

& 

03 

£ 

G 

be 

03 

2 

5 

G 

t- 

03 

03 

Cft 

s. 





Cl 


,o 



O 

■“ 



'--I 




ft 

03 

T3 

G 

« 

O 

A 


T3 

ft 

efl 


$ 

-G 

Ch 

£ 


73 

C3 


T3 

G 

O 


s s 


E Hi 

CM 

00 

CD 

CM 

39 

C5 

00 iO 

lO 

36 

3 

lft 

00 

CM 

oo 

00 

s 

CO 

CM 

29 


00 

r-< 

£ 














+i 

+1 

G . 

00 

05 

CM 

38 

05 

05 CO 

to 

i> 

CO 

00 

55 

o 

00 

CM 

CO 

S3 

l> 

CM 

a 

05 

t -1 

TT 1 

S B 














+1 

+1 


!> fM 
CO CM 


05 CM 
CO CM 


S’ 

o 

a 

+2 

03 


03 

A 

ft. 


Oh 

ft 

73 

w 

c3 


rt « 

A 

ft- 


ft- 

£ 

CJ 

G 


G 

J3 

Gh 


Oh 

ft 

o3 

o 

03 

■+J 

03 

s 


CM C3 


G 

03 

'GJ 

03 

G 

03 

« 


6 

ft 

03 

C3 

ft 

03 

ft 

03 

-*j 

bC 

G3 


• 

M 

03 

be 

bC 

bo 

bD 

03 

ft 

( i 

• 

.£ ® 


» 4 G « 

fl « 


be 

£ 

G 

* { 

*£ 



> 

ft 


C3 

A 

o 

Pu 

CM 

0) 

CO 

* 

v 

iO 

O 

O 

5=4 

-*-> 

r/j 

H 


bp 

G 


o 


1) geinetea van af den buitenrand dor kruonvlakte. 2) gemeten laags de kroonvlakten 




















’sRIJKS MUSEUM VAN NATUURLIJKE H1ST0RIE - LEIDEN, 155 


more complete material the overlapping may be found even greater” voegt 
hij hieraan toe. 

Dit vermoeden vindt zijne bevestiging door de beschouwing van 8 
alcohol-exemplaren, afkomstig deels van de Humboldtbaai (verzameld door 
de Nieuw Guinea expeditie Wiehmann 1903, twee ex., deels van „Alkmaar” 
Nieuw Guinea expeditie Lorentz 1909—1910, zes exemplaren). 

De lengtematen van den benedenarm varieeren van 134—154 mm., 
en komen dus een eind beneden het voor D. moluccensis opgegeven maxi¬ 
mum (146 mm.). Ter nadere illustreering volgen hier de maten van de 
twee kleinste exemplaren; a . afkomstig van de Humboldtbaai, b . van 
Alkmaar. 



mm. 

mm. 


■■ 

mm. 

mm. 


a. 

b. 


a. 

b. 

Benedenarm .... 

136 

13A 

Oor lengte 

32 

33 

Pollex e. ung. 

57 

56 

» gr. breedte 

17 

17 

» metacarp . . . 

18 

20 

Tibia 

64 

61 

2 e vinger metacarp . . 

64 

62 

Voet c. ung. 

39 

40 

*) » lephal. . . 

18 

15 




3° vinger metarp. . . 

88 

87 




» 1® phal. . . 

69 

60 




» 2® phal. . . 

88 

90 


i 

i 


4 e vinger metacarp . . 

80 

77 




» l e phal. . . 

61 

— 




it 2e » . . . 

i — 

61 




5® vinger metacarp . . 

j 82 

83 




» l e phal. . . 

00 

43 




» 2® » . . . 

50 

50 

i 




1) andere phaiangen gebroken.